KLEKI-PETRA.
Reading edition
De herfst die in Noord-Amerika zoo mooi kan zijn, liep ten einde; wij waren reeds meer dan drie maanden bezig geweest en nog was onze taak niet afgeloopen, terwijl de andere secties meest allen reeds naar huis waren teruggekeerd. Daarvoor bestonden twee redenen.
Ten eerste hadden wij een zeer moeielijke streek te bewerken. De weg moest den loop van de Canadian-rivier volgen, de richting was dus tot aan het brongebied van deze rivier voorgeschreven, terwijl hij van Nieuw-Mexico uit, door de ligging der dalen en passen was bepaald. Onze sectie evenwel, lag tusschen de Canadian-rivier en Nieuw-Mexico in, en wij moesten zelf de geschiktste richting zoeken. Daarom moesten wij vele tijdroovende ritten, vele inspannende zwerftochten en vele opmetingen doen, voor wij met het eigenlijke werk konden beginnen. Bovendien bevonden wij ons in een gevaarlijke streek, want er zwierven in deze buurt gedurig Indianenstammen rond, die van een spoorweg, door een terrein, dat zij als het hunne beschouwden, niets wilden weten. Wij moesten dus steeds op onze hoede zijn en dit maakte ons werk zooveel moeilijker. Met het oog op deze rondzwervende stammen, moesten wij er ook van afzien op jacht te gaan, want dit zou hen op ons spoor kunnen brengen. Alles wat wij noodig hadden moest met ossenwagens uit Santa-Fé worden aangevoerd. Jammer genoeg was dit transport zeer ongeregeld en wij konden dikwijls niet met onze opmetingen voortgaan, omdat wij op de aankomst der wagens moesten wachten.
De tweede reden was deze. Ik heb reeds gezegd, dat ik in Sint-Louis zeer vriendelijk was ontvangen door den hoofdingenieur en de drie opzichters. Deze ontvangst deed mij verwachten, dat wij prettig samen zouden werken, maar daarin had ik mij vergist.
Mijn collega’s waren echte Yankees, die in mij den „greenhorn”, den onervaren Duitscher zagen. Zij wilden veel geld verdienen zonder er naar te vragen, of zij hun taak ook werkelijk naar behooren vervulden. Ik was als eerlijk man een doorn in hun oog, maar ik stoorde mij niet aan hen en deed, wat ik mijn plicht achtte. Reeds heel spoedig had ik opgemerkt, dat hun kennis niet heel groot was, zij lieten mij het moeielijkste werk doen en namen het zelf zoo gemakkelijk mogelijk op. Ik had daar niets tegen, want ik wist, dat men van werken beter wordt.
Mr. Bancroft, de hoofdingenieur, was de knapste van allen, jammer genoeg bleek het, dat hij duchtig de brandewijnflesch kon aanspreken. Sedert er eenige vaatjes van dit nat uit Santa-Fé waren meegebracht, hield hij zich daarmee meer bezig, dan met zijn meetinstrumenten. Het kwam wel voor, dat hij dagen aaneen dronken was en Rigss, Marcy en Wheeler, de drie opzichters, die met mij dezen snaps hadden moeten betalen, dronken, om niet aan het kortste eind te komen, met hem mee. Men kan dus denken dat deze heeren ook niet altijd in staat waren hun werk te doen. Daar ik nooit een droppel nam werkte ik alleen, terwijl zij afwisselend zich bedronken, of hun roes uitsliepen. Wheeler was nog de beste, want hij zag ten minste in, dat ik alles voor hem deed zonder daartoe verplicht te zijn. Dat het werk onder deze omstandigheden weinig vorderde, zal ieder kunnen begrijpen.
Het overige gezelschap liet niet minder te wenschen over. Wij hadden bij onze aankomst aan de sectie twaalf op ons wachtende prairiejagers gevonden. Ik, als nieuweling, koesterde in den eersten tijd, diepen eerbied voor hen, maar ik zag maar al te spoedig in, dat ik met lieden van zeer weinig zedelijk gehalte te doen had. Zij moesten ons beschermen en ons bij het werk behulpzaam zijn. Gelukkig kwam volle drie maanden lang niets voor, dat mij aanleiding kon geven, mij onder deze twijfelachtige bescherming te stellen en wat hun hulp bij het werk betreft, zoo kon ik met volle recht beweren, dat hier de twaalf grootste luiaards van de Vereenigde Staten bijeen waren gekomen. Hoe treurig moest het dus onder zulke omstandigheden, met tucht en orde gesteld zijn!
Bancroft was in naam het hoofd, hij deed ook, alsof hij dit was, gaf bevelen, maar niemand gehoorzaamde. Als hij iets zeide, lachte men hem uit, dan vloekte hij, zooals ik zelden een mensch heb hooren vloeken en ging naar het brandewijnvat om een kleine belooning voor deze inspanning. Rigss, Marcy en Wheeler deden niet veel anders. Ik had dus alle reden om de teugels in handen te nemen en ik deed dit ook, maar zoo, dat men het niet bemerkte. Zulk een jong en onervaren mensch kon door zulke lieden onmogelijk voor vol worden aangezien. Indien ik eens beproefd had op gebiedenden toon te spreken zou ik natuurlijk uitgelachen zijn geworden. Neen, ik moest voorzichtig te werk gaan, en hen met een zacht lijntje leiden, zoodat zij, denkende hun eigen zin te doen, per slot van rekening den mijnen volgden. Ik werd door deze half wilde, moeilijk te regeeren prairiejagers wel tienmaal daags een „greenhorn” genoemd, maar daaraan stoorde ik mij niet meer en werd er zelfs niet eens kregelig onder.
Hierbij had ik een voortreffelijke steun aan Sam Hawkins en zijn makkers, Dick Stone en Willy Parker. Deze drie mannen waren door en door eerlijk en bovendien wat ik den kleinen Sam bij onze eerste ontmoeting niet had aangezien, ervaren, verstandige, dappere jagers, wier namen een goeden klank hadden. Zij bemoeiden zich enkel met mij en lieten de anderen links liggen, evenwel zoo, dat deze zich niet beleedigd konden gevoelen. Vooral Sam Hawkins verstond de kunst, om, ondanks zijn dwaze eigenaardigheden, aan de anderen eerbied in te boezemen, en meestal wanneer hij op half strengen, half gekscherenden toon iets doorzette, geschiedde dit om mij behulpzaam te zijn in ’t geen ik wilde, dat gebeuren zou.
Er was tusschen hem en mij een soort van verhouding geboren geworden, die ik het beste met den naam van suzereiniteit, zou kunnen betitelen. Hij had mij onder bescherming genomen, en wel als iemand, wien men niet behoeft te vragen, of hem dit welgevallig is. Ik was een „greenhorn” en hij een ervaren prairiejager, wiens woorden en daden voor mij onfeilbaar dienden te zijn. Hij gaf mij zoo dikwijls zich daartoe de tijd en gelegenheid aanbood, theoretisch en practisch onderricht in alles, wat men in de Far-West moet weten en kennen, en wanneer ik heden ten dage moet erkennen, dat ik aan Winnetou’s zijde de hoogeschool doormaakte, zoo moet ik zeggen, dat Sam Hawkins mijn eerste onderwijzer is geweest. Hij maakte zelfs eigenhandig een lasso voor mij gereed en stond mij toe, mij in het werpen op zijn persoon en zijn paard te oefenen. Toen ik het daarmede zoover had gebracht, dat de strop bij iederen worp het doel greep, verheugde hij zich hartelijk met mij en riep:
—Mooi zoo, jongeheer, zoo gaat het goed. Maar trek u niet te veel aan van mijn goedkeuring. Een schoolmeester moet zelfs den domsten leerling zoo nu en dan eens een prijsje geven. Ik heb reeds menig jongmensch deze kunst geleerd en allen hebben het veel spoediger beetgehad, dan gij, maar wanneer gij u zoo vlijtig oefent, bestaat er kans, dat men u na zes of acht jaar, geen „greenhorn” meer behoeft te noemen. Tot zoolang moogt gij u troosten, met het spreekwoord, dat Hans wel eens door zijn domheid voortkomt.
Hij zeide dit met den grootsten ernst en ik hoorde het ook met denzelfden ernst aan, hoewel ik zeer goed wist, dat hij het anders meende.
Van al zijn lessen waren mij de practische het aangenaamste, want mijn eigen werk nam mij zoo in beslag, dat ik, wanneer Sam Hawkins er niet geweest was, er niet den tijd zou hebben afgenomen om mij nog te oefenen in de vaardigheden, die noodzakelijk zijn voor een goed prairiejager. Trouwens, wij deden deze oefeningen in ’t geheim en gingen steeds op zulk een afstand van de legerplaats, dat men ons niet kon zien. Sam was daarop gesteld en toen ik hem eens naar de reden vroeg, antwoordde hij:
—Dat gebeurt alleen om u, sir. Gij hebt zoo weinig aanleg, dat ik mij tot in mijn ziel zou schamen, als die kerels het zagen. Nu weet ge het, hihihihi! Steek die in je zak!
Het gevolg daarvan was, dat het geheele gezelschap mij, wat betreft hanteering der wapenen en lichamelijke kracht, voor een nul aanzag, wat mij echter niet in het minste hinderde. Niettegenstaande alle zooeven genoemde feiten, waren wij eindelijk toch zoover gekomen, dat wij de aansluiting aan de volgende sectie, na verloop van een week tegemoet konden zien. Om dit mee te deelen, moest een bode worden afgezonden. Bancroft verklaarde, dat hij deze boodschap zelf wilde brengen en een der jagers als gids wilde medenemen. Het was niet de eerste keer, dat er een boodschap moest worden gedaan; wij hadden, zoowel met de sectie voor als achter ons, steeds de gemeenschap onderhouden; daarvan wist ik dan ook, dat de ingenieur, die over de sectie vóór ons het bevel had, een flinke man was.
Het was op een Zondag, dat Bancroft den tocht wilde gaan aanvaarden. Hij vond het echter noodig eerst een afscheidsdronk aan te bieden. Ik alleen werd daarbij niet uitgenoodigd en Hawkins, Stone en Parker gaven aan de hun gedane uitnoodiging geen gevolg. Zooals ik wel gedacht had, hield men niet op met drinken voor Bancroft niet meer op de beenen kon staan en ook de anderen niet minder dronken waren dan hij. Van den voorgenomen tocht kon voorloopig niets komen. De kerels deden wat zij in dezen toestand altijd deden; zij gingen onder de boomen liggen om hun roes uit te slapen.
Wat nu te doen? De boodschap moest gedaan worden, en deze kerels zouden in elk geval niet voor laat in den middag wakker worden. Het was het beste, dat ik den tocht ondernam, maar kon ik wel weg? Ik wist zeker, dat er tot aan mijn terugkomst, die minstens vier dagen zou duren, van werken geen sprake zou zijn. Terwijl ik met Sam Hawkins stond te overleggen, wees deze met de hand naar het westen en zeide:
—’t Is niet noodig, sir, dat gij gaat, gij kunt de boodschap meegeven aan die twee, die daarginds aankomen.
Toen ik in de aangeduide richting keek, zag ik twee ruiters die snel naderden. Het waren blanken en in den eenen herkende ik den ouden scout (spoorzoeker), die reeds meermalen als boodschapper tusschen ons en de andere secties dienst had gedaan.
Naast hem reed een jonge man, die niet als prairiejager was gekleed, en dien ik niet kende. Ik ging hen tegemoet en toen ik hen bereikt had, hielden zij de paarden in en vroeg de jonge onbekende naar mijn naam. Ik zeide hem dien, hij zag mij met een vriendelijken blik aan en begon:
—Zoo, zijt gij de jonge Duitscher, die hier al het werk doet, terwijl de anderen op hun rug liggen? Ik zal u ook mijn naam zeggen, sir, ik heet White.
Dit was de naam van den ingenieur der westelijk aan ons grenzende sectie, aan wien de boodschap moest worden gericht. Er moest een bepaalde reden voor zijn, dat hij persoonlijk hier kwam. Hij steeg van zijn paard, stak mij de hand toe en liet zijn oog gaan over onze legerplaats. Toen hij de slapenden onder de boomen gewaar werd, gleed een veelbeteekenend, maar geenszins vriendelijk lachje over zijn gezicht.
—Zijn zij dronken?—vroeg hij.
Ik knikte toestemmend.
—Allen?
—Ja. Mr. Bancroft wilde naar u toe, en gaf eerst een klein afscheidsfeestje. Ik zal hem wekken en …
—Halt!—viel hij mij in de rede.—Laat hen slapen! Ik ben blij, dat ik met u kan spreken, zonder dat zij het hooren. Laat ons een weinig ter zijde gaan. Wie zijn de drie mannen, die daar bij u stonden?
—Sam Hawkins, Willy Parker en Dick Stone, onze drie vertrouwbare gidsen.
—Ah, Hawkins, de kleine zonderling, een flinke kerel, ’k heb wel van hem gehoord. Die drie mogen wel met ons gaan.
Ik wenkte hen en zeide intusschen tot Mr. White:
—Gij komt zelf hier, Mr. White, is er iets bijzonders aan de hand?
—Niets, dan dat ik zelf hier eens poolshoogte wilde nemen en met u, juist met u, wilde spreken. Wij zijn met onze sectie gereed, gij nog niet met de uwe.
—Dat komt van de moeilijkheden van het terrein, en ik wil …
—Ik weet het wel, ik weet het wel!—viel hij mij in de rede.—Ik weet helaas alles! Als gij niet werk voor drie hadt gedaan, stond Mr. Bancroft nog daar, waar hij moest beginnen.
—Dat is volstrekt het geval niet, mr. White. Ik weet niet, wie u verteld heeft, dat ik alleen vlijtig zou zijn geweest en het is mijn plicht—
—Zwijg, sir, er zijn telkens boden tusschen u en ons heen en weer gereden, en ik heb hen uitgehoord, zonder dat zij ’t merkten. Het is zeer edelmoedig van u, dat gij deze dronkaards in bescherming neemt, maar ik wil de waarheid weten. En daar ik zie en hoor, dat gij te eerlijk zijt, om haar mij te zeggen, zal ik het maar aan Sam Hawkins vragen. Laat ons gaan zitten!
Wij waren naar onze tent gegaan. Hij ging in ’t gras voor de tent zitten en noodigde ons uit ’t zelfde te doen. Toen wij goed en wel gezeten waren, begon hij Sam Hawkins, Stone en Parker uit te vragen. Zij vertelden hem alles, zonder een enkel woord te veel te zeggen, maar toch wierp ik zoo nu en dan een woordje in ’t midden, om mijn collega’s te verschoonen of te verdedigen.
Deze opmerkingen maakten evenwel niet den gewenschten indruk op Mr. White, integendeel verzocht hij mij herhaalde malen, niets tot hun verschooning in te brengen, daar hen dit toch niet zou helpen.
Eindelijk, toen hij alles wist, eischte hij van mij, dat ik hem onze teekeningen en het dagboek zou laten zien; ik behoefde dit niet te doen, maar ik deed het, omdat ik hem anders zou hebben gekrenkt en omdat ik zag, dat hij ’t goed met mij meende. Hij zag alles nauwkeurig na, en toen hij mij op den man af vroeg, kon ik niet loochenen, dat ik alleen de teekenaar en schrijver was geweest, want geen der anderen had een pennestreek gedaan of een letter geschreven.
—Maar aan dit dagboek kan men niet zien, hoeveel arbeid ieder voor zich heeft gedaan, gij zijt veel te ver gegaan in uw collegialiteit.
Toen merkte Hawkins met een guitig gezicht op:
—Zoek zijn borstzak eens na, Mr. White. Daar zult gij een blikje vinden, waarin sardinen zijn geweest. In plaats van de vischjes zitten er papieren in. Dat zal zijn eigen dagboek zijn, als ik mij niet vergis, en daarin zult ge heel wat anders lezen, dan in dit officieele bericht, waarin hij de luiheid van zijn makkers verbergt.
Ik vond het volstrekt niet aangenaam, dat Sam mijn geheim vertelde, maar Mr. White verzocht mij hem ook dit dagboek te laten zien. Wat zou ik doen? Verdienden mijn collega’s, dat ik voor hen werkte en dit ook nog verzweeg? Bovendien kon ik ook niet onbeleefd zijn tegenover Mr. White. Ik gaf hem dus mijn dagboek, evenwel onder voorwaarde, dat hij van den inhoud aan niemand iets zou vertellen. Hij las het door, gaf het mij toen terug en zei:
—Eigenlijk moest ik deze bladen meenemen en ze brengen waar ze behoorden te komen; uw collega’s zijn onwaardige menschen, aan wie geen dollar meer moest worden uitbetaald, u echter moest men drievoudig betalen. Maar, gij moet zelf weten, wat gij wilt. Alleen wil ik u dit nog zeggen, dat het voor u van belang zal zijn, deze aanteekeningen goed te bewaren, zij kunnen u later van veel nut zijn. En nu zullen wij de brave lieden eens wakker maken.
Hij ging opstaan en begon lawaai te maken, waarop de „heeren” met waterige oogen en booze gezichten van achter de boomen te voorschijn kwamen. Bancroft kwam direct op mij toe, om mij een standje te maken, dat ik hem in zijn slaap gestoord had, maar toen ik hem vertelde, dat Mr. White van de volgende sectie hier gekomen was, hield hij zich stil. De beide ingenieurs hadden elkander nog nooit ontmoet en het eerste wat Mr. Bancroft deed, was den ander een beker brandewijn aanbieden. Hiermee kwam hij echter aan het verkeerde adres, Mr. White bedankte, maar gaf in plaats daarvan een boetpredikatie, welke lang niet malsch was. Bancroft was buiten zichzelf van woede, greep den spreker bij den arm en schreeuwde:
—Mijnheer, wilt gij mij dadelijk zeggen, hoe gij heet?
—Ik heet White, dat hebt gij immers gehoord?
—En wat zijt gij?
—Hoofdingenieur van de naburige sectie.
—Heeft iemand van ons u daar iets te bevelen?
—Ik zou denken van niet.
—Welnu! Ik heet Bancroft en ben hoofdingenieur van deze sectie. Niemand heeft mij iets te bevelen en allerminst Mr. White.
—Wij staan geheel gelijk,—antwoordde deze kalm.—Geen van ons beiden behoeft bevelen van den ander aan te hooren; maar wanneer de een ziet, dat de ander de onderneming, voor welke beiden moeten werken, benadeelt, dan is het zijn plicht, dezen daarop opmerkzaam te maken. Uw taak schijnt te zijn het brandewijnvat leeg te maken. Ik tel hier zestien menschen, die allen dronken waren, toen ik twee uren geleden aankwam, en dus …
—Twee uur geleden?—viel Bancroft hem in de rede,—zijt gij reeds zoolang hier?
—Zeker, ik heb alle opmetingen nagezien en geïnformeerd, wie ze gedaan heeft. Gij hebt hier een lui leventje geleid, terwijl een, en nog wel de jongste van u, alleen het werk heeft gedaan.
Bancroft wendde zich nu tot mij:
—Dat hebt gij gezegd en geen ander,—wierp hij mij toe.—Ontken het maar niet, gij leugenaar en verrader!
—Neen,—antwoordde White—uw jonge collega heeft als een gentleman gehandeld, en alleen goeds van u gezegd. Hij heeft u in bescherming genomen en ik raad u aan, hem verschooning te vragen, dat gij hem een leugenaar en een verrader genoemd hebt.
—Om verschooning vragen? Ik denk er niet aan!—lachte Bancroft hoonend,—dit jongmensch weet geen driehoek van een vierhoek te onderscheiden en verbeeldt zich toch nog opzichter te zijn. Wij zijn niet verder gekomen, omdat hij alles verkeerd had gedaan en wij alles moesten overdoen, en wanneer hij nu, in plaats van dit in te zien en te erkennen, ons bij u zwart maakt, dan …
Verder kwam hij niet. Ik was maanden lang geduldig geweest en had deze lieden over mij laten denken, wat zij wilden, maar nu was het oogenblik gekomen, om hen te toonen, dat zij zich in mij vergist hadden. Ik nam Bancroft bij den arm, hield hem zóó stijf vast, dat hij van pijn ineenkromp, en zeide tot hem:
—Mr. Bancroft, gij hebt te veel brandewijn gedronken en niet kunnen uitslapen, ik wil aannemen dat gij dronken zijt en dus maar doen, alsof gij niets hebt gezegd.
—Ik dronken? gij zijt gek!—antwoordde hij.
—Ja, zeker, dronken! Want, wanneer ik wist, dat gij nuchter waart en deze beschuldigingen met opzet hadt uitgesproken, dan zou ik gedwongen zijn, u als een hond neer te schieten, begrepen? Hebt gij nu nog den moed te ontkennen, dat gij dronken zijt?—Ik hield zijn arm nog altijd stevig vast. Hij had zeker niet gedacht, dat hij ooit bang voor mij zou behoeven te zijn, maar, hoewel hij geen zwakke man was, scheen de uitdrukking van mijn gezicht hem toch eerbied in te boezemen, Hij wilde niet erkennen dat hij dronken was, evenmin wilde hij zijn beschuldigingen intrekken daarom wendde hij zich om hulp tot den aanvoerder der twaalf prairiejagers.
—Mr. Rattler,—begon hij—duldt gij, dat deze kerel zich aan mij vergrijpt? Zijt gij niet hier om ons te beschermen?
Deze Rattler was een lange, breed gebouwde kerel, een ruw schepsel, oogenschijnlijk zoo sterk als drie of vier man, en tegelijk Bancroft’s trouwe kameraad in het drinken.
Hij mocht mij niet lijden en greep daarom dankbaar deze gelegenheid aan om lucht te geven aan zijn haat tegen mij. Snel kwam hij nader, greep mijn arm, zooals ik nog altijd dien van Bancroft vasthield en antwoordde:
—Neen, dat kan ik niet dulden, Mr. Bancroft. Dit kind heeft zijn eerste kousen nog niet doorgeloopen en durft hier bedreigingen te uiten tegen volwassen menschen. Laat den arm los, knaap, of ik zal u toonen, wat een „greenhorn” gij zijt.—Hij schudde mij heftig heen en weer, maar dit was mij des te liever, omdat hij een sterkere tegenpartij was, dan de hoofdingenieur. Als ik hem mores leerde, zou ik meer succes hebben, dan wanneer ik dezen toonde, dat ik geen lafaard was. Ik rukte den arm los en antwoordde:
—Ik, een knaap, een greenhorn? Trek uw woorden onmiddellijk in, mr. Rattler, anders werp ik u op den grond!
—Gij mij?—lachte hij.—Zulk een „greenhorn” is werkelijk zoo dom te gelooven, dat …
Hij kon niet verder spreken, want ik gaf hem met de vuist zulk een geweldigen slag tegen de slapen, dat hij als een zak in elkaar zonk en bewusteloos bleef liggen. Eenige oogenblikken heerschte diep stilzwijgen, toen riep een van Rattler’s kameraden:
—Wat drommels! Moeten wij kalm toezien, dat zulk een verloopen Duitscher onzen aanvoerder neerslaat. Grijpt den schurk!
Hij sprong op mij toe. Ik ontving hem met een schop in de maagstreek. Dit is een zeker middel, om de tegenpartij van de been te brengen, men moet evenwel daarbij zelf vast op het andere been blijven staan. De kerel viel en in ’t zelfde oogenblik, zat ik op hem en gaf hem eveneens een vuistslag op den slaap. Toen sprong ik haastig overeind, nam mijn beide revolvers uit mijn gordel en riep:
—Wie nu nog? Kom maar op!
Rattler’s bende scheen grooten lust te hebben, de nederlaag hunner beide kameraden te wreken; de een zag den ander aan, ik waarschuwde echter:
—Luistert naar mij! wie een stap doet of met de hand naar zijn wapen grijpt, krijgt oogenblikkelijk een kogel door den kop! Denkt voor mijn part, wat gij wilt, van den „greenhorn” in ’t algemeen, maar wat een Duitschen „greenhorn” betreft, zal ik u toonen, dat één enkele, het tegen twaalf prairiejagers, als gij zijt, durft opnemen.
Toen kwam Sam Hawkins op mij toe en zeide:
—En ik, Sam Hawkins, wil u ook waarschuwen, als ik mij niet vergis. Deze jonge, Duitsche „greenhorn” staat onder mijn bijzondere bescherming. Wie het waagt, hem een haar te krenken, krijgt het met mij te kwaad, denkt er om, hihihihi!
Dick Stone en Willy Parker hielden het voor noodig, ook naast mij te komen staan, ten teeken, dat zij het geheel met Sam Hawkins eens waren. Dit maakte indruk op de tegenstanders. Zij keerden zich om, bromden en vloekten wat voor zich heen, en knielden naast de beide gevallenen neer om te beproeven hen weer tot bewustzijn te brengen; Bancroft scheen het ’t verstandigste te vinden, naar zijn tent te gaan en stilletjes van het tooneel te verdwijnen.
White had mij al dien tijd met groote, verwonderde oogen aangestaard, nu schudde hij eindelijk het hoofd en zeide op een toon van ongeveinsde verbazing:
—Maar, sir, dat is vreeselijk! Voor geen geld zou ik in uw handen vallen, men moest u Shatterhand noemen, omdat gij een reuzensterken man met een enkelen vuistslag nederwerpt. Zoo iets heb ik nog van mijn leven niet gezien!
Dit voorstel scheen den kleinen Hawkins te bevallen. Vroolijk riep hij uit:
—Shatterhand, hihihihi! Een „greenhorn” nog, en reeds een krijgsnaam, en dan wel zulk een! Ja, als Sam Hawkins zijn oog op een „greenhorn” laat vallen, dan steekt daar iets meer in, als ik mij niet vergis. Shatterhand, Old-Shatterhand! Evenals Old-Firehand, die ook een prairiejager was en sterk als een beer. Wat zegt gij wel van dezen naam, Dick en Will?
Ik hoorde niet, wat zij antwoordden, want White nam mij bij den arm, voerde mij een weinig ter zijde en vroeg:
—Hebt gij geen lust, met mij mee te gaan?
—Lust of niet, Mr. White, ik mag niet.
—Waarom niet?
—Omdat mijn plicht mij hier houdt.
—Kom, dat neem ik op mijn verantwoording.
—Dat helpt mij niet. Ik ben hierheen gezonden, om deze sectie te helpen opmeten, en kan niet weggaan, voor wij daarmee gereed zijn.
—Bancroft zal het werk met de drie andere wel ten einde brengen.
—Ja, maar wanneer en hoe! Neen ik moet blijven!
—Maar bedenk, dat dit gevaarlijk voor u is!
—Waarom?
—Kunt ge mij dat vragen? Gij moet toch inzien, dat gij deze lieden tegen u hebt gemaakt.
—Ik heb hen immers niets misdaan.
—Dat is waar, of liever, dat was tot vandaag toe waar. Nu gij echter twee van hen zoo hebt getracteerd, is het geheel uit tusschen u en hen.
—’t Kan zijn, maar ik ben niets bang. En juist deze beide vuistslagen hebben hen ontzag voor mij ingeboezemd; ik denk dat niemand zich zoo licht aan mij zal wagen. Bovendien zullen Hawkins, Stone en Parker mij trouw ter zijde staan.
—Welnu, zooals gij wilt, eens menschen zin is eens menschen leven, maar het kan ook wel eens zijn dood zijn. Ik had u wel kunnen gebruiken. Maar gij wilt mij toch zeker wel een eind weegs terugbrengen?
—Wanneer?
—Dadelijk.
—Wilt gij dadelijk weggaan, Mr. White?
—Ja, ik heb den toestand hier zóó gevonden, dat ik volstrekt geen lust gevoel, hier langer te blijven, dan noodzakelijk is.
—Maar gij moet toch eerst iets eten, voor gij den terugtocht aanvaardt.
—Dat is niet noodig. Wij hebben eetwaren in onze zadeltasschen meegebracht.
—Wilt gij geen afscheid nemen van Mr. Bancroft?
—Daartoe heb ik geen lust.
—Maar gij waart immers gekomen, om met hem over zaken te spreken!
—Zeker, maar ik kan u dit evengoed zeggen, ik wilde hem voornamelijk waarschuwen voor de roodhuiden.
—Hebt gij er eenigen gezien?
—Neen, dat juist niet, maar wel hun sporen. Wij zijn in den tijd, dat de wilde mustangs en buffels zuidwaarts trekken, dan verlaten de roodhuiden hun dorpen, om te jagen en hun vleeschvoorraad te verzamelen. Van de Kiowas hebben wij niets te vreezen; met hen zijn wij het eens geworden over den aanleg van den weg, maar de Comanchen en Apachen weten er niets van en dus mogen wij ons niet door hen laten zien. Wat mij betreft, ik ben met mijn werk gereed en ga deze streek verlaten. Maak ook, dat gij klaar komt. Deze bodem wordt van dag tot dag gevaarlijker voor u. Zadel uw paard nu en vraag Sam Hawkins, of hij lust heeft mee te rijden.
Natuurlijk had Sam lust.
Eigenlijk had ik dien dag moeten werken, maar het was Zondag, de dag des Heeren, waarop de Christen, zelfs al bevindt hij zich in de wildernis, zich met zijn geestelijke plichten moet bezighouden. Bovendien had ik wel eens een rustdag verdiend. Ik ging dus naar de tent van Mr. Bancroft en zeide hem, dat ik vandaag niet meer zou werken, maar Mr. White een eind weg zou brengen.
—Ga voor mijn part met hem mee en breek uw nek!—antwoordde hij en ik kon toen niet denken, dat deze ruwe wensch, binnenkort bijna vervuld zou zijn geworden.
Ik had sedert eenige dagen niet te paard gezeten en mijn schimmel hinnikte vroolijk, toen ik hem zadelde. Het dier had zich buitengewoon goed gehouden en ik verheugde mij er reeds bij voorbaat op, dit aan mijn ouden „gunsmith” te kunnen vertellen.
Wij reden welgemoed uit, spraken over de grootsche plannen, om hier een spoorweg aan te leggen en verder over alles, wat ons op het hart lag. White gaf me de noodige wenken, over de aansluiting aan de volgende sectie en tegen den middag maakten wij halt, om bij een beekje een eenvoudig maal te gebruiken. Na verloop daarvan reed White met zijn gids verder, en wij bleven nog een poosje liggen, om over godsdienstige onderwerpen te spreken.
Hawkins was namelijk een vroom man, al liet hij dit tegenover anderen nooit blijken.
Even voordat wij opstonden om terug te keeren, bukte ik mij om met mijn hand water uit het beekje te scheppen. Door het kristalheldere nat, zag ik op den bodem een indruk, welke veel op een voetspoor geleek. Natuurlijk maakte ik Sam daarop opmerkzaam. Hij onderzocht den indruk nauwkeurig en zeide toen:
—Mr. White had wel gelijk, toen hij ons voor de Indianen waarschuwde.
—Meent gij dan, Sam, dat dit het spoor van een Indiaan is?
—Ja zeker, hoe gevoelt gij u daarbij?
—Ik gevoel niets.
—Kom. Gij moet toch iets denken of gevoelen?
—Wat moet ik anders denken, dan dat hier een roodhuid geweest is?
—Gij voelt dus geen angst?
—Volstrekt niet.
—Of ongerustheid?
—Evenmin.
—Ja, maar gij kent de roodhuiden ook niet.
—Ik hoop ze evenwel te leeren kennen. Zij zullen wel niet anders zijn dan andere menschen, de vijanden van hun vijanden en de vrienden van hun vrienden, en daar het niet mijn plan is, vijandig tegen hen op te treden, denk ik, dat ik niets van hen te vreezen heb.
—Gij zijt nu eenmaal een „greenhorn” en zult het wel altijd blijven. Al neemt gij u nog zoo vast voor, de roodhuiden zus of zoo te behandelen, het komt toch anders uit, dan gij denkt. De gebeurtenissen zijn niet afhankelijk van uw wil. Gij zult dit ervaren, en ik hoop maar, dat deze ervaring u niet een duchtig stuk vleesch uit uw lichaam of uw geheele leven kost.
—Wanneer zou deze Indiaan hier geweest zijn?
—Ongeveer twee dagen geleden. Wij zouden hetzelfde spoor in het gras hebben kunnen vinden, als dit zich sedert dien tijd niet weer had opgericht.
—Zou ’t een spion zijn?
—Dat wil zeggen, een spion voor de buffels, want daar het tegenwoordig vrede is tusschen de stammen, die hier verblijf houden, kan het geen gewone spion zijn. De kerel was bovendien zeer onvoorzichtig en dus waarschijnlijk zeer jong.
—Hoe dat?
—Een ervaren krijgsman zet nooit den voet zóó in ’t water, dat het spoor op den vochtigen bodem dagenlang zichtbaar blijft. Zoo’n domheid begaat slechts een domkop, die nog even „greenhorn” is, als gij zijt, hihihihi.
Hij grinnikte zachtjes en stond toen op om zijn paard te bestijgen. De goede Sam mocht mij gaarne zoo nu en dan eens een steek onder water geven.
Wij hadden evengoed denzelfden weg terug kunnen keeren, maar als opzichter was ik verplicht de streek goed te leeren kennen, daarom reden wij een eind linksaf om langs een omweg weer op den eersten weg terug te komen.
Daarbij kwamen wij in een tamelijk breed dal, dat met sappig gras begroeid was; de heuvels, welke het omgaven, waren beneden met kreupelhout, verder naar boven met hooge boomen bedekt. Het dal was misschien een half uur lang en zoo recht, dat men er van ’t begin tot het einde door kon zien. Wij waren nog slechts enkele passen in dit vriendelijk dal, toen Sam zijn paard plotseling inhield en opmerkzaam voor zich uit zag.
—Heijh-daij!—riep hij.—Daar zijn zij, daar zijn zij, de allereersten!
—Wat? vroeg ik.
Ik zag in de verte misschien achttien of twintig donkere stippen, die zich langzaam voortbewogen.
—Wat?—herhaalde hij, terwijl hij in den zadel heen en weer schoof. Schaamt gij u niet, zulk een vraag te doen? Maar och, gij zijt ook zoo’n „greenhorn”. Zulke kerels als gij, zien zelfs met open oogen niet. Wees toch zoo goed, eens te raden, wat voor dingen het zijn, welke gij daar in de verte ziet!
—Raden? Wel ik zou ze voor reeën houden, als ik niet wist, dat dit soort wild in troepen van niet meer dan tien stuks bijeen leeft. Ook moet ik zeggen, dat de dieren daar, hoe klein zij van hier ook lijken, veel grooter schijnen te zijn dan reeën.
—Reeën, hihihihi!—lachte hij.—Reeën, hier bij de bronnen van de Canadian-rivier, dat is net wat voor u! Maar wat gij daar ’t laatst zegt, was niet zoo slecht bedacht, ja, grooter zijn zij, deze dieren, veel, veel grooter dan reeën!
—Maar beste Sam, het zijn toch geen buffels?
—Ja, natuurlijk, buffels! Bisons zijn het, echte bisons, die aan het trekken zijn, de eerste, die ik zie. Nu weet ge, dat Mr. White gelijk had: bisons en Indianen. Van de roodhuiden zagen wij enkel de voetsporen, de buffels hebben wij echter in levenden lijve vóór ons. Wat zegt ge daar wel van, als ik mij niet vergis?
—Wij moeten er heen!
—Natuurlijk!
—Ze nader bezien?
—Bezien, werkelijk?—vroeg hij, terwijl hij mij verbaasd van ter zijde aanzag.
—Ja, ik heb nog nooit bisons gezien, en zou ze gaarne willen begluren.
—Begluren, alleen begluren?—vroeg Sam,—zooals een kleine jongen, door de reten van een deur gluurt, om zijn konijntjes te zien? O, „greenhorn” wat moet ik niet van u beleven. Niet beschouwen en begluren wil ik ze, maar er jacht op maken!
—Vandaag, op Zondag!
Dit ontviel mij eigenlijk, maar Sam werd werkelijk boos en begon:
—Houd toch uw mond, sir! Wat geeft een echte prairiejager om den Zondag, wanneer hij de eerste buffels voor zich ziet. Dat geeft vleesch, en wat voor vleesch, als ik mij niet vergis! Een stuk bisonlende is heerlijker dan het hemelsche ambrozius of ambrozijn, of hoe dat goed mag heeten, waarvan de Grieksche goden leefden. Ik moet een buffellende hebben, al zou het mij mijn leven kosten! De omstandigheden zijn ons gunstig. Hier aan den linker, noordelijken kant van het dal schijnt de zon, rechts echter is schaduw, laat ons daar heengaan, dan merken de dieren ons niet op. Kom mee!
Hij zag zijn geweer na en stuurde zijn paard naar den zuidelijken rand van het dal. Ik volgde zijn voorbeeld en zag ook naar mijn berendooder. Toen hij dit zag, bleef hij een oogenblik staan en vroeg:
—Gij wilt toch niet deelnemen aan de jacht?
—Natuurlijk!
—Laat dat alsjeblieft, als ge ten minste niet binnen tien minuten tot brij gestampt wilt zijn! Een bison is geen kanarievogel, dien men op den vinger neemt en laat zingen. Voor gij u aan zulk gevaarlijk wild waagt, moet gij nog veel onweerswolken over de rotsen zien trekken.
—Maar ik wil toch …
—Zwijg en gehoorzaam!—viel hij mij in de rede, op een toon, dien hij nog nooit van te voren tegen mij had aangeslagen.—Ik wil uw dood niet op mijn geweten hebben. Doe later wat ge wilt, nu duld ik geen weerspannigheid!
Had er niet zulk een goede verstandhouding tusschen ons bestaan, dan zou ik een scherp antwoord hebben gegeven, nu evenwel zweeg ik en reed langzaam in de schaduwzijde achter hem aan.
—Er zijn twintig stuks,—vervolgde Sam nu op veel vriendelijker toon—maar kom eens hier als er duizend en nog meer over de Savanna jagen. Ik heb vroeger wel kudden van meer dan tien duizend gezien. Zij leverden het voedsel voor de Indianen, maar de blanken hebben het hun ontnomen. De roodhuid spaarde het wild, omdat hij het noodig had, de blanke evenwel, heeft onder de ontelbare kudden huisgehouden, als een wild roofdier, dat ook al is het verzadigd, nog voortmoordt, enkel uit lust om bloed te vergieten. Het zal niet lang meer duren, of er is geen enkele buffel meer en dan na korten tijd, ook geen enkele Indiaan. ’t Is God geklaagd. En zoo gaat het ook met de paarden. Er waren troepen van duizend mustangs, nu is men al blij, als men er eens een honderd bij elkaar ziet.
Wij waren intusschen tot op een afstand van ongeveer vierhonderd pas van de buffels gekomen, zonder dat zij ons opgemerkt hadden en nu hield Sam zijn paard in. De dieren graasden langzaam het dal in. Het verst vooruit was een oude stier, wiens reuzenlichaam ik met verbazing beschouwde. Hij was zeker twee meter hoog en wel drie meter lang; destijds kon ik het gewicht van een bison niet goed taxeeren, en zou ik wel zeggen, dat dit dier wel 3000 pond woog. Hij lag zich genoegelijk in een soort van poel te wentelen.
—Dat is de aanvoerder,—fluisterde Sam—de gevaarlijkste van den geheelen troep. Wie het met hem te kwaad krijgt, kan zijn testament wel maken. Ik neem die jonge koe rechts voor mijn rekening. Let er op, waar ik haar den kogel geef. Achter het schouderblad, van de zijde schuin in het hart, dat is het beste, ja het eenige zekere schot, behalve dat in het oog, maar wie zou een bison van voren aanvallen! Blijf hier en kruip wat tusschen ’t kreupelhout. Als zij mij zien en dan vluchten, komt de wilde troep hierlangs. Krijg het niet in uw hoofd, deze plaats te verlaten, voor ik terugkom en u roep!
Hij wachtte, tot ik mij tusschen de boomen had verborgen en reed toen aanvankelijk langzaam en zacht verder. Het was mij zonderling te moede. Ik had dikwijls gelezen, hoe men den bison jaagt, maar er is een groot verschil tusschen het papier, waarop men zulke beschrijvingen drukt en de wildernis, waarin men zulke jachten beleeft.
Vandaag zag ik voor ’t eerst in mijn leven buffels. Wat voor wild had ik tot nu toe geschoten? In verhouding tot deze reusachtige, gevaarlijke dieren, niets. Men zou dus denken, dat ik zeer ingenomen zou zijn met Sam’s bevel, om niet aan deze jacht deel te nemen, maar juist het tegendeel was waar. Eerst had ik slechts willen beloeren, bestudeeren, nu voelde ik een onweerstaanbaren drang om mee te doen. Sam wilde een jonge koe voor zijn rekening nemen, wel dacht ik, dat is niets waard, een dapper man kiest juist den sterksten stier!
Mijn paard was buitengewoon onrustig geworden, het stampte met de hoeven, was bang en wilde vluchten, en ik had nauwelijks de kracht, het in toom te houden. Was het niet beter, hem te dwingen, den strijd met den buffel te aanvaarden? Ik overlegde, innerlijk zeer kalm, tusschen ja en neen, toen besliste de indruk van ’t oogenblik.
Sam was den bison tot op driehonderd pas genaderd, toen gaf hij zijn paard de sporen en galoppeerde op de kudde toe, den grooten stier voorbij, naar de koe, die hij mij gewezen had. Het dier bleef een oogenblik staan. Ik zag, dat Sam op haar mikte en schoot. Wat er verder gebeurde, weet ik niet, want mijn oog werd geboeid door een ander schouwspel.
De reuzenstier was opgesprongen, hij keerde zich naar Sam Hawkins! Welk een kolossaal dier! Deze dikke kop met gewelfden schedel, de wel is waar korte, maar sterke gekromde horens, de dichte manen om den nek en op de borst! het volmaakte beeld van oorspronkelijke, ruwe kracht. Ja, dit was een hoogst gevaarlijk schepsel, maar dat gezicht prikkelde letterlijk mijn verlangen, mijn menschelijke kracht te meten met deze ongebonden dierlijke sterkte.
Wilde ik, of wilde ik niet? Ik weet het niet. Of ging mijn schimmel er met mij van door? Hij vloog uit de boomen, wilde links gaan, maar ik drong hem naar rechts en vloog op den stier aan. Deze hoorde mij aankomen en boog den kop om ros en ruiter met de horens te ontvangen. Ik hoorde Sam uit alle macht schreeuwen, maar ik had geen tijd om naar hem om te zien. Op den bison schieten was onmogelijk, want ten eerste zou ik hem niet treffen, en ten tweede wilde mijn paard mij niet gehoorzamen, want van louter angst liep het recht op de horens toe. De buffel had zijn achterpooten een weinig gebogen, en richtte nu den kop omhoog, maar met inspanning van al mijn krachten gelukte het mij mijn paard een weinig te zwenken en met een vervaarlijken sprong vloog het over het achterdeel van den buffel, terwijl diens horens bijna mijn beenen raakten. Wij kwamen juist in de slijkmassa terecht, waarin de buffel zich zooeven gewenteld had; ik zag het en trok onmiddellijk de voeten uit den stijgbeugel, tot mijn geluk, moet ik zeggen, want het paard gleed uit en wij vielen. Hoe dat zoo snel kon gebeuren, weet ik nog heden niet, maar ik stond in het volgende oogenblik naast den poel, met het geweer vast in de hand. De buffel had zich naar ons toegekeerd en sprong in ongelijke sprongen op het paard toe, dat zich ook had opgericht en stond op het punt er van door te gaan. Nu was de tijd gekomen om mijn berendooder op de proef te stellen. Nog een oogenblik en de bison zou mijn schimmel hebben bereikt, ik legde aan en schoot—het dier bleef staan; of het van schrik was, of dat mijn schot getroffen had, wist ik niet, ik gaf hem dadelijk een tweeden kogel. Hij hief langzaam den kop op, stiet een gebrul uit, dat den grond deed trillen, wankelde eenige malen en viel op dezelfde plaats neer.
Ik had van louter vreugde over deze overwinning wel luidkeels willen jubelen, maar ik had wel iets anders te doen. Mijn paard zette het op een loopen en ginds bij den rand van het dal, zag ik Sam Hawkins galoppeeren, achtervolgd door een anderen stier, die niet veel kleiner was dan de mijne.
Men moet weten, dat de bison, eenmaal geprikkeld, niet van zijn tegenstander aflaat, en daarbij in snelheid zich met het paard kan meten.
Zoo was ook deze stier den ruiter dicht op de hielen. Om hem te ontgaan moest Sam allerlei wendingen maken, welke het paard afmatten, hij zou het niet lang meer kunnen volhouden en hulp was dus dringend noodig. Ik had geen tijd, na te zien of mijn stier werkelijk dood was of niet, ik laadde snel mijn berendooder en liep zoo hard ik kon, naar de andere zijde van het dal. Sam zag dit, en zwenkte zijn paard, om naar mij toe te komen. Dit was een groote fout, want de stier die dicht achter hem was, kreeg daardoor het paard dwars voor zich; ik zag dat hij de horens omlaag boog, één stoot, en paard en ruiter werden opgenomen en een eind verder neergeworpen. Maar ook nu nog liet de stier niet van hen af en verwoed boorde hij de horens in de arme slachtoffers. Sam schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon. Ik was nog wel honderdvijftig pas van hem verwijderd en mocht geen oogenblik weifelen. Het schot zou dichterbij zekerder zijn geweest maar wanneer ik aarzelde, kon Sam verloren zijn, en mocht ik niet treffen, dan zou het schot het ondier waarschijnlijk doen schrikken en van mijn vriend afwenden. Ik bleef dus staan, legde aan achter het linkerschouderblad en schoot. De buffel hief den kop op, als wilde hij luisteren en keerde zich langzaam om. Toen zag hij mij, en onmiddellijk vloog hij op mij toe, evenwel met steeds verminderde vaart: daardoor gelukte het mij, het afgeschoten geweer met koortsachtige haast opnieuw te laden en ik was daarmee gereed, toen het dier nog hoogstens dertig schreden van mij verwijderd was. Het kon niet snel meer loopen, zijn bewegingen werden moeilijker, maar met gebogen kop en met uitpuilende oogen kwam het langzaam nader en nader, als een niet af te wenden gevaar. Nu knielde ik neer, en legde aan. Deze beweging had voor gevolg dat de bison staan bleef, en den kop een weinig ophief, om mij beter te kunnen zien. Daardoor kwamen de beide groote oogen voor den loop van mijn geweer, ik schoot eerst op het rechter, toen op het linker—een korte siddering voer door het lichaam, toen stortte het dier neer.
Ik sprong op om naar Sam te gaan, maar dit was niet noodig, want ik zag hem reeds aankomen.
—Halloo!—riep ik hem toe.—Leeft gij nog? Zijt gij niet zwaar gewond?
—In ’t geheel niet—antwoordde hij.—Alleen mijn rechterheup doet mij pijn van den val, of is het de linker, ik weet het niet zoo precies.
—En uw paard?
—Heeft gedaan; het leeft nog wel, maar de buffel heeft het geheele lichaam opengereten. Wij moeten het doodschieten, om het te verlossen uit zijn lijden. Is de bison dood?
—Ik hoop het, maar we moeten eens gaan zien.
Wij deden dit en kwamen tot de overtuiging, dat alle leven geweken was. Toen zeide Hawkins met een diepen zucht:
—Deze oude brutale bison heeft mij wat te doen gegeven. Een koe zou mij wat zachter hebben behandeld, maar men kan van zoo’n beest ook geen damesmanieren verwachten, hihihihi!
—Hoe kwam hij er toe u aan te vallen?
—Hebt gij dat niet gezien?
—Neen.
—Wel, ik schoot de koe dood, maar kon dat, daar mijn paard galoppeerde, niet eerder doen, dan op het oogenblik, dat de buffel voorbijrende. Hij nam mij dit schot kwalijk en kwam regelrecht op mij af. Wel gaf ik hem den tweeden kogel, dien ik in mijn Liddy had, maar dat maakte het niet beter. Hij joeg mij zoo achterna, dat het mij onmogelijk was, mijn geweer opnieuw te laden, ik heb het weggeworpen, omdat ik er toch niets meer mee doen kon en ik daardoor de handen vrij kreeg, om mijn paard beter te besturen, als ik mij niet vergis. Het arme dier heeft zijn best gedaan, maar het heeft zich niet kunnen redden en werd door den stier gegrepen.
—Omdat gij de laatste, noodlottige zwenking maaktet. Gij had in een boog moeten rijden, dan was het paard gered geweest.
—Gered geweest? Gij spreekt als een ervaren jager, dat zou men van een „greenhorn” niet verwachten.
—Kom, „greenhorn” hebben ook wel eens iets goeds.
—Ja, want wanneer gij er niet geweest waart, lag ik daar evengoed dood als mijn paard. Laat ons eens naar het arme dier gaan zien.
Wij vonden het dier in een treurigen toestand. De ingewanden hingen uit het opengereten lijf, het kreunde van de pijn. Sam haalde zijn weggeworpen geweer, laadde het en gaf hem het genadeschot. Daarop nam hij de teugels en het zadel af en zeide:
—Nu kan ik zelf voor paard spelen en het zadel op mijn rug nemen. Dat heeft men er van, als men bisons jaagt.
—Ja, waar zult ge nu een ander paard vandaan halen?—vroeg ik.
—Dat is het minste, ik vang er een, als ik mij niet vergis.
—Een Mustang?
—Ja, de buffels zijn er, zij zijn op trek naar het zuiden, de mustangs zullen zich dus niet lang laten wachten, dat weet ik.
—Mag ik er bij zijn, als gij er een vangt?
—Natuurlijk, gij moet dat ook leeren. Maar kom nu mee, wij willen den ouden stier eens gaan bekijken, misschien leeft hij nog. Zulke Methusalems plegen een taai leven te hebben.
Wij zagen dat het dier dood was. Nu het zoo stil daar neerlag, kon men de kolossale vormen nog beter zien dat te voren. Sam bezag hem nauwkeurig aan alle kanten, schudde het hoofd en zeide:
—Het is onverklaarbaar, werkelijk onverklaarbaar, weet gij wel waar gij hem geraakt hebt?
—Waar dan?
—Juist op de rechte plaats. Het is een aartsvader, en ik zou mij wel tienmaal hebben bedacht, voor ik er toe had besloten, hem aan te vallen. Weet gij, wat gij zijt, sir?
—Wat dan?
—De lichtzinnigste mensch, die er op Gods aardbodem loopt.
—Oho!
—Zeker, dat meen ik!
—Lichtzinnig ben ik nooit geweest.
—Dan zijt gij ’t nu geworden, begrepen? Ik had u immers bevolen, uw handen van de buffels af te houden en in het kreupelhout te blijven. Waarom hebt gij mij niet gehoorzaamd?
—Dat weet ik zelf niet!
—Zoo, gij handelt dus, zonder u zelf rekenschap te geven van uw handelingen, is dat niet lichtzinnig?
—Dat geloof ik niet, er zal wel een andere reden voor te vinden zijn.
—Dan moest gij die toch weten!
—Misschien, omdat gij mij een bevel hadt gegeven en ik laat mij nu eenmaal niets bevelen.
—Zoo! als men u in uw eigen belang waarschuwt, zijt gij dan zoo dwaas die waarschuwing in den wind te slaan?
—Ik ben niet naar ’t Westen gekomen om de gevaren, die daar dreigen te ontloopen.
—Goed, maar gij zijt toch een „greenhorn” en moet oppassen. En als gij mij dan volstrekt niet wilt gehoorzamen, waarom hebt gij u dan niet aan een koe gewaagd, in plaats van juist aan dit reusachtig beest.
—Omdat het ridderlijker was!
—Ridderlijker! die „greenhorn” wil hier den ridder spelen, als ik mij niet vergis, hihihihi!
Hij lachte, dat hij schudde en vervolgde toen nog steeds lachend:
—Dat zou ik nu maar laten. Als een echte prairieman iets doet, vraagt hij er niet naar, of het ridderlijk is, maar alleen of het nuttig is.
—Dat is hier toch ook het geval.
—Hier, hoe dat?
—Ik koos den buffel uit, omdat hij veel, veel meer vleesch heeft dan een koe.
Hij zag mij een oogenblik aan en riep toen:
—Veel meer vleesch? Deze jonge man heeft den stier om zijn vleesch geschoten, hihihihi! Ik geloof zelfs, dat gij aan mijn moed hebt getwijfeld, toen ik mij met een koe tevreden stelde.
—Dat niet, hoewel ik het voor moediger hield, een sterk dier uit te zoeken.
—Om stierenvleesch te eten? Wat zijt gij toch een verstandig mensch, sir! Deze stier is zeker achttien of twintig jaar oud, hij bestaat uit een vel, veel beenderen en zenuwen. En het vleesch, dat hij heeft is eigenlijk geen vleesch meer te noemen, want het is zoo hard als gelooid leer en al braadt en kookt gij het ook dagen lang, gij kunt het toch niet kauwen. Ieder ervaren prairiejager verkiest een koe boven een stier, omdat het vleesch malscher en sappiger is. Nu ziet ge eens weer wat een „greenhorn” ge zijt. Ik had geen tijd om naar u te kijken; vertel mij eens hoe uw lichtzinnige aanval op den buffel in zijn werk is gegaan.
Ik vertelde het hem. Toen ik geëindigd had zag hij mij met groote oogen aan, schudde wederom het hoofd en zeide niets dan:
—Ga heen en haal uw paard! we zullen het vleesch, dat wij mee willen nemen er op laden.
Eerlijk gezegd, voelde ik mij een weinig teleurgesteld over zijn behandeling. Ik had gehoopt een woord van goedkeuring en aanmoediging van hem te hooren en in plaats daarvan, zeide hij niets, maar zond mij weg om mijn paard te halen. Ik was evenwel niet boos want ik ben nooit iemand geweest, die iets doet om een prijsje te verdienen.
Toen ik met het paard terugkwam, lag Sam reeds op zijn knieën bij de buffelkoe, had reeds het vel afgestroopt en sneed nu de lende uit.
—Ziezoo,—zeide hij;—nu zullen wij van avond eens heerlijk eten. Deze lende is alleen voor ons, Dick en Willy. Als de anderen ook iets willen hebben, moeten zij hier maar heenrijden om de koe te halen.
—Als zij ten minste in dien tusschentijd niet door de gieren of andere wilde dieren is opgegeten.
—Zoo! wel, wat zijt ge weer verstandig. Het spreekt vanzelf, dat we het dier met takken bedekken en dan steenen er boven opleggen. Het moet al een beer of een ander groot roofdier zijn, dat er aankomt.
Ik sneed dus dikke takken uit het nabijzijnde kreupelhout en sleepte zware steenen aan. Wij legden deze op de koe en laadden toen het vleesch op mijn paard.
—Wat zullen we met den stier doen? kunnen wij er niets van gebruiken?—vroeg ik.
—Niets.
—Ook niet de huid?
—Zijt gij leerlooier? Ik niet.
—Ik heb echter toch gelezen dat de buffelhuiden in zoogenaamde cachés worden bewaard.
—Zoo, hebt gij dat gelezen? Welnu, als gij ’t gelezen hebt zal ’t wel waar zijn, want alles wat men over de Far-West leest is waar, onomstootelijk waar, hihihihi! Zeker, er zijn prairiejagers, die de dieren vangen om de huid, ik heb het ook wel eens gedaan, maar nu zullen wij ons wel wachten deze zware huid mee te sleepen.
Wij braken op en kwamen, hoewel wij moesten loopen, reeds na ongeveer een half uur in de legerplaats aan, want verder was deze niet verwijderd van de plaats, waarin ik mijn eerste of liever mijn eerste twee buffels had geschoten.
Allen zagen verbaasd op, dat wij te voet kwamen en Sam’s paard niet meebrachten.
—Wij zijn op de buffeljacht geweest en mijn paard is door een stier gedood geworden,—was Sam’s antwoord op de aan ons gedane vragen.
—Buffels, buffels?—klonk het uit aller mond.—Waar hebt ge ze gezien?
—Een klein half uurtje van hier; wij hebben een lende meegebracht, gij kunt ook wel een stuk vleesch gaan halen, als ge wilt.
—Dat zullen we doen,—riep Rattler, die deed alsof er tusschen hem en mij nooit iets was voorgevallen.—Waar ligt het dier?
—Rijdt terug op ons spoor dan komt gij vanzelf op de plaats, gij hebt zelf ook wel oogen als ik mij niet vergis.
—Hoeveel stuks waren er?
—Twintig.
—En hoeveel hebt gij geschoten?
—Een koe.
—Niet meer? Waar zijn de andere gebleven?
—Weg natuurlijk, ik heb niet gevraagd waar zij heengingen, hihihihi!
—Maar één koe. Twee jagers en dan maar één te schieten!—zei Rattler op een minachtenden toon.
—Doe het ons na, als gij kunt, gij hadt al zeker alle twintig geschoten en misschien nog eenige meer. Gij zult bovendien, als gij er komt, nog twee oude twintigjarige stieren zien liggen die deze jonge gentleman heeft neergelegd.
—Stieren, oude stieren, wie schiet daar nu op!—riepen allen,—dat kan alleen zulk een „greenhorn” doen.
—Lacht hem voor mijn part uit, maar ziet de dieren eerst eens goed aan. Ik zeg u, dat hij mij daardoor het leven gered heeft.
—Het leven gered? hoe zoo?
Zij waren nieuwsgierig het avontuur te hooren, maar Sam vervolgde:
—Ik heb geen lust daarover te praten. Laat het u door hem zelf vertellen, als gij het tenminste beter vindt, het vleesch eerst te halen als het donker is.
Hij had gelijk. De zon begon reeds onder te gaan. Allen stegen dus te paard en reden heen. Ik zeg met opzet allen, want geen enkele wilde achterblijven, omdat de een den ander niet vertrouwde. Onder fatsoenlijke jagers behoort elk stuk wild, dat in de wildernis wordt geschoten, aan al de leden van ’t gezelschap, maar hier waar de verhouding niet zeer vriendschappelijk was, eerbiedigde men deze wet niet. Toen zij terugkwamen, hoorde ik dan ook wel, dat zij zich als wilden op de koe hadden geworpen en ieder onder gevloek en getwist, zijn best had gedaan om een zoo groot mogelijk stuk voor zich zelf te bemachtigen.
In den tijd dat zij weg waren, had ik het vleesch van mijn paard genomen, en bracht nu mijn schimmel in orde. Ik haastte mij daarbij volstrekt niet, ten einde Sam in de gelegenheid te stellen, ons avontuur aan Parker en Stone mede te deelen. Zij stonden zoo, dat de tent tusschen hen en mij lag en zij mij dus niet konden zien toen ik nader kwam.
—Gelooft mij, ’t is, zooals ik u zeg,—hoorde ik Sam zeggen— —Neemt me die kerel niet den grootsten en sterksten stier en schiet hem neer als een oude, ervaren buffeljager! Ik heb gedaan alsof ik ’t voor lichtzinnigheid hield en heb hem duchtig de les gelezen maar ik heb hem nu leeren kennen.
—Ik ook,—stemde Stone toe,—hij zal een uitstekende prairieman worden.
—En ook zeer spoedig,—hoorde ik Parker zeggen.
—Yes,—bevestigde Hawkins,—weet gij, makkers, hij is er als voor geboren! En dan die kracht! Heeft hij gisteren niet onzen zwaren ossenwagen geheel alleen voortgetrokken, ja, ja, hij kan er wat mee! Maar wilt ge me één ding beloven?
—Wat dan?—vroeg Parker.
—Laat hem nooit merken, hoe wij over hem denken.
—Waarom niet?
—’t Kon hem eens naar ’t hoofd gaan.
—Wel neen!
—Zeker. Hij is nu nog zeer bescheiden, maar men moet een mensch nooit prijzen, daarmee bederft men ’t karakter. Noemt hem maar gerust „een greenhorn”, hij is ’t ook nog werkelijk, want al bezit hij ook alle eigenschappen, welke een prairiejager moet bezitten, zij zijn nog niet ontwikkeld en hij moet nog veel leeren en zich nog oefenen.
—Hebt gij hem bedankt, dat hij u ’t leven heeft gered?
—Wel neen, ik heb er geen oogenblik aan gedacht.
—Niet? Wat moet hij dan wel van u denken.
—’t Is mij totaal onverschillig wat hij van mij denkt, als ik mij niet vergis. Natuurlijk houdt hij mij voor een ondankbaren schurk, maar dat is bijzaak, de hoofdzaak is, dat hij zoo bescheiden blijft als hij nu is. Ik had hem wel gaarne willen omarmen en willen kussen!
—Foei!—riep Stone uit,—u kussen! Omarmen is nog wat anders, maar kussen!
—Zoo, waarom niet?—vroeg Sam.
—Waarom? Hebt gij dan nog nooit een spiegel in de hand gehad of uw eigen conterfeitsel in het heldere water gezien? Dat gezicht, dien baard en dien neus! Mensch, wie op de onzinnige gedachte komt, om zijn lippen te plaatsen, waar men de uwe moet zoeken, heeft zeker zijn verstand verloren!
—Zoo, zoo, wel, dat klinkt vriendelijk! Ben ik zulk een leelijke kerel? Waarvoor ziet gij u zelf dan aan? Voor een knappen man? Nu verbeeldt u maar niet, dat ge dat zijt. Ik verzeker u, dat, wanneer wij beiden op een tentoonstelling zouden staan, ik een prijs zou krijgen en gij niet, hihihihi! maar laat ons daarover nu maar zwijgen. Wij spreken over onzen „greenhorn”. Ik heb hem niet bedankt en ik ben ook niet van plan het te doen, maar als zoo aanstonds onze lende gebraden is, krijgt hij het lekkerste en sappigste stuk, hij heeft het eerlijk verdiend. En weet ge, wat ik morgen doe?
—Nu?—vroeg Stone.
—Ik zal hem een plezier doen.
—Waarmee?
—Hij mag meegaan een mustang te vangen.
—Wilt gij op de jacht gaan?
—Ja, ik moet toch een ander paard hebben, gij zult mij voor morgen het uwe wel willen leenen. Vandaag hebben wij buffels gezien, de mustangs zijn dus ook op komst. Ik denk, dat ik niet verder behoef te rijden dan tot aan de prairie, welke wij eergisteren hebben opgemeten. Daar moeten zeker mustangs zijn.
Ik luisterde niet verder, maar trok mij terug, om langs een omweg de jagers van een anderen kant te naderen. Zij behoefden niet te weten, dat ik gehoord had, wat niet voor mijn ooren was bestemd. Er werd een vuur aangelegd, naast ’t welk twee gevorkte takken in den grond werden gestoken. Zij vormden het onderstel voor een braadspit, dat uit een sterken rechten tak bestond. De lende werd daaraan bevestigd en nu begon Sam Hawkins het spit langzaam en met overleg te draaien. Ik moest inwendig lachen om het verheugde gezicht, dat hij daarbij trok.
Toen de anderen met het vleesch terugkwamen, volgden zij ons voorbeeld. Wel ging het bij hen niet zoo kalm toe, want daar ieder zijn eigen stuk op hetzelfde vuur wilde braden was er voor allen geen plaats genoeg en ’t gevolg was, dat zij hun voorraad half rauw opaten.
Ik kreeg werkelijk het beste stuk, ’t was wel drie pond zwaar en ik at het op. Men houde mij daarom niet voor een veelvraat, ik heb integendeel, altijd minder gegeten dan anderen in mijn omstandigheden zouden doen, maar het is voor iemand, die het zelf niet heeft gezien en mee doorleefd heeft, niet te gelooven, welk een vleeschmassa een prairieman eten kan en ook eten moet, wil hij gezond blijven.
De mensch heeft voor zijn voedsel, behalve de anorganische stoffen, een zekere hoeveelheid eiwit en koolstof noodig, en kan deze in de juiste verhouding tot zich nemen, wanneer hij in een beschaafde streek woont. De prairie-bewoner daarentegen, die maandenlang in geen bewoonde streek komt, leeft alleen van vleesch, dat weinig koolstof bevat, hij moet dus groote porties eten om de noodzakelijke hoeveelheid koolstof te krijgen. Dat hij daarbij onnoodig meer eiwit tot zich neemt dan zijn lichaam noodig heeft, daaraan kan hij zich niet storen. Ik heb een ouden Trapper acht pond vleesch achter elkaar zien opeten en toen ik hem vroeg, of hij genoeg had, antwoordde hij lachend:
—Ik moet wel genoeg hebben, want ik heb niet meer, maar als gij nog een stukje van ’t uwe overhebt, zal ik het nog met genoegen opeten.
Onder den maaltijd spraken de prairiejagers druk over onze buffeljacht, en ik merkte, dat zij, toen zij de groote stieren hadden zien liggen, toch nog wel eenig ontzag voor ons hadden gekregen.
Den volgenden morgen deed ik, alsof ik gewoon aan mijn werk wilde gaan, maar Sam kwam naar mij toe en zeide:
—Laat die instrumenten nu maar liggen, sir, wij hebben iets anders te doen.
—Wat dan?
—Dat zult ge wel zien. Zadel uw paard, wij gaan er op uit.
—Waarheen? ’t werk gaat toch voor!
—Neen, hoor, gij hebt genoeg gedaan, bovendien, ik denk, dat wij tegen den middag reeds terug zijn en dan kunt gij wat mij betreft, nog zooveel rekenen en meten, als gij maar wilt!
Ik deelde Bancroft mee, wat hij moest weten en wij reden weg. Sam deed onderweg zeer geheimzinnig en ik liet hem niet merken, dat ik iets van zijn plannen afwist. Na een korten rit, bereikten wij de prairie, waarover Sam gisteren gesproken had. Zij was ongeveer twee Engelsche mijlen breed, dubbel zoolang en omgeven door boschrijke heuvels. Een tamelijk breede beek gaf vochtigheid in overvloed en het gras was dientengevolge hoog opgeschoten. Van het noorden kon men, tusschen twee tamelijk hooge bergen door deze prairie bereiken, terwijl zij ten zuiden in een dal eindigde. Toen wij hier aangekomen waren, hield Hawkins zijn paard in en overzag de vlakte met een vorschend oog, daarna reden wij verder naar het noorden langs de oevers der beek. Plotseling pareerde hij zijn paard, dat van een der anderen geleend was, steeg af, sprong over de beek en ging naar een plek waar het gras was platgetreden. Hij onderzocht deze plaats nauwkeurig, kwam terug, klom weer in den zadel en reed verder, doch niet, zooals te voren, in noordelijke, maar nu in westelijke richting, zoodat we spoedig den rand der prairie bereikten. Hier steeg hij weer af en liet zijn paard grazen, evenwel niet zonder het vooraf goed vastgebonden te hebben. Sedert hij het spoor had onderzocht, had hij nog geen woord gezegd, maar zijn zonderling gezicht, toonde een uitdrukking van volkomen tevredenheid. Nu begon hij eindelijk:
—Stijg ook af, sir en bind uw paard stevig vast, wij zullen hier wachten.
—Waarom moet ik het paard vastbinden?—vroeg ik, hoewel ik het zeer goed wist.
—Omdat gij het anders licht zoudt verliezen. Ik heb dikwijls genoeg gezien, dat de paarden er bij dergelijke gelegenheden van doorgingen.
—Welke gelegenheden?
—Vermoedt gij niet, wat ik bedoel?
—Hm!
—Raad dan eens!
—Mustangs?
—Hoe komt gij daaraan?—vroeg hij, terwijl hij mij verwonderd aanzag.
—Omdat ik daarvan wel eens iets gelezen heb.
—Wat dan?
—Dat de tamme paarden, wanneer zij niet goed zijn vastgebonden, er wel eens met de wilde mustangs van doorgaan!
—Loop naar den duivel, gij hebt ook alles gelezen en ’t is niet mogelijk u met ’t een of ander te verrassen. Neen, dan houd ik meer van menschen, die in ’t geheel niet kunnen lezen.
—Hadt gij mij dan willen verrassen?
—Natuurlijk.
—Met een jacht op mustangs?
—Ja.
—Maar gij hadt mij toch een en ander er van moeten vertellen, vóór de mustangs kwamen.
—’t Is waar, welnu, luister dan, de mustangs zijn er reeds geweest.
—Was dat daar zooeven hun spoor?
—Ja, zij zijn gisteren hierlangs getrokken, dat wil zeggen, een klein troepje, de verkenners, weet ge. Deze dieren zijn namelijk bijzonder verstandig. Zij zenden altijd kleine troepen vooruit. Zij hebben hun officieren, en de bevelhebber is altijd een ervaren, sterke en moedige hengst. Als zij weiden of zich in beweging stellen, altijd is de buitenste rij door hengsten gevormd, dan volgen verder naar binnen de merries en eindelijk de veulens. Dit gebeurt, opdat de hengsten de andere kunnen verdedigen. Ik heb u reeds herhaalde malen gewezen, hoe men een mustang met de lasso vangt, hebt gij dat nu goed begrepen?
—Zeker.
—Hebt gij lust er een te vangen?
—Ja.
—Dan zult gij vanmiddag daartoe in de gelegenheid zijn, sir!
—Dank u, ik zal er geen gebruik van maken.
—Niet? wat duivel waarom niet?
—Omdat ik geen paard noodig heb.
—Maar een prairiejager vraagt er niet naar of hij een paard noodig heeft of niet!
—Dan beantwoordt hij niet aan mijn ideaal van een prairiejager.
—Hoe moet hij dan zijn?
—Wel, gij hebt gisteren van aasjagers gesproken, van blanken, die de buffels in massa dooden, zonder dat zij het vleesch noodig hebben. Ik houd dat voor een onrecht, gepleegd aan de dieren en aan de roodhuiden, die daardoor van hun voedsel worden beroofd. Gij toch ook?
—Zeker.
—Nu zoo is het ook met de paarden. Ik wil geen van deze heerlijke dieren van zijn vrijheid berooven, zonder mij daarmee te kunnen verontschuldigen, dat ik een paard noodig had.
—Dat is braaf gezegd, sir, braaf gezegd. Zoo moest ieder Christen spreken en handelen. Maar wie heeft u gezegd, dat gij een mustang van zijn vrijheid zoudt berooven? Gij hebt u geoefend in het gebruik van de lasso, gij moet nu een proef leveren. Ik wil zien of gij door uw examen komt, weet ge?
—Dat is iets anders, ja, dan doe ik mee.
—Goed. Bij mij evenwel is ’t natuurlijk ernst. Ik heb een paard noodig en zal er een nemen. Ik heb het u reeds zoo dikwijls gezegd, let er dus op: ga recht in den zadel zitten en houd uw paard in, op het oogenblik dat de lasso aantrekt en de ruk volgt. Als gij dat niet doet, wordt gij omvergehaald; de mustang vliegt weg en sleurt uw paard aan de lasso mee. Dan hebt gij geen paard meer en kunt te voet gaan, evenals ik nu.
Hij wilde verder gaan, maar wees eensklaps met de hand naar de reeds genoemde twee bergen aan den noordkant van de prairie. Daar verscheen een paard, een enkel paard. Het liep langzaam en zonder te grazen voort, wierp den kop dan eens naar deze, dan eens naar gene zijde en snoof de lucht in.
—Ziet gij het?—fluisterde Sam zacht, hoewel het paard ons op dezen afstand onmogelijk had kunnen hooren:—heb ik u niet gezegd, dat zij zouden komen? Dit is de spion, die rondziet, of de streek veilig is. Wat een slim dier! Zie eens, hoe hij zich naar alle richtingen keert en wendt. Hij zal ons niet bemerken, want de wind komt van zijn kant, daarom heb ik deze plaats gekozen.
Nu begon de mustang te draven, nu naar rechts dan naar links, keerde eindelijk om en verdween in de richting, van waar wij hem hadden zien komen.
—Hebt gij goed opgelet? vroeg Sam.—Hoe verstandig, nietwaar, om elk kreupelboschje tot dekking te nemen. Een Indiaansche verkenner zou het hem niet kunnen verbeteren.
—Werkelijk, ik sta er verbaasd van.
—Nu is hij heengegaan om zijn vierbeenigen generaal te melden, dat het terrein veilig is. Hij heeft zich evenwel vergist, hihihihi! Ik wed, dat zij binnen tien minuten hier zijn, let er eens op. Weet ge, wat wij doen?
—Nu?
—Gij rijdt vlug tot aan den uitgang der prairie en wacht daar. Ik echter rijd tot dicht bij den ingang en verberg mij in het bosch. Komt de kudde, dan laat ik haar voorbijtrekken, en jaag achter haar aan. Zij vlucht dan natuurlijk naar uw kant, gij komt te voorschijn en zij keert terug. Zoo drijven wij haar heen en weer, tot wij de twee beste paarden hebben uitgekozen, die vangen wij en van die twee behoud ik het beste en het andere laten wij loopen. Vindt gij dat goed?
—Hoe kunt gij dat vragen? Ik weet niets van de paardenjacht, waarin gij een meester zijt en zal mij dus geheel naar uw aanwijzingen gedragen.
—Wel, gij hebt gelijk. Ik heb reeds menigen wilden mustang getemd, en gij zijt dus niet zoover mis, als gij mij een „meester” in de kunst noemt. Dus, vooruit maar, anders zijn wij niet op tijd op de juiste plaats.
Wij stegen weer op en reden ieder een verschillenden kant uit, hij naar ’t noorden en ik tot daar, waar wij de prairie hadden betreden. Daar mijn zware berendooder mij wel wat hinderen zou, had ik grooten lust hem zoolang ergens neer te leggen, maar ik had gelezen en gehoord, dat een voorzichtig prairiejager alleen dan het geweer neerlegt, wanneer hij zeker weet, dat hij veilig is en het niet noodig zal hebben. Dit was echter nu niet het geval, ieder oogenblik kon hier een Indiaan of een roofdier te voorschijn komen en ik bevestigde dus het oude geweer maar stevig aan den zadelknop. Nu wachtte ik vol spanning op de komst der paarden. Ik stond tusschen de eerste twee boomen van het bosch, dat aan de prairie grensde, bond het ééne einde van de lasso eveneens aan den zadelknop en legde den riem opgeschoten zóó voor mij, dat ik dien gemakkelijk kon grijpen.
Het benedeneinde van de prairie was zoover van mij verwijderd, dat ik de paarden, wanneer ze daar verschenen, niet kon zien. Eerst wanneer Sam ze zou hebben opgejaagd, zouden ze voor mij zichtbaar worden. Ik was nog geen kwartier op mijn plaats, toen ik daarbeneden een menigte donkere stippen zag, welke, naarmate zij dichter bij kwamen, al grooter werden. Eerst geleken het musschen, toen katten, honden, kalveren, totdat ik eindelijk duidelijk hun vorm kon onderscheiden. Het waren de mustangs, die in een wilde jacht naar mij toe kwamen! Welk een heerlijk gezicht! De manen zwierden om hals en schouders, de staarten wapperden als vederbossen in den wind. Er waren niet meer dan driehonderd stuks en toch scheen de grond onder hun hoeven te dreunen. Vooraan draafde een schimmelhengst, een prachtig dier, dat ik gaarne had willen vangen, maar het zal geen prairiejager in ’t hoofd komen, een schimmel te berijden. Zoo’n lichtgekleurd dier zou hem reeds van verre aan elken vijand verraden!
Nu was het voor mij tijd, te voorschijn te komen. Ik sprong tusschen de boomen uit: de leidende schimmel deinsde achteruit, alsof hij een kogel in zijn lichaam had gekregen, de kudde bleef staan; een luid, angstig snuiven, toen was het, of het bevel luidde: „omgekeerd marsch”, en onmiddellijk vlogen de dieren terug, vanwaar zij gekomen waren.
Ik volgde hen zonder de minste haast, want ik wist dat Sam Hawkins ze weer dezen kant uit zou drijven. Daarbij had ik een oogenblik tijd te denken aan een omstandigheid, welke mij was opgevallen. Hoewel de paarden slechts één oogenblik voor mij hadden stilgestaan, had ik toch meenen te zien, dat een van de dieren geen paard, maar een muildier was. Ik kon mij vergist hebben maar ik meende goed gezien te hebben. De tweede maal wilde ik beter oppassen. Dit muildier bevond zich in de voorste rij, en wel dadelijk achter den schimmel, het werd dus door de paarden niet alleen als een van huns gelijken aangezien, maar bekleedde zelfs een bijzonderen rang.
Na eenigen tijd kwam de kudde terug en keerde bij mijn verschijnen andermaal om. Dit herhaalde zich eenige malen en zoo had ik gelegenheid te zien, dat ik mij niet vergist had; er was een muildier onder hen, een lichtbruin muildier met een donkere streep over den rug. Het was een mooi dier, niettegenstaande zijn grooten kop en zijn lange ooren. Muildieren hebben dit boven gewone paarden voor, dat zij ’t langer kunnen volhouden, een zekerder tred hebben en bij afgronden niet duizelig worden. Dit zijn voordeelen, welke niet over ’t hoofd dienen te worden gezien. Wel is waar zijn die dieren ook koppig. Ik heb muildieren gezien, die zich liever dood lieten ranselen, dan dat zij een stap verder gingen en toch had men geen te zwaren last opgeladen en was de weg prachtig.
Het kwam mij voor, dat dit muildier fier en moedig was, dat zijn oogen helderder en verstandiger rondzagen, dan die van de andere paarden en ik besloot dit dier te vangen. Het was zeker bij ’t voorbijjagen van een kudde wilde paarden, aan zijn meester ontvlucht, en zoo bij de mustangs gebleven.
Sam en ik waren intusschen zóó dicht bij elkaar gekomen, dat wij elkander konden zien en in deze beperkte ruimte konden de mustangs noch voor noch achteruit, zij weken dus naar den kant. Wij volgden hen, de kudde deelde zich nu in tweeën, ik zag, dat het muildier bij de hoofdafdeeling bleef, en steeds naast den schimmel galoppeerde. Ik bepaalde mij dus tot dezen troep, en Sam scheen het op denzelfden te hebben gemunt,
—Tusschen ons in nemen, ik links, gij rechts,—riep hij mij toe.
Wij gaven onzen paarden de sporen, en hadden de mustangs ingehaald, vóór zij het bosch bereikten. Hier keerden zij om en wilden tusschen ons door vluchten. Om dit te verhinderen joegen wij naar elkander toe, toen stoven zij uit elkaar als een troep jonge kuikens, waarop de havik is neergestreken. De schimmel en het muildier werden van de andere gescheiden, wij joegen hen achterna. Daarbij riep Sam, die zijn lasso reeds gereed had, mij toe:
—Een „greenhorn” zijt ge, en dat zult gij wel eeuwig blijven!
—Waarom?
—Wie jaagt er nu op een schimmel, hihihihi.
Ik antwoordde, maar hij hoorde mij niet. Hij dacht dus dat ik ’t op den schimmel had begrepen! Welnu, mij goed! Ik liet het muildier aan hem over en week uit naar de zijde waar de mustangs snuivend en hinnikend door elkaar liepen. Sam was zoo dicht bij het muildier gekomen, dat hij de lasso uit kon werpen; de strop pakte goed om den hals van het dier. Nu moest Sam blijven staan en, zooals hij mij zelf had geraden, zijn paard naar achteren werpen, om den schok te kunnen weerstaan, welke volgen moest, wanneer de lasso zich spande. Hij deed dit ook, maar helaas, een oogenblik te laat; zijn paard werd door den geweldigen ruk omvergeworpen. Sam Hawkins maakte een prachtige buiteling door de lucht en kwam over den kop van ’t paard een eind weegs verder op den grond terecht. Het paard was dadelijk opgestaan en vloog verder, daardoor verloor de lasso de spanning, en het muildier dat was blijven staan, kreeg lucht, het galoppeerde ook weg en sleurde het paard dat de lasso om den zadelknop had, mee de prairie in.
Ik snelde op Sam toe, om te zien, of hij letsel had gekregen, maar hij was reeds opgestaan en riep mij verschrikt toe:
—Wel, alle drommels, daar gaan warempel Dick Stone’s ros en het muildier alle twee er van door, zonder fatsoenlijk adieu te zeggen, als ik mij niet vergis!
—Hebt gij u pijn gedaan?
—Neen, stijg af en leen mij uw paard, ik moet het gebruiken!
—Waarvoor?
—Ik wil natuurlijk de beide vluchtelingen nazetten. Stijg gauw af!
—Ik denk er niet aan! Gij kondt eens weer zulk een buiteling maken en dan waren allebei de paarden naar de maan.
Bij deze woorden dreef ik het mijne aan en joeg het muildier na. Dit was reeds een heel eind vooruitgekomen, maar nu kwam het met het paard in conflict. De een wilde namelijk dezen kant uit, de andere dien en daar zij met de lasso verbonden waren, hielden zij elkaar tegen, en ik kon ze gemakkelijk inhalen. Ik dacht er niet aan mijn eigen lasso te gebruiken, maar ik greep naar de andere, welke beide dieren verbond, wond deze eenige keeren om mijn hand, en nu was ik zeker het muildier in bedwang te kunnen houden. Ik liet het eerst een eindje verder loopen, en galoppeerde met de beide paarden achter hem aan, maar trok daarbij den riem steeds sterker aan, zoodat de strop steeds nauwer werd. Zoo kon ik het dier ook een weinig sturen, en door schijnbaar toegeven, liep het in een boog naar den kant, waar Sam Hawkins stond. Toen trok ik het touw plotseling zoo strak aan, dat het muildier den hals werd toegeknepen, het verloor den adem en viel op den grond.
—Houd vast tot ik den rakker vastheb en laat dan los!—riep Sam.
Hij ging, hoewel het dier met de pooten sloeg, dicht naast hem staan.
—Nu maar!—zeide hij.
Ik liet de lasso los, het muildier kreeg lucht en sprong op, maar even snel had Sam zich op zijn rug geslingerd. Het dier bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk staan, als van schrik verstijfd, toen begon het geweldige sprongen te maken, maar de kleine Sam bleef zitten.
—Hij krijgt er mij niet af!—riep hij mij toe.—Nu zal hij wel een laatste poging wagen en er met mij van doorgaan. Wacht hier op mij, ik breng hem getemd terug.
Maar nu had hij zich vergist. Het beest ging er niet van door, maar wierp zich op den grond en wentelde zich heen en weer. De kleine Sam moest uit den zadel, wilde hij zijn ribben niet breken. Ik sprong eveneens uit mijn zadel, greep de op den grond sleepende lasso en slingerde haar snel tweemaal om een sterken boomstam. Nu had het muildier zijn ruiter afgeworpen en sprong op. Het wilde wegloopen, maar de lasso spande zich opnieuw en voor de tweede maal stortte het dier ter aarde.
Sam Hawkins had zich een weinig teruggetrokken, betastte zijn ribben en beenen, trok een gezicht, alsof hij zuurkool met pruimenmoes gegeten had, en zeide:
—Laat dat beest loopen, geen mensch kan het temmen!
—Nooit van mijn leven, ik laat mij niet beschaamd maken door zoo’n muildier. Let eens op! het zal mij gehoorzamen, voor wij tien minuten verder zijn.
Ik maakte de lasso van den boomstam los, en ging met de beenen, wijd van elkander, over het dier heen staan. Zoodra het lucht kon krijgen, sprong het op. Nu kwam het er maar op aan, de beenen stijf in de lenden te drukken en dat kon ik beter dan Sam.
Terwijl het muildier pogingen deed om mij, evenals Sam, uit den zadel te lichten, nam ik de lasso, die, van den hals afhangend, op den grond sleepte, bij elkaar en hield hem juist boven den strop vast. Zoodra ik merkte, dat het dier wilde gaan liggen, trok ik aan, en door deze behandeling en door den druk mijner knieën, hield ik het op de beenen. Het was een moeilijke strijd, durf ik zeggen, ik begon uit al mijn poriën te zweeten, maar het muildier zweette nog veel meer, het zweet droop hem van het lichaam en groote vlokken schuim vlogen uit zijn bek. Zijn bewegingen werden zwakker en zwakker, zijn eerst woedend gesnuif ging over in een kort hoesten, en eindelijk stortte het onder mij neer, niet uit willekeur, maar van vermoeidheid en uitputting. Met verdraaide oogen bleef het onbeweeglijk liggen. Ik haalde diep, diep adem, het was of al mijn spieren en zenuwen verscheurd waren.
—Jongen, wat zijt ge toch voor een mensch?—riep Sam.—Gij zijt sterker geweest dan dit dier! Als gij uw gezicht kondt zien, zoudt gij er van schrikken!
—Dat wil ik wel gelooven.
—Uw oogen puilen uit het gezicht. Uw lippen zijn gezwollen en uw wangen zijn letterlijk blauw.
—Dat komt er van, als men een „greenhorn” is en zich niet uit den zadel wil laten werpen, terwijl een ander, die een meester in het mustangvangen heet, een buiteling maakt, zijn eigen paard aan het muildier koppelt en ze samen een wandeling laat maken.
Hij trok een jammerlijk gezicht en zeide op klagenden toon:
—Houd u toch stil sir, ik zeg u, zoo iets overkomt den besten jager wel eens. Gij hebt gisteren en vandaag een paar mooie dagen gehad.
—Ik hoop nog meer zulke dagen te beleven, maar voor u zijn ze erg genoeg. Hoe staat het met uw ribben en andere beenderen?
—Ik weet het niet, ik zal later eens tellen of ik ze nog alle heb, maar nu beven ze in mijn lichaam. Dat is een beest, zooals ik er nog nooit een onder mij gehad heb. Ik hoop, dat het tot bezinning gekomen zal zijn!
—Zie het dier eens aan, het ligt daar om medelijden mee te krijgen. Wij zullen zadelen en dan kunt gij er op naar huis rijden.
—Dan begint hij natuurlijk weer te springen!
—Geen sprake van, die heeft vooreerst genoeg, het is een verstandig dier, en gij zult er veel plezier van hebben.
—Ja, dat geloof ik ook, ik had het dadelijk op dit paard gemunt, gij op den schimmel, wat een groote dwaasheid was.
—Weet gij dat zeker?
—Natuurlijk was het een dwaasheid.
—Dat bedoel ik niet, maar of ik het op den schimmel gemunt had.
—Op wat dan anders?
—Ook op het muildier!
—Werkelijk?
—Ja, al ben ik ook een „greenhorn” ik weet toch wel, dat een schimmel niets waard is voor een prairiejager. Het muildier beviel mij dadelijk, toen ik het zag.
—Ja, gij hebt een goed verstand van paarden, dat moet ik toestemmen.
—Dank u voor ’t compliment, Sam, maar help mij nu het dier eens op de been brengen.
Wij deden dit, het arme beest stond stil en sidderde over al zijn leden. Het verweerde zich ook niet, toen wij den zadel vastgespten en den teugel aanlegden, en toen Sam opgestegen was, gehoorzaamde het gewillig als een goed gedresseerd paard.
—Deze heeft reeds eenmaal een meester gehad,—zeide Sam,—dat kan ik merken, het is zeker weggeloopen. Weet ge, hoe ik het zal noemen?
—Welnu?
—Mary. Ik heb vroeger eens een muildier gehad, dat ook Mary heette en dan behoef ik niet de moeite te doen een anderen naam te bedenken.
—Dus het paard Mary en het geweer Liddy.
—Ja, twee allerliefste namen, vindt ge niet? En nu heb ik een ernstig verzoek aan u.
—Welk?
—Spreek niet over wat hier gebeurd is, ik zal er u erg dankbaar voor zijn.
—Dat is niet noodig, ik beloof u te zullen zwijgen.
—Goed; wat zouden ze daarginds in de legerplaats lachen, als ze wisten hoe Sam Hawkins aan zijn Mary gekomen was. Als gij u stil houdt, zal ik …
—Och kom! viel ik hem in de rede,—het is immers de moeite niet waard, daarover nog meer woorden te verspillen. Gij zijt immers mijn leeraar en mijn vriend, meer behoef ik u niet te zeggen.
Toen werden zijn kleine, schrandere oogjes vochtig en riep hij vol geestdrift uit:
—Ja, uw vriend ben ik en als ik wist, dat gij ook maar een heel klein beetje van mij hieldt, zou dat mijn arm hart oneindig veel genoegen doen.
Ik reikte hem de hand en antwoordde:
—Gij kunt verzekerd zijn, Sam, dat ik veel van u houd, ja, zooveel ongeveer als men van een braven, goeden oom houdt. Is u dat genoeg?
—Zeker, sir, zeker! Ik ben er zoo blij mee, dat ik u wel gaarne dadelijk een groot genoegen zou willen doen. Zeg mij, wat ik doen zal! Zal ik—zal ik—bij voorbeeld, deze nieuwe Mary voor uw oogen met huid en haar verslinden? Of zal ik, als ge dit beter vindt, me zelf opeten? Of zal ik …
—Zwijg toch!—lachte ik.—In beide gevallen zou ik u verliezen, in ’t eerste zou er niets van u overblijven, en in het tweede zoudt gij sterven aan een indigestie, want uw maag zou uw pruik nooit kunnen verteren. Gij hebt mij bovendien reeds zoo dikwijls een dienst bewezen en zult daartoe nog wel eens in de gelegenheid komen. Blijf dus voorloopig met uw Mary maar in leven en maak dat wij spoedig weer in de legerplaats komen, ik moet aan ’t werk.
—Werk? Gij hebt vandaag genoeg werk gedaan, als ik mij niet vergis!
Ik bond Dick Stone’s paard met de lasso aan het mijne vast en wij reden weg. De mustangs waren natuurlijk alle reeds lang uit het gezicht verdwenen, het muildier luisterde gewillig naar de bevelen van zijn meester en Sam riep zoo nu en dan verheugd uit:
—Zij heeft een uitstekenden meester gehad, deze Mary! Ik voel en merk bij iederen tred, dat ik voortaan een voortreffelijk paard zal hebben. Zij herinnert zich langzamerhand, wat zij vroeger geleerd en onder de mustangs vergeten heeft. Ik hoop, dat zij niet alleen temperament, maar ook karakter bezit.
—Als zij dat nog niet heeft, kunt gij ’t haar nog leeren, zij is nog niet oud!
—Hoe oud denkt gij, dat zij is?
—Vijf jaar, ouder niet.
—Dat is ook mijn meening. Ik zal later eens nauwkeurig onderzoeken, of ’t werkelijk zoo is. Ik heb dit paard alleen aan u te danken, alleen aan u, sir! Dit waren twee leelijke dagen voor mij, maar voor u zeer eervolle. Hadt gij wel gedacht, dat gij de buffel en de paardenjacht zoo spoedig achter elkaar zoudt meemaken?
—Och, waarom niet? Men moet hier in ’t Westen op alles voorbereid zijn. Ik hoop aan nog meer dergelijke jachten deel te zullen nemen.
—Hm ja, ’t is te hopen, dat gij er dan even eervol afkomt. Gisteren vooral hing uw leven aan een zijden draadje. Gij hebt te veel gewaagd, gij moogt nooit vergeten, dat gij nog „een greenhorn” zijt! Laat ge me daar niet den buffel kalm tot u komen en schiet hem dan recht in de oogen! Heeft men wel ooit zoo iets gehoord! Gij zijt nog onervaren en hebt de bisons onderschat. Neem u later beter in acht en heb niet al te veel zelfvertrouwen. De jacht op buffels is zeer gevaarlijk. Er is maar één die nog gevaarlijker is.
—Welke dan?
—De jacht op beren.
—Meent gij de jacht op den zwarten beer met gelen snuit?
—Op den Baribal? Neen, dat is een zeer goedig en vreedzaam dier, dat men allerlei kunstjes kan leeren. Neen, ik bedoel den Grizzly, den grijzen beer uit het rotsgebergte. Gij hebt zeker wel over hem gelezen?
—Ja.
—Wil maar hopen, dat gij hem nooit ontmoet. Als hij op zijn achterpooten staat, is hij twee voet langer dan gij, met één knauw heeft hij uw hoofd verbrijzeld en als hij aangevallen wordt en kwaad gemaakt wordt, rust hij niet, voor er van zijn vijand geen stukje meer over is.
—Kom, kom!
—Zie, daar hebt ge nu weer uw groote lichtzinnigheid! Gij spreekt van den grooten, onoverwinnelijken grijzen beer met een geringschatting, die kant noch wal raakt.
—Wel neen, ik acht hem ook zeer gevaarlijk, maar onoverwinnelijk, zooals gij daar zegt, is hij toch niet. Geen roofdier is onoverwinnelijk, ook de Grizzly niet.
—Hebt gij dat misschien ook gelezen?
—Ja zeker.
—Hm, ik geloof, dat de boeken, die gij hebt gelezen u zoo lichtzinnig hebben gemaakt. Gij zijt toch anders zulk een verstandig mensch, als ik mij niet vergis! Gij zoudt in staat zijn, om op den grijzen beer op dezelfde manier los te trekken, als gisteren op de bisons.
—Als ik niet anders kon, zeker!
—Niet anders kon! Onzin! Wat bedoelt ge met deze woorden? Ieder mensch kan anders, als hij wil!
—Dat wil zeggen, hij kan op de vlucht trekken, als hij laf is, bedoelt ge dat?
—Ja, maar van lafheid is daarbij geen sprake. Het is geen lafheid voor den Grizzly te vluchten, integendeel, het is zelfmoord hem aan te vallen.
—Dan verschillen wij van meening. Wanneer hij mij verrast en mij geen tijd laat te vluchten, moet ik mij verdedigen. Als hij een van mijn makkers aanvalt, moet ik hem te hulp komen. Dat zijn twee gevallen, waarin ik niet kan of mag vluchten. En bovendien kan ik mij zeer goed denken, dat een dapper prairiejager lust krijgt eens den strijd met den grijzen beer te wagen, om zijn moed te toonen, een gevaarlijk roofdier onschadelijk te maken en eens lekker te smullen van de ham en de klauwen.
—Gij zijt een onverbeterlijk mensch, en ik word waarlijk bang voor u! Bid God, dat gij nooit met die ham en die klauwen kennis maakt, al wil ik niet ontkennen, dat er niets op de geheele wereld is, dat lekkerder smaakt.
—Waarschijnlijk behoeft ge vooreerst nog niet bezorgd over mij te zijn. Of zijn hier in deze streek ook grijze beren?
—Zeker waarom niet? De Grizzlybeer vindt men in ’t geheele gebergte, hij volgt den loop der rivieren en komt soms tot in de prairiën! Wee dengene, dien hij daar aantreft. Laat ons er niet verder over spreken.
Hij vermoedde evenmin als ik, dat reeds den volgenden dag dit thema opnieuw ter sprake zou komen en wij dit gevreesde dier op onzen weg zouden ontmoeten. Er was geen tijd meer het gesprek verder voort te zetten, want wij waren nu bij de legerplaats aangekomen. Men had in dien tusschentijd flink gewerkt, Bancroft had eens willen toonen, dat hij, als ’t moest, ook nog wel iets kon.
Toen men ons zag aankomen, riep men reeds van verre:
—Een muildier, een muildier, waar haalt ge dat vandaan?
—Over de post gekregen!—antwoordde Hawkins met den grootsten ernst.
—Niet mogelijk en van wien dan?
—Onder kruisband, voor twee cent, wilt gij het omslag zien?
Eenigen lachten, anderen scholden, maar Sam had zijn doel bereikt, men vroeg niet verder. Of hij tegen Dick Stone en Willy Parker iets mededeelzamer was, kon ik niet zien, daar ik dadelijk aan ’t werk ging. Wij vorderden goed en tegen den avond waren wij zoover, dat wij den volgenden morgen beginnen konden, het dal op te meten, in ’t welk wij den vorigen dag de bisons gejaagd hadden. Toen ik daarover met Sam sprak, vroeg ik hem, of het niet mogelijk was, dat wij in onzen arbeid door de buffels gestoord zouden worden, daar zij waarschijnlijk door dit dal wilden trekken. Wij hadden slechts met de voorhoede te doen gehad en konden ons dus voorbereiden op de komst van den hoofdtroep. Sam antwoordde evenwel:
—Wees daarvoor niet bang, sir. De bisons zijn even slim als de mustangs. De door ons verjaagde voorposten zijn teruggekeerd en hebben de kudde gewaarschuwd, deze neemt nu een anderen weg en zal zich wel wachten door dit dal te komen.
Toen de morgen aanbrak, verlegden wij onze legerplaats. Hawkins, Stone en Parker hielpen ons daarbij niet, want de eerste wilde zijn „Mary” inrijden en de beide anderen waren met hem meegegaan naar de prairie, waar dit kunststuk zou worden vertoond.
Wij, opzichters, hadden het druk met het aanbrengen der meetstangen, waarbij eenige ondergeschikten van Rattler ons hielpen; deze zelf slenterde met de anderen wat in de omgeving rond. Daarbij kwamen wij, en hij ook, dicht bij de plek, waar ik de beide buffels had doodgeschoten. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat de oude buffel er niet meer lag. Wij gingen er naar toe, en zagen dat, van de plek, waar hij gelegen had, een breed spoor leidde tot aan het kreupelhout, het gras was geheel platgetreden.
—Wel duivels! hoe is dat mogelijk—riep Rattler—Ik heb toen wij het vleesch haalden, de stieren toch goed onderzocht, zij waren dood en toch heeft deze nog leven in zich gehad.
—Meent gij dat?—vroeg ik.
—Zeker, of denkt gij dat een doode buffel aan den haal kan gaan.
—Moet hij zelf aan den haal zijn gegaan, kan een ander hem niet hebben gehaald?
—Zoo, en wie zou dat dan kunnen zijn?
—Indianen bijvoorbeeld! Wij hebben daarginds hun voetspoor gezien.
—Zoo, wat kan zulk een „greenhorn” toch verstandig praten. Waar zouden de Indianen vandaan zijn gekomen?
—Wel van hier of daar.
—Dat is natuurlijk, uit den hemel misschien, want anders zou men hier toch hun sporen zien. Neen, er is nog leven in den buffel geweest, en toen hij bijkwam, heeft hij zich voortgesleept tot in het kreupelhout, waar hij natuurlijk gestorven is. Laat ons maar eens gaan zien!
Hij volgde met zijn lieden het spoor. Misschien had hij gedacht, dat ik mee zou zijn gegaan, ik deed dit echter niet, want de hoonende wijze, waarop hij met mij sprak, ergerde mij en ik had nog te werken, bovendien was het mij ook tamelijk onverschillig, waar het lijk van den ouden stier gebleven was. Ik keerde dus naar mijn werk terug, maar nauwelijks had ik de maatstang weer ter hand genomen, of ik hoorde een vreeselijk angstgeschreeuw tusschen de boomen, twee, drie schoten knalden en toen hoorde ik Rattler roepen:
—In de boomen, vlug, in de boomen, anders zijt gij verloren, hij kan niet klimmen.
Wien bedoelde hij daarmee? Ik zag iemand uit het kreupelhout komen met sprongen, zooals men die slechts in doodsangst kan maken.
—Wat is er, wat is er?—riep ik hem toe.
—Een beer, een groote beer, een grijze Grizzly!—hijgde hij, terwijl hij mij voorbij rende.
Tegelijkertijd schreeuwde een stem:
—Help, help, hij heeft mij beet. Oh, oh!
Zóó kon slechts een mensch brullen, die den dood voor oogen ziet. De man moest zich in groot gevaar bevinden, hij moest gered worden, maar hoe? Ik had mijn geweer bij de tent laten liggen, omdat het mij bij ’t werk hinderde. Dit was geen onvoorzichtigheid geweest, want wij, opzichters, hadden immers de prairiejagers tot onze bescherming bij ons. Indien ik eerst naar de tent liep, werd de man in dien tusschentijd door den beer verscheurd, ik moest dus naar hem toe, zooals ik was, alleen met mijn mes en de revolvers in den gordel. Maar wat zijn dit voor wapens tegen een Grizzlybeer! Dit dier is verwant aan den nu uitgestorven holenbeer, en behoort meer tot den voortijd dan tot den tegenwoordigen tijd. Hij wordt negen voet lang en ik heb exemplaren gezien, die even zooveel duizenden ponden wogen. Zijn spierkracht is zoo groot, dat hij met gemak met een hert, een veulen, of een bisonkalf in den bek wegloopt. Een ruiter kan hem slechts dan ontkomen, wanneer hij een bijzonder sterk paard heeft, anders haalt de grijze beer hem zeker in. Het spreekt dus vanzelf, dat, wegens zijn reusachtige sterkte en onvermoeide kracht, de overwinning op den Grizzlybeer, bij de Indianen voor een ongehoord dappere daad geldt. Ik ijlde dus naar het kreupelhout. Het spoor liep nog verder, tot daar, waar de boomen begonnen. Tot hierheen had de beer den dooden stier gesleept.
Het was een vreeselijk oogenblik. Achter mij riepen de opzichters, die naar de tent snelden om hun wapens te halen, vóór mij schreeuwden de prairiejagers en daartusschen klonk het onbeschrijfelijke angstgehuil van den man, die in de klauwen van den beer was gevallen.
Met elken sprong kwam ik nader, nu hoorde ik de stem van den beer, of liever dat eigenaardig snuiven en brommen, dat dit dier kenmerkt.
Eindelijk was ik er. Vóór mij lag het ontvleeschde lijk van den bison, rechts en links schreeuwden de prairiejagers, die in de boomen waren geklommen en die zich daar vrij veilig voelden, daar men zelden of nooit een Grizzlybeer ziet klimmen. Recht voor mij, aan den anderen kant, had een der prairiejagers in een boom willen klimmen, maar was daarbij door den beer overvallen. Hij lag met het bovenlichaam, zich met beide armen aan den stam vasthoudende, op de laagste takken en de Grizzly had hem de groote slagtanden in buik en beenen geboord. De man was reddeloos verloren, ik kon hem niet helpen en niemand zou, wanneer ik weer weggeloopen was, het recht hebben gehad, mij daarvan een verwijt te maken, maar bij dit gezicht nam ik een heel ander besluit. Ik raapte een der weggeworpen geweren op, het was helaas afgeschoten. Toen sprong ik over den buffel heen en gaf den beer met de kolf van ’t geweer een geweldigen slag op den kop. Belachelijk! Het geweer brak als glas in mijn handen; zulk een harde kop geeft zelfs niets om een bijl, maar ik had in elk geval de voldoening, dat de beer zijn slachtoffer een oogenblik met rust liet. Hij keerde den kop naar mij toe, niet snel, zooals een roofdier van het katten- of hondengeslacht zou hebben gedaan, maar langzaam, alsof hij zeer verwonderd was over mijn dommen aanval. Mij met zijn kleine oogen metend, scheen hij bij zichzelf te overleggen, of hij bij zijn tegenwoordig slachtoffer zou blijven, of mij zou aanpakken;—deze weinige oogenblikken redden mijn leven. Ik haalde de eene revolver uit den gordel, sprong tot zeer dicht bij den beer, die mij wel den kop, maar voor ’t overige, den rug toekeerde en schoot hem een, twee, drie, viermaal in de oogen, juist zooals ik een paar dagen te voren, den buffel in de oogen had geschoten. Dit gebeurde natuurlijk zoo snel mogelijk, toen sprong ik ter zijde en bleef wachtend staan, terwijl ik het bowiemes te voorschijn haalde.
Was ik staan gebleven, dan had ik dit waagstuk met mijn leven moeten betalen, want het blinde roofdier wierp zich neer op de plaats, waar ik mij een oogenblik van te voren had bevonden. Ik was evenwel niet meer daar en nu begon de beer, onder woedend gesnuif en slaan met de pooten, naar mij te zoeken. Hij deed als een waanzinnige, rolde over den grond, wroette in de aarde, maakte dan weer sprongen naar alle kanten, om mij te zoeken, maar kon mij tot mijn geluk niet vinden. Misschien had zijn reuk hem op mijn spoor kunnen brengen, maar hij was razend van woede, en dit verhinderde hem zijn instinct te volgen.
Eindelijk schonk hij zijn opmerkzaamheid meer aan zijn verwondingen dan aan dengene, die ze hem bezorgd had, hij ging zitten, richtte zich een weinig op en streek snuivend en tandenknarsend met de voorpooten over de oogen. Snel stond ik naast hem, hief mijn mes op en stiet het hem tweemaal tusschen de ribben. Hij greep onmiddellijk naar mij, maar ik was reeds weer verdwenen. Ik had echter het hart niet getroffen en het zoeken naar mij begon opnieuw met verdubbelde woede. Dit duurde wel tien minuten lang, hij verloor veel bloed en werd moede. Hij ging dus weer zitten en streek zich over de oogen. Hierdoor was ik in de gelegenheid opnieuw twee op elkaar volgende messtooten toe te brengen en ditmaal had ik beter getroffen, het kolossale dier viel voorover, terwijl ik snel weer op zij was gesprongen, liep waggelend en snuivend eenige stappen verder, wilde zich weer oprichten, maar had daartoe niet meer de kracht; het slingerde heen en weer, deed vergeefsche moeite om op de pooten te blijven en viel eindelijk uitgeput op den grond. Hier bleef hij onbeweeglijk liggen.