Front matter
Silvanus translation

[Illustratie: kaft voorkant]
WIJ EN ONS EZELTJE.
WIJ EN ONS EZELTJE
Uit het Engelsch van AMY LE FEUVRE
DOOR SILVANUS.
![[Illustratie: logo]](/illustrations/eabd66d67ac6a98f.jpg)
's-GRAVENHAGE — D. A. DAAMEN.
Inhoudsopgave
I. HOOFDSTUK I
II. HOOFDSTUK II
III. HOOFDSTUK III
IV. HOOFDSTUK IV
V. HOOFDSTUK V
VI. HOOFDSTUK VI
VII. HOOFDSTUK VII
VIII. HOOFDSTUK VIII
IX. HOOFDSTUK IX
X. HOOFDSTUK X
XI. HOOFDSTUK XI
XII. HOOFDSTUK XII
XIII. HOOFDSTUK XIII
XIV. HOOFDSTUK XIV
XV. HOOFDSTUK XV
XVI. HOOFDSTUK XVI
XVII. HOOFDSTUK XVII
![[Illustratie]](/illustrations/8e1dc14316f0beb6.jpg)
HOOFDSTUK I
Natuurlijk zeggen de jongens, dat ik het weer niet klaar zal spelen. Maar ik zeg van wel. Moet u weten, we zijn in een dorp beland, waar alles vreemd en nieuw is, en daar is dus heel wat van te vertellen. Nu zegt Daan wel, dat iedereen, die schrijft, een kwast is; en Alex, dat ik alleen over mezelf zal schrijven, maar dat heeft geen nood; want er is heel wat belangrijkers te beschrijven, dan mezelf. Bovendien, ik ben zelfs niet van plan, alleen op te schrijven, wat wij gedaan en gezegd hebben, d'r zijn hier nog zooveel andere menschen, waar ik wat van vertellen wil. 't Is wel gemakkelijk, besluiten te nemen, maar ze uit te voeren, is moeilijker. Toch zal ik het probeeren.
En daarom zal ik maar eens beginnen met te vertellen, dat onze vader Jan Hendrik Marjoribanks heet, en dat hij dominee is. Moeder is een jaar geleden gestorven; liever schreef ik daar niet over, maar het zal wel moeten. Het was toen ook zulk een vreeselijke tijd. Wij waren heel arm, want vader was toen nog maar hulpprediker, en moeder kon voor hem geen dikke winterjas koopen. Haar wintermantel versneed ze, om er een voor mij van te maken, en toen zij op een bitter kouden avond uitging om een zieke vrouw te bezoeken, keerde zij huiverend van koorts terug; zij kreeg — ik weet heusch 't woord niet meer, maar 't begon met een p. Haar longen waren aangedaan, en er moest een verpleegster komen, die heel wat geld kostte; niemand van ons mocht haar zien voor den laatsten dag van haar leven, toen ze ons bij zich riep om afscheid te nemen. Ik kan daar niet meer over schrijven, het maakt mij zoo bedroefd — wij hielden zoo veel van moeder. Zij zeide mij, dat ik trachten moest, haar plaats in te nemen, want ik was haar oudste dochter, en ik gevoel zoo, nooit, nooit zal ik het worden, want ik ben zoo vergeetachtig en ik haat het naaiwerk. Om de eenvoudigste dingen lach ik, iedereen kan me aan 't lachen maken, en dat weten ze.
Onze arme vader werd steeds bedrukter, en Mej. Glass, de vrouw van onzen dominee, toonde zich een vreeselijke bemoeial. Haar kinderen konden wij niet zetten; 't waren lastposten. Eens, toen we weer aan 't vechten waren, zeiden ze: Jullie vader moet doen, wat onze vader hem zegt, en als hij 't niet doet, wordt hij weggestuurd. Zij schenen te denken, dat vader een soort knecht was; wij hebben ze eens goed de waarheid gezegd, en daarna hebben we in geen vijf dagen een woord tegen elkaar gesproken.
Kort daarna kwam de blijde tijding: vader gaat naar den Rector van Warlington, en dat beteekende: hij zou een eigen kerk en een eigen huis krijgen. Wij zouden verhuizen!
Een verhuizing is 't mooiste, wat je kunt beleven. Twee keer waren we al verhuisd, en we zouden 't elk jaar wel willen. Ditmaal was het niet zóó gezellig meer als vroeger, omdat moeder er niet meer was. Tante Caroline kwam nu eens kijken.
![[Illustratie]](/illustrations/10d89a99cc903464.jpg)
Nog denk ik met genot terug aan die dagen; den laatsten dag, toen onze maaltijd op een kist werd opgediend en overal de grootste herrie heerschte, en alle kamers zachtjesaan leeg raakten, vond ik vooral verrukkelijk.
Tante Caroline trok mee naar de nieuwe woning, en zij is nu nog bij ons. Zij is een eigen zuster van vader, heel vriendelijk en nog al druk. Onze overtocht per spoor duurde lang; wij hadden vlak bij Londen gewoond, en ons nieuwe huis stond in Lincolnshire. Toen we aankwamen, waren we allen van vermoeidheid in slaap gevallen. Misschien is het beter, nu eerst wat van onszelf te vertellen, dan wat van het huis, en dan mijn eigenlijke verhaal te beginnen.
Daan is de oudste, hij is 13 en Alex 12 jaar. Zij doen altijd alles samen, Daan heeft de leiding, en gewoonlijk is Alex het met hem eens, nadat hij er eerst flink met hem over getwist heeft. Iedereen vindt hen knappe jongens. Ik ook wel, maar als de menschen tegen vader zeggen: Wat flinke jongens! Zulke kleine meneertjes al! — dan schudt hij het hoofd. Na hen volg ik. Ik ben de leelijkste van de familie. Ik heb roodachtig haar, een bleek gezicht en groenachtig-bruine oogen. Heelemaal rood is mijn haar niet; d'r zijn d'r wel rooder. De jongens zeggen, dat roodharige menschen altijd leelijk zijn. Meer zal ik over mezelf niet zeggen; alleen nog dit eene, dat ik boekenschrijfster wil worden, en daarom er nu vast mee begin. Ik heet Grietje. Is 't geen vreeselijke naam? Ik heb hem van een oude tante, die mijn peettante was. De jongens noemen mij natuurlijk Griet. Je kùnt geen schoonheid zijn met zoo'n naam, zei Daan eens tegen me, toen ik hem vertelde zoo mooi te willen wezen als ons zusje Lena. Neen, zei ik, maar als ik m'n oogen sluit, klinkt Grietje als een grimmige oude vrouw met een baard onder d'r kin, en ik vrees, dat ik óók zoo zal worden. Ik denk het ook wel, zei Daan, maar je behoeft niet leelijker te zijn dan je verkiest. Je bent nu nog niet oud. Ziezoo, dat is ten minste één ding om dankbaar voor te wezen: oud ben ik nog niet.
Lena is negen jaar, heel lief, en een echte dolle dries. Zij heeft prachtig lang haar, dat in blonde golven neerhangt tot op haar middel, en blauwe oogen. Onze jongste is Puf, oftewel onze baby. Zijn eigenlijke naam is George, maar wij noemen hem Puf, omdat hij zoo snel praat, dat hij tusschen de woorden blaast als een stoommachine, en omdat hij stapt als een haan. Hij is pas 6 jaar en heeft altijd een schortje voor, waar hij 't land aan heeft, en dat tracht los te maken, zooveel hij maar kan. Wij hebben het nu met heel veel knoopen van achteren vastgemaakt. Hij probeert het zooveel mogelijk vuil te maken, maar als hij dientengevolge meer dan één schortje per dag noodig heeft, krijgt hij geen suiker in z'n thee, en dat vindt hij verschrikkelijk. Hij heeft een kroeskop, dikke wangen, stapt heel zwaar en heeft dus heel wat schoenen noodig.
Nu zal ik ons huis gaan beschrijven. 't Is een heerlijk huis, vlak bij de kerk, omringd van vele huisjes met rieten daken. Onze poort is naast die van de kerk, maar als we naar de kerk gaan, loopen we langs een klein nauw paadje tusschen dichte heesters door, en dan komen we door een nauw poortje op het kerkhof, vlak tegenover den ingang. Een breed pad leidt van onze poort naar de huisdeur; aan dezen kant zijn ook de stallen, een koetshuis met zolder en nog twee stallen voor paarden. Wij hebben geen paard of rijtuig, maar er zijn daar heerlijke plekjes om te spelen. Vóór ons huis is een groot grasveld daar staat ook een prieel, en aan de eene zijde een groepje boomen; verder nog struikgewas en bessenstruiken.
Achter de keuken zijn twee grasvelden en daarachter loopt de spoorlijn; ons huis ligt wat hoog, zoodat de tuin wat afloopt, hetgeen heel geschikt is, om den trein te halen, als je wat laat bent. Aan de andere zijde van 't huis zijn bloemperken, waarop vaders studeerkamer uitziet. Achter de stallen is het werkhok en de kippenren, staande tegen een dijkje, dat ons erf van den weg scheidt. Ik ben niet heel sterk in beschrijvingen als deze, maar ik hoop, er nu voldoende van te hebben gezegd.
In ons benedenhuis hebben we de eetkamer, de zitkamer en vaders studeerkamer. Een lange gang leidt naar de keuken. Boven hebben we onze leerkamer, dan vaders slaapkamer, die van tante Caroline, en de bergkamer. Ook hier weer een lange gang, aan het eind daarvan onze slaapkamers en die van de dienstbode. Alex en Daan slapen samen in de eene, Lena en ik in de andere kamer. Puf slaapt bij tante Caroline.
In het gansche huis hangt een echt landelijke geur. Beschrijven kan ik dien niet, wij hebben altijd in de stad gewoond, maar als ik m'n oogen dicht doe, kan ik zeggen, waar ik ben, door den geur.
De eerste weken na onze aankomst waren gezellig. Wij hielpen tante Caroline met het plaatsen der meubelen, terwijl vader naar Lemworth ging, een naburige stad, om er eenige nieuwe kleeden en enkele nieuwe meubelstukken te koopen. Wij klapten in onze handen, toen wij ze zagen, maar vader zei: Ach kinderen, hoe zou moeder dit verblijd hebben! Toen ging hij naar z'n studeerkamer en sloot de deur, en wij werden in eens stil.
Ge hebt gezien, dat we met onze nieuwe woning bijzonder in onze nopjes waren; 't was ook alles zoo nieuw voor ons, en we konden nauwelijks gelooven, dat dit alles nu voor ons was.
Wij zijn hier begin Juni gekomen, we hebben onophoudelijk aardbeien gegeten en morgen is het Juli! Gisteren hadden we onzen eersten regendag, en zijn we allemaal in de leerkamer gebleven; we begonnen met een praatje over onze lessen. Daan en Alex moeten elken dag 3 mijlen loopen naar den dominee van het naastbijzijnde dorp; die dominee geeft zijn eigen kinderen en enkelen anderen les. Zij blijven daar dan eten, en keeren pas op het theeuurtje terug. Lena en ik nemen les van tante Caroline; ik geloof, dat tante niet heel secuur is, maar zeker weten doe ik 't niet. Zij en tante Marie komen bij beurten vaders huishouding waarnemen. Zij wonen dicht bij Londen; van tante Marie houden we erg omdat zij vaak spelletjes met ons doet en verhaaltjes vertelt; pas in den herfst is het haar beurt om te komen, dat duurt dus nog even.
"Ik vind zes mijlen per dag loopen een vervelend baantje," zei Daan, en wierp z'n lei driftig op tafel; "wij moesten een fiets hebben, dan zou 't makkelijker gaan." "Die zullen we nooit krijgen," zei Alex, "zoolang we zoo arm blijven. Als ik ouder word, zal ik gaan sparen, voor ik trouwen ga, en dan geef ik ieder van m'n jongens een fiets, als ze zes jaar zijn." "Hoe leg je dat aan?" vroeg Daan. "Zeker niet door hard te werken."
"Ik ga goud, of diamanten, of petroleum zoeken," zei Alex. "Kan niet schelen wat, maar dàt is je manier om geld te verdienen." Toen Daan weer: "Maar goud en diamanten spuiten den grond niet uit, als jij voorbij komt." "Dat niet, maar ik zal ze onverwacht ontdekken." "Ik wou, dat we een klein ponykarretje konden houden," zei ik. "Gisteren zag ik er een rijden door ons dorp, met zoo'n aardigen pony, bestuurd door een klein meisje in 't blauw en met een witten stroohoed op."
"Pony's kosten veel geld," zei Alex. "Een oude ezel zou niet kwaad zijn; hij zou ons in een wip naar school brengen."
"Ja," riep ik verheugd uit, "en ik zou iederen morgen met jullie mee gaan om hem weer terug te brengen, omdat we hem hier overdag wel eens noodig konden hebben, en dan ga ik jullie 's middags weer met hem halen."
![[Illustratie]](/illustrations/7f0af7d60cd397c0.jpg)
Daan gooide z'n boek naar mijn hoofd; ik ving het op en wierp het terug; 't was goed raak. Gevolg: een geregeld bombardement van boeken, totdat tante Caroline in de deur verscheen en ons beval, op te houden. Toen begonnen we weer over onzen ezel te denken, en we besloten te gaan sparen, om er een te koopen. Wij beloofden elkaar plechtig, geen cent meer te zullen uitgeven voor snoepgoed, zoolang niet genoeg geld bijeen was, om een ezel te koopen.
"Als we geen karretje kunnen koopen, zullen we hem bij beurten berijden," stelde Alex voor. Toen nam Puf het woord:
"Ik ga ook sparen, en dan koop ik een renpaard, dat is heel wat beter dan een oude ezel." "Kun jij zes mijlen lang op een paard zitten, jij kleine vent?" vroeg Daan. Puf wond zich op: "Een oude ezel weet niet, hoe ie loopen moet; en rennen kan ie heelemaal niet, ik hou van rennen, en ik wil niet op een ezel zitten, en ik geef mijn geld niet voor zoo'n sukkel, en ik...." "Hou op!" riep Daan, "jou kleine windhapper, of we zullen je vierkant uit 't raam zetten. Nou, jongens hoeveel geld hebben we samen? Ik zal penningmeester zijn; vlug wat!"
![[Illustratie]](/illustrations/7a15a6dd5ae6578f.jpg)
Daan had nog niet uitgesproken, of Lena en ik vlogen al naar ons kamertje, om onze beursjes te halen. Lena had 5 ½ cent, ik 9 dubbeltjes. Wij gaven dit bedrag aan Daan, die het geld in z'n spaarpot deed. Daarna nam hij uit zijn beurs 65 cent, terwijl Alex met smart beleed, dat ie geen cent bezat. Toen werd Puf bevolen twee centen af te staan, hetgeen hij al huilende deed, en telden we ons gezamenlijk bezit: één gulden, 62 ½ cent. Niet veel, om een ezel voor te koopen!
"Wij moeten probeeren, er wat geld bij te verdienen," sloeg ik voor. "Dat is nog zoo gek niet," zei Daan, "en ik heb er al over gedacht, hoe." "Dat heb ik ook," zei ik snel, "maar ik zeg het je niet, wel de volgende week, het is o zoo leuk."
Lena was bezig de kamer rond te hinken; even hield ze stil. "Ik wou dat we konden bedelen," zei ze. "Er is geen politie, om ons het te beletten." Daan sprak: "Alsof wij in onzen stand konden bedelen!" Daan is heel trotsch op "onzen stand". Ik vroeg hem eens, van welken stand wij waren. Van den tweeden, zei hij; de groote heeren en dames zijn van den eersten; maar ik herinnerde hem, dat moeders grootmoeder Mevrouw Louise werd genoemd, en wij dus ook tot den eersten stand behoorden. Hij zei toen, dat we van gekruist ras zijn. Ik weet niet, wat dat beteekent.
"Misschien zal vader ons een ezel geven, als we hem er om vragen," zei Lena; "hij is nu veel rijker. Ik zal hem er over spreken." Ze rende de kamer uit. Vader is dol op Lena; nooit bromt hij op haar, als ze op zijn studeerkamer komt. Wij wachtten in spanning; ze kwam met een lang gezicht terug. "Vader zegt, dat de verhuizing zooveel geld heeft gekost, dat hij nauwelijks al z'n rekeningen kan betalen." "'t Is ook veel aardiger als wij zelf den ezel kunnen koopen," zei Daan. Opeens riep Alex: "Ik heb een eenig plan, om geld te verdienen." "Dan hebben we nu drie plannen," merkte Daan op; "laten we elkaar daar nu niets van vertellen, dan komen we vandaag over een maand hier weer bij elkaar,' en tellen we onze verdiensten. Lena, jij moet nog een plannetje verzinnen, om geld te verdienen." Zij schudde lachend het hoofd: "Ja, ik weet al wat, en ik vertel het ook aan geen mensch."
![[Illustratie]](/illustrations/cf1de67cf94a1484.jpg)
De vergadering werd besloten met een harddraverij om de tafel, totdat tante Caroline weer verscheen, om ons het te verbieden. Toen Puf dien avond naar bed ging, vroeg ie aan vader, of God soms ook geld had. Puf doet altijd van die wonderlijke vragen, en vader geeft hem altoos ernstig antwoord, hij zal hem nooit uitlachen.
"God is heel rijk, is 't niet vader?"
"Alle dingen in hemel en op aarde zijn van Hem," antwoordde vader.
Puf ging heel gelukkig naar bed, maar eerst stak hij zijn hoofd nog even bij ons door de deur; "ik heb een heel mooi plan," zei hij. En wij lachten allemaal, omdat wij wel konden gissen, wat het was.
![[Illustratie]](/illustrations/694c4b751a504c7e.jpg)
HOOFDSTUK II
Wij hebben twee weken vacantie, voor wij aan de lessen beginnen, en dan duurt het nog maar enkele weken, en wij hebben weer vacantie, de groote zomervacantie, die einde Juli begint.
Ik verlang er naar te beginnen met mijn plan om geld te verdienen, en ik denk er vandaag maar een aanvang mee te maken. Ik wou er eerst niets van zeggen, maar ik heb toch vader eerst maar verlof gevraagd, en hem gezegd, dat hij er niets van aan de anderen moet zeggen. Lena kan nooit een geheim bewaren; vanmorgen al, toen ze nog in bed lag, wilde ze mij al vertellen, wat ze doen ging, maar ik stopte mijn vingers in mijn ooren, zoodat ze kon zien, dat ik het toch niet hooren wou. Ik geloof stellig, dat we ons geheim niet lang zullen bewaren; dat spelen we nooit klaar. Was het nu nog één geheim, maar 't zijn er vijf, en die houden we onmogelijk stil.
Vandaag is 't Zaterdag. Tante Caroline houdt elken Zaterdagavond een huisgodsdienst voor den Zondag, en daar gaan we allen heen. Dat geschiedt in onze mooie oude kerk; tante Caroline bespeelt dan het orgel, en wij vormen het koor; Daan noemt het een gekras van belang.
Nu is er een oude man, die als voorzanger dienst doet, en de antwoorden opzegt, als niemand ze weet. Hij heeft een foei-leelijke stem, en zingt altijd een heel eind achter. Hij heet Nathan Porter. Verleden Zaterdag zei Daan tegen hem: "Kijk es, u moet niet zoo hard zingen, wij kunnen 't best af. Ik denk, dat u wel vermoeid zult zijn van 't zingen. Waarom gaat u niet midden in de kerk zitten, met een kussen in uw rug?" De oude man was beleedigd en stampte met zijn stok op den vloer: "Jongetje, ik ben hier spijkervast huisraad; jelui doortrekkend volk gaat voorbij als het gras. Ik ben hier al veertig jaar voorzanger, en nog niemand heeft mij ooit van hier willen jagen. Ik zing hier al van dat ik knaap was, en ik zal zingen blijven, tot dat ik naar het koor hierboven ga, en dan zal ik dáár zingen." Daan voelde zich terechtgezet, en zei geen woord meer.
Ook een kreupele jonge kleermaker, en de onderwijzeres, en vier schoolkinderen doen aan den kerkdienst mee. Ik houd erg van de kooroefeningen, maar de jongens niet. Zij hadden vanmiddag liever gecricket in 't veld. Vreeselijk verhit kwamen zij aanhollen, toen 't tegen 4 uur liep, en in de grootste haast werden de handen gewasschen. De kerk was koel, na het voortdurend gejakker in 't land.
In de kerk is één geschilderd raam; de andere ramen zijn gewoon, en je kunt de wuivende boomkruinen, en de blauwe lucht er door zien. Het maakt je aan 't droomen, als je dat ziet, terwijl je zit te zingen. Soms vergeet ik waar ik ben, en dan stooten de jongens mij aan en fluisteren: "Word wakker, Griet, kijk, een wesp!" Zij weten wel, hoe bang ik voor wespen ben; en dan schreeuw ik bijna luid van angst, en zie, dat er niets is. Het is heel moeilijk, je altijd goed te houden als er jongens bij zijn; zij maken je aan 't lachen en doen je 't geduld verliezen. En ik wil me juist in de kerk zoo graag goed houden, vooral als het een mooie dag is, en alles zoo rustig en stil om ons heen. Als ik dan de gouden vlammen zie bij zonsondergang, en de blauwe luchten en de rose wolken, dan komt er een lichte huivering over me, en ik fluister in mezelf: "O God, maak mij goed! Maak mij goed!"
Daan en Alex zingen heel aardig; hun zang klinkt in de kerk als .... ja, ik zou haast zeggen als een klok, maar er is nog een lieflijker geluid: als ge met uw natgemaakte vingers langs den rand van een glas wrijft! Vader zegt, dat ik ook geen slechte stem heb, maar 't haalt toch niet bij die van de jongens. Moeder kon prachtig zingen — maar ik zal over haar niet spreken, dat maakt me maar droevig — en dan word ik boos op de jongens. Ik verwonder mij er vaak over, waarom het nu zoo verkeerd is, om te schreien. Ik denk, omdat het te kinderachtig is. Daan is altoos boos, als er een van ons schreit. Hij zegt, dat het fijnste volk van de wereld de Amerikaansche Indianen zijn; die lachen nog, terwijl ze onthoofd worden.
Maar ik huil om de minste aanleiding; dan komen de tranen me in de oogen en ik kàn ze niet tegenhouden. Zelfs de stemmen der jongens bij de kooroefeningen maken me al bedroefd. Ik wou, dat ik een Amerikaansche Indiaan was.
Toen de kerkdienst afgeloopen was, bleef ik met tante Caroline nog even in de kerk, om de zangboeken op te bergen, en toen kwam vader de kerk binnen. Hij zag er opgewekt uit, liep naar een graftombe dicht bij den preekstoel, en riep mij bij zich. In den grafsteen was de figuur van een ridder gebeiteld; wij vinden het altijd zoo jammer dat zijn neus kapot is, want het bederft z'n gansche gelaat. Maar vader wees mij op eenige woorden, gegrift aan het voeteneind. "Grietje," zei vader, "dat zijn nu de woorden, welke ik ook op mijn graf zou wenschen, tenminste, als ik er naar geleefd heb. Lees ze mij eens voor, kind." Ik las ze, hoewel ik ze niet begreep: "Semper fidelis, semper paratus."
"Altijd getrouw, altijd bereid," zei vader; "niet soms, Grietje. Hoe weinigen van ons kunnen dat "semper" voor onze deugden plaatsen!"
Ik begrijp vader niet altijd, maar ik zei niets, totdat de zon scheen door het beschilderde kerkraam, en blauwe en roode stralen over den ridder wierp. Toen glimlachte ik.
![[Illustratie]](/illustrations/a5f8badd18cd37fe.jpg)
"O, vader, wat is het toch een lief kerkje, en is u nu niet blijde, dat dit alles aan u behoort? Het is toch allemaal van u, is 't niet?"
Hij schudde zijn hoofd.
"Het is niet mijn kerk, Grietje, maar die van mijn Meester."
"Jawel, dat weet ik wel," zei ik langzaam.
Toen zei vader op zachten toon, alsof hij tot zichzelf sprak in plaats van tot mij: "Slechts rentmeester. En — van den rentmeester wordt getrouwheid vereischt, semper fidelis."
Tante Caroline kwam bij ons. "'t Is theetijd, Grietje, kom, mee naar binnen." Ik ging heen, spijtig, dat ik het heerlijk-koele kerkgebouw alweer moest verlaten. Ik wou, dat we altoos buiten eten en drinken konden. Thee is zomers zoo heet. Ik ging de eetkamer binnen. De jaloezieën waren neer; de pas binnengebrachte theepot stoomde nog. Alex was bezig met de vliegen te verdrijven van onze boterhammen; Daan leerde Puf op z'n hoofd loopen, en Lena was nergens te zien.
Ik zou ze net gaan zoeken, toen ze de kamer binnenholde. Heur haar hing los, haar gezicht was erg verhit en haar schortje vuil als roet. Ze danste de kamer door en zong zoo hard als ze kon: "Hoerah! Ik heb het gedaan!" Toen stond ze plotseling stil en liet een kwartje zien. "Mijn eerste winst," riep ze uit; "ik ben jelui allemaal voor!"
Ik ging naar haar toe en zei: "Ik weet wat je hebt gedaan, ik kan 't aan je ruiken." "Zeg het nu maar niet! Vang 'm, meneer de penningmeester! Ik ga me wasschen." Zij huppelde de kamer uit, Puf keek me ernstig aan.
"Zij heeft suikergoed in de keuken gemaakt." De jongens begonnen te lachen.
"Makkelijk genoeg, haar geheim uit te visschen, maar ik zou wel es willen weten, wie er haar geld voor geeft," zei Daan. Ik antwoordde: "Misschien vader of tante Caroline. Maar laten we daar nu niet naar raden, totdat ze 't ons zelf vertelt. Dat zou niet in den vorm zijn." "In den vorm" is een woord van Daan; hij zegt het heel veel.
"Het is niet in den vorm, een kwast te wezen," zei hij.
"Dàt weet ik evengoed als jij."
"Dan ben je 't niet, Griet!"
Toen kwam tante Caroline binnen, en wij eindigden ons getwist.
Toen tante Caroline goed en wel gezeten was, schonk ze thee voor ons in; daar verscheen Lena, blinkend van frischheid, nu ze zich eens terdege had gewasschen. Maar nog was haar gezicht opgezet, zoodat tante uitriep: "Kind, wat zie je er uit!" Ze leek ook wel wat op een gekookte kreeft. "Ik heb zoo hard gewerkt," zeide ze; "ik zou voor geen duizend gulden kok willen wezen!"
Vervolgens kwam vader binnen; hij drinkt altijd gelijk met ons thee; maar zijn eigenlijk avondeten gebruikt hij nooit vóór 8 uur; dan eet hij met tante Caroline samen. Geen van ons had veel trek in thee; ze was zoo heet, en er was alleen brood met boter, niet eens bisquit, geen jam en geen aardbeien. Natuurlijk hebben we die lekkernijen niet iederen avond.
![[Illustratie]](/illustrations/fa83bcf0dcc063ab.jpg)
Na het theedrinken gingen de jongens den tuin in, terwijl ik tante Caroline hielp met het klaarleggen van al onze Zondagsche kleeren, en het verstellen van eenig ondergoed. We hebben slechts twee dienstboden, de keukenmeid en Emma; die kunnen dus het verstellen van ons goed er niet bij hebben. Emma helpt Puf bij z'n bad, waarbij hij danst en springt en soms over z'n hoofd buitelt in 't water, onder veel geschreeuw en drukte. Lena is trotsch op haar verdiende kwartje. Ik kan vóór Dinsdag a.s. niets verdienen, maar dan zal het ook raak zijn. En nu moet ik met schrijven eindigen, want ik ga naar bed.
Lena kwam juist naar me toe en zei: "Griet, raad eens, hoe ik dat kwartje heb verdiend." Ik zei haar, dat het een geheim moest blijven. "Jawel," zei ze, "maar jij kunt toch wel een geheim bewaren, is 't niet?" "Ik weet, dat je je borstplaat hebt verkocht, maar ik weet niet, aan wie. Misschien aan Emma, zij is dol op zoet goed." "Emma! Alsof ik van haar een kwartje zou aanpakken! Neen, niemand hier in huis gaf het mij, maar een heel voornaam persoon." Dit maakte mij nieuwsgierig, doch ik wou het haar niet laten merken. "Vader wil niet hebben, dat je je suikergoed aan vreemden verkoopt," zei ik. "'t Is geen vreemdeling," en toen, fluisterend aan mijn oor: "mejuffrouw Ribbon. Zeg het niet tegen de jongens."
Ik schrok. Mej. Ribbon is een beste vriendin van ons, hoewel we haar nog niet lang kennen. Zij is eigenares van den dorpswinkel, en is heel dik en heel vriendelijk. Zij heeft een grooten zoon, die dikke vrienden is met Emma. Hij heeft een paar dichtregels geschilderd buiten de winkeldeur, een heel aardig versje:
Wie hier eens komt, die komt terug, Hij wordt geholpen goed en vlug.
Mejuffrouw Ribbon heeft van alles in haar winkel. Alex ging naar haar toe, en vroeg een Braziliaanschen postzegel, hij verzamelt postzegels. Zij zei, dat ze hem binnen een week zou hebben, er waren postzegels besteld. Wij geloofden haar niet, doch op een Dinsdag, als het marktdag te Lemworth is, stuurde ze haar zoon naar een grooten boekwinkel daar, en hij kwam terug, niet alleen met een Braziliaanschen postzegel, maar ook met vele andere, zoodat Alex langen tijd keuze had. Later ging Daan er heen en vroeg naar een witte muis. Zij ging naar de stad en bracht er een voor hem mee; ik zei hem, dat ze een gewone muis had gevangen en die wit geverfd had. Maar hij geloofde het niet; 't eenige lastige was, dat zij er meer geld voor vroeg, dan hij bezat. Later merkten we, dat Tom, zoo heet de zoon van juffrouw Ribbon, een groote menagerie in den tuin had: duiven, kanarievogels, honden, katten enz.
In juffrouw Ribbon's winkel hangt zoo'n heerlijke geur. Van alles ruik je er; Daan zegt, dat het een mengsel is van zeep, uien, stroop en koffie. Ik vind het meer een mengsel van zwavel, spek, appels, en kaas. Alex vindt het meer ruiken naar suiker, kool, vet en leer. Altoos helpt juffrouw Ribbon met een vriendelijken glimlach haar klanten, nooit verliest ze haar hoofd bij de zoo verschillende boodschappen. Deze moet pepermunt hebben, die worst, een ander zes el katoen, weer een ander een kookpan, kopjes en schoteltjes, dan weer touw, veters, inkt, huismiddeltjes, rapen, bisquit, te veel om op te noemen; altoos weet ze het precies te vinden. Ik zei haar eens, dat winkel houden mij een heel zenuwachtig werkje leek, want je krijgt zooveel menschen, die zelf niet weten, wat ze moeten hebben. "Niets erg," zei ze, "ik weet beter wat ze noodig hebben, dan zij zelf." Daaruit blijkt, dat ze een knappe vrouw is.
"Kocht juffrouw Ribbon je borstplaat?" vroeg ik aan Lena. "Ja, ik gaf het haar, en vroeg, of ze 't niet kon gebruiken; ik vertelde haar, dat ik wat geld moest verdienen. Dat vond ze heel lief; ze kocht het van me en beloofde Woensdag nog meer van me te zullen koopen."
Ik werd een beetje jaloersch. Wij hebben van jongsaf altoos zelf onze borstplaat gemaakt. Lena heeft het van mij geleerd. Natuurlijk was het slim van haar, om er aan te denken, het te gaan verkoopen; maar toen juffrouw Ribbon het eenmaal wilde koopen, was er voor haar geen kunst meer aan. En als ik er nu aan denk, wat mijn plannen zijn .... maar ik zeg er niets van, want de jongens mochten dit dagboek eens in handen krijgen.
"Ik weet niet, of tante Caroline wel goed vindt, dat jij alle boter en suiker daarvoor gebruikt," zei ik een beetje gemelijk.
"O, dat maakt de keukenmeid wel in orde, zij heeft al gezegd, dat zij er voor zorgen zou. Van elke 25 centen, die ik verdien, geef ik er haar vijf en zij kan er meer boter voor koopen, dan zij noodig heeft!"
"Ik geloof er niets van, dat zij jou elken dag in de keuken wil hebben," zei ik.
"Dat zal ook niet elken dag gebeuren, maar de keukenmeid heeft gezegd, dat zij, zoo dikwijls als ik het maken wil, me zal helpen."
Ik wist, dat dit waar was, want Lena speelt het met iedereen klaar door haar mooipraterij. Ik begrijp niet, hoe ik zoo verkeerd kwam, maar 't was nu eenmaal zoo, en toen werd ik nijdig op mij zelf, dat ik zoo nijdig was, en werd dus nog nijdiger. Lena was zóó akelig met zichzelf ingenomen, dat zij d'r mond er niet over kon houden.
"Niemand van jelui is nog begonnen met wat te verdienen," zei ze, "ik ben jelui allemaal voor."
"Ga toch naar bed," schoot ik uit, "je bent zoo lastig en druk, dat ik niet eens rustig kan schrijven."
Zij liep de kamer uit en schold mij uit voor zeurkous. Ik zal ook maar naar bed gaan; toch ben ik een beetje huiverig om zoo boos in te slapen. Wij hebben eens een verhaal gehoord van een jongen, die z'n zuster niet wou vergeven, voor zij ging slapen; maar zij werd niet weer wakker: zij stierf van hartzeer.
Ik ben blij, dat 't morgen Zondag is; dan kan niemand van ons geld verdienen, en dus behoeven we elkaar daarover dan ook niet in 't haar te vliegen. Daar houd ik trouwens toch niet van; wij hebben allen noodig, dat we vrede met elkaar houden.
HOOFDSTUK III
Een gansche week lang heb ik niets geschreven, dus mag ik nu wel eens spoedig aan 't werk. 'k Zal eerst maar eens wat vertellen van verleden Zondag.
Bij het ontbijt krijgen we Zondagsmorgens allemaal een gekookt ei; dat is het eerste pleizier van den dag, ongerekend nog het genot der Zondagsche kleeren. Lena en ik zijn dol op witte jurken, en daar we nu juist uit den rouw zijn, kunnen we ze mooi dragen. Ook onze hoeden zijn wit, met witte linten. Lena lijkt Zondags wel een engel; als ze vleugels had, zou ze er bepaald een wezen. En het dragen van Zondagsche kleeren stemt je ook zoo opgewekt.
![[Illustratie]](/illustrations/ae71d6518579c846.jpg)
We moeten Zondags heel vlug ontbijten, omdat tante Caroline naar de Zondagsschool moet. Nog vóór kerktijd is ze terug, om met ons ter kerk te gaan. Verleden Zondag was het verschrikkelijk warm, en de brandende zonnestralen door de groote kerkramen maakten het daarbinnen benauwd. Leuk was het, toen de zon het kale hoofd van een boer ging plagen; hij sloeg met z'n zakdoek over z'n hoofd, als zaten er vliegen, eindelijk spreidde hij z'n zakdoek geheel over z'n hoofd uit, en had toen zóó 'n koddig voorkomen, dat ik 'n vreeselijken toer had, om niet in lachen uit te barsten. Ten slotte kon ik het niet meer uithouden, en proestte het zóó hard uit, dat vader ophield met preeken en mij strak aankeek. Wat had ik het toen te kwaad; m'n oogen stonden vol tranen, en ik kon het toch heusch niet helpen, ik had alles gedaan om niet te lachen. Eindelijk ging vader weer voort, en luisterde ik met aandacht naar hem. Want vader preekt heel mooi, altijd vertelt hij wat nieuws uit den bijbel.
Hij begon met de geschiedenis van den hoofdman over honderd, en sprak daarbij over deze woorden: "Ik zeg tot dezen: ga, en hij gaat, en tot genen: kom, en hij komt, en tot een anderen: doe dit, en hij doet het." Vader zei, dat dit het voorbeeld was voor een goeden dienstknecht. En toen zei hij, dat Jezus Christus ook tot ons die drie woorden spreekt, maar dan in deze volgorde: Kom, ga, doe. Zoo is ons Christelijk leven. Wij moeten komen, vóór wij kunnen gaan, om te doen. Wij moeten komen, en onszelf als dienstknechten van Jezus opgeven, opdat Hij onze zonden vergeve en ons tot Zijn eigendom make; en wij moeten gaan, om anderen van Hem te spreken, eerst onze vrienden, en dan hen, die Jezus niet kennen. Sommigen moeten daarvoor ver van huis, en vader vertelde hierbij van de zendelingen; anderen moeten in hun eigen omgeving doen, wat Jezus hen geboden heeft.
Elk woord van de preek heb ik begrepen, en zelfs de jongens zaten te luisteren, omdat vader het een preek over soldaten noemde, en de jongens zijn dol op soldaten.
Toen we uit de kerk kwamen, was ik heel stil. De jongens vroegen, of ik aan 't tobben was over mijn geheim, maar ik zei hun van niet.
Na het middageten gingen we allen naar het veld, om er de vragen en antwoorden uit onzen catechismus te leeren. Tante Caroline ging weer naar de Zondagsschool, maar vader kwam naar ons toe, ging in een gemakkelijken stoel onder de olmen zitten, en overhoorde ons de geleerde vragen. Toen dat afgeloopen was, gingen de jongens weg, en Lena ook, maar ik bleef, want ik hoopte, dat vader nog wat over zijn preek zou zeggen. Hij deed het al dadelijk; hij legde zijn hand op m'n schouder, en vroeg: "Heb je naar de preek geluisterd, Grietje?"
![[Illustratie]](/illustrations/e0d200541f08d89c.jpg)
"Ja, vader." "En welke van de drie bevelen heb je nu gehoorzaamd? Ben je op weg, om een van Christus' trouwe volgsters te worden?" Ik antwoordde beschroomd: "Ik denk komen." Vader zei niets. En ik vervolgde: "Maar ik begreep niet goed het gaan. Ik kan toch niet de geheele wereld doorgaan, en het Evangelie brengen!" Vader sprak: "Ik heb gehoord, dat tante je gevraagd heeft, of je haar niet kunt helpen in de Zondagsschool; ik dacht, je zoudt daarheen kunnen gaan." "Maar vader," riep ik uit, met verbaasde oogen hem aanstarende, "daar ben ik toch veel te jong voor; de jongens zouden zeggen, dat ik dan nog verwaander was dan ooit, ze noemen me nu al altoos verwaand."
"De vraag is maar, waar je 't meeste om geeft: het bevel van Jezus of de jongens." Ik liet mijn hoofd hangen; toen opeens viel ik uit: "Een kwast te heeten, is niet in den vorm." Vader lachte luid. En ik voegde er haastig aan toe: "Ik vind zelf, dat zulk werk voor mij te verwaand zou staan." "Heel wel," zei vader, "ik zal er niets meer over zeggen."
Ik voelde mij ver van gelukkig. Net kwam Puf aan en klom op vaders knie; ik ging weg, liep naar de leerkamer en nam een boek uit onze "Zondagsche" verzameling. Ik las door tot theetijd. Werkelijk, ik kàn nog geen klas onderwijzen. Ik zou niet weten, wat ik zeggen moest; bovendien, de kinderen kijken je zoo aan, en Daan zou me maar uitlachen.
Na de thee gingen we naar de avondkerk, maar ik was al bang, niet veel aandacht voor de preek te zullen hebben. En toen wij den avondzang gingen zingen, voelde ik de tranen opkomen, omdat ik wist, dat ik een lauw hart heb.
Ik was maar wat blij, toen 't weer Maandag was, omdat ik dan heel wat te doen had voor onze vergadering op Dinsdag. Alex vroeg vader bij het ontbijt, of hij den ganschen dag mee uit hooien mocht met Cummins, dat is de boer, die vaders land verzorgt. Als Cummins hem mee hebben wou, vond vader 't goed.
Ik beneed Alex, omdat ik er ook zoo van houd, om mee uit hooien te gaan. "Je maakt er een mooi lui dagje van, terwijl je zorgen moest om je plan uit te voeren," zei ik hem. "Sluit je op, ouwe Griet!" riep hij, en rende lachend weg. Daan keek hem een oogenblik na, alsof hij ook mee wou. "Ik ga hard aan 't werk," zei hij, "mijn plan is rijp om vandaag uit te werken."
"Morgen zal 't mijne rijp zijn," zei ik, en ging den tuin in, om met den ouden Baldwin te praten. Dat is onze tuinman. Vroeger hadden we geen tuinman, eenvoudig, omdat we geen tuin hadden. Het is een alleraardigste oude man, maar hij wil van niemand bevelen hooren, zelfs niet van vader.
"De tuin is mijn werk," zei hij eens tot vader, "en preeken maken is uw werk, en het is niet goed ze door elkaar te halen. U is er op berekend om te preeken, ik om te tuinieren, en zoo weten we zelf onze zaken het best."
Altijd is hij gereed voor een praatje, en het spijt mij daarom eigenlijk een beetje, dat ik hem iets van mijn plan heb verteld. Nu weten vader en hij er allebei iets van; maar dat moet toch ook wel, want anders kan ik het niet uitvoeren.
Tegen etenstijd zei tante Caroline tegen me: "Griet, je moet eens even soep brengen naar een arme vrouw, die een halve mijl buiten het dorp woont. Je kunt Puf meenemen, een wandeling zal hem goed doen."
"Och tante," riep ik teleurgesteld uit, "moet ik nu vanmiddag uit, ik wou zoo graag wat in den tuin gewerkt hebben."
"Ik heb gemerkt, Grietje, als ik je wat vraag voor mij te doen, dat je dan altijd wat anders hebt te doen. Zoo vreeslijk is dat toch niet, even een halve mijl te loopen, om soep bij een arme vrouw te brengen! Ik kan zelf niet gaan, want ik heb met je vader nog een en ander te bespreken."
Ik trok een lip, en toen dacht ik in eens: dat kon nu wel dat "gaan" zijn, waarvan vader sprak. In elk geval was 't prettiger dan het onderwijzen in de Zondagsschool. Ik trachtte dus opgeruimd te kijken, ging Puf halen, en begaf mij met hem op weg. Lena kwam net het hek uit en riep juichend: "Hoera! Ik ga nog meer borstplaat maken! Ik zal 't van jelui allemaal winnen, wat zijn jelui ook voor langzame kinderen!" Terwijl ze dit zei, wond ze zich zóó op, dat ze van het hekje, waarop ze was gaan staan, plat op den grond viel.
"Hoogmoed komt voor den val," riep ik haar na, terwijl ze overeind krabbelde en haar elleboog wreef. Toen rende ik met Puf weg.
Hij was natuurlijk weer druk als twee. "Ik wil de volgende week het ezeltje naar de wei brengen," zei hij, "en ik wil er den eersten keer op rijden."
"Wanneer komt het dan?" vroeg ik hem.
Hij keek even voor zich, en zei toen: "Ik heb al gezegd, dat het een mooie ezel moet wezen, niet zooals ze die aan 't strand hebben, maar een met blauwe oogen en die niet bijt. Ik verwacht hem binnen 5 dagen."
Ik moest lachen; hij keek zoo ernstig en babbelde maar weer verder: "Het zal de beste ezel van de heele wereld wezen, omdat ik den rijksten man van de wereld gevraagd heb, hem te geven." "Ik vind, dat je niet zoo oneerbiedig over God spreken mag, Puf." "Ik heb niet gezegd, wien ik bedoelde, stoute meid, je hebt mijn geheim geraden." Puf stond het huilen nader dan 't lachen, en midden op den weg stilstaande riep hij: "'t Kan me ook niet schelen, ik vertel het aan niemand anders!" Toen begon ik hem maar een verhaal te vertellen, om zijn aandacht af te leiden.
Het was een lange warme wandeling naar juffrouw Tapson; 't leek mij meer een mijl dan een halve mijl, maar ten slotte kwamen we er dan toch! 't Was een aardig klein huisje met een tuintje, vlak aan den weg. De deur stond open, ik liep dus binnen, en zag daar een man, bezig met het vuur op te poken.
![[Illustratie]](/illustrations/97ae4a304ab75338.jpg)
"Soep voor moeder?" vroeg hij, terwijl hij zich omdraaide en van mij gehoord had, wat ik kwam doen. "Ik ben er zoo dankbaar voor. Boven ligt ze te bed met pijnlijke rheumatiek, en ik verzorg haar zoo goed als ik kan. 's Morgens moet ik naar Lemworth, en pas 's avonds 7 uur kom ik weer in 't dorp terug." Hij had inmiddels het pannetje van me aangenomen en keek er in. "Daar is genoeg in voor vandaag en morgen," zei hij. "Vriendelijk bedankt hoor kind. Wil je niet even naar boven gaan, om moeder te groeten? Ze houdt zoo van gezelligheid."
Ik klom de nauwe trap op, en Puf stommelde achter mij aan. Ik ben gewoonlijk bang voor zieke menschen, maar van deze oude vrouw hield ik. Een helder mutsje had ze op en ze lag onder een lappendeken. Haar gansche gezicht helderde op, toen ze ons zag komen. Zij zei, dat ze al van ons gehoord had, en of ik nu dat meisje was met het mooie haar? Ik lachte terwijl ik mijn roode lokken naar achteren schudde, en vertelde haar, dat dat Lena was. Toen begon Puf met haar te praten, en natuurlijk vertelde hij haar ook van het ezeltje. Daar was hij nu eenmaal vol van.
"Puf begrijpt nog niet, wat bidden is," legde ik haar uit. "Hij denkt, dat hij zeker alles krijgt, waar hij God om vraagt. Hij vraagt b.v. om z'n speelgoed heel te maken, maar gewoonlijk doe ik het maar, anders gaat hij nog rekenen op wonderen."
"Och lieve kind," zei juffrouw Tapson, "de Heere hoort gaarne het gebed der kinderen! 't Is net als met mijn Bob; wat die vroeg, kon ik niet half geven, toch luisterde ik geduldig naar al zijn wenschen. Maar bid, bid gerust; veel gebed maakt je ziel sterk, en zoo ben je ons ouderen nog ten voorbeeld."
Puf begreep er niets van. Hij liep wat heen en weer, en ging toen de trap af. Ik keek hem na, en zag, dat Bob Tapson met hem spelen wilde. En toen heb ik juffrouw Tapson mijn geheim verteld; ik gevoelde, dat ik het nu toch aan iemand moest vertellen, en zoo stortte ik mijn hart voor haar uit. Zij luisterde met ingehouden adem, en beloofde mij, dat haar zoon voor mij zou uitzien, en een plekje in z'n kar voor mij zou openlaten.
Ziedaar het geheim! Vader had mij aangeraden, om uit onzen tuin bloemen en groenten te verzamelen, die te Lemworth ter markt te brengen, en ze daar te verkoopen. Met den trein er heen gaan, was veel te duur, en daarom had ik gevraagd, op Baldwins groentenkar te mogen meerijden. Maar die gaat 's morgens om 8 uur al heen, en komt 's avonds 7 uur pas terug, en ik ben dus bang, dat tante, als ze er achter komt, het mij zal verhinderen.
Ik wandelde met Puf naar huis terug en gevoelde mij verdrietig. Als ik ging, zou ik het ontbijt moeten missen, want voor 8 uur ontbijten we nooit. Ik kon wel gemakkelijk zoo vroeg weg gaan, maar zouden ze dan thuis niet denken, dat me wat overkomen was? Maar dan kon ik toch een briefje voor vader achterlaten, en hem vragen, er niets van te zeggen!
Ik leefde weer op, en zoodra we thuis waren, holde ik den tuin in, om mijn mand te gaan inpakken. Toen we kwamen theedrinken, vertelde tante ons, dat vader verzocht was, om in een naburig dorp een begrafenis te gaan bijwonen, omdat de predikant daar uit was. "En hij zal daar den nacht overblijven," voegde zij er bij. "Hij zal niet voor morgenavond terugkomen, want morgenochtend is er ook nog een huwelijk te bevestigen."
Zoo zou dus mijn brief aan vader weinig geven. Ik zat leelijk in de war, en peinsde, wat ik doen moest. 't Beste leek mij toe, dan maar voor tante Caroline een briefje achter te laten. Ik schreef nu, voor ik naar bed ging, dit briefje:
Lieve tante Caroline, Als ik den ganschen dag weg blijf, dan is er niets met mij gebeurd. En vanavond om 7 uur zal ik thuiskomen, het dient om mijn plan uit te voeren, dat echter een geheim is. Uw liefhebbende nicht Grietje. P. S. Het is geen verkeerde zaak, maar een goede.
Tante Caroline zei, voordat we naar bed gingen, dat zij vandaag nauwelijks een van ons gezien had, en dat zij hoopte, dat wij geen van allen verkeerde dingen in 't schild voerden. Alex werd zoo rood als een pioen, en zei, dat hij vreeselijk moe was, en Daan zag er moedeloos uit, als had hij al z'n geld verloren.
"Ik heb hard genoeg gewerkt, om 10 kwartjes te verdienen," zei hij, "en ik durf zeggen, dat ik dat al lang gedaan heb."
"Kinderen," zei tante, "ik houd niet van al dat gepraat over geld. Het schijnt, dat jelui aan niets anders denkt tegenwoordig. Het staat zoo onkinderlijk!"
"Maar het is om een ezel te krijgen," riepen we allen uit. Toen zei tante Caroline niets meer. En wij gingen naar bed; ik vol van de plannen voor morgen.
HOOFDSTUK IV.
Den volgenden morgen was ik al om 4 uur wakker; den ganschen nacht had ik gedroomd van juist voor m'n neus vertrekkende treinen, en van al de moeite, die ik hebben zou, om mijn plan voor tante Caroline geheim te houden. Ik was dan ook wat blij, toen het eindelijk begon te lichten en ik kon opstaan; erg gejaagd kleedde ik mij aan, want het was een heerlijk avontuur, en wij houden allen van avonturen.
Overal had ik voor gezorgd. Voor niemand wilde ik weten, waar ik was heengegaan, en ik had dus een heel oud katoenen jurkje aangetrokken, met een boezelaar er over, denzelfden, dien ik altoos in den tuin draag. Mijn haar vlocht ik in een paar dichte vlechten, en daarover ging een groote zomermuts, die ook achterhoofd en hals bedekte. Tante Caroline vindt dat soort zoo geschikt voor onzen tuinarbeid, maar wij houden er niet van, om juist als de dorpskinderen gekleed te gaan.
Heel stil moest ik me aankleeden, om Lena niet wakker te maken; eindelijk stond ik gereed, en legde het briefje op Lena's tafel dan kon zij het aan tante geven. Voorzichtig sloop ik de trappen af, opende de deur en liep op m'n teenen de stoep af. Den vorigen avond had Baldwin de groentenmand al in den stal gezet, de eenige kunst was nu nog, om ze daar vandaan en het hek door te krijgen.
't Viel niet mee maar ten slotte gelukte het toch; ik moest ze langs den grond sleepen, en angstig keek ik naar boven, of niemand mij zag. Buiten het hek liet ik ze staan, want de groentenwagens komen hier altoos langs, en toen liep ik zoo vlug ik kon naar het huis van juffrouw Tapson. Bob had mij gezegd, dat als ik wat vroeg kwam, ik een mooi plaatsje op zijn wagen kon krijgen. Toen ik het huis bereikt had, was Bob aan 't schoonmaken van zijn paard. Hij keek verwonderd op toen hij me zag, en herkende me niet in mijn groote muts.
"Ik wil niet, dat ze in 't dorp weten, wat ik ga doen," zei ik. "Je zult er toch niets van zeggen, wel? Mijn mand staat vlak bij ons hek. Ik dacht, je rijdt er toch langs, en dan kunnen wij haar zoo meenemen."
"'t Komt in orde, hoor," zei hij hartelijk. "Jij bent een vlug vogeltje, heb je al wat gegeten?"
Ik haalde twee dikke boterhammen uit m'n zak, die de keukenmeid mij den vorigen avond had gegeven, toen ze dacht dat ik ergen honger had. Bob verraste me met een heerlijken kop thee. Toen ging hij naar boven, om z'n oude moeder goeden dag te zeggen, en vroeg mij, of ik haar ook nog even wilde groeten. Ik ging naar boven, en de oude vrouw schudde mij glimlachend de hand. "Je bent een dapper meisje," zei ze, "om er zoo op uit te trekken, en ik zal je eens zeggen, wie je wel zal willen helpen. Vraag maar naar Marie Dutton, ze is een eigen zuster van me en woont twee mijlen van Lemworth. Zij zal je graag helpen, en Bob zal je wel bij haar brengen."
"Ik ben nog nooit op een markt geweest," zei ik haar, "Ik ben heel blij, dat er iemand is, die mij helpen wil."
En toen gingen we naar beneden, en ik klom op den volgeladen wagen, die in den tuin te wachten stond. Die Bob is toch zoo'n goeie jongen: hij had een stoof in den wagen gezet, zoodat ik zoo echt gemakkelijk kon zitten.
![[Illustratie]](/illustrations/57b0265e2da5277a.jpg)
En daar ging het; mijn hart klopte van blijdschap en spanning. Nog drie vrouwen met boodschappen voor Lemworth reden mee; bij ons hek zette Bob mijn mand in den wagen; terwijl keek een der vrouwen mij aan en vroeg: "Wat is dat voor een kleine meid?" Ik draaide mijn hoofd niet om en Bob antwoordde kortaf: "Zij is met mij mee gekomen." Verder zei ze niets, want ze praatte zóó druk met de andere vrouwen, dat ze mij geheel vergat. Doodstil zat ik op den wagen, die zóó langzaam reed als duurde de tocht een jaar. Ik kreeg ten slotte kramp in mijn beenen, en werd moe ook. Zoo vroeg ook op geweest! Toen wij Lemworth naderden, zat ik al te knikkebollen! Het scheen een heel groote stad, en ik voelde me wat beangst toen we naar de markt reden; wat een menschen, en wat een drukte! Toen de vrouwen waren uitgestapt, en Bob z'n paard had afgespannen, nam hij mijn mand op z'n schouder, en zei me, hem te volgen.
De markt was alleraardigst; er waren gansche rijen kuikens en eenden, vruchten en bloemen, boter en eieren, en iedereen schreeuwde zoo hard als ie kon. En wat waren daar grappige oude boerinnen bij, en druk-lachende kinderen, net als op de schilderijen, die ik wel eens gezien heb.
Bob trok me mee naar een hoekje, waar een vriendelijke oude vrouw zat. Zij leek veel op juffrouw Tapson, maar haar gezicht was heel wat dikker. Bob vertelde haar, wie ik was; zij lachte en vroeg mij, haar alles van mijn plan te vertellen. Dat deed ik; terwijl pakte zij m'n mand uit, en maakte ruimte op een hoek van haar stalletje, om mijn koopwaar daar neer te leggen. Ik begon er schik in te krijgen, en had wat graag gewild, dat de jongens mij zoo even hadden gezien. En mijn bloemruikers waren veel mooier dan alle, die ik zag; ik had ze dan ook met zorg gerangschikt.
Maar er kwam maar niemand bij me koopen, en ik begon den moed al te verliezen. Nooit zal ik dan ook vergeten, dat de eerste koopster mijn bloemen opmerkte en mij vroeg, wat de ruikers per stuk kostten. Ik zei: een dubbeltje — juffrouw Dutton had mij gezegd, dat ik er dat voor vragen moest — en zij kocht zes ruikers van me! Ik had de gansche markt wel kunnen ronddansen, zoo blij was ik. Spoedig daarna kwamen weer twee dames voorbij. Zij hielden stil, wenkten juffrouw Dutton goeden morgen, en vroegen haar, of zij crocussen had. Zij zei van niet, maar vertelde hun, dat ik heele mooie had. Zij bekeken de mijne, kochten er vier, bovendien nog een bundeltje varens, en betaalden er negen stuivers voor. De eene dame zei tot de andere: "Wat een schilderachtig tafreeltje, die kleine meid te midden harer bloemen! Als de arme menschen hun kinderen altijd zóó kleedden, als haar moeder haar kleedt, zouden we onder de lagere klassen niet zulke armoedige aankleeding vinden. Zij is een voorbeeld voor haar stand!" Ik durfde niet te lachen, toen ik dat hoorde....
Later verkocht ik nog vier koolen, en drie bos wortelen. Toen de middag ten einde liep, had ik alles verkocht, wat ik had meegebracht, behalve twee koolen en één bloemruiker; die kocht juffrouw Tapson van me, zij heeft een groentenwinkeltje en zei dat ze haar wel te pas zouden komen.
Ik vergat nog te vertellen, dat ik om 1 uur met juffrouw Dutton naar een tentje ging, waar thee werd verkocht en koeken. Ik had honger, maar ik had geen zin, van mijn verdiende geld veel uit te geven; ik kocht dus alleen een kop thee voor 5 cent en een koek voor 5 cent; juffrouw Dutton gaf me een van haar grootste appels er bij.
Toen was het tijd, om naar huis terug te keeren. Ik telde nog even mijn geld: ik had één gulden en 25 cents verdiend! Wat was ik blij!
Doch daar kwam Bob Tapson aan, om mij te zeggen, dat hij om 4 uur vertrok, en dat de vrouwen reeds lang hun manden gepakt hadden. Het speet mij, nu al van de markt te moeten scheiden, maar er was niets aan te doen, ik klom op den wagen en ging weer op mijn oude plekje zitten. De terugweg scheen eindeloos; er reed een oude man mee, die erg naar bier rook en om de flauwste kleinigheden lachte. Ik gevoelde mij vreeselijk vermoeid, en viel ten slotte in slaap, zóó vast, dat Bob mij bij het hek van de pastorie van den wagen moest zetten.
"Wel, Grietje, heb je een goeden dag gemaakt?"
"Ja," zei ik met slaperige stem, "hoeveel moet ik je betalen?"
"O niets, kind, je nam geen ruimte in beslag; en denk er aan, even bij moeder aan te komen en haar alles van vandaag te vertellen. Zij zal het zoo graag hooren."
Ik nam afscheid van hem, en bedankte hem hartelijk; vervolgens droeg ik mijn leege groentenmand naar den stal, opende de keukendeur en stapte heel rustig binnen. Ik was wel een beetje bang voor tante Caroline. Lena kwam net de trap afrennen.
"O, jou ondeugende meid! Daar zal wat opzitten! Vader is thuis gekomen, en hij is o zoo boos op je. En wat heb je toch uitgevoerd? Den heelen dag hebben we er naar gegist, en weet je al, dat ik Daan's geheim heb geraden? Zou je het graag willen weten?"
Ik antwoordde slechts: "Ik ben zoo moe; heb je wat thee voor me? Waar is tante Caroline?"
"Ze zijn allemaal in den tuin, aan 't bloemen begieten. Toe, Griet, lieverd, zeg me nou es, wat je hebt uitgevoerd."
Maar ik wilde 't haar niet zeggen. Ik voelde mij niet prettig door die ontvangst, en wou maar rechtuit aan vader gaan zeggen, wat ik gedaan had. Ik liep den tuin in. Tante kwam dadelijk op mij af.
"Griet, dat is heel ondeugend van je. Waar ben je toch geweest? En wat heb je den ganschen dag uitgevoerd? Je weet toch wel, dat zoo verdwijnen zonder iets te zeggen, heel onbehoorlijk is."
"Ik wilde het vader gaan zeggen, het is een geheim," zei ik. Tante Caroline kwam altijd weer in haar humeur, als we zeiden, naar vader te zullen gaan. Zij riep vader, die juist bezig was den gieter te vullen, en ging toen heen, vader en mij alleen latende. Daan zegt, dat zij geheel "in den vorm" is, als zij zoo doet.
![[Illustratie]](/illustrations/b7e499fb5cb0bc5c.jpg)
Vader zette zijn bril op, en keek mij scherp aan.
"Grietje, je hebt tante vandaag heel wat angst berokkend. Ik ben niet tevreden over je."
"Hoor u eens, vader. Luister es. Het gaat over de groenten en bloemen, waarvan u gezegd had, dat ik ze mocht hebben. Ik ben ze gaan verkoopen, om mee te helpen voor het koopen van onzen ezel." En ik vertelde hem alles, wat ik vandaag gedaan had. Een keer lachte hij, en toen wist ik al, dat mijn straf niet heel zwaar zou wezen. Maar ik kreeg toch een lichte straf; vader zei me, dat ik er niet aan mocht denken, ooit weer zoo iets te doen. Dat maakte mij zeer verdrietig.
"Neen Grietje, ik wil niet, dat mijn kind daar alleen tusschen al dat ruwe volk is, hoe vriendelijk ze ook voor je zijn. Het mag niet. Je moeder zou het zeker niet hebben toegestaan. En in elk geval had je eerst toestemming moeten vragen. Ik ben bang, dat je vermoed hebt, die niet te zullen krijgen. Spreek op en zeg de waarheid."
Ik bloosde sterk. "Ja, ik was bang, dat u me niet zoudt laten gaan, maar ik was niet ongehoorzaam, want ik wist het niet zeker."
"Dat was juist verkeerd van je. Doe nooit zoo iets weer. En ga nu naar binnen, om wat te eten."
"En mag ik het geld houden?"
"Ja, daar heb ik niets tegen; maar je moet een ander middel zoeken, om de groenten aan den man te brengen."
Ik ging naar de eetkamer, tante had de thee klaar. Zij zei niet veel; maar voor ik het eten op had, holden de jongens en Lena binnen.
"Nou, zondaar, biecht op! Wat heb je vandaag uitgehaald?"
"Bepaald goede zaken! Wij hebben je brief gezien, 't was een prachtstuk!"
"En tante Caroline was zoo bang voor je!"
Ik haalde rustig mijn beurs te voorschijn en legde de zilver- en koperstukken op tafel.
"Ziedaar," riep ik uit, "kan één van jelui 't beter?"
"Vijf en twintig stuivers!" schreeuwde Daan, en grabbelde er in om, als een oude gierigaard.
"Nou, 't is niet slecht voor een meisje! Vertel ons nu es, hoe je 't hebt gedaan gekregen."
"Dat is mijn geheim," zei ik.
Het was mijn overwinningskreet. Maar ik wist: mijn geheim zou niet lang geheim blijven. Want eigenlijk wou ik ze 't allemaal zoo graag vertellen.
"Zeg," riep Lena, "ik weet wat Daan deze laatste twee dagen heeft gedaan. Vraag hem es, hoeveel hij al heeft, Griet!"
Daan grinnikte, en hield mij z'n dichtgeknepen vuist voor. "Ik heb vandaag een avontuur gehad," zei hij. En hij toonde ons een halven gulden.
Ik stond op en danste de tafel rond. "Het duurt niet lang, of wij rollen allemaal met rijksdaalders," riep ik uit. En Alex: "Wacht maar tot aan 't einde der week, dan zal ik mijn klein millioen er nog bijvoegen."
Toen gingen we allen achter elkaar de tafel rond marcheeren, terwijl Daan zong:
Een ezel is een heerlijk dier, Over een maand dan komt ie hier, Lang zal ie leven! Lang zal ie leven! Ons ezeltje loopt voor ons pleizier!
Daan kan altijd gedichten maken, als hij er zin in heeft. Wij waren zoo opgetogen, dat we hoe langer hoe sneller gingen dansen, totdat het een complete oorlogsdans werd. Ten slotte vielen we allen over elkaar heen, en rolden van den lach over den grond. Toen we buiten adem weer opstonden, riep ik uit:
"Hoor es, Daan. Als jij jouw avontuur vertelt, dan zal ik het mijne vertellen."
"Dames gaan voor," zei hij, met een buiging.
Toen begon ik, vreeselijk gejaagd, mijn wedervaren te vertellen. Ik dacht wel, dat het hen zou verbazen, en dat deed het ook. Maar Daan en Alex, al zouden ze 't wat graag zelf gedaan hebben, zouden het toch niet zeggen. Daan trok een heel voornaam gezicht en zei: "Ik geloof niet, dat jij en Lena de zaak goed aanpakken. Dat kan iedereen wel, geld maken uit vaders eigendommen. Wel, ik ging z'n studeerkamer binnen, haalde er eenige boeken weg, en verkocht ze."
"Maar dat zou heiligschennis zijn," riep ik uit.
"De bloemen en de groenten zijn niet van jou, om ze te verkoopen," zei Daan, "evenmin als de suiker en de boter, die Lena voor haar borstplaat gebruikt."
"O, maar vader heeft er ons toestemming voor gegeven!" liepen wij beiden luid.
"En ik betaal ook het mijne," zei Lena. "Het is heel wat zwaarder werk, in de dompige, heete keuken te wezen, dan op de markt te zitten en daar verkoopen, en ook niet half zoo aardig."
"Vader gaf mij toestemming," herhaalde ik, "en dus is de zaak heel zuiver."
"Maar kind, wij hebben allemaal recht, om de bloemen te verkoopen," zei Alex.
"Niet waar," zei ik op stelligen toon, "alleen die daar het eerst om vroeg! 't Was mijn plan."
"Nou, als jij het dan voor gisteren hebt gevraagd, dan zal ik het voor morgen vragen; waarom niet? Ik heb harder gewerkt dan jelui allen, de gansche week."
"Maar ik kan er niet mee voortgaan," zei ik verdrietig; "vader heeft gezegd, dat ik het niet weer mocht doen."
"Wil je mijn avontuur nu hooren?" vroeg Daan.
"Hij gaat nog dood, als ie niet over z'n eigen plan kan spreken," zei Lena boosaardig. Wij zetten ons allen tot luisteren, maar Daan zou z'n redevoering niet houden. Juist was hij z'n keel aan 't schrapen, toen tante Caroline binnen kwam, en ons naar bed joeg. "Ik zal het bewaren tot morgenochtend," zei Daan. En ik was er eigenlijk blij om, want ik was zóó slaperig en vermoeid, dat ik al sliep, vóórdat ik nog goed en wel onder de dekens lag.
HOOFDSTUK V.
Den volgenden dag vertelde Daan ons zijn geheim. Ik zal het maar net zoo overschrijven als hij het zei, dat is gemakkelijker. Hij was de rivier langs gegaan, om visch te vangen. Hij begon met deze bekentenis:
"Den eersten dag trof ik het heel slecht. Daarom ging ik gisteren verder de rivier langs. En daar vond ik een heerlijk, rijk beschaduwd plekje, waar je de visschen letterlijk zag spartelen van ongeduld, om bij je te komen. Zij beten flink toe, en het ging puik! D'r waren ook wel kleintjes bij, maar ik had toch in een oogenblik mijn mandje vol. Nu kwam het er op aan, ze aan den man te brengen, en ik besloot, op mijn terugweg naar huis bij eenige boeren aan te loopen, en te zien, of die ze van mij koopen wilden.
Ik vond al spoedig een groote boerderij, en liep er zoo snel mijn beenen mij maar dragen konden, heen. Juist was ik het huis genaderd, toen ik een ouden heer in een tuinstoel zag zitten, die uit een groote pijp dampte. Ik nam mijn pet voor hem af; hij hield mij staande en vroeg me, wie ik was.
"Ik ben vischkoopman," zei ik. "Ik zou zeggen, uw keukenmeid zal wel wat visch van me willen koopen."
Hij staarde me aan alsof ik een chimpansee was.
"Maak je mand maar es open," zei hij. Met trots toonde ik hem de vangst. Weer staarde hij mij aan.
"Waar heb je die visch gevangen? In welk gedeelte van de rivier?"
![[Illustratie]](/illustrations/4320c4a021b18329.jpg)
Ik legde het hem uit. "Ik heb alleen vandaag maar geluk gehad; ik denk, dat ik eerst naar 't verkeerde plekje ben geweest. Voor zestig cent laat ik u het gansche zoodje, meneer. Prachtig en frisch, pas gevangen!"
Hij lachte. "Wie heeft je tot vischboer aangesteld?"
"Ikzelf. Ik tracht een eerlijk centje te verdienen, om een ezel te kunnen koopen." Toen vertelde ik hem ons plan. Hij vond het zóó vermakelijk, dat hij dadelijk z'n beurs trok, mij een halven gulden gaf en zei: "Daar, breng de visch maar in huis, en breng mij morgen weer zoo'n mandje vol."
Ik danste van blijdschap naar de boerderij, en gaf mijn visch af, doch aan de deur stond een knecht, die mij ook al vroeg, waar ik die visch vandaan had. Ik vertelde het hem. "Het is een geluk, dat Morris je niet gesnapt heeft," zei hij; "dat is juist privaat bezit van onzen meneer, en hij vervolgt iedereen, die zich op zijn terrein waagt."
Ik zei niets, vertrok, en gevoelde mij verre van prettig gestemd. Ik begreep nu, waarom die ouwe heer zoo gegrinnikt had, maar ik was niet van plan, domme dingen te doen, ging dus naar hem toe en zei hem, dat ik hem z'n halven gulden kwam terugbrengen. "Ik heb bemerkt, mijnheer, dat het uw eigen visch is," zei ik. "Het spijt mij, dat ik op uw eigendom heb gevischt, ik zal het niet weer doen."
"Hier," zei hij, "je houdt wat je hebt verdiend. Wij zullen zien, of je daar niet met een vischacte van mij kunt visschen. Het overkomt mij niet vaak, dat ik mijn eigen visch kan koopen. Vroeger mocht ik ook dolgraag visschen, maar mijn jicht laat het niet meer toe."
"Nu, als u het goedkeurt, dat ik het geld behoud, zal ik het graag aannemen. Maar in uw vischwater zal ik niet meer visschen, uw opzichter zou mij kunnen betrappen. Ik ben u zeer dankbaar, goeden middag, mijnheer!"
Ik nam weer mijn pet af, en ging heen; hij lachte als om een grap, maar ik behield den halven gulden.
Toen zei ik: "Maar Daan, dan schijn je toch niet veel beter dan wij allen, want jij vangt visch, die niet aan jou toebehoort."
"Ja, maar ik doe het niet meer," zei Daan snel. "Ik ga niet weer naar dien ouden heer. Ik zal het mijlen verder wel weer beproeven. Ik weet, dat vader op een deel der rivier ook vischrechten heeft."
"Wie is die oude heer?" vroeg ik.
"Hij is de graaf van Benton, hij heet Generaal Walton. Hij vroeg mijn naam niet, dat bewijst zijn voornaamheid." "En je zei eerst, dat hij vroeg wie je was," zei Alex.
"Jawel, hij bedoelde mijn beroep," zei Daan deftig. "Heeren vragen niet iedereen naar hun naam, dat is niet naar den vorm."
"Welnu, nu alle geheimen onthuld zijn, zal ik jelui het mijne vertellen," zei Alex. "Ik heb hard gewerkt en meer uitgevoerd, dan jelui allemaal samen." Wij lachten hem allen uit. "Goed," zei Alex, "vraag het dan maar aan den ouden Cummins. Hij vertelde aan vader, welk een drukke week hij voor zich had met het hooien, en dat hij één mannetje te kort kwam, en hoe moeilijk het was, hulp te krijgen.
Maandagmorgen vroeg ging ik naar hem toe en zei hem, dat ik werken zou als de beste, als ie me maar betaalde; 't slot van de zaak was, dat hij me het loon van een halfwas knecht zou geven, nadat ik hem verteld had, waarvoor ik het geld noodig had. Zoo ging ik aan den arbeid, en Vrijdag krijg ik m'n loon: dan hoopt hij al het hooi binnen te hebben."
Wij hadden wel eerbied voor Alex' plan. Maar wij hadden nog meer eerbied voor den afstand, die ons scheidde van het oogenblik, dat we geld genoeg zouden hebben. Eensklaps dacht ik aan een ander plan, en ik ging spoedig naar juffrouw Tapson, om haar meening erover te vragen. Mijn doel was, om elken Dinsdag een mand met groenten aan Bob mee te geven, en dan juffrouw Dutton ze te laten verkoopen. Juffrouw Tapson vond het een heel goed idee; ik ging weer gauw naar huis terug, en vroeg vader, of hij het goed vond; hij zei ja, tenminste zoolang Baldwin mij kon geven, wat wij uit onzen tuin te missen hadden.
Toen waren we allen een beetje uit ons doen; alle geheimen waren nu onthuld, en wij houden juist zoo van geheimen. De volgende week beginnen de lessen weer.
Niet weinig schrok ik, toen Lena den volgenden middag naar me toe kwam gehold en zei: "O, Griet, ik zit vreeselijk in de rats, toe, help me!"
Lena komt altijd naar me toe, als ze wat bijzonders heeft uitgehaald, en dat doet ze altoos, als ze niets te doen heeft. Zij vertelde me nu, dat ze, bij het hek aan 't spelen zijnde, het meisje had zien voorbijrijden, dat ik den vorigen dag in het mooie dogkarretje had gezien. Het meisje moest in juffrouw Ribbon's winkel wezen, en daar ze alleen was, moest ze haar paardje los laten staan. Lena ging er heen, en toen, zonder over de gevolgen na te denken — Lena denkt nooit na, als ze iets gaat doen — sprong zij in het karretje, en reed er het dorp mee in.
"Het was alleen maar uit de grap, Grietje," zei ze; "ik wilde binnen twee minuten weer terug zijn, en ze zou er niets van hebben gemerkt, maar ik gaf het paard een tikje met de zweep, en het ging er van door als de wind en ik kon het niet meer tot stilstaan brengen. Toen ik dat gewaar werd" — hier knipte Lena boosaardig met de oogen, — "had ik eerst dol veel schik. Wij vlogen erlangs en toen we te Cross Glen kwamen, draaide het paard een groote poort in! Toen werd ik angstig, want ik wist, dat onze baron daar woont zooals vader mij verteld heeft. Op zoo'n groot heerenhuis, Griet! Zoodra we de plaats waren opgereden, hield de pony stil; een huisknecht kwam de stoep af, en keek verbaasd rond, toen hij me zag.
"Waar is juffrouw Clara?" vroeg hij.
Ik klom snel uit het karretje, en zei: "Zij was bij ons in den winkel, en toen is het paard met mij weggerend." O, wat was ik beangst, Griet; ik vloog de laan uit, en verborg mij achter struiken, opdat niemand me zien zou. Eindelijk kroop ik te voorschijn, klom over een heg, en kwam zoo weer op den landweg terecht. Wat ben ik warm en moe!"
"Maar Lena, wat is dat een leelijke streek van je! Waar is het meisje nu?"
"Ik weet het niet. Ik denk, dat ze naar huis is gewandeld. Toe Griet, ga 's gauw naar juffrouw Ribbon, en vraag het eens even. Ik hoop nog, dat ze niet zullen ontdekken, wie het gedaan heeft."
"Ga zelf," zei ik boos. Toen sloeg Lena haar armen om mijn hals. "Lieve Grietje, toe, ik houd zoo van je. Hè toe, ga jij nu even! Iedereen weet wel, dat jij er geheel buiten staat."
Ik ging, en vond juffrouw Ribbon heelemaal in de war over wat er was voorgevallen.
In één adem door vertelde juffrouw Ribbon wat er gebeurd was.
"'t Gebeurt niet vaak, dat er een van de jonge dames van 't Huis in mijn winkeltje komt. Ik stond dan ook verplet, toen ik plotseling den pony hoorde wegrennen. Net was ik bezig, Clara een ons van Lena's borstplaat af te wegen, en ik vertelde haar wie ze gemaakt had, toen we eensklaps opschrikten door het wegrijden van 't karretje; beiden vlogen we de deur uit, en daar zagen we met ontzetting Lena wegrijden, haar lange haar als een gouden wolk om haar hoofd waaiend, en met een snelheid als van een automobiel. Houd haar vast! gilde Clara, zij rijdt met mijn pony weg!
![[Illustratie]](/illustrations/2d735fad7b83201f.jpg)
Maar je hadt evengoed een locomotief kunnen tegenhouden. Ik trachtte toen de jongejuffrouw weer naar binnen te krijgen, om bij mij te wachten. Maar zij was zóó geschrokken, en ook zóó boos, dat ze stampvoetend van ergernis bleef staan en zei: Mijn moeder zal dat borstplaatmeisje wel eens duchtig straffen! Toen ging ze op den weg heen en weer loopen. En als nu Mevrouw er van hoort, zal ze nog hier komen en mij vragen, waarom ik niet iemand bij 't paard heb gezet, en dan zal ze 't me daarvoor ook nog lastig maken. Ik zou voor geen geld van de wereld haar willen boos maken, want dit is haar huis en ik ben haar huurster!"
"Maar juffrouw Ribbon, wat spijt het me, dat het zoo geloopen is. Maar u weet, hoe Lena is. De borstplaat heeft haar eenigen tijd zoet gehouden, maar altoos haalt ze wat uit, dat verkeerd is. Denkt u, dat de jongejuffrouw goed thuis gekomen is?"
"Hoe zou ik dat weten? Ik hoorde of zag sedert niets van haar."
Vol van allerlei gedachten kwam ik thuis. Voor verklikker te spelen, vind ik verschrikkelijk. Dat is een van de dingen, die niet "in den vorm" zijn; bluffen en liegen en klikken vind ik slecht. Maar ik wist ook, dat vader van deze geschiedenis hooren zou, en er is niets, wat hij meer haat, dan dingen te vernemen, die wij hem verzwegen hebben. Hij wil, dat we altoos dadelijk onze verkeerdheden vertellen. Ik ging dus naar Lena toe, en zei haar, dat ze naar vader moest gaan, en het hem vertellen. Zij wou niet, en toen zei ik haar, dat ik zelf zou gaan. Toen begon ze natuurlijk weer heel lief te doen. Juist kwam vader binnen, toen we druk aan 't twisten waren, wie gaan zou.
"Wat is er aan de hand?" vroeg hij.
"Lena wou u iets vertellen," zei ik en liep daarna vlug de kamer uit. Natuurlijk biechtte ze nu op; vader nam haar mee naar de studeerkamer, en las haar daar eens flink de les; schreiende kwam ze terug. Later heeft ze me verteld, dat vader haar een briefje van schuldbekentenis had laten schrijven; zelf had hij er een aan Mevrouw geschreven, waarin hij de toedracht der zaak meedeelde. Hij had tegen Lena gezegd, dat hij telkens weer zich voor zijn kinderen moest schamen, en daarop was Lena gaan schreien. Maar hij had haar gekust, voor ze wegging; vader is dol op Lena; hij zegt altoos, dat ze hem aan moeder herinnert!
Den daarop volgenden avond, Vrijdag, waren Lena en ik in de badkamer. Wij moesten "de groote wasch" doen, altijd een groot vermaak. Wij vullen dan de kuip maar half, en wasschen alles, wat we maar machtig kunnen worden. Puf hielp ons dapper. Alle kammen en borstels worden eerst gewasschen, dan alle poppenkleeren van Lena, zakdoekjes, halskraagjes, schortjes, en alles wat er maar vuil in huis te vinden is. Puf bracht ons alle artikelen aan; juist had hij een wollen aapje in 't bad laten plonsen, en stonden we te schaterlachen om z'n koddig gezicht, toen Emma kwam binnenvliegen.
"De jongedames Grietje en Lena moeten dadelijk naar de huiskamer gaan; er is visite, en tante heeft gezegd, dat je komen moet!"
![[Illustratie]](/illustrations/7debd183da41e1e2.jpg)
"Hè, wat vervelend!" zei ik, "En wie is het, Emma?"
Lena en ik stonden in onzen onderrok, vanwege het geplas met water.
"Het is Mevrouw Londesburg met haar dochtertje."
Lena en ik keken elkaar verschrikt aan.
"Ik ga niet heen," zei Lena, "ik doe het niet."
Maar Emma troonde ons mee naar de slaapkamer, waar we ons aankleedden.
"Wij moèten gaan, Lena. O kind, ik wou, dat je 't maar niet gedaan hadt. Ik zou wel vriendin met dat meisje willen zijn." "Ik niet graag!"
Lena was boos, en zij stond maar steeds heen en weer te wiegen, toen Emma trachtte haar het haar met den pas schoongemaakten borstel te borstelen. "Ga weg, Emma! Ik zal ze uur aan uur op me laten wachten. Ik ben in geen jaren klaar!"
Emma ging boos weg. Toen smeekte ik Lena, om toch anders te doen; binnen twee minuten helderde haar gelaat op — zij is nooit langer dan 5 minuten boos — en was ze bereid, mee naar beneden te gaan.
"Ik zal voorwenden, dat ik van niets afweet," zei ze; "vader is uit, en dus kan hij het haar niet zeggen."
Zoo kwamen we de huiskamer binnen; ik was heel wat meer beangst dan Lena. Daar zat het meisje; alleraardigst zag ze er uit in haar witte zijden jurk en witten hoed. Mevrouw was in druk gesprek met tante Caroline. Iedereen in het dorp is bang voor Mevrouw Laura; ik begrijp niet waarom; zij keek heelemaal niet streng, en toen ze ons zag, barstte ze in een schaterlach uit.
"Wie van jelui heeft me dat aardige briefje geschreven? Ik ben hier gekomen, om het je te vergeven, en om je te vragen, of je morgen bij mijn dochtertjes komt theedrinken. Wil je komen?"
Lena sloeg niet eens beschaamd de oogen neer.
"Ik ben het, die u vergiffenis woudt schenken," zei ze. Toen gaf Mevrouw ons de hand, en wij gaven Clara ook een hand. Zij keek Lena heel ernstig aan, maar glimlachte tegen mij.
"Hebben jelui een kinderkamer?" vroeg ze mij.
"Neen, alleen een leskamer; wil je ze eens zien?" Dadelijk ging ze met ons mee. Wij gingen zwijgend de trap op; boven gekomen, zei Lena: "Wil je ons bad eens zien?"
Zij aarzelde even en zei toen van ja. Wij hadden heelemaal vergeten, dat we Puf alleen hadden achtergelaten; toen we de badkamer binnengingen vonden we hem bezig met onze oude kat en haar twee jongen, die hij in de kuip had gezet, om ze alle drie te wasschen. De kleine poesjes waren al bijna verdronken. Vliegens haalden we ze uit het water, en in den angst van het oogenblik was alle stugheid tusschen Clara en ons geweken, en begon ze al druk over allerlei mee te babbelen. Zij vertelde ons, dat ze een tweeling was; haar zusje heette Betty. Betty had haar voet verstuikt, en kon nu niet loopen; de dokter had gezegd, dat ze heel lang moest blijven liggen. Puf keek Clara eens even aan, en zei toen: "Wil je ook niet es wat wasschen? Mijn slabbetje is heel erg vuil."
Intusschen was Lena de katten aan 't afdrogen, en toen ze er wat toonbaar uitzagen, droegen we ze naar beneden, om ze in de keuken verder te laten drogen. Daarna lieten we 't vuile water uit de kuip loopen, en deden er weer versch in; Clara vond het zóó verrukkelijk, dat zij ook wou wasschen. Wij gaven haar een vuil paardedekje van Puf en vertelden haar, terwijl ze ijverig te wasschen stond, hoe we tante eens voor den gek hadden gehouden.
Wij waschten toen een roodwollen poppejurkje; dit gaf zóó erg af in 't water, dat ik naar beneden vloog, en tante Caroline toeriep: "Kom u es gauw boven, Lena bloedt zoo." Tante Caroline liep zoo hard als ze kon de trap op, en kwam doodelijk verschrikt bij 't bad. Daar zag ze, hoe we haar voor 't lapje hadden gehouden. Clara vond de historie allerleukst.
Maar wat was ze nat geworden! Haar jurkje kon je wel uitwringen. Wij beproefden haar te drogen, doch toen we beneden kwamen, was tante Caroline erg boos, en zelfs Mevrouw Laura keek verstoord. Clara kreeg Lena's beste witte jurk aan, die haar heel goed paste; tante zei tegen Mevrouw: "Ik verzeker u, dat ik geen oogenblik gerust ben, wat er gebeuren zal. Ik kan u niet zeggen, hoe dit me nu weer spijt." Maar Clara zei dadelijk: "Och mama, ik vond het zoo heerlijk; ik kan me thuis nooit zoo vermaken." Mevrouw Laura glimlachte en sprak: "Ik kan me zoo begrijpen, juffrouw, dat u uw handen vol hebt; bij mij moeten ze maar niet wasschen, als ze op de thee komen morgen."
Mevrouw en Clara vertrokken nu per rijtuig; Lena en ik kregen droog brood bij de thee, omdat we Clara hadden laten wasschen. Ik vind die straf niet verdiend. Vader straft ons nooit onverdiend. Tante denkt altijd, dat we dan beter zullen opgroeien. Maar wij denken wel eens, dat die bijzonder goed opgevoede lui de malste menschen van de wereld worden. En daarom zijn we d'r heelemaal niet op gesteld, zoo heel best op te groeien.
HOOFDSTUK VI.
In groote spanning zagen Lena en ik de theevisite bij Mevrouw Laura tegemoet. Lang voordat tante Caroline het gewild had, waren we al in ons beste pakje gestoken. Emma bracht ons weg, en liep onophoudelijk druk te praten over het mooie, groote huis van den baron. Ik wou, dat ze allen bij ons in de kerk kwamen, maar dat doen ze niet; dichterbij hebben ze een kerk, en daar gaan ze heen. Wat zullen de jongens jaloersch op ons zijn; ik heb ze maar gezegd, dat er heelemaal geen jongens zijn, waarna Daan opmerkte, dat een visite van louter meisjes hem te min was.
Lena was gewoon wild; ik waarschuwde haar, dat, als ze wat verkeerds uithaalde, ik dadelijk naar huis terug zou keeren, om haar daar te laten. Natuurlijk werd ik weer voor verwaandheidje uitgescholden, maar dat is minder: Lena was nu niet kalm.
Toen we de groote voordeur naderden, was ze o zoo schuchter, ik denk een beetje angstig. Ikzelf eigenlijk ook wel een weinig, toen een deftige huisknecht ons in een vestibule liet, die geheel met schilderstukken en platen versierd was, en ons vervolgens langs eindelooze gangen geleidde, waarna hij een deur opende, en riep: "De jongedames van de pastorie!"
Even daarna stonden we in een allerliefste kinderkamer, en kwam Clara ons tegemoet om ons te verwelkomen. Zij bracht ons dadelijk bij 't venster, waar Betty op een sofa lag. Zij geleek sprekend op Clara, alleen haar gezichtje was wat smaller en bleeker. Dan was er in deze kamer nog een vriendelijke gouvernante, Miss Tudor.
![[Illustratie]](/illustrations/a820965a4480d00b.jpg)
Onmiddellijk vroeg Lena haar, of ze nog familie was van den koning Tudor. Miss scheen het nog al niet kwaad op te vatten; ze lachte althans en zei, dat ze vreesde, wel geen koning in de familie te zullen hebben.
Toen trok Clara ons mee, en liet ons al haar prachtige poppenkamers en ander speelgoed zien. Al spoedig zat Lena op den vloer en vermaakte zich met een der poppenkamers. Inmiddels was ik met Betty gaan praten.
"Clara heeft me verteld van jelui badkamer en de groote wasch," zei ze; "ik wou, dat ik er bij geweest was. Toe, vertel me d'r es wat meer van." Ik ging haar nu vertellen van ons ezeltje, en hoe wij probeerden het geld te krijgen; ze vond het allerleukst.
Clara kwam naar ons toe: "Zeg, Betty, wij hebben toch zoo'n schik met ons poppenhuis; Lena vertelt me allerlei nieuws, hoe ik er mee om moet gaan. Wij hebben inbrekers door den schoorsteen laten klimmen, en onder het ledikant verborgen, en" — hier ging ze fluisteren — "als Miss meteen uit de kamer gaat, gaan we een brandje voorstellen, en dan zijn wij brandweermannen; dan halen we de tuinslang en bespuiten het met water."
Betty's oogen schitterden, maar ik moest zien, dat spelletje te voorkomen. Ik vertelde haar, dat wij zooiets thuis ook eens gedaan hadden. De jongens staken toen een brandenden lucifer onder een van de poppenbedden. 't Was o zoo aardig, maar het gansche bed vatte vlam, en al onze poppen verbrandden. 't Was wel heel vermakelijk, het toen te blusschen, doch net kwam moeder binnen, en wij moesten haar beloven, zooiets nooit weer te zullen uithalen. Als we hier zoo'n rommel maken, mogen we nooit weer komen.
Lena keek me nijdig aan. "Hè, Griet, wat ben je weer vervelend, je houdt nou ook nooit es van een grapje!"
't Is wel hard, als je voor vervelend wordt gescholden, terwijl je 't goed bedoelt; maar ik zei geen woord meer, zoodat Lena al spoedig haar zinnen op wat anders zette. 't Duurde niet lang of de poppenkamer was veranderd in een kasteel, door soldaten belegerd; de poppen werden verondersteld, te worden gevangen genomen en vermoord, waarbij Clara en Lena een afgrijselijk geschreeuw aanhieven.
Inmiddels vertelde Betty mij, hoe het voortdurend liggen op de sofa haar vermoeide, en hoe zij ernaar verlangde, er af te mogen en de kamer rond te huppelen. Vervolgens toonde ze me haar boeken en speelden we een leuk spelletje, totdat de thee kwam. Wij waren toen al de beste vrinden; Clara zei, dat er in geen mijlen zulke meisjes als wij te vinden waren. Wij vroegen haar de namen van al de dominees in de buurt, en van al de baronnen, en het bleek, dat zij ze allen bij name kende.
Na de thee, toen Miss Tudor de kamer verlaten had, zei Betty tegen me: "Ik ben toch zoo blij, dat jelui niet zoo braaf bent. Ik dacht altijd, dat kinderen van een dominee zoo heel braaf waren. En als jelui dat waart, zou ik niet van je gehouden hebben."
Ik voelde me wat vernederd en zei langzaam: "Zoo. Ja, heel goed ben ik niet, maar ik tracht het toch te worden." Zij keek mij aan. "Maar het is toch veel grappiger om ondeugend te zijn."
"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Zoolang je 't bent, lijkt het heel dapper, maar daarna is het dat lang niet."
"Ik wou, dat er geen "daarna" bestond," zei Betty ongeduldig. "Dat ik hier op die vreeselijke sofa lig, is ook een "daarna". Je weet, ik heb mijn voet verstuikt, toen ik als een jongen in een boom wou klimmen. Miss Tudor riep me, om er uit te komen, maar ik lachte haar uit, klom hooger en — viel."
"Verschrikkelijk," zei ik, en voegde er aan toe, terwijl ik mijn wangen voelde gloeien: "Dat is nu precies hetzelfde, wat ik zou gedaan hebben. Het is dan zoo akelig gemakkelijk, zoet te wezen."
"Ik houd ervan, flink ondeugend te wezen," sprak Betty met trots.
"Ik wou, dat je vader kende," zei ik. "Hij gunt ons zooveel mogelijk pleizier. Vaak zegt hij tegen tante Caroline: Een losse teugel, tante, voor mijn jonge wildebrassen, en zoo weinig mogelijk bevelen en regelen als 't maar kan. Dat zal ongehoorzaamheid voorkomen."
"Wat een lieve vader!" riep Betty.
En ik ging voort: "Hij zegt, dat als wij Gods geboden gehoorzamen, wij ook de zijne zullen opvolgen. Toen ik nog een klein meisje was, las ik vaak de Tien Geboden over, en ik dacht, dat ik er nooit één van overtrad. Maar nu weet ik beter. Verleden Zondag noemde vader ons drie geboden: Kom, ga, doe."
Betty luisterde met aandacht. "Toe, ga voort. Je bent een heerlijkerd; 't eene oogenblik brul je van 't lachen en 't andere hou je een preek."
Ik vertelde haar nu, zooveel als ik nog wist van vaders preek. "Zoo doet een trouwe knecht. In onze kerk ligt een ridder begraven, die altoos trouw en altoos bereid was. Vader zegt, dat hij dat ook wil wezen, en natuurlijk is hij het ook, en als ik er maar veel om denk, tracht ik het ook te wezen."
"Vergeet je het dan zoo gauw?"
"Bijna altoos," antwoordde ik zuchtend.
In dit gesprek werden we gestoord door Lena en Clara. Ze wilden zich verkleeden. Wij gingen dus naar Clara's slaapkamer en trokken allerlei malle kleeren aan. Daarna keerden we terug naar Betty. Clara stelde een oude bedelares voor; Lena moest een Indiaan verbeelden, terwijl ik een deftige Amerikaansche dame voorstelde.
![[Illustratie]](/illustrations/983204c3a94b6fd4.jpg)
Allemaal deden we verhalen aan Betty, en zeiden, uit Engeland te zijn gekomen, omdat we gehoord hadden, dat ze zoo rijk en goed was. Vervolgens kondigde Lena een Indiaanschen dans aan; zij klauterde op de tafel, en tolde als een dolle rond, zoodat Betty tranen van 't lachen kreeg.
Toen deze voorstelling was beëindigd, werd ons meegedeeld, dat Emma gekomen was, om met ons weer naar huis te gaan. Wij namen afscheid van elkaar; Clara en Betty vroegen ons, toch vooral weer te komen. Wij vonden het heerlijk, en Lena zei, toen we thuis kwamen: "Nu zie je es, hoe goed het was, dat ik er met den pony vandoor ging, want nu hebben we beste vriendjes in Clara en Betty." Toen wij thuis kwamen, vonden wij de jongens druk bezig met het tellen van hun geld. Daan had 65 cent gemaakt voor gevangen visch, die hij bij drie verschillende boeren had verkocht, en Alex had f1.80 verdiend bij Cummins; deze had hem 30 cent per dag gegeven voor zijn hulp bij 't hooien. Met de noodige plechtigheid verklaarde Alex: "'t Is verdiend in het zweet des aanschijns; maar het is ook alles, wat ik kan verdienen, want er wordt nergens meer gehooid nu. En de volgende week moeten we ook weer naar school."
Oversecuur telden we allen ons geld nog eens na; 't was nog lang niet genoeg, om er een ezel voor te koopen, maar wij hadden alle hoop, er nog heel wat bij te verdienen. Lena kon doorgaan met het maken van borstplaat, en ik met het plukken van bloemen, en het zenden van groenten naar de markt. Daan kon voortgaan met zijn visscherij. Alleen voor Alex moest fluks een ander plan bedacht worden.
"Niet noodig!" zei hij. "Ik heb harder gewerkt dan jelui allemaal samen. Ik heb mijn aandeel geleverd."
"Eén gulden en tachtig cents is niet veel," merkte ik op. Alex begon korzelig te worden en zei: "'t Zit 'm niet in de hoeveelheid, 't zit 'm in de waarde. Deze 36 stuivers vertegenwoordigen een zeer zwaren arbeid. Wat zou je meer op prijs stellen als verjaarsgeschenk: een boek, dat je zoo maar koopt en weer weggeeft, of een boek, waarvoor een jaar lang gespaard is, en de krachten van wie het kocht, bijna heeft uitgeput?"
Ik was onder den indruk van deze redevoering, maar Daan heelemaal niet. "Je bent een lui stuk mensch," zei hij; "ik weet heel goed, dat je den halven dag in 't land lag, en frissche dranken kreeg."
Maar Alex meende een week rust noodig te hebben; daarna zou hij een nieuw plan aanvatten. "Mijn lichaam is zoo vermoeid, dat ik niet denken kan; maar ik beloof je, dat mijn nieuwe plan niet minder aardig zal wezen dan dat van jelui."
De Zaterdag met z'n zangoefening in de kerk kwam weer aan. Juist was ik aan 't zingen, toen ik ineens dacht aan vaders preek: Semper fidelis, semper paratus. Ik dacht erover, wat vader nu wel van mij zou wenschen. Maar ik had den moed niet, om het te doen; Daan zou mij uitlachen m'n leven lang. Maar toen ik naar bed ging, bad ik tot God, of Hij mij zóó moedig wilde maken, dat ik het doen durfde.
Zondagmorgen vond ons allen aan 't ontbijt. Tante Caroline staat gewoonlijk al vóór ons van tafel op, omdat ze naar de Zondagsschool moet. Ook nu zou ze juist weer heengaan, toen Daan eensklaps opsprong, met rood gezicht haastig z'n kopje thee leegslurpte, en zei: "Tante, ik ga met u mee naar de school. Ik zal de klasse der kleintjes nemen." Tante nam het heel kalm op, maar voor onze ooren was het, of het onweerde.
"Ik heb al zoo vaak er op aangedrongen, dat een van jelui me helpen zou," zei tante. "De arme kleintjes begrijpen mijn onderwijs aan de ouderen nog niet."
Daan ging de kamer uit. Alex sloeg z'n oogen ten hemel, hief z'n handen op en riep: "De hemel komt naar beneden!" Lena begon te giegelen. "Stel je voor: Daan de kleintjes aan 't onderwijzen! Hij weet ze niets anders te zeggen dan "goede vormen"."
Ik gevoelde mij als aan den grond genageld. Als ik dàt geweten had! Dat was nu de jongen, van wien ik vreesde, dat hij mij uit zou lachen, als ik deed, wat hij nu doet! Ik liep den tuin in, en schreide eens goed uit. En o, hoe bewonderde ik Daan nu! Altijd doet hij de dingen zoo onverwacht. Nooit praat hij er over, en je zou denken, 't kan hem niet schelen ook, maar plotseling komt ie uit z'n rust, gaat heen, en doet het. Ik zou zoo graag als hij wezen.
"Wat zal ik een pret hebben over die zuigelinglessen," zei Alex, toen we samen naar de kerk gingen. "Neen, dat mag je niet," zei ik, "want het is heel goed, wat Daan gaat doen. Verleden Zondag heeft vader er nog over gepreekt. Ik had het ook willen doen, maar ik was bang, dat jelui me zouden uitlachen. En nu is Daan me vóór geweest. Heusch Alex, onder het ontbijt dacht ik elk oogenblik het te zullen zeggen, maar zie, ik kwam net te laat."
Alex keek me een beetje scheef aan, maar zei niets; en toen we Daan bij het middageten weer zagen, zei geen van ons wat tegen hem; wij deden, alsof er niets gebeurd was. Ik bewonder Daan, als hij zoo doet, want hij zegt nooit, dat hij iets goed doet. En om elkaar te zeggen, dat je iets goed doet, vind ik verkeerd, lijkt me zoo verwaand.
En nu moet ik vertellen van Maandagmorgen, en van de groote verrassing, welke ons toen te beurt viel. Puf had al telkens gezegd, dat hij iederen dag een brief van God verwachtte, met het geld voor een ezel erbij. Elken morgen klampte hij den brievenbesteller aan. 't Zal den man wel raar in de ooren geklonken hebben, toen Puf hem vroeg: "Weet u wel zeker, dat er geen brief voor mij bij is, want ik verwacht er een van God; het moet een heele zware brief wezen."
![[Illustratie]](/illustrations/3793ab27e018b73d.jpg)
Dezen Maandag bracht hij de brieven weer binnen, en toen vader ze nakeek, zei deze plotseling: "Is hier een mijnheer George Marjoribanks in de kamer?" "Dat ben ik!" riep Puf, en danste in de grootste opwinding om de tafel. "Laat mij hem zelf openmaken!" Hij kreeg den brief in z'n handjes. "Maak 'm nu maar open," zei vader, ook wel 'n beetje nieuwsgierig. Puf maakte hem open: er zaten drie postbewijzen in, en een velletje papier, waarop geschreven stond:
"Van grootmoeder. Voor een ezeltje."
En elk van de postbewijzen was f12.— groot.
Wij konden onze oogen niet gelooven. Grootmoe geeft ons zelden geld — alleen op verjaardagen. Ik vermoedde natuurlijk al dadelijk, dat tante Caroline haar verteld zal hebben, hoe vurig Puf er om bad. Pufs gezicht was een portret waard, toen hem werd uitgelegd, hoe de zaken nu stonden. Zijn oogen straalden van blijdschap; hij zette een borst op en zei: "Natuurlijk. Ik begrijp heel goed, wat er gebeurd is. Vader zegt, dat God geld aan sommige menschen geeft, om er goed voor te zorgen. Hij heeft het Zelf te druk gehad, om het te zenden, en daarom droeg Hij oma op om het te doen."
"Ik geloof, dat je de waarheid zegt, Puf," sprak vader, terwijl hij hem kuste op z'n heerlijken kroeskop. Puf keek met verrukte blikken om zich heen. "Mijn plan is het beste geweest van ons allen," juichte hij.
Wij waren te verrast, om te spreken. Vader sprak zachtjes: "Want derzulken is het Koninkrijk Gods."
Toen, na nog even stilte, barstten we allen uit in een blij gejuich. Het ezeltje was zoo goed als gekocht, en we konden zelfs nog wel geld over houden. Daan zei al dadelijk, dat dat dan wel kon dienen voor een zadel, maar vader zei, dat we voor die 36 gulden en wat we al reeds hadden; allicht wel een ezeltje en een tweede-hands wagentje konden koopen. Maar vader schat de dingen altijd goedkooper dan ze zijn.
HOOFDSTUK VII.
En nu: waar kunnen we een ezel koopen?
Ziedaar de groote vraag, welke ons allen bezig hield, toen we op een pufwarmen middag ons hadden neergevleid onder de boomen langs het grasveld. Behalve Puf, die nog niet tot bedaren gekomen was en telkens opsprong om vlinders na te jagen.
Alex opende de debatten, kriebelde Lena met een grassprietje in haar oor en zei: "Je ziet nog wel es veel ezels zoo grazen, maar ik heb er tot nu toe nog niet zoo bijzonder op gelet."
"Laten we naar juffrouw Ribbon gaan, en haar vertellen, wat we noodig hebben," stelde ik voor, en begon alvast te zingen:
Wie hier eens komt, die komt terug, Die wordt geholpen, goed en vlug.
"Zij zal er een uit haar dierenverzameling halen," zei Daan, "en dan zal 't niet veel moois wezen, dat verzeker ik je. Neen, de eenige lui, die werkelijk goede ezels hebben, dat zijn de zigeuners, en die moeten we vóór alles zien te vinden."
"Hoera!" riep Alex uit, "we gaan een zigeunerkamp bezoeken." En Lena voegde erbij: "Juffrouw Ribbon zal ons wel zeggen, waar er een is."
"Wacht es even," zei Daan, "we kunnen het best zelf uitvinden, waar ze zitten, evengoed als de politie. Laat mij maar begaan."