Front matter (continued 2)
Silvanus translation
"Nou ja, maar we kunnen toch evengoed eerst es bij juffrouw Ribbon gaan hooren," meende ik.
Aldus werd besloten; we sprongen allen overeind en draafden naar het "dorpsmagazijn". Er stonden juist twee vrouwen af te rekenen, maar toen ze ons zagen, gingen ze heen, en spoedig had ons clubje den ganschen winkel gevuld, natuurlijk Puf vooraan. O, wat was het er snikheet! De vliegen zaten overal op, en juffrouw Ribbon zag er uit, alsof ze zoo van een wilde vliegenjacht kwam, natuurlijk kwamen de vliegen nu ook nog op haar gezicht af, alsof het met stroop besmeerd was. Met haar zakdoek trachtte ze de lastige dieren op 'n afstand te houden. Niettemin glimlachte ze, zooals altijd en onder alle omstandigheden.
Daan nam eerst het woord en zei alsof het een bestelling gold: "Wij wilden een zigeunerkamp hebben." Juffrouw Ribbon keek hem versteld aan, maar glimlachte alweer spoedig; zij houdt van een grap, en daarom wij ook van haar.
"Hoeveel geld heb je daarvoor beschikbaar? Ze zijn duur, jongeheer Daan!"
"O, dat komt later wel terecht, als u er ons maar aan een helpt," zei Daan.
"Een zigeunerkamp is een flinke bestelling," zei juffrouw Ribbon nadenkend. "Maar je moet me eens wat nader zeggen, wat je bedoelt. Hoeveel zigeuners moet je hebben? Of is de bedoeling een kamp alleen?"
Wij zagen, hoe ze lachte. Maar Alex zei nog eens uitdrukkelijk: "Dat zou nu de eerste keer worden, dat we hier tevergeefs kwamen. Neen, juffrouw, we moeten een compleet kamp hebben, met levende zigeuners erin."
"Maar groote goedheid, kinderen, ik verkoop alleen dingen, die de menschen kunnen koopen. Levende zigeuners zijn niet te koop in dit Christelijk land."
Wij begonnen terrein te verliezen, juffrouw Ribbon is ons te knap af. Toen zei Daan met potsierlijke verontwaardiging: "Wij zullen het onthouden, juffrouw. Wat wij wilden koopen was de inlichting over een zigeunerkamp. Maar we zullen u verder niet lastig vallen."
Allen verlieten we den winkel, 't hoofd in den nek als vertoornde klanten.
"'t Zal haar wàt spijten, dat ze ons niet heeft geholpen," zei Daan. We gingen dadelijk weer naar huis. Daar schreef Daan, op een groot vel van vaders preekenpapier, zoo mooi als hij kon:
"Onmiddellijk inlichtingen gevraagd naar het naastbijgelegen zigeunerkamp. Gedurende één week in te zenden aan de pastorie. Daniël Marjoribanks."
![[Illustratie]](/illustrations/d58a724e309054a8.jpg)
Toen was de vraag: Waar zullen we dien brief brengen? We waren 't er allemaal over eens: niet bij juffrouw Ribbon. Daan had een mooi idee. Bij den kruisweg, juist aan 't begin van ons dorp, staat een groote mijlpaal. Wij namen een beetje lijm mee en gingen er heen. Onderweg zei ik tegen Daan: "Je zult er nog een belooning voor moeten geven." Daar had hij niet aan gedacht, maar vlug krabbelde hij nog op den brief: "De aanbrenger zal goed beloond worden." Zoo hoog als wij erbij konden, werd het papier tegen den paal geplakt, en daarna keerden we weer naar huis terug. Na de thee ging Daan nog twee keer kijken, of de lijm wel goed hield. Den tweeden keer zag hij, dat er twee mannen en een jongen bij stonden te lezen. "Ik hield me weg," vertelde hij; "ik kroop achter een heg. Zij schenen er veel belang in te stellen."
"Ik geloof, dat we beter gedaan hadden, met naar een ezel te vragen," merkte ik op. Maar de jongens moesten daar niets van hebben. "Dat zigeunerkamp is juist de grap!" schreeuwde Daan. "Misschien zijn er in Lincolnshire niet eens zigeunerkampen," zei Lena.
Dat hadden we nog niet overdacht. En dus gingen we op nader onderzoek uit. Vader werd aangeklampt om ons daar wat meer van te vertellen. Hij vertelde ons, dat hij eens zoo'n kamp had bezocht, toen daar een man ziek was geworden. Wij vertelden vader echter niet, waarom wij onze vraag deden, maar Puf wilde weten, of ze ook jongens en meisjes stalen.
Den dag daarna kwam er een jongen aan de achterdeur en vroeg Daan te spreken. Gelukkig was hij thuis, want den volgenden dag begonnen de lessen weer. Zeer gejaagd kwam Daan aanloopen. De jongen vertelde: "Ik heb dien brief gelezen. Boer Brown, aan den weg naar Lemworth, laat altijd zigeunertroepen op een stuk land bij z'n boerderij uitrusten. In deze maand komen ze gewoonlijk, omdat ze dan naar de Lemworthsche kermis gaan, en die is vandaag over een week."
"Sjonge, dat treffen we!" riep Alex. "Hoeveel heb je hem gegeven?"
"Dertig centen. Dat vond ie heel best. Ik zal het natuurlijk uit onze ezelkas betalen."
"Ik wou, dat we nu morgen dien ezel maar kochten, dat lange wachten is nergens goed voor," vond ik.
Maar de jongens vonden, dat het wel een week uitstel waard was, om een echten ezel te kiezen uit een echt zigeunerkamp. En toen begonnen de lessen; alle dagen waren de jongens weg. Lena en ik kregen 's morgens les van tante Caroline, en Puf verbeeldde zich dat ook maar. De middagen hadden we voor onszelf, maar dan was er altijd wel wat naar een zieke te brengen, of andere boodschappen.
Op zekeren dag hoorde vader mij brommen, omdat ik zoo graag een nieuw leesboek uit de school-bibliotheek wou lezen, en tante me toen een boodschap wilde laten doen, terwijl ik pas voor haar was weggeweest. Vader schudde zijn hoofd, en zei: "Semper paratus! Grietje, zoo wordt je niet een goede dienstmaagd."
"Maar ik ben de meid van tante Caroline niet," flapte ik eruit.
"Ik dacht, dat je een van Christus' dienstmaagden waart," sprak vader ernstig. "Jou kleine dagelijksche werkzaamheden zijn de plichten, die Hij je oplegt, Je kunt niet Zijn dienst scheiden van den dienst hier in huis, het zijn dezelfde plichten. Denk je wel altijd aan Zijn bevelen, kind?"
"Ik vergeet het zoo vaak," zuchtte ik.
"Een ontrouwe dienstmaagd is zulk een teleurstelling voor Jezus," sprak vader zacht.
Toen begon ik te schreien. Ik kon er niets aan doen.
"Ik geloof niet vader, dat ik ooit een trouwe, gewillige dienstmaagd zal worden."
"Waarom niet? Deze boodschap van je tante was een oproep tot gaan, nietwaar?"
"Ik denk van wel," fluisterde ik.
"Geloof je zelf, dat je in Christus' dienst bent?" vroeg hij me.
"Ik hoop van wel, vader. Ik wil Hem dienen, omdat Hij voor mij gestorven is, en ik heb Hem lief, maar niet zóó, als het moest wezen. Ik denk, dat het komen, waarover u preekte, heel wat gemakkelijker is, dan het gaan. En wat het doen betreft, ik heb er niet eens over gedacht. En, vader, het spijt me toch zoo, dat ik die Zondagsschoolklas niet heb genomen; Daan was me net voor."
"Elken dag, Grietje, moet je zoowel komen als doen. Het eerste wat een knecht des morgens doet, is zijn heer om orders vragen. Heb je van morgen den Heer om Zijn bevelen gevraagd?"
"Neen vader," zei ik, "ik heb mijn gebed vanmorgen afgeraffeld, omdat ik te laat op was."
"O, maar dàt is de oorzaak van je ontrouw. Ik ben in mijns Meesters dienst al heel wat jaren meer, dan gij Grietje. Als ik beproef Zijn bevelen uit te voeren, zonder Hem steeds te bidden, dan geraak ik dadelijk in moeite. Den ganschen dag, en elken dag is het "komen" en "gaan"."
Vader ging heen, ik bleef in nadenken verzonken staan, en beloofde mijzelf in stilte, dat ik trachten zou, nooit meer te mopperen, al werden mij honderd boodschappen per dag opgedragen.
Ons plan, om op de kermis van Lemworth te gaan kijken naar een ezeltje, vond vader niet goed. De jongens vroegen hem toen, of we Zaterdag een langen dagmarsch mochten gaan maken; we zouden dan ons twaalf-uurtje meenemen, en zien, of er ook zigeuners te vinden waren, die een ezel voor ons te koop hadden.
Vader vond dit goed, maar zei erbij, dat we slechts inlichtingen mochten vragen; het koopen van een ezel moesten we aan hem overlaten.
Wat duurde het lang, voor 't Zaterdag was! Eindelijk was de langverwachte dag er, en dadelijk na 't ontbijt gingen we op weg. Puf ging te keer als een wanhopige, omdat hij niet mee mocht, en tante Caroline trachtte hem met allerlei schoone beloften tot bedaren te brengen.
![[Illustratie]](/illustrations/09d01d53ed8ac691.jpg)
Wij begonnen met twee mijlen te marcheeren langs den kalen, stoffigen weg; daarna klommen we over een schutting en gingen dwars over de landerijen. Drukke gesprekken en allerlei verhalen maakten de wandeling kort. Daan vertelde van een jongen op zijn school, met wien hij altoos aan 't vechten is. Hij komt uit Londen, heeft een verbeelding, alsof z'n vader hertog is, en ziet met minachting neer op "dat gewone volk", zooals hij het noemt.
"Ik vind het niet erg "in den vorm" voor zoo'n heertje om te vechten", merkte ik op. Ik houd er van, om Daan met z'n eigen woorden te bekampen.
"Ik heb 'm als een worst in mekaar gedraaid," zei Daan. "Ik had er zin in, met mijn vuisten er nog eens goed op te beuken. Maar ik laat hem nog liever heelemaal links liggen, omdat hij gewone menschen minacht."
Lena vroeg: "Zouden we de zigeuners wel thuis vinden? Ze zullen allicht naar de kermis te Lemworth zijn." Daar hadden we zoowaar nog niet aan gedacht. We hielden even stil, om de zaak te overdenken; inmiddels werd de lunch in 't gras gebruikt.
"Alle ezels zullen toch niet naar de kermis zijn," zei ik. "Hebben zigeuners wel altijd ezels?" vroeg Lena. "Och, hou toch op en doe niet van die malle vragen," zei Daan verstoord.
Na nog een heelen tijd te hebben geloopen, kwamen we bij de boerderij van Brown, en daar vonden we tot onze blijdschap een kamp, een vuile tent, en een troep kinderen, die er bij speelden. Een zwart-uitziende vrouw was bezig met kleeren wasschen in een groote braadpan. Maar ezels waren er niet te zien; slechts een oud wit paard liep er te grazen.
"Ik vrees, dat ze naar de kermis zijn," fluisterde Alex. "Toe Daan, ga es heen en groet die vrouw es."
Daan kan dat altijd heel netjes; de lui op 't dorp mogen hem graag, omdat hij zoo netjes z'n pet kan afnemen. Hij ging recht op de vrouw af, en groette met z'n stroohoed.
"Morgen juffrouw, mogen wij het genoegen hebben, enkele minuten met u te spreken?" Zij trok haar handen uit de braadpan en staarde ons aan, of we wilde dieren waren. Daan ging voort: "Ik weet niet wie de .... baas van dit kamp is, maar ik zou hem graag over zaken spreken."
"Houdt je me voor den mal?" vroeg de vrouw ruw.
"We meenen het allemaal ernstig," zei Daan. "U moet weten, wij willen een ezel koopen, en wij meenden, dat u er wel een te koop zoudt hebben."
De vrouw lachte, en riep daarna: "Jim! Kom es hier en vertel dien jongens es, dat ze aan 't verkeerde adres zijn voor ezels."
Een man, een echte zigeuner, kwam langzaam aanslenteren. Hij droeg groote blinkende knoopen aan jas en vest en broek, had een grooten geelrooden zakdoek om z'n hals en een zwaren ring aan een der vingers.
![[Illustratie]](/illustrations/5d55978f7ea2c1a2.jpg)
"Wij doen niet in ezels!" zei hij, terwijl hij aan een groote pijp trok en ons met loerende oogen bekeek. "Hoeveel heb je er voor over?"
"Dat zal vader wel behandelen," zei Daan met beslistheid. "We moeten een goeden, vluggen ezel hebben, een die loopt als de wind, en wij wenschen hem Maandagavond na zes uur aan de pastorie te Warlington te hebben, om 'm te bezien. Kan ik daarop rekenen?"
Daan doet altijd zaken, als was hij een koopman van zessen klaar. Maar wij waren toch allen teleurgesteld, dat wij nu niet één ezeltje te zien kregen. Intusschen sloop Lena wat verder het kamp in, kwam weer terug en vroeg aan de zwarte vrouw: "Laat mij eens uw woning van binnen zien; ik zou ook wel in zoo'n kamp willen wonen."
De vrouw vond het goed en ging ons voor; Alex ging mee, en Daan bleef met den man praten. De wagen zag er van binnen wat aardig uit. Aan den wand hingen schilderijtjes, platen en helder geschuurde pannen; maar lekker rook het er niet. Lena vond het er verrukkelijk en zei: "Zeg u es — we zullen 't aan niemand verklappen — maar is het waar, dat jelui kleine kinderen stelen, of staat dat alleen in de boeken?"
De vrouw moest hardop lachen. "Wou je een tijdje met ons mee op reis, juffie?"
"O, dolgraag, maar slechts voor een paar weken, in de vacantie. Ik geloof, dat het heerlijk is, gestolen te zijn!" De vrouw schudde haar hoofd. "Kinderen geven meer kwelling, dan ze waard zijn; die wij hebben, zijn al meer dan genoeg," zei ze.
Lena was geheel uit 't veld geslagen. Alex vroeg haar, of ze wel waarzeggen kon. Ze schudde van neen. Maar — zeiden we haar — dan kun je ook geen echt zigeunerkind wezen.
Toen we den wagen weer verlaten hadden, riep Daan ons. "De zaak is al in orde," zei hij; "wij zullen eenige ezels thuis krijgen, om uit te kiezen. Overmorgen komen ze; zoolang zullen we moeten wachten."
Alex vroeg hem toen, of hij den zigeuner wilde vragen, dat die ons zou verzoeken om op een avond een echt zigeunermaal te komen bijwonen.
Daan vroeg het en antwoordde ons, dat we er zelfs aan mochten deelnemen, voor twintig cent de man. De man verzocht ons te komen den eerstvolgenden Dinsdag, 's avonds om 9 uur. Toen zeiden we hem goeden dag, en vertrokken.
Ik weet niet, hoe dat kwam, maar we waren allemaal een beetje teleurgesteld. Wij hadden verwacht een prachtigen ezel te zullen zien, en met een mooi-gezadeld exemplaar thuis te zullen komen; wij hadden gedacht, een groot, dichtbevolkt zigeunerkamp te zullen aantreffen, met een waarzegster er bij, met mannen er bij, die ringen in hun ooren droegen, die dansten en feest vierden, en een of ander gestolen kind, dat achter een boom stond te huilen. Maar van dat alles niets; niet één ezel, één kermiswagen maar, geen gestolen kind, één man maar en ééne vrouw.
Intusschen vertelde Daan ons, dat de man iemand wist, die ezels verkocht, en dat die persoon op de kermis was. Maar hij zou hem wel vertellen, wat wij wenschten, en dan zou die koopman ze wel brengen. "Ik heb hem den tijd gegeven tot Maandagavond," zei hij deftig, "en ik heb er nog een mooi plan bij bedacht. Wij zullen op den mijlpaal aan den kruisweg een nieuw briefje plakken, waarop te lezen staat, dat iedereen die een ezel te koop heeft, er dienzelfden avond mee aan de pastorie moet komen." "Dat wordt een ezelen-revue!" juichte Alex, en sprong in 't rond.
Met groot verlangen zagen we Maandagavond tegemoet. Wij houden er erg van, iets lang vooraf te weten, dan heb je altijd schik vooruit en je wordt niet zwartgallig. Betty en Clara zeggen, dat ze haast altoos somber gestemd zijn, daarom heb ik ze gezegd, dat ze vooral veel plannetjes moeten maken.
In een tevreden stemming naderden we ons dorp weer. Bij het spreken over de avondpartij in 't zigeunerkamp, liet ik Daan merken, dat ik vreesde, dat vader ons geen toestemming zou geven, om er heen te gaan. "Nu ja," zei hij, "jelui — Lena en jij — doen ook beter met niet te gaan. Alex en ik wel, omdat vader het ook wel eens gedaan heeft; vader zei, dat sommigen van die zigeuners heel nette menschen zijn."
"Maar wij zouden toch graag meegaan," zei ik wat ontevreden. "Alles wat lekker is, is nog niet verkeerd!"
"Wees toch zoo'n kwast niet," zei Alex. En Lena voegde er nijdig aan toe: "Ik ga toch, 't kan me niet schelen, wat ouwe Griet doet; als ik er voor gestraft word, heb ik het toch al gehad!"
HOOFDSTUK VIII.
Puf was danig verstoord, toen we zonder ezeltje thuis kwamen. Dadelijk na de thee ging Daan het nieuwe briefje aan den mijlpaal hechten. Allen gingen we mee en hielpen hem. Hij schreef er op:
"Gevraagd een eerste-klas ezel. Op bezien te zenden Maandagavond 6 uur aan de pastorie." Erboven schreef hij nog: "Belangrijk en spoed-eischend."
Toen dat afgeloopen was, gingen we weer naar huis, en hielp ik tante Caroline met opruimen, want het was Zaterdagavond. De zangoefening had ze ons ditmaal geschonken, omdat we uit waren geweest; doch voor we naar bed gingen, nam ze ons mee naar de piano in de zitkamer, en zongen wij de gezangen nog eens, die we voor Zondag moesten kennen. Daarna zei tante Caroline tot Daan: "Kom je morgen naar de Zondagsschool?" Daan antwoordde erg ruw: "Ja, ik denk 't wel."
Toen zei ik: "Tante, ik wou wel een klas nemen, als u nog een andere had."
"Ik denk, Grietje, dat er daarvoor niet genoeg kinderen zijn. Lang geleden heb ik het je al gevraagd."
"Wat leer je hun toch, Daan?" vroeg Lena. Maar Daan ging de kamer fluitende uit, en zei geen woord. Ik was er ook zeer benieuwd naar, wat hij ze leerde, maar toen ik het tante vroeg, zei ze: "'t Is jammer, dat jongens altijd denken, dat ze hun gevoelens onder zich moeten houden. Hij weet uitnemend de orde te bewaren, leert ze hun tekst en versje, en vertelt hun heel aardig een Bijbelsch verhaal." Ik zuchtte, want ik wou zoo graag hetzelfde werk doen.
Maandagmiddag kwam Lena naar me toe rennen: "O Griet! ik ben bij juffrouw Ribbon geweest, en zij zegt, dat ze een prachtigen ezel weet, en dat had ze ons allang kunnen zeggen, als we 't haar maar verteld hadden, en we niet naar die zigeuners waren gegaan. Zij zegt, dat ie aan een boer behoort, en dat die 'm verkoopen wil.
"Wel," zei ik, "zeg haar, dat ze hem bericht den ezel vanavond opzicht te zenden."
"Dat heb ik haar gezegd, maar zij zei dat ze niemand had om hem die boodschap te brengen."
"Waar woont hij?"
"Dat weet ik niet."
Ik ging dadelijk naar juffrouw Ribbon, en kwam te weten, waar de boer woonde. Het was wel een heel eind, maar ik dacht, als tante Caroline me maar even vrij liet, kon ik wel even heengaan. Tante zou juist met vader uitgaan. Ze gingen naar een vergadering in Lemworth, en vader zou er spreken. Zij vonden goed, dat ik ging, en zeiden meteen, dat we met de thee niet op ze behoefden te wachten. Ik vroeg angstig: "Maar u zult toch tijdig genoeg terug zijn, vader, om ons ezeltje uit te kiezen?" Hij glimlachte: "Ik vrees, dat we zullen moeten adverteeren, kind; ik twijfel er aan of je hier wel ezels heen zult krijgen."
"Wij verwachten wagenladingen vol!" riep ik uit, en rende heen.
Lena wou meegaan, en samen staken we dus de velden dwarsover. 't Rennen hield spoedig op, want het was o zoo warm; wij plukten bladen van zuring en varenkruid om ons te verkoelen. Eindelijk waren we aan de boerderij. Een prachtige tuin lag vóór de groote boerderij; in dien tuin lag een heer in een rieten stoel, en daarbij zat een dame. Ik vreesde, dat we verkeerd waren, maar we moesten den tuin door, om bij de voordeur te komen. Ik vroeg hun, of daar Mr. Donnyball woonde. De dame glimlachte: "Ja zeker, ga maar naar het huis, daar zul je zijn vrouw wel vinden. Wij zijn maar logé's."
Ik liep door, maar Lena bleef achter, zij mag graag met vreemde menschen praten; ik niet. Ik belde en een boerenmeid kwam voor; zij riep dadelijk de boerin, die heel blij was, toen ze hoorde wie ik was. Ik herkende haar dadelijk; zij en haar man komen elken Zondagmorgen bij ons in de kerk en zitten in de middelste banken.
Zij zei: "Kom binnen, lieve. Jan en ik zeggen altijd tegen mekaar, jelui zitten als engelen in het koor, en het is een genot, jelui te hooren zingen, en jelui goeje lieve vader preekt als een apostel. Kom, ga binnen, dan zal ik je een stuk van mijn eigengebakken koek geven, en een glas melk. En wat is nu de boodschap, kind?"
Zij sprak zóó snel, dat ik er geen woord tusschen had kunnen krijgen. Toen ik haar het doel van mijn komst verteld had, zei ze:
"Ja, jelui hebt een ezel noodig, hé? Kijk es wij hebben logé's, kapitein en mevrouw Rogers. Zij komen uit Londen; zij hebben familie te Lincoln. Hij is sedert den oorlog kreupel, en wij dachten, dat onze Nell hem heel zacht in een rieten wagentje zou kunnen trekken, maar hij ziet het ding niet, of maakt rechtsomkeert, en is niet tot kalmte te krijgen. Wij hebben er toen over gedacht, een pony te nemen. Mijn mans broer heeft er een; en zoo is het gekomen, dat ik tegen juffrouw Ribbon zei, dat we Nell niet wilden houden. Mijn kleine jongen reed er altijd op" — ze begon eensklaps te schreien; ik begreep, dat haar kind was overleden en betuigde haar mijn deelneming daarover. Vervolgens zette ze mij in een heerlijk koele serre, riep Lena ook, en beiden kregen we toen een glas melk en een stuk gebak. Ze beloofde, dat de ezel dien avond door een der knechts zou gebracht worden. Ik was wat in m'n schik; we wilden nog graag den ezel zien, maar men was met 'm naar den molen om meel te malen. We namen nu afscheid en bij 't heengaan hielden de heer en mevrouw Rogers ons nog aan.
![[Illustratie]](/illustrations/c7d853f7f32af101.jpg)
Lena had hun natuurlijk alles al verteld; de kapitein vroeg lachend: "Wat geven jelui voor den ouden knol?" Ik vertelde hem, dat we een ezelen-revue zouden hebben, en daaruit kiezen zouden.
"O!" riep hij uit, "daar moet ik bij wezen." Lena klapte in de handen en liet hem beloven, dat hij komen zou. Maar Mevrouw Rogers was er niet voor; hij was niet erg sterk, vertelde zij. Toen zei Lena: "Ik zal u een brief sturen, als u 't goed vindt, en daarin van de revue vertellen. Tante Caroline laat ons brieven schrijven, om te leeren stellen." Mevrouw Rogers vond het heel aardig, en wij vertrokken.
Lena begon te rammelen: "Wat zijn ze lief hé? Ik geloof, dat kapitein Rogers vergeten heeft te groeien, hij praat net als de jongens; Mevrouw Rogers keek hem onophoudelijk aan, en zei een keer: "Charles, breng het kind nu niet in de war." Ik zei, dat ik nooit in de war kwam. Toen fluisterde hij: "Als je met je hoofd omlaag slaapt, hou je ook op met groeien."
"Hij spreekt net als tante Marie," merkte ik op. "Ik hoop, dat hij bij ons zal komen."
"Ik zal hem een brief schrijven en vragen, om toch vooral te komen," zei Lena.
Toen wij thuis kwamen, was het theetijd, en waren de jongens juist uit school terug. Zij spotten met ons ezeltje. "Als de ezel van juffrouw Ribbon komt, zullen we 'm slaan, waar de anderen bij zijn," dreigden ze. Wij vertelden hun, dat het niet juffrouw Ribbon's, maar boer Donnyball's ezel was.
En zoo naderde het met spanning verwachte oogenblik van de ezelen-revue.
Toen 't zes uur was, stonden we allen aan 't hek; Puf was op 't poortje geklommen, om toch vooral de eerste te wezen, die hen zag komen. Wij wachtten, wachtten tot bijna halfzeven, toen Nell kwam opdagen. Hij zag er prachtig uit, dik en helder, en met een mooie grijze kleur; de jongen, die hem bracht, scheen ook zeer met hem ingenomen. Terwijl we ons om den aankomeling verdrongen, kwamen, in een stofwolk gehuld, vier leelijke, ruwe beesten aangedraafd, begeleid door een man en een jongen. En toen begon de revue.
![[Illustratie]](/illustrations/0e48e474b92f179c.jpg)
Ik wenschte, dat vader er nu maar was, maar Daan meende zelf de keuze wel te kunnen maken. Nog waren we bezig, van alle kanten het vijftal te bekijken, toen een oude vrouw kwam opzetten, ook met een ezel, en werkelijk een aardig beest.
Het begon nu vermakelijk te worden; een troep kinderen stond om ons heen, en nog meerderen kwamen erbij kijken. Wij hadden nu zes ezels, en nog was vader er niet.
De vier magere ezels behoorden aan onzen vriend den zigeuner, en de mooie zwarte behoorde aan een vriendin van juffrouw Tapson. Daan deed heel gewichtig; hij fluisterde Alex wat in, waarna deze z'n pet in de lucht wierp en uit alle macht Hoera! riep. Onmiddellijk daarna nam Daan het woord en schreeuwde: "Kijk hier, we moeten een ezel hebben, die goed kan loopen, en nu willen we uit deze zes den besten kiezen. Daarvoor zullen we een wedstrijd houden; wie van de zes het vlugst een afstand van één mijl loopt, is ons."
De dorpskinderen juichten bij het hooren van deze afkondiging, en wij niet minder. De man met de vier magere exemplaren keek niet bijzonder opgewekt. En hij mopperde: "Ik heb deze puike beestjes 10 mijlen moeten laten loopen, om ze hier te brengen, en ik heb er niet op gerekend, dat ze nu ook nog een wedstrijd moeten meemaken. En dat op zoo'n heeten dag!"
"Wel," zei Daan, die altijd rake opmerkingen heeft, "we zullen ze een voorsprong geven. Op den hoogen weg zal de wedloop plaats hebben; tot den ouden eik, waar de bliksem is ingeslagen, is het een halve mijl, ik heb het opgemeten. Nu zullen we ze tot daar laten rennen; de start is bij ons hek."
Vervolgens vroeg hij aan juffrouw Tapson's vriendin, die Rowe heette, hoe ver haar ezel had geloopen; 5 mijlen, was het antwoord. Bob Tapson had ons briefje aan den mijlpaal gelezen, en toen haar gewaarschuwd. Zij was nu met het ezelkarretje hierheen gekomen.
Daan begon nu den wedstrijd te regelen. "Wij moeten jockeys hebben," vond Alex, en voegde er meteen bij: "ik zal den grijzen berijden." Toen deed Daan ook maar eerst een keus, en bestemde den zwarten voor zich. Dit was de ezel van juffrouw Rowe.
Maar de jongen van boer Donnyball zei, dat hij zelf z'n ezel moest berijden, want hij kende z'n eigenaardigheden. Alex koos zich dus een van de vier zigeuner-ezels; dan nam de jongen, die erbij was, een tweeden van 't viertal, de man wilde dan den derden nemen. Maar Daan vond hem daar te zwaar voor. Lena en ik vroegen hem, ook een ezel te mogen berijden, maar hij wou 't niet hebben. Hij vond, dat wij moesten post vatten bij de start. Twee jongens uit 't dorp bestegen toen de twee andere zigeuner-ezels. Zij moesten alle vier zonder zadel bereden worden.
Het begon nu te spannen; iedereen wond zich op, en toen we de ezels alle op den hoogen weg brachten, en ze daar op een rij plaatsten, scheen het heele dorp wel uitgeloopen, om er naar te kijken.
Daan gaf den 10-mijlen-ezels 200 meter voorsprong, dien van juffrouw Rowe 100 meter, en de grijze, die maar een mijl geloopen had, vertrok bij ons hek. Het kostte heel wat tijd, voordat alles in orde was. Als vertreksein vind Daan een pistool heel geschikt, maar we hadden geen bruikbaar exemplaar meer; dus werd de tafelbel gekozen. Hiermee liep ik tot midden op den weg, en luidde haar toen uit alle macht. De zes harddravers zetten zich in beweging, maar ook de gansche troep kinderen rende er achter aan, schreeuwend en juichend, dat je hooren en zien verging. Lena en ik hadden graag evenzoo gedaan, maar wij hadden de wacht bij het eindpunt, en hielden ons dus gereed voor een nauwkeurige opname van den tijd der terugkomst.
Een van de bruine ezels wilde niet; hij struikelde over een kuiltje, en bleef bewegingloos staan. De man, die hem en z'n 3 makkers gebracht had, begon te vloeken en hem te slaan. Lena en ik werden beangst, en we vroegen Baldwin, er heen te gaan, en hem te vragen, maar op te houden. Natuurlijk waren de keukenmeid en Emma en Baldwin ook komen kijken.
Het duurde lang, eer ze terugkwamen, maar eindelijk hoorden we juichkreten en zagen we Daan op den zwarten ezel in draf aanrijden. Met een galop sprong hij het eindpunt binnen. Van de anderen was nog niets te zien. Eindelijk verscheen ook Alex; hij was twee keer afgeworpen; hij zei, dat zijn ezel kuren had, en terwijl hij ons daarvan vertelde, nam het dier juist weer een sprong, en buitelde Alex over z'n kop in een bed brandnetels. Ik kon m'n lachen niet houden, hoewel ik het voor Alex jammer vond. Vervolgens verscheen de boerenknecht; zijn ezel lag aan den weg, en had hem enkele oogenblikken geleden afgeworpen.
![[Illustratie]](/illustrations/b0cab319cd4510fd.jpg)
De andere ezels waren geen van alle goed, zij kwamen niet eens tot aan den eikeboom, ze stonden koppig op den weg, en wilden niet voort, waarop Daan den man te kennen gaf, dat we een loopenden, geen stilstaanden ezel moesten hebben. De man was verre van prettig gestemd en raasde van belang. Hij wilde voor z'n vergeefsche reis betaald worden, en ging naar de herberg om vaders thuiskomst af te wachten. Natuurlijk waren we 't allen eens over den winnaar, en juffrouw Rowe was wàt in haar schik. Zij prees haar ezel als een eerste-klas-harddraver en wilde er haar karretje en het tuig bij verkoopen voor een prijsje. Nu kwam het belangrijkste nog: de koopsom. Zij zei, dat ze den ezel en het karretje niet meer noodig had, omdat ze te Lemworth ging wonen, en daarom zou ze 't ons voor een prijsje laten: voor de gansche verzameling vroeg ze 54 gulden. 't Scheen goedkoop, maar ... wij hadden het niet! Daan telde onze kas na; er was slechts 10 gulden en 20 cent in, en daar kwam dan bij grootmoeders 36 gulden. Terwijl we hierover nog aan 't onderhandelen waren, kwamen vader en tante Caroline van 't station.
Hoewel vader zeer vermoeid was, kwam hij ons dadelijk helpen. Hij deed eenige vragen over den ezel, hoe oud hij was, en hoe lang ze hem had gehad, en of ie ook rare kuren had, en hoe snel of ie loopen kon; wij vertelden hem dadelijk van den wedstrijd, en toen wilde vader ook de andere zien.
Te midden van deze nieuwe drukte riep tante Caroline Lena en mij naar binnen, om naar bed te gaan. Toen ze was thuisgekomen, had ze Puf al naar bed gestuurd. We moesten dus van al dat moois scheiden, doch waren er zeker van, dat vader Andy, den ezel van juffrouw Rowe, zou kiezen.
Zoo gebeurde het ook, en Alex kwam ons nog even vertellen, toen we al in bed lagen, dat vader ook het karretje gekocht had; wij moesten hem ons verdiende geld geven, en hij zou de rest er bijvoegen. Juffrouw Rowe had den ezel met toebehooren voor 48 gulden achtergelaten.
Lena en ik waren verschrikkelijk verdrietig, dat we den intocht van ons ezeltje in den stal niet konden bijwonen. Den volgenden morgen had Baldwin hem al in 't grasveld bij de keuken gelaten. Wij gingen naar 'm toe en Lena gaf hem een wortel. Hij kwam dadelijk op ons af, en at 'm op. Maar toen we op z'n rug wilden klimmen, sprong ie weg.
Na het ontbijt gingen vader en tante hem bekijken. Vader vond, dat de jongens best zelf het karretje konden opschilderen.
Na school gingen we allen, verheugd over onzen nieuwen makker, naar den stal, en beproefden het karretje. Het bleek ons alle vijf best te kunnen houden.
Daarna gingen we Andy vangen, zetten Puf op z'n rug, en maakten een plechtigen rondgang over het grasveld. Vervolgens maakte ieder van ons een rijtoer, totdat Andy zóó vermoeid was, dat ie op z'n voorknieën ging liggen, zich tuimelen liet, en in 't gras lag te rollen.
Wij gingen in huis, en Alex fluisterde mij in: "We gaan morgenavond naar 't zigeuner-feestmaal!"
HOOFDSTUK IX.
Het is zoo angstig, als je met heel je hart het goede wilt doen, en je ontdekt dan, dat je toch eigenlijk bezig bent om te doen, wat niet goed is. Alle mooie dingen schijnen dan verkeerd te zijn. Dat feestmaal bij de zigeuners b.v. leek mij toch wel een der heerlijkste zaken, waarvan ik ooit gehoord had. Den volgenden dag na theetijd wandelde ik in den tuin rond en overdacht deze dingen. Ik wist heel wel, dat ons niet zou worden toegestaan, er heen te gaan, en in elk geval ons meisjes niet. Maar wij bleven altoos tot beddegaanstijd in den tuin, en het zou dus niet moeilijk vallen, in 't duister te ontsnappen. Zoo'n wandeling in 't donker en zoo'n feestmaal in 't zigeunerkamp scheen wàt avontuurlijk. En dan de terugtocht bij maanlicht!
En toen begon ik over mijzelf te denken. Als ik een trouwe dienstmaagd wilde wezen, mocht ik natuurlijk niet gaan naar een plaats, waar mijn Meester mij niet wilde hebben en dus moest ik Hem daar eerst over vragen. En nu hoop ik, dat ge het niet verwaand zult vinden, als ik vertel, dat 'k naar het struikgewas bij de kerk ging waar niemand me kon zien. Daar vertelde ik alles aan Jezus, en ik vroeg hem, om mij thuis te houden, als het verkeerd was er heen te gaan. Toen ik opstond, gevoelde ik met groote zekerheid dat ik niet mocht gaan, en ik wist ook, dat ik moest trachten, Lena eraf te houden.
Ik ging haar dus zoeken. En ik was allesbehalve op m'n gemak, toen ik zag, dat de jongens al den weg op slopen. Ik vloog ze achterna en vroeg:
"Gaan jelui?"
"Ja zeker," zei Daan. "Je deedt beter met wat haast te maken, als je meewilt."
"Ik ga niet mee," zei ik. "Waar is Lena?"
"Die probeert even braaf te worden als jij," zei Alex mopperend. De tranen kwamen mij in de oogen.
"O, ik wou, ik wou dat ik mee mocht!" riep ik uit, en liep toen naar huis terug zoo hard als ik kon, want het trof mij, dat ik anders net zou doen als Bileam, die wilde doen, wat God hem had verboden. Maar ik was blij, dat Lena ten minste ook niet meegegaan was.
In huis ging ik haar overal zoeken, maar ze was nergens te vinden. Toen schoot mij te binnen dat ze misschien Andy goedennacht was gaan zeggen. Ik ging dus den tuin weer door en vroeg aan Baldwin en Emma en de keukenmeid, of ze haar ook gezien hadden. Niemand had haar gezien. Terwijl ik nog druk zocht, kwam tante Caroline naar buiten, zei me dat het bedtijd was en vroeg, waar Lena zat. Ik vertelde haar, dat ik overal naar Lena gezocht had, maar ze nergens kon vinden. Tante vond, dat ik dan maar vast naar bed moest gaan, Lena zou dan wel volgen. Ik zei vader, die in z'n studeerkamer was, dus goedennacht, en ging de trap op. Ik gevoelde mij verdrietig, en begon weer te wenschen, dat ik toch nog maar met de jongens was meegegaan. En ik herinnerde mij nu ook, hoe Lena gezegd had, dat ze toch zou meegaan, hoe ze er ook later voor gestraft zou worden.
Ik lag juist in bed, toen tante Caroline boven kwam. "Griet, waar is Lena toch? Emma zegt, dat ze nergens te vinden is, en de jongens, waar zitten die?"
![[Illustratie]](/illustrations/30504becd33c28a5.jpg)
Ik zweeg; het is bij ons niet "in den vorm", te klikken. Dat doen we nooit. Maar tante wou me aan den praat hebben. Zij dreigde, vader te zullen halen, als ik niet antwoordde. Ik zei toen: "Ik weet, waar de jongens zijn, tante, maar ik wil het liever niet zeggen, en ik weet niet, of Lena ook met hen mee is." "Maar je moèt zeggen, waar ze heen zijn, Griet; het is heel leelijk van ze, om zoo weg te snappen." "Ze zullen niets geen verkeerds uithalen, maar het zal wel laat worden, eer ze thuis zijn." "Ik zal dadelijk met vader er over spreken," zei tante; zij wist wel, dat we nooit van elkaar zouden klikken; 't speet mij wel voor haar, want ze zag er zoo bezorgd uit. Na eenigen tijd kwam vader boven, en toen ik hem hoorde komen, stopte ik m'n hoofd goed onder de dekens en deed alsof ik sliep. Maar dat lukte niet best, want hij legde zijn hand op mijn hoofd, en dat is als een kus, en dan gevoel ik, dat ik hem alles kan vertellen. "Wel, kind, is Lena nog niet boven water? Wat zijn jelui toch lastig. Tante is er heelemaal van in de war."
"Het spijt mij vader, maar Lena heeft mij niet gezegd, dat en waar ze heenging, en ik heb haar ook niet zien heengaan."
"Weet je, waar de jongens zijn?"
"Ja, vader."
Hij zweeg even, en zei toen: "Je moet me alles zeggen. Ik kan niet hebben, dat een van m'n kleintjes zoo laat op den avond de deur uit is, zonder dat ik weet, waar ie zit."
Ik vertelde hem nu de geschiedenis, en hij zuchtte. "Het is heel ondeugend van ze, en dat zullen ze weten ook. Daan heeft mij zeer teleurgesteld."
"Och vader," zei ik, zijn hand grijpende, "als u nog een jongen was, dan ben ik er zeker van, dat u het ook zoudt gedaan hebben. Denk u eens in: Zij mogen rond een kampvuur zitten en konijnenvleesch eten, en dan worden er zigeunerliederen bij gezongen. Wat is daar nu voor verkeerds in?"
Vader glimlachte. "Wel Grietje, het zal de jongens geen kwaad doen, maar zigeuners zijn geen goede vriendjes voor mijn volkje, en Daan had beter moeten weten. En dan, Lena is nog een popje!"
Hij ging naar de deur, knikte mij toe, en zei: "Goed kind." Even daarna hoorde ik de huisdeur toeslaan, en ik begreep, dat hij hen ging halen. Ik trachtte wakker te blijven, maar 't lukte mij niet, en gewoonlijk sliep ik in eens door tot het uur van opstaan. Toen ik wakker werd, keek ik allereerst naar Lena's bed, en zag, dat ze er weer was. Toen ze wakker werd, zag ze er nog erg slaperig en hangerig uit. "Toe, vertel me es gauw," zei ik. "Ben je met de jongens meegegaan?"
"Natuurlijk, domme meid. Ik heb je toch gezegd, dat ik het zou doen. Ik ben nog vóór hen weggegaan, in geval je mij hadt willen tegenhouden; op de stoep bij juffrouw Ribbon wachtte ik ze op." Op boosaardigen toon vervolgde Lena: "Daan wou me terugsturen, maar ik zei hem, dat ik niet een van z'n Zondagsschoolkinderen was. Maar hij vond 't niets prettig, en dreigde, mij niet te zullen helpen, als ik achter raakte!"
"Vertel me nu van het feestmaal," drong ik nieuwsgierig aan. "Dat was er niet," zei Lena boos. "We hebben heelemaal tevergeefs geloopen, en mijn voeten gingen zeer doen. Toen wij er kwamen, was alles donker; het gansche kamp was verdwenen, en er was geen mensch meer te zien. Maar aan een boom was een briefje gespijkerd, en daar stond met vreeselijk slechte letters opgeschreven:
"Zigeuner-feestmaal Eerst den haas vangen, dan braden."
![[Illustratie]](/illustrations/79399e24aa2ffe9b.jpg)
Daan vond het een heel knappen zigeuners streek, maar zij waren met dat al heel boos, en ik niet minder."
Wat was ik blij, dat ik niet was meegegaan! Ik had nu niets gemist. Maar die blijdschap was weer niet goed, ik had even blij moeten wezen, als ze een heerlijken maaltijd hadden genoten. "'t Is wat moois," bromde Lena. "Nu krijgen we allemaal straf voor niets. En we hebben niet eens den maaltijd gehad." Bij het ontbijt waren de jongens o zoo kalm. Vader had hun een flinke bestraffing gegeven, en na theetijd mochten ze, evenmin als Lena, in den tuin. Vader straft ons heel weinig, maar wij hebben altijd meer verdriet van zijn boosheid dan van de straf zelf.
Voordat de jongens naar school gingen, zei Daan tegen me: "Ik verwonder me er niet over, dat wel-opgevoede lui zeggen, dat de wereld steeds slechter wordt. Dat heb ik nu weer aan de zigeuners gezien!" Dat was alles, wat hij ooit nog weer over het mislukte zigeuner-feestmaal zei.
![[Illustratie]](/illustrations/30442811c1648428.jpg)
De volgende dagen werden besteed aan het schilderen van het karretje; de jongens vonden helgroen de beste kleur. Vervolgens werd onderhandeld over den aankoop van een zadel voor Andy. Ook hiervoor gingen we weer, ieder op z'n vroegere manier, aan 't verdienen; Daan werd weer vischboer, Alex voor ditmaal ook, Lena ging weer borstplaat verkoopen, en ik gaf Bob Tapson weer wat groenten en bloemen mee voor de markt.
![[Illustratie]](/illustrations/2ac1dd90f04e48c9.jpg)
Te midden van al deze bezigheden kwam ons jaarlijksch schoolfeest, dat hier meest op een der landerijen of in het park van Mevrouw Laura wordt gehouden. Ditmaal ontving Mevrouw Laura de kinderen in haar park; wij marcheerden er, allen met vlaggen gewapend heen, en onderweg voegden zich ook de kinderen van het naaste dorp er bij, zoodat het een groote optocht werd.
Den dag vóór het schoolfeest kwam Daan thuis met een blauw oog en een snede er boven. Hij vertelde me, dat hij aan 't vechten was geweest met den "wilde", dat is die vuile jongen met z'n dikke beenen. Vader ondervroeg Daan terstond, en deze vertelde: "Ik heb hem al te lang gespaard, vader. Hij meende alles maar tegen mij te kunnen zeggen.
Hij zei b.v., dat in de gevangenis haast allemaal domineeszoontjes zitten, omdat hun vaders allen huichelaars zijn. Ik eischte van hem, dat ie z'n woorden zou terugnemen, maar hij keek me brutaal aan en zei: Jou lieve papa mag de lui van den preekstoel de les lezen, maar zijn brave zoon heeft mij niets te vertellen, begrepen? En toen vloog ik op 'm los, hij rende weg, pakte een steen op en slingerde dien naar mij toe. Dat ie me z'n vuist onder de oogen zou geduwd hebben, alla, maar een steen! Wij vlogen allen op 'm aan, en hij vluchtte in een der schoollokalen, maar spoedig hadden we hem daar weer uit; terwijl de jongens hem stevig vast hielden, heb ik hem een flinke aframmeling gegeven. Het was goed, dat ik het deed, en niet een van de andere jongens, want ik weet, wanneer ik moet ophouden; als de jonge Gray hem te pakken had gekregen, wel ik geloof, dat ie 'm half dood had geslagen."
![[Illustratie]](/illustrations/3350bf6c6f6036d2.jpg)
"Ja," voegde Alex er bij. "En toen ging ie huilend naar meester, maar die zei 'm, dat ie gekregen had, wat ie verdiende."
Vader zei niet veel. Hij verstaat jongens zoo goed. Net voor we naar bed gingen, kwam Daan naar me toe, en zei: "Hoor es, Griet, ik wil je de kleine Zondagsschoolklas overdoen. Ik kan het niet meer doen. Ik kan die kinderen niet verbieden te vechten, als ik het zelf doe. Gisteren heb ik in 't dorp nog twee vechtende jongens gescheiden. Het was eigenlijk verkeerd zoo op te treden, maar ik dacht aan het gaan, dat ons geleerd is. En dan dat geval met Lena. Neen, ik kan die klas niet meer houden."
"Goed," zei ik, "maar ik vrees, dat ik 't niet veel beter zal maken. Mag je nooit iets verkeerds doen, als je aan de Zondagsschool bent?"
"Ik wil geen huichelaar wezen," zei Daan en ging weer weg. Toen vader te hooren kwam, dat de klas aan mij was overgedaan, riep vader Daan bij zich. "M'n jongen, weet je wel, waarin je verkeerd hebt gedaan? Je hebt het paard achter den wagen gespannen; je begon al te gaan nog vóór je was gekomen."
Daan kleurde, en zweeg even. Toen: "Hoe bedoelt u dat, vader?"
"Je gelijkt op een burger, die met de soldaten mee wil om te strijden en zichzelf als soldaat beschouwt, maar hij heeft zich nooit geoefend en kan niet eens de wapenen der soldaten hanteeren en hun gewoonten volgen."
Daan zei niets meer; ik zag, dat hij ernstig nadacht. Ik deed evenzoo, en ik meen vaders bedoeling te begrijpen. Hij heeft ons wel meer gezegd, dat, hoewel hij ons in den doop aan God heeft gewijd, om Zijn dienstknechten te worden, de tijd komt, dat we dat ook zelf moeten doen. En daarmee moeten we niet wachten, tot we onze belijdenis doen. Heb ik nu mijzelve aan den Heer gewijd, dan zal Hij me ondersteunen in alles, wat ik noodig heb.
Het lachte Daan niet bijzonder toe, om met z'n blauwe oog aan het schoolfeest deel te nemen. Vader zei, dat hij daar blij om moest wezen, want als hij thuis bleef, mocht hij met den ezel naar Relton rijden. Dat is vijf mijlen van hier, vader had er een boodschap voor een boer. Dat leek Daan en om dat te bewijzen, deed hij een sprong in de lucht.
Zaterdagmiddag te twee uur gingen we allen, behalve Daan, naar 't schoolfeest; zelfs Puf was van de partij. Toen we aan 't Huis kwamen, stonden Clara en Betty op 't bordes, en toonden zich zeer verheugd, toen ze ons opmerkten tusschen de lange rijen schoolkinderen. Betty was nu aardig beter, en kon met behulp van krukken goed vorderen. Wij bleven even met ze praten, terwijl de andere kinderen verder trokken.
In het park werden allerlei spelletjes en wedstrijden gehouden, waarna we op thee werden onthaald, waarbij heerlijk geboterde koeken werden opgediend. Tante had mij opgedragen, goed op Puf te letten, want die is nog al gemakkelijk van innemen.
Intusschen hadden we met Clara en Betty een afspraakje gemaakt, dat ze met hun ponyrijtuigje bij ons zouden komen. Wij zouden dan onze équipage ook voor den dag brengen en er zou weer een wedstrijd worden gehouden. Ik denk, dat Andy wel even vlug zal loopen, als hun pony.
Terwijl we zoo aan 't praten waren, kwam Mevrouw Rogers op me toe; zij nam me even mee, om haar man te groeten, die onder een boom zat met verscheidene heeren en dames. Wij hadden 't zóó druk gehad, dat Lena geheel vergeten had, haar brief aan den Kapitein te schrijven, en deze vroeg dus, of wij al een ezel hadden gekregen. "Wij hoorden al, dat de ouwe Nell niet best heeft voldaan," zei hij; "dat verwondert me niet."
Ik vertelde hem van de proefritten, van het schilderen van ons karretje, en van onzen arbeid om nog een zadel te verdienen. Toen hij hoorde, dat de jongens uit visschen gingen, vroeg hij, of ze elken morgen versche visch voor z'n ontbijt konden brengen. Ik haalde Alex en zei hem, dat ik een goeden afnemer voor hem gevonden had. Toen hij vernam, wie, kwam hij dadelijk, en was spoedig druk aan 't praten met den Kapitein.
Deze vertelde hem, dat hij vroeger een renpaard hield, maar nu in een mandewagentje moest voortsukkelen.
![[Illustratie]](/illustrations/35624c2abd3d0c3d.jpg)
"Daar kunt u ook in meedoen," vond Alex.
"Ja," voegde ik er aan toe, "de volgende week hebben we een wedstrijd. Betty en Clara komen met hun rijtuigje, en als u nu met uw wagentje kwam, dan hebben we al drie deelnemers.
"Het lijkt me wel," zei de Kapitein, "maar jelui hebt toch zoo'n breeden weg niet."
"Neen," zei ik, "maar ik dacht om het te doen op een groot veld, en dan in de rondte, net als de Romeinen in een ampi... hoe heet zoo'n ding ook?"
"Heb je lauwerkransen?"
"Jawel," zei ik opgewonden, "we hebben wel laurierbladeren in den tuin, en daar zullen we wel kransen van maken."
"Och Karel, wat praat je toch een nonsens," zei Mevrouw Rogers lachend, maar haar oogen stonden droevig. Ik trok een lip, bang, dat er nu weer niets van komen zou, en ik vroeg Mevrouw nog eens, ons vooral te helpen. Zij antwoordde: "De dokter verbiedt mijn man, te loopen, lieve, hij mag geen opwinding hebben."
"Dat is nòg niet erg," zei de Kapitein vroolijk, "dan zal ik de keizer wezen, en de lauwerkransen uitreiken."
"We zouden ook een schildpadden-wedstrijd kunnen houden," vond Alex; "dat zou voor u nog wel te doen zijn, meneer."
"'t Is het beste, dat jelui maar allemaal hier naar de boerderij komen. Boer Donnyball heeft al gehooid, en dus ligt er een groot stuk land beschikbaar."
"Dat zou heerlijk zijn," zei ik. "Als u een dag zoudt willen vaststellen, dan zal ik er met Betty en Clara over spreken. Zaterdag is voor ons de beste dag, dan hebben we vacantie."
"Goed, aanstaanden Zaterdag dan, precies om twee uur."
"Maar de zangoefening dan?" fluisterde Alex me in. "Die missen we telkens. Ik wou, dat tante die maar op een anderen dag zette, 't is onze eenige vacantiedag."
Alex' opmerking deed me aarzelen. Vader had ons al eens gezegd, dat we tegenwoordig aan niets anders dan aan pleizier schenen te denken. Maar ik wou toch ook niet graag den wedstrijd afbestellen. Kapitein Rogers, onze aarzeling bemerkende, vroeg: "Wanneer begint jelui zomervacantie?"
"Den laatsten van deze maand," antwoordde ik, "tenminste voor de jongens. Ik denk, dat tante Lena en mij nog wat na-lessen zal geven, omdat wij met het verhuizen nog al achterop zijn gekomen."
"Wel, laten we den wedstrijd dan verdagen tot 1 Augustus," stelde de Kapitein voor; "dat valt op een Donderdag." "Best, dat zullen we doen!"
Ik ging gauw naar Betty en Clara, die het plan heerlijk vonden. Thuisgekomen, vertelden we het plan aan Daan, die het ook best vond. Lena en ik maakten vervolgens plannen, om ons karretje met bloemen te versieren. En zoo zagen we allen met verlangen den eersten Augustus tegemoet.
HOOFDSTUK X.
Ik zag er erg tegen op, om Daan's Zondagsschoolklas te gaan onderwijzen, maar tante ried mij aan, om den Bijbel te nemen. Ik las de geschiedenis van Samuel over, totdat ik ze van buiten kende, en den volgenden morgen ging ik met tante naar het lokaal, mij gelukkig voelende in het besef, dat het nu eindelijk aan gaan was toegekomen.
![[Illustratie]](/illustrations/ae0c6d9bb34f67bc.jpg)
Mijn klas bestond uit 4 jongens en 3 meisjes, geen ouder dan 6 jaar. Zij riekten erg naar zeep en pomade, en hun gezichten glommen van 't wasschen. Een van de jongens, Freddy Salt, kon of wou niet stilzitten, en de drie meisjes hadden daar zooveel belangstelling voor, dat zij niet eens naar mij luisterden. Eerst probeerde Freddy een vlieg te vangen, en toen ie 'm had, werd het diertje van hand tot hand doorgegeven. D'r was geen orde in te krijgen, en ik zei eindelijk boos tegen 'm: "Freddy, als je niet stil kunt zitten, zal ik je als een popje op mijn schoot nemen."
Hij staarde me angstig aan, eindigde met z'n vliegenjacht, en bleef verder rustig zitten. Ik vertelde de geschiedenis van Samuel en merkte op, dat God van ons allen gehoorzame dienstknechten wil maken. Eensklaps zei een jongen, Bertie geheeten: "Ik hoor God nooit roepen, als ik in bed lig." "Neen," antwoordde ik, "maar als je iets verkeerds van plan bent, dan spreekt Hij in je hart, dat je 't niet doen moogt." Ze schenen dit te begrijpen, en toen zei er een: "God kan ons niet iets zeggen, Hij is veel te ver weg." Ik vertelde hun toen, hoe dichtbij Hij was, en hoe lief Hij ons heeft, zoodat we, niet uit vrees voor straf, maar alleen om Hem te believen, ons best moeten doen. Maar ik weet niet, of ze 't begrepen; voor hen was de eenige reden, om gehoorzaam te zijn, gelegen in de vrees voor straf. Hoofdschuddend zei een der meisjes: "Ik heb Jezus altijd lief. Als ik zoet ben evengoed als wanneer ik stout ben."
"Je kunt Hem niet liefhebben, als je verkeerd doet," antwoordde ik. "Je doet Jezus verdriet aan, als je ongehoorzaam bent." Ze herhaalde: "Dan heb ik Hem evengoed lief." Ik gevoelde, dat ik het haar niet goed duidelijk had gemaakt.
Toen de les ten einde was, ging ik vermoeid en ook dankbaar, dat ik er doorheen was gekomen, naar huis. Na kerktijd vertelde ik vader een en ander, en zei hem, dat het verbazend moeilijk was, om kleine kinderen te leeren. Hij vroeg mij, wat we besproken hadden, en toen ik het hem verteld had, zei hij: "Denk eens aan de gelijkenis, Griet; het uitgezaaide zaad komt na vele dagen op. Vertel den kleintjes van hun Verlosser, Die voor hen stierf en Die nu zoo dicht nabij hen leeft, dat Hij ze elk uur van den dag zal helpen. Als je hart vol is van Hem, kind, zal het je gemakkelijk vallen, anderen van Hem te vertellen."
"Maar," zei ik, "mijn hart is zoo vol van allerlei andere dingen, en ik weet niet, wat ik er aan doen moet."
"Heb je den Heere lief?"
"O, ik hoop van wel, en ik geloof ook van wel, maar ik doe zoo vaak, wat verkeerd is."
"Zie niet altoos op jezelf, maar zie op Hem!"
Meer zei vader niet. Met de jongens had ik toen nog een gesprek over het trouw blijven ... in het ezelkarretje. 't Was gisteravond, toen we na de thee een ritje gingen maken. Daan stuurde en Puf zat naast hem op het voorbankje; Lena, Alex en ik waren achterin gekropen. 't Was een heerlijke tocht; overal keken de lui ons na om de nieuwe équipage van den dominee te zien. Zoodra we buiten de huizen waren, begon het gesprek, eerst over Andy.
"Ik zou wel es willen weten, of ie ons nu al kent," zei Lena. "Hij zou wel een ezel moeten zijn, als ie dat nu nog niet wist," vond Alex en wij lachten dat we schaterden!
"'t Is een ezel," zei ik, "dat is 't 'm juist, als 't een hond was, zou ie wel slimmer wezen."
"Ja maar alle honden zijn niet slim," zei Daan.
"Maar ze zijn trouw," merkte ik op. "Je hoort altijd van trouwe honden, nooit van trouwe ezels."
"Wat beteekent dat eigenlijk, trouw?" vroeg Lena.
"Ik denk," antwoordde ik, "dat trouw beteekent: altoos dezelfde zijn en nimmer veranderen. Houdt je eenmaal van iemand, dan ook voorgoed."
"Een trouw ridder," zei Daan, "is iemand, die nooit z'n vrouw in den steek laat, zij is altijd zeker van hem."
"En wat is dan een trouwe dienstknecht?" vroeg Lena. "Iemand, die nooit z'n werk in den steek laat," antwoordde Daan.
"Ik geloof niet, dat je trouw kunt zijn zonder lief te hebben," merkte ik op.
"Juist, dat is de zaak," zei Alex. "Als een hond z'n baas niet liefheeft, kan hij ook niet trouw zijn. Evenmin kan een dienstbode trouw zijn, als ze niet van haar meesteres houdt. Dat moet altoos samengaan."
"Semper fidelis," fluisterde ik.
"Doe nou niet, alsof je Latijn kent, Griet; je hebt dat gelezen op de graftombe in de kerk."
"Ja, dat is ook zoo. Maar wat is het ook moeilijk, om zóó trouw te zijn, en altoos zóó lief te hebben, als die ridder."
"Och," zei Daan, "ik geloof, dat als je werkelijk iemand lief hebt, dan doe je dat zonder erbij te denken, net als een hond."
Hier brak Puf eensklaps de debatten af, door met uitgelatenheid af te kondigen, dat ie een heerlijken verjaardag tegemoet zag, en dan een completen ezel zou krijgen. Want — zei hij — van dezen heb ik maar een stukje. Waaraan Daan toevoegde:
"Hij heeft er een vijfde van. Maar vertel ons es, Puf Dikkert, wie zal je d'r een geven?"
"De Heer," zei Puf, terwijl hij hoogst ernstig keek. "Het zal geheel m'n eigen ezel zijn en ik zal 'm zóó voeden, dat ie dikker wordt dan ons huis." Op dit oogenblik reden we een oude vrouw voorbij, die een bos takken op haar rug meevoerde.
![[Illustratie]](/illustrations/fa6ff71bd0509635.jpg)
"Hé!" riep Daan, "moet je nog ver? Willen wij je vrachtje overnemen?"
Zij wou dat wàt graag, en overlaadde ons met dankbetuigingen. Ze zei, dat haar hut nog een heel eind verder stond; zij had hout gesprokkeld. Daan beloofde haar, dat we den bos bij haar voor de deur zouden neerleggen, en toen reden we door.
"Toen ik dien dag, dat jelui naar het schoolfeest waren, naar Relton reed," vertelde Daan, "bood ik iedereen, dien ik voorbijreed, een plaatsje in de kar aan, en zoo had ik twee oude vrouwen en een jongen aan boord, toen ik in 't dorp kwam."
"Dat zullen we nu weer zoo doen," riep Alex geestdriftig uit.
"Ja maar, we hebben geen plaats meer," merkte ik op. "We zitten hier als haring in een ton."
"Dan moeten jelui d'r maar uitgaan, en loopen," vond Daan. "Hè, als we es een rijtuig tegenkwamen, dat niet meer voort kon, of een verongelukte auto met een dame er in, die de handen wrong om redding, dàt zou nog es "in den vorm" zijn."
Maar zulke ontmoetingen hadden we niet, en we kwamen zonder eenig avontuur thuis. Daar ging ik over denken. Het was heel leuk, om uit rijden te gaan in een ezelkarretje, maar daar deed je toch nog maar weinig goeds mee. Toen we langs den mijlpaal reden, waaraan we onze advertenties geplakt hadden, zei ik: "Hoor es! Als onze vacantie begint, moeten we om beurten den ezel sturen. Ik kan dat evengoed als jij, Daan. Ik zou zeggen, minstens één keer per week moest ik 'm hebben."
"Wel," zei Daan, "d'r zijn zes dagen in een week, den Zondag erbuiten gerekend. Als wij nu ieder een dag nemen, blijven er nog twee voor vader en tante en Puf." Dat was heel aardig berekend van Daan. En Alex voegde erbij: "En dan zullen we de beurten naar ouderdom regelen. Daan op Maandag, ik op Dinsdag, Griet op Woensdag en Lena op Donderdag."
Het plan werd algemeen toegejuicht.
Inmiddels had ik een plannetje bedacht, dat de jongens niet weten mogen. Het is dit. Ik heb een briefje geschreven, en dat wil ik aan den mijlpaal plakken; er staat op:
"Iedereen, die zelf of voor anderen vrij vervoer wenscht, vervoege zich bij Grietje Marjoribanks, elken Woensdagmorgen aan de pastorie."
Aan Lena vertelde ik het dien avond nog. "Je lijkt wel koetsier te willen worden," zei ze, "ik heb liever zelf het genot er van."
"Neen," zei ik, "vader zegt, dat z'n tijd en z'n kracht altoos ter beschikking van de gemeenteleden staan. En dat moet Andy nu ook. Hij moet een echte gemeente-ezel worden, en dan zal ik 'm zelf besturen."
"Ik zal er eens over denken, wat ik met 'm doen zal," zei Lena. Daar heb ik geen al te beste verwachtingen van.
Het scheen wel of de vacantie nooit komen zou. En toen ze eindelijk aanbrak, had Daan al menige oefening met Andy achter den rug; 't ezeltje was voor 1 Augustus al goed gewend, den weg langs te rennen. Men vond, dat het dier bovendien nog op diëet moest, om z'n gewicht te verminderen. Nu is 't waar, Andy wordt erg dik, want hij eet den ganschen lieven dag maar gras, behalve dan, als ie met ons uit moet.
Maar wat moesten we hem geven? Haver kost veel geld. Lena vond bouillon heel geschikt, maar bouillon is ook duur, en zoo is ten slotte alles, wat versterkt. Andy loopt uitstekend en heeft geen kuren, behalve deze, dat ie zoo nu en dan plotseling stilstaat, om dan na een of twee minuten weer door te draven. Ik heb gezegd, dat hij dat doet, om even uit te rusten en op krachten te komen. Daan meent, dat ie dan even staat te denken. En Alex denkt, dat ie dat doet, om ons te toonen, dat ie een eigen wil heeft, en dien op z'n tijd wenscht te gebruiken.
Intusschen waren Lena en ik druk bezig met het vlechten van laurierkransen en het bijeenzoeken van bloemen om ons karretje te versieren.
Den dag voor 1 Augustus waren we van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer; wij hadden rosetten van fel-roode geraniums gemaakt, om die aan Andy's oogkleppen te hechten; dan hadden we varenkruid en madeliefjes langs de buitenzijde van het karretje gehangen en verder nog slingers van madeliefjes om den disselboom gestrengeld. Baldwin wilde niet toestaan, dat we de mooiste bloemen plukten, maar we hebben toch, toen hij even weg was, eenige fijne bloempjes om de zweep weten te vlechten. Ik heb al zoo vaak mee helpen versieren in de kerk, dat ik de goede soorten wel wist te kiezen, tot groote tevredenheid dan ook van de jongens, die op dit gebied toch maar weinig te vertellen hebben.
![[Illustratie]](/illustrations/caa49d1c73c76e26.jpg)
Om half één zaten we al aan ons middageten. We kleedden ons allen op z'n Zondagsch, en wisten Baldwin nog enkele mooie rozen af te bedelen, die we om onze hoeden vlochten. Toen we uitreden, liep het halve dorp uit, om ons bloemenrijtuig te zien; ze vonden het allemaal even prachtig. Ik hoorde nog, dat een vrouw tegen haar buurvrouw zei: "Wat beleven we toch wondere tijden, mensch! Wie had dat nou ooit kunnen denken, hè? Altijd bedenken ze maar weer wat nieuws."
Met groot gejuich reden we het dorp door, en toen het veld in, een prachtig ruim en effen veld, terzijde waarvan onder een boom Kapitein Rogers in z'n mandewagentje al zat te wachten. Toen hij en zijn vrouw ons zagen naderen, herkenden ze ons nauwelijks, zóó was ons karretje veranderd door de bloemen.
Na vijf minuten kwamen ook Betty en Clara aangereden, en toen zaten we al voor de eerste moeilijkheid. Zij dachten er niet aan, Alex als koetsier bij zich te nemen, wilden bepaald zelf sturen. Alex was er leelijk door in z'n wiek geschoten; gelukkig had kapitein Rogers een goeden inval. Hij rees moeilijk uit z'n wagentje op, en liet zich met behulp van Mevr. Rogers in z'n badstoel neer; toen zei hij tegen Alex, dat hij op de boerderij den pony mocht gaan halen, dien voor het wagentje spannen, en dan daarmee deelnemen aan den wedstrijd. Wij juichten van blijdschap, want nu hadden we drie mededingers. Er werd nu afgesproken, dat Daan en ik in ons karretje zouden plaats nemen, Alex en Lena in het mandewagentje van den kapitein — er was net genoeg plaats voor twee — en Puf wezen we een plaats aan als controleur bij het eindpunt. Dat beviel 'm slecht; hij begon hard te huilen, en jammerde, dat hij het ezeltje had gekregen, en dat hij er mee wilde rijden. Daan zeide hem, dat hij de gansche onderneming in de war bracht, maar Puf bleef te keer gaan, en we konden zoo niet beginnen. Ik stelde hem ten slotte voor, met Daan te gaan, inplaats van mij, want het was toch ook wel hard, hem alleen te laten staan. En Daan was dat voorstel al heel welkom, want hij had liever het lichte gewicht van Puf, dan mijn gewichtigheid. Mevr. Rogers vroeg mij nog, of ik het niet akelig vond, maar ik zei haar van niet, want ik kreeg nu de gelegenheid, de drie mededingers bij den eindpaal te zien aankomen.
![[Illustratie]](/illustrations/99cbb5f38888f521.jpg)
"Ik ben niet zoo kinderachtig, om te gaan huilen, als ik niet mee mag rijden," zei ik, terwijl ik Pufs tranen van z'n bolle wangen veegde. Hij was spoedig weer in z'n hum en klom zoo vlug als ie kon, in ons karretje. Betty vond ons wagentje heel lief. Zuchtend zei ze: "Ik wou, dat Clara en ik ook zulke aardige ideetjes hadden. Maar als jelui d'r niet bij zijn, voelen we ons lang niet zoo pleizierig."
Ik keek naar haar keurig rijtuigje met de blauwe kussens, naar het nikkelen beslag van het paardetuig, naar den prachtigen pony, en schudde het hoofd. "Jawel," zei ik, "maar wij moeten onze armoede achter bloemen verbergen, en dat behoeven jelui niet." Ze lachten luid en vonden ook, dat dàt het wel zou wezen.
Kapitein Rogers had den weg bepaald; een boerenknecht had hij hier en daar steenen laten opstellen, en toen onze kibbelpartij was beëindigd, stelde hij ons op een rij naast elkaar op. Hij had ook een echt pistool bij zich, om het vertreksein te geven. 't Was eenig!
Tweemaal moest het veld worden rondgereden, en toen ik bij het eindpunt gereed stond, leek het mij nog wel zoo aardig buiten dan in de wagentjes. Eerst scheen het, of Betty en Clara 't zouden winnen, maar langzamerhand begon Daan ze in te halen, en toen Andy ze achter zich liet, gaf ik een schreeuw van vreugde. In de tweede rondte begon de pony met het mandewagentje, die eerst een heel eind achter was geweest, steeds harder te rennen, en haalde eindelijk Daan in. Maar Daan begon Andy zóó onbarmhartig te slaan, dat zij een tijdlang gelijkop reden.
![[Illustratie]](/illustrations/0c5cad7aa755537f.jpg)
Zelfs haalde hij den pony weer in, en ik dacht werkelijk, dat hij 't nog zou winnen, toen Andy, dicht bij het eindpunt plotseling stilhield, en zóó hardnekkig, dat er geen beweging meer in te krijgen was.
Daan schreeuwde en sloeg er op los, maar Andy bleef staan, koppig en tot geen toegeven geneigd. 't Was verschrikkelijk, ik schreide haast. Al spoedig kwamen Alex en Lena aanrijden, en precies gelijk met Clara en Betty reden ze het eindpunt binnen. Zij wonnen dus beiden, en niet zoodra hoorde Andy hen hoerah! roepen, of hij zette eensklaps weer aan, en draafde naar het eindpunt, maar natuurlijk te laat nu.
Wat waren we boos op 'm! Behalve natuurlijk Alex en Lena, die 't nu gewonnen hadden; zij schenen wel heelemaal te vergeten, dat het ook hun ezel was, die verloren had. Mevr. Rogers wist niet, wie ze nu den lauwerkrans moest geven, en dus stelde de kapitein voor, dat de twee pony's nog eens tegen elkaar moesten draven; ditmaal echter maar een kleineren afstand. De pony van de boerderij won het nu gemakkelijk. En zoo kreeg Lena den lauwerkrans. Ze was er zóó verheerlijkt mee, dat ze haar hoed afwierp en den krans op haar hoofd zette.
Na afloop van den wedstrijd zochten we allen een rustig plekje aan de rivier, en bepraatten daar nog eens druk de gebeurtenissen van den heerlijken middag. Er werd een vuurtje gemaakt, en thee gezet, en rondom 't vuurtje gezeten, konden we ons heel wel verbeelden, in een zigeunerkamp te zijn aangeland.
Vervolgens werden allerlei spelletjes gedaan, vooral ook die, waarbij we konden blijven zitten, omdat Betty nog niet vlug loopen kon. 't Speet ons, toen we naar huis moesten. Naast elkaar reden wij, te weten Clara en Betty in haar, en wij allen in ons wagentje, naar huis.
Eigenlijk waren we allemaal ook nog 'n klein beetje uit ons humeur; Clara en Betty, omdat ze 't niet gewonnen hadden; Daan en ik, omdat Andy ons door z'n malle kuren had doen verliezen. Kapitein Rogers zei, dat je zooiets nu eenmaal van een ezel moet verwachten, daar zijn 't ezels voor.
HOOFDSTUK XI.
We zijn deze week begonnen met het op beurten rijden met Andy. Afgesproken is, dat we, als het onze beurt is, niet bepaald alleen behoeven te gaan, we mogen ook wel anderen meenemen; maar wiens beurt het is, die stuurt, daar gaat niets van af.
Maandagmorgen vóór 't ontbijt nog bevestigde ik mijn briefje aan den mijlpaal. De jongens wisten er niets van, en bemerkten het pas 's middags, toen er enkele menschen naar stonden te kijken; ze kwamen naar huis en vroegen mij lachend: "Wou je de menschen op je rug dragen, Griet? Dat lijkt wel zoo, want er staat op dat briefje niets van Andy."
"Dat is mijn zaak," gaf ik ze terug, "als ze d'r verstand gebruiken, zullen ze dat wel snappen." Het hinderde mij, dat ze me alweer uitlachten, want ik was zoo echt in m'n schik met het plan van personenvervoer per open équipage. Ook vader had mijn briefje gelezen, en zei tot me: "Dat vind ik best, Grietje, je lijkt in dat opzicht op je moeder. Ik ben er blij om, dat je er iets voor voelt, om je genoegens te deelen met hen, die minder gelukkig zijn dan jij."
Daan bleef den heelen dag met Alex weg; zij hadden hun boterhammen meegenomen, en kwamen laat thuis. Alex scheen zich bij dien rijtoer door de omliggende dorpen zóó ingespannen te hebben, dat hij den volgenden dag niet in staat was, zelf goed te sturen. Maar 's middags knapte hij op en reed met Lena weg; ik merkte, dat zij wat in 't schild voerden. Voor den armen Andy was 't een zware dag. Er stond veel wind, en Alex nam twee groote vliegers mee, die Daan en hij den vorigen winter gemaakt hadden.
![[Illustratie]](/illustrations/255b57c15a8d3a74.jpg)
Hij en Lena lieten de touwen geheel vieren en bonden de uiteinden elk aan een kant van 't karretje. Zij reden het dorp uit, en trokken de vliegers mee, die door den flinken gang mooi hoog stonden. Zoodra ze echter een hoek omreden, rukten de vliegers een anderen kant op, dan Andy trok. Lena vertelde mij later, dat ze gehoopt had, dat de vliegers hen hadden voortgetrokken. Andy deed z'n best ze mee te trekken, maar spoedig gaf hij het op, en bleef ineens koppig staan. Een half uur lang trachtten ze hem vooruit te krijgen; Alex liet hem keeren, en sleurde hem een eindje mee. Toen brak een vliegertouw en een vlieger verdween als de wind; de ander kwam in een boom terecht en bleef daar vast zitten; Alex klom in den boom, en kreeg hem zoo terug. Vrij tijdig kwamen ze weer thuis. Daan vroeg Alex belangstellend, waarom of ie zoo dom gedaan had. Hij had gedacht, dat Alex de vliegers had willen gebruiken als zeilen op het karretje, dan hadden ze dubbel zoo snel gereden. Maar Alex was boos op Andy en mopperde: "Ik vind 'm niet half zoo aardig meer als eerst."
"Och kom," zei ik tot hem, "je moet er eerst eens gewoon mee gaan rijden. Jij en Daan hebben zoo graag een ezel willen hebben, om je naar school te brengen, maar daarvoor heb je hem nog niet één keer gebruikt."
Alex keek zuur en zei: "Weet je waarom niet? Dat is het begin van Daan's ruzie met Sausaye geweest. Toen Sausaye hoorde, dat wij een ezel hadden, ging hij staan dansen en zong een spotliedje op vader. Daan liep dadelijk op hem toe; hij hield niet op en kreeg toen een opstopper van Daan. En als Daan 't niet had gedurfd, had ik het wel even opgeknapt."
Ik keek hem aan en zei: "Was het wel goed om zoo te doen? Sausaye mag z'n spotlust botvieren, maar de kinderen van iemand als vader moesten dat niet zóó beantwoorden."
"Sta toch niet zoo mal te preeken," zei Alex, en toen ik nog wat zeggen wou, stopte hij z'n vingers in z'n ooren en rende weg. Nu begrijp ik, waarom de jongens niet met Andy naar school willen rijden: ze zijn bang, dat ze uitgelachen zullen worden. Ik denk, dat jongens daar banger voor zijn dan meisjes.
De dag van Lena's beurt eindigde niet best. Pas na den middag reed ze uit, want we hadden tante Caroline geholpen met pruimen plukken voor jam. Zij wil altoos de jam zelf maken. Wij wilden haar allen eerst helpen, maar werden vrij moe; Lena werd stekelig, omdat zij niet vóór 't middageten met Andy kon wegrijden. "Ik zal zien, dat ik Puf mee krijg; ik heb het 'm ook beloofd."
"Zal ik ook meegaan?" vroeg ik.
"Neen, dank je, jij speelt toch maar den baas over mij. Hè, laten we die akelige jam toch laten zitten, waarom doet de meid het niet? Vader heeft tante geroepen, die zal dus zoo gauw wel niet terug zijn."
"Je behoeft niet te wachten," zei ik; "ik zal tante wel helpen; de meid moet de provisiekasten schoonmaken."
"Maar 't is veel te laat, om Andy nu nog te halen, 't is wat moois!"
Zij vloog de keuken uit; toen tante terugkwam, was het juist etenstijd.
"Ik hoop, dat er nu maar niet meer jam behoeft gemaakt te worden," zei ik. "Ik heb er zoo 'n hekel aan, en het is hier zoo heet."
"Het is heel goed voor kinderen, om te doen, wat ze niet graag doen," zei tante ernstig. "Het leven is je niet alleen gegeven, Grietje, om het voor jezelf te hebben."
Ik voelde mij beschaamd, ook omdat wij een groote vacantie hebben, en Lena en ik juist deze eerste twee weken niets aan de lessen doen. Maar tante ging voort: "Ik vind het ook zoo pleizierig niet, Griet, om in een heete keuken jam te maken, maar ik doe het, omdat het gedaan moet worden."
Ik antwoordde: "Ik dacht, dat volwassen menschen alles prettig vonden. Als zij niet willen, dan doen ze 't niet, niemand, die hen beveelt."
"Het plichtsgevoel beveelt hen," zei tante. "Als je grooter wordt, zul je soms bemerken, dat je gansche leven bestaat uit dingen, waarvan je niet houdt, en die toch gedaan moeten worden."
Dat was wat nieuws voor me. Ik dacht altijd, dat volwassen menschen alleen doen, wat ze prettig vinden. Misschien vindt tante Caroline 't ook wel niet prettig, om altijd op ons te passen; wellicht zou ze veel liever thuis zijn. Ik geloof, dat ik goed zou doen, haar beter te helpen. Ik loop altoos weg, om te spelen, als zij wat van mij verlangt. Ik denk, dat het bij het doen behoort, om haar beter te gaan helpen, en ik zal het ernstig gaan beproeven.
Den ganschen middag speelde ik cricket met de jongens. Zoowat 4 uur verscheen Lena, met loshangend haar en angstige blikken. Zij riep Daan toe: "Kom gauw, Andy is gewoon woest en ik vrees, dat Puf verdrinken zal."
![[Illustratie]](/illustrations/711eb38367ec989a.jpg)
Wij vlogen allemaal met haar mee, terwijl zij, geheel buiten adem, haar wedervaren vertelde.
Hortend en stootend kwam het er uit: "Ik wou met hem de sloot doorrijden, juist bij de doorwaadbare plaats. Ik stuurde hem het water in, maar toen, in plaats van recht door te stappen begon hij rond te draaien, zoodat de kar ten slotte tegen een steen terecht kwam. Toen was er geen beweging meer in te krijgen; uren lang heb ik er mee getobd, en eindelijk ben ik uit de kar geklommen en ben door het water gewaad. Ik trok mijn kousen en schoenen uit en beval Puf, stil te blijven zitten, totdat ik terug kwam, en nu moeten we gauw doorloopen en zien, hem eruit te krijgen."
Verschrikt riep ik uit: "Heb je Puf midden in de sloot laten staan?" En Daan vroeg: "Waarom heb je niet dadelijk den eersten den besten man, dien je tegenkwam, om hulp gevraagd?" "Ik kwam niemand tegen," zei Lena, "en bovendien was ik veel te bang, dat ze 't aan vader zouden zeggen, daarom ben ik dadelijk hierheen gekomen."
![[Illustratie]](/illustrations/a03a4d8c2ae977aa.jpg)
Gelukkig was het niet ver weg, maar hoe Lena op 't idee was gekomen, om de sloot door te gaan, daar begreep ik niets van. Ik zou het nooit gewaagd hebben; had Daan nog pas niet verteld van een man, die daar met z'n wagen verdronken was? Toen wij bij de rivier kwamen, was er geen spoor van Puf meer te zien. Lena ging vreeselijk te keer en jammerde: "Ze zijn allebei verdronken, en ik zal vermoord worden, omdat het mijn schuld was!"
Wij gingen een beetje verderop een brug over; Daan begon te gelooven, dat Andy weer was doorgeloopen en hier of daar heen gedraafd. Alex en hij gingen toen plat op den grond liggen, net als detectives of Indianen, om eenig spoor te ontdekken. "De wielen waren natuurlijk nat, en moeten dus in het gras een spoor hebben gemaakt," zei Alex en keek er heel geleerd bij. "Kijk, hier bij m'n hand is een heel nat spoor!"
"Ja, en de grassprietjes zijn plat gereden," voegde Daan eraan toe; "nu moeten we dat spoor volgen. Hadden we maar een bloedhond!"
Lena fleurde wat op. Wij volgden het spoor, maar het grasveld was niet lang, en we waren spoedig bij een weg aangeland. We begonnen nu een soort springpas te maken, dat is een manier van loopen, waarbij je nooit moe wordt, omdat het je nooit buiten adem brengt. Maar wij zagen, hoe nauwkeurig we ook tuurden, geen wielsporen. We kwamen nu aan een hoogen weg, en wisten niet, wat nu te doen, verder of terug. Maar daar stond een huisje vlak bij; fluks daarheen gerend, vroegen we aan de vrouw, of ze ook een ezelkarretje gezien had met een jongetje erin. Zij opende haar huisdeur, en daar zagen we Puf aan tafel zitten, kalm aan 't oppeuzelen van een appel! Wat waren wij blij! Andy had een plekje op haar grasveld gekregen. Zij vertelde ons, dat zij het karretje had zien aankomen, en dat Puf zoo hard als ie kon had geschreeuwd: Ho! Ho! Zij was naar buiten gevlogen, had de zaak tot staan gebracht, Andy vastgebonden, en Puf, die huilde van angst, in huis gehaald en tot bedaren gebracht. Natuurlijk was Andy, zoodra Lena verdwenen was, er vandoor gegaan; het was maar een geluk, dat Puf stil was blijven zitten.
Wij bedankten de vrouw vriendelijk, haalden Andy uit het grasveld en reden tezamen naar huis terug. Vader bromde erg op Lena, dat zij zulk een gevaarlijke poging had gewaagd. Zij zal zulke fratsen nu voorloopig wel uit haar hoofd laten. Puf deed natuurlijk net, of ie het heerlijk had gevonden. "Ik stuurde zelf, en we reden als een sneltrein!" "Ja," zei Alex, "en je huilde van geweld!"
"Ik heb alleen gehuild, toen ik die vrouw zag," zei Puf, die nooit verlegen is met een antwoord; "ik wist, dat ze ons zou tegenhouden, daarom huilde ik."
"Jij mag niet liegen, Puf," kwam ik tusschenbeiden, "dat is niet "in den vorm", behalve als je een boosdoener bent."
"Ik was zoo bang met Andy, en als ik bang ben dan huil ik altijd!" verdedigde zich Puf. Hij moet altijd 't laatste woord hebben, en ik zweeg dus maar.
Toen het mijn dag was, ben ik 's morgens om 10 uur al op rit gegaan. Vlak bij ons hek vond ik een heel groot pak, waarop geschreven was: "Wil zoo goed zijn, dit te bezorgen bij Mejuffrouw C. Londesburg te Cross Clen." Het was heel leelijk en fout geschreven, en ik dacht dus, het zal wel van een der dorpsbewoners zijn. Het was een verbazend zwaar pak, en ik kon het haast niet in de kar tillen. Maar ik was wat blij weer eens op 't Huis te mogen komen, want ik was er sinds onzen wedstrijd niet weer geweest. Langzaam reed ik het dorp door met mijn zware vracht. Toen juffrouw Ribbon mij zag, kwam ze even aan het hek en zei:
"Beste Griet, wil je heusch vrachtrijdster worden? Kijk es, lieve, ik heb aan de oude Suze Combe beloofd een zak steenkolen te sturen. Aan het station zul je 't vinden; Tom moest al vroeg naar Lincoln en ik heb het ook zoo druk, het goeje mensch heeft geen brand meer om haar middagmaal gereed te maken."
"Goed, ik zal 't doen, ik zal 't dadelijk gaan halen."
Wat was vrouw Combe blij, toen ze me zag komen. Maar we konden geen van beiden de zak uit het karretje krijgen; ze haalde de steenkolen er dus bij beetjes uit, en dat kostte heel wat tijd. Terwijl wij nog bezig waren, kwamen juist Clara en Betty in haar ponykarretje voorbijrijden. Ze keken gek op, toen ik haar vertelde, waaraan ik bezig was. "Ik ben vandaag vrachtrijdster," vertelde ik, "en ik heb ook een vrachtje voor jelui!"
Dat vonden ze heerlijk. "Voor ons? O, zeg, laat es gauw kijken! Wat eenig!" Zoodra vrouw Combe al haar steenkolen eruit had, klommen ze op ons karretje en bekeken het pak van alle kanten. Wij maakten het open in de kar, want het was ons te zwaar, om het er uit te lichten. Toen het papier er af was, vonden we .... een ouden emmer vol steenen! Clara was heel boos. En ik begreep dadelijk, dat het een grap van de jongens was. Ik trachtte Clara dat aan 't verstand te brengen, maar zij zei: "'t Zijn ruwe, leelijke jongens, ik zal 't moeder eens vertellen."
Zij sprong weer van de kar af en ging naar Betty, om het haar te vertellen. Deze lachte; zij kan beter tegen een grapje dan Clara, en ik stelde haar voor, dat ze den jongens ook weer een pak moesten zenden. Dat vonden ze beiden best, en beloofden, het per post te zullen sturen. Wij haalden de steenen en den emmer uit de kar en gooiden ze in een sloot. Ik reed fluks naar ons dorp terug, nieuwsgierig of er nog iemand een boodschap voor me zou hebben. En zie, daar zag ik kreupele Hanna, die onze kleeren verstelt en ook in 't koor zingt; zij stond bij haar hek, en keek naar mij, alsof ze mij wat zeggen wou.
![[Illustratie]](/illustrations/29f3984584dfe6ee.jpg)
Ik hield stil en zei: "Kan ik iets voor je doen, Hanna?"
Zij kleurde en sprak aarzelend: "Ik moet naar boer Luscombe, kind, en het is een lange weg voor mij met zoo'n hitte, en nu dacht moeder, toen we u zagen aankomen ... en omdat we uw briefje hadden gelezen...."
"O, ik begrijp je al," zei ik, "je wou, dat ik je daarheen bracht? Stap maar in Hanna, dat zal ik graag doen."
Zij steeg in, en vertelde mij, dat haar been zooveel pijn deed, als ze ver moest loopen, maar zij had een japon voor juffrouw Luscombe moeten maken, en nu moest die toch weggebracht worden. Ik zei haar, dat ik Andy elke week een dag voor mij had, om er boodschappen mee te doen voor wie ik wilde. Toen we zoo een tijdje gepraat hadden, zei ik tot haar: "Na dezen rit moet ik naar huis, want dan moeten we eten. Maar vanmiddag kom ik weer terug. Weet je dan nog iets te doen, Hanna?" Zij antwoordde, na even te hebben nagedacht:
"Ik weet niet, Grietje, of je de kleine Annie Steel kent. Zij komt uit Londen, en woont bij haar grootmoeder, juffrouw Buston; zij is geheel kreupel en kan niet loopen. Omdat ik zelf kreupel ben, spreek ik nog al eens met haar, want juffrouw Buston en haar man zijn erg streng en lastig voor haar. Zij vinden het een grooten last haar te helpen, omdat ze zelf ook haast niets hebben, en dan zit ze daar maar troosteloos in dat donker keukentje. Nooit komt ze er uit, ze zit zelfs niet eens aan de deur; ze is ook misvormd, heeft een bochel, en de oude vrouw schijnt zich te schamen voor zulk een kleindochter. Je zoudt het kind in 't paradijs brengen, als je haar eens liet meerijden."
"O, prachtig, dat zal ik doen!" riep ik uit. "Maar zou 't rijden haar niet te veel schokken?"
"Neen, dat gaat best; als je een paar kussens neemt, en je zet haar op den bodem der kar, dan zal 't best gaan."
"Ik zal dadelijk na 't eten haar gaan halen," zei ik verheugd. Toen ik thuis kwam, vroegen ze allen, wat ik gedaan had. De jongens spraken geen woord over hun grap, en ik natuurlijk ook niet. Tante vond het heel mooi van me, dat ik Annie Steel eens liet meerijden. Vader ook, maar die waarschuwde ons, dat we Andy door al die drukke ritten niet moesten afjakkeren, en Daan zei, terwijl we Andy weer inspanden: "Overdrijf nou niet, barmhartige Samaritaansche, anders loopt het nog op schade uit."
"Ik doe het alleen, omdat ik ervan houd, en ik zal er mee voortgaan, omdat vader gezegd heeft, dat moeder het zou goedgekeurd hebben."
Daan zei niets meer, want Daan hield zoo van moeder, gelijk wij allen.
HOOFDSTUK XII.
Toen ik naar juffrouw Buston ging, vond ik haar in den tuin, bezig met groentenplukken. Zij was meer verbaasd dan verblijd, toen ik haar vertelde wat mijn plan was. En ze zei dan ook eerst, dat ze de kleine Annie niet wilde meegeven.
"Ik zou haar nooit hier gehad hebben, als ik geweten had, dat ze zoo hulpeloos was. Haar moeder, die reeds op 20-jarigen leeftijd weduwe was, stierf plotseling, en Annie moest toen in een weeshuis. Maar mijn man wilde daar niet van weten, en ik eigenlijk ook niet. Zoo namen we de kleine dan in huis, en sedert is ze er gebleven, totaal krachteloos, alsof ze geen ruggegraat heeft. Ze doet zoowat niets anders dan in elkaar gedoken zitten huilen. Loopen kan ze geen stap. Maar kind, als je er nu bepaald op staat, haar mee te nemen, kom dan binnen, dan kunnen we haar samen gemakkelijk genoeg in 't karretje tillen."
![[Illustratie]](/illustrations/597bb09f0f0bcd60.jpg)
Ik bond Andy aan den muur vast en ging het huisje binnen. De keuken was klein en het rook er duf; in een laag stoeltje zat Annie. Werkelijk, ze zag er uit als een afgeleefd oud vrouwtje; alleen het haar was nog blond, maar kort geknipt. Toen ik haar meedeelde, wat mijn plan was, glimlachte ze zoo hartroerend, dat ik bijna begon te weenen. Ze zag er even bleek als haar schortje uit; ze is pas negen jaar oud, evenals Lena. Ik had vier kussens en een deken meegebracht en maakte het haar zoo gemakkelijk mogelijk; haar Grootmoeder plaatste haar zoo in de kussens, dat ze rechtop zitten kon. Bovendien zette ze haar nog een katoenen mutsje op, en daarna reden we weg.
Heel langzaam reed ik de laan af, om het schokken te voorkomen. Al vrij spoedig begon ze te praten. Eerst had ze doodstil liggen staren in de blauwe lucht, terwijl haar mond open en dicht ging als die van een visch. Toen ik haar vroeg, waarom ze zoo deed, zei ze: "De lucht, juffrouw. Sinds ik bij grootmoe ben, krijg ik haast geen frissche lucht. Voordat moeder stierf, zat ik altoos aan 't open venster, maar grootmoe doet haar ramen nooit open."
Zij vertelde mij verder, dat zij veel van Hanna hield, en al meer begon ze los te komen, er blijkbaar schik in krijgende, allerlei prettigs te vertellen.
"Kijk, daar zijn heelemaal geen huizen, wat een leege plek. Dit is nu echt buiten zijn. Nooit ben ik hier geweest, voordat ik bij grootmoe kwam, en sedert ik er ben, kom ik er nooit uit.
Moeder zei altijd, dat God ook buiten leeft, niet in de stad. Moeder hield niets van Londen; zij vond het zoo'n vuile stad; de lucht zie je in Londen maar heel zelden en dan nog maar een klein stukje er van. O, juffrouw, wat is het hier heerlijk! Die velden, en die boomen en die bloemen! Ik heb wel schilderijen gezien, maar die waren niet zoo levend als dit alles."
Bij een landhek hield ik stil, om haar konijnen te laten zien, die daar aan 't spelen waren, en toen een vlinder op den rand van 't karretje kwam zitten, schreeuwde ze 't uit van pleizier.
![[Illustratie]](/illustrations/a0862a9ccea9fc74.jpg)
Maar ze werd al spoedig weer vermoeid van al die ongewone opwinding en toen begon ik maar eens te praten. Ik vertelde haar, hoe we aan Andy waren gekomen, en toen ik dat verhaal ten einde had, zei ze:
"Luistert God naar alle menschen, juffrouw, of alleen naar rijke lui? Ik heb nog niets van Hem gehoord, sinds ik bij grootmoe ben. Moeder kreeg altijd bezoek van een wijkzuster, maar daar hield ik niet van; ze had altoos zoo'n haast om weer weg te komen, en ze wilde altijd maar weer, dat ik naar een gesticht of naar een hospitaal werd gezonden."
"Natuurlijk luistert God naar ons allemaal," antwoordde ik, verbaasd over zóóveel onwetendheid; "bidt je niet tot Hem?"
Ze wendde haar hoofd af. "Ik was gewoon het "Onze Vader" op te zeggen, maar ik ben nu totaal vergeten hoe het is."
"Kun je lezen?" vroeg ik.
Weer schudde ze haar hoofd.
"Ik ben begonnen het te leeren, maar moeder stierf, vóórdat ik groote woorden kon lezen, en later heeft niemand het mij geleerd."
"Arm klein schaap," sprak ik met diep medelijden; "wat doe je dan toch wel den ganschen dag?"
"Plaatjes kijken en dan naaien, naaien kan ik wel. Ik maak op 't oogenblik reepjes voor een lappendeken voor grootmoeder."
"Je moet God gaan bidden," zei ik.
"Waarom?"
"Wel, omdat Hij je liefheeft. Weet je, wie Jezus Christus was?"
"Die aan een kruis is ter dood gebracht? Ja, daar heeft moeder mij wel van verteld."
"Weet je, waarom Hij is ter dood gebracht?"
Zij schudde haar hoofd, en sprak: "Het is zoo iets van het redden der zondaars en der wereld. Maar ik ben het vergeten. Ik geloof, dat Hij zeer vriendelijk en goed was. Het is al eeuwen geleden, dat hij gedood werd, is 't niet?"
"Hij is heelemaal niet dood," zei ik, als verstomd door zooveel onkunde. "Lieve kind, jij weet nog niet eens zooveel als de kinderen uit mijn klas."
Met doffe stem sprak ze: "Er is ook niemand, die me wat leert."
En ik begon maar dadelijk te vertellen, wat Jezus voor haar gedaan had. Zij had er totaal geen besef van, dat zij ook zondaar was; maar ik geloof toch wel, dat het haar na eenigen tijd duidelijk werd. Verwonderd keek ze op, toen ik vertelde, dat Jezus nòg leefde, en dat Hij nog machtig is om ons te helpen en ons te leiden, al kunnen we Hem niet zien. Zij wist niet, dat het kruis ook voor haar van beteekenis was; met open mond en groote oogen hoorde zij alles aan wat ik vertelde, en ik wenschte soms, dat een wijzere dan ik haar vertellen kon. Meteen moest ik ook op mijn ezeltje letten; af en toe hield ik even stil, en plukte wat wilde bloemen en kamperfoelie voor haar, om mee naar huis te nemen. Toen ik meende, dat we nu lang genoeg gereden hadden, bracht ik haar weer naar huis terug; maar als we 't huis naderden, begon ze te schreien en greep mijn hand.
"Zult u terugkomen en mij weer meenemen? Zult u mij niet vergeten? Toe, beloof mij, dat u me weer spoedig komt halen!"
"Ik zal probeeren, deze week nog één keer te komen, Annie, en in elk geval zal ik hier komen, om je wat te helpen met lezen; misschien kan ik dan wel een paar boeken meebrengen." Haar grootmoeder tilde haar uit het karretje en scheen nogal in haar schik.
"Nu kind, daar heb je goed aan gedaan, hoor, en 't zal Annie ook goed doen. Arm schaap, wat zou het goed voor haar zijn, als God haar maar tot Zich nam. Ze zal toch nooit voor iemand ter wereld van nut kunnen zijn."
Ik werd boos, maar ik wist niet wat te zeggen. Ik zag, hoe Annie huiverde bij het hooren van die zelfzuchtige woorden, en meende maar het best te doen, met heen te gaan. Ik nam dus afscheid. "Vaarwel, Annie! Ik kom spoedig weer bij je terug."
In draf ging het nu naar huis, en nadat ik Andy had uitgespannen, vertelde ik vader dadelijk mijn wedervaren. "Wat spijt het mij," zei vader, "dat ik haar niet eerder gevonden heb. Ik ben wel bij juffrouw Buxton op bezoek geweest, maar die vertelde mij nooit, dat ze een kleinkind in huis had."
"Zij schaamt zich voor het kind," zei ik. "Hanna vertelde mij, dat zij denkt, dat een misvormd kind door iedereen wordt gemeden. Is dat niet wreed gedacht? Vader, denkt u, dat ik haar zou kunnen leeren lezen?"
"Zeker, kind, zeker. Ga zoo vaak als je kunt naar haar toe, maar denk er aan om juffrouw Buxton te vragen, of het mag."
Toen ik den jongens en Lena van Annie vertelde, lachten ze niet, en Lena was er zelfs mee begaan. Zij haalde een paar oude poppen voor den dag, en vroeg mij, die voor Annie mee te nemen.
Bij de thee zei tante Caroline: "Ik geloof, dat Grietje den mooisten dag heeft gehad van jullie allemaal!"
"O ja, tante," zei Alex snel, "ik weet wel wat u wilt zeggen: omdat zij meer aan anderer genoegen dacht dan aan haar eigen vermaak; maar dat doet ze niet uit haarzelf, daar is ze toe aangezet. U moet haar niet verwaand maken, ze heeft al genoeg dunk van zichzelf."
![[Illustratie]](/illustrations/ac066a802d353295.jpg)
"Dat is niet waar," zei ik boos.
"Hé, hé, geen getwist nu!"
Zoo komt tante altoos tusschenbeiden en we spraken dus geen woord meer over de zaak.
Den volgenden morgen kwam er een groot pakket met de post, geadresseerd aan "de Jongeheeren Daan en Alex Marjoribanks". De jongens gunden zich geen tijd om het uit te pakken, en scheurden het eene na het andere papier eraf, niet bemerkend, dat Lena en ik in ons vuistje lachten (ik had het Lena ook verteld). Eindelijk kwam een kartonnen doos te voorschijn, en toen ze die openden, vonden ze haar vol koolstronken; op den bodem lag een klein briefje, waarop de woorden: "Met vriendelijken dank van Betty en Clara."
Inmiddels waren Lena en ik een rondedans om de tafel begonnen, waarbij we hen dapper uitlachten. Ze hadden 't ook verdiend, en ik vertelde hun, dat hun pakket nooit aan 't Huis bezorgd was. Toen waren ze woest van boosheid, en scholden ons uit, dat het een lust was.
Ik zei hun nog, dat zij altijd grapjes hadden ten koste van anderen, en nooit zichzelf eens vermaken konden. Daan beloofde wraak; maar dat doet ie wel meer als ie ten einde raad is, en later is ie 't al lang weer vergeten.
Ik ging nu zooveel belang stellen in Annie Steel, dat ik er bijna iederen dag heen ging; als ik haar bezocht, had ze een kleur van blijdschap, en ze begon er werkelijk wat opgewekter uit te zien. Elken Woensdag nam ik haar mee op een rij toer.
Intusschen waren we allen druk bezig met bijverdienen, om een zadel voor Andy te kunnen koopen. De jongens verkochten aan kapitein Rogers enorme partijen visch. Zij kunnen er gewoon niet tegen hengelen, en hij betaalt best. Zelf zend ik weer groenten en bloemen naar de markt te Lemworth, waar Bob Tapson ze wel aan den man brengt, en Lena maakt weer borstplaat zonder eind. Maar het geld komt heel langzaam bij elkaar. Mevrouw Rogers kwam gistermiddag met haar man bij ons theedrinken; de kapitein liet ons den spaarpot openen; er was nu negen gulden in.
We hadden recht veel schik dien middag. De thee werd buiten gedronken, zoodat het veel had van een pic-nic; kapitein Rogers spoorde ons aan, het geld wat vlugger te maken, anders zouden we nooit aan een zadel toekomen. We vroegen hem, of hij soms een middel wist, en hij zei van ja. Het was dit: Hij en zijn vrouw wilden een wedstrijd in het boogschieten organiseeren bij hun huis; daarbij zouden veel volwassen menschen komen, en nu wilde hij ook een wedstrijd houden voor kinderen; de beste schutter zou een prijs verdienen van twaalf gulden.
"Jelui hebt dus niet anders te doen, dan dien prijs te winnen," voegde hij er aan toe; "en dan weet ik wel een adres, waar je een flink zadel kunt koopen voor een gulden of twintig."
Met gejuich werd het plan ontvangen, het was een eenig denkbeeld. Maar wij moesten den kapitein toch vertellen, dat we geen van allen konden schieten, en dat we niet met boog en pijl konden omgaan. Hij antwoordde, dat hij ons dat wel even leeren zou, dat ging heel vlug; we moesten dan maar telkens bij hem komen en oefeningen houden in den tuin bij de boerderij.
"En we kunnen ook hier een schijf opstellen en er ons op oefenen," vond Daan. "Ik zal er wel een maken, maar dan hebben we nog geen boog en pijlen. Zijn die duur?"
"Dat zullen we aan juffrouw Ribbon vragen," zei Alex. "Maar ik wil wedden, dat ze die niet heeft."
"Nee, nee," zei kapitein Rogers, "ik zal jelui enkele van de mijne leenen tot na den wedstrijd. Laat es zien: jelui zult er vier noodig hebben, is 't niet? Ieder een."
"Ik ook!" riep Puf op dreigenden toon. "Ik wil ook schieten."
Dus beloofde kapitein Rogers vijf bogen te zullen zenden, met een bundel pijlen. En Daan stelde hem voor, om moeite te besparen, dat hij dadelijk maar even mee zou gaan, om ze te halen, dan konden wij zoo spoedig mogelijk beginnen.
"En hoe maakt Andy het tegenwoordig?" vroeg de kapitein.
"Even onberekenbaar als altoos," antwoordde ik. "Soms gaat het heel goed, maar dan eensklaps krijgt hij weer z'n oude kuur van stilstaan, en geen van ons kan hem dan weer in beweging krijgen. 't Is geen trouw dier, en dat zal ie nooit worden ook."
De kapitein lachte hartelijk en trok mij aan een haarlok. "Kom hier, oud vrouwtje, en vertel mij es, wat een trouw dier is."
"Dat is er een, waarop je rekenen kunt," hervatte ik; "een dier, dat altoos hetzelfde is en waar je op aan kunt. Dat is toch de beteekenis van trouw? Gisteren hebben we 't er nog over gehad."