Front matter (continued 3)
Silvanus translation
"Ja," zei hij, "dat is een heel juiste omschrijving van trouw. Ik denk, dat jij dan ook wel heel trouw zult wezen, Grietje."
"O, ik wou dat ik het was. Maar ik ben het niet. Men is niet volkomen trouw, als men het niet altijd en overal is, zooals onze ridder: semper fidelis. Ik tracht een trouwe dienstmaagd te wezen, maar steeds weer vergeet ik het."
"Wiens dienstmaagd? Ik zou zoo zeggen, Grietje, je bent een trouw vriendinnetje."
"Christus' dienstmaagd," was mijn fluisterend antwoord. "Hij is in alles de eerste, zooals u weet. Maar daarom zou ik dan ook evengoed uw trouw vriendinnetje willen wezen, kapitein."
"Wij zullen een verbond sluiten. Als ik in moeite of verdriet kom, en hulp noodig heb, dan weet ik, op wie ik kan rekenen."
De beide jongens gingen met den kapitein mee naar de boerderij, en kwamen al spoedig weer thuis, o zoo verheugd met hun pijlen en bogen. Reeds hebben we een schijf gemaakt van wit calico, gespannen over een met stroo gevulde platte doos. En nu hoop ik maar dat wij den prijs zullen halen; wij hebben goede kans, omdat we met z'n vieren zijn. Betty en Clara zullen ook gevraagd worden, en nog heel wat kinderen meer. Ik geloof, dat kapitein Rogers eigenlijk hoopt, dat wij het maar zullen winnen.
* * *
Het is eenigen tijd geleden, dat ik in dit boek heb geschreven, want ik heb het verschrikkelijk druk gehad. Allereerst dien ik te vertellen van onzen hand-boogwedstrijd.
![[Illustratie]](/illustrations/0b3c5ada9033718d.jpg)
Vanaf het oogenblik, dat de schijf gereed was, hebben we ons druk geoefend. Aan het einde van de laan hadden we haar opgehangen, en gingen er dan zoo ver mogelijk van af staan, om goed te leeren mikken. Die oefeningen waren wel inspannend, maar toch ook verbazend prettig. Ik zelf had er zooveel schik in dat ik boos werd, als ik er telkens weer werd afgeroepen. Dat kwam zoo.
Emma had haar voet verstuikt, en moest dagen achtereen in bed liggen, en toen ze eruit mocht, kon ze nog heel moeilijk loopen. Tante Caroline droeg nu aan Lena en mij op, de bedden op te maken, de kamers te doen, en zooveel mogelijk in huis te helpen. Het scheen ons een uitdaging, want wij wilden zoo graag vóór alles goede schutters worden. Ik kàn niet hebben, dat we zulke dingen maar half goed doen. Lena ging er vandoor, maar dàt kon ik ook niet doen, en ik hielp dus zooveel als ik kon, maar veelal met een nijdig hoofd. Ik geloof, dat ik die gansche week niet in m'n humeur ben geweest. Toen het Woensdag werd, had ik er niet eens zin in, om Annie te halen voor een rijtoer; Betty en Clara kwamen 's middags om met ons te oefenen in 't schijfschieten. Toch reed ik met Andy uit, inwendig wenschend, dat ik haar maar nooit beloofd had, iedere week te zullen rijden. Maar toen ik haar bleek gelaat zag, dat opvroolijkte toen ik aankwam, was ik beschaamd. Ik was een half uur te laat, en ze zei:
"Grootmoe heeft al gezegd, dat u niet zoudt komen. Maar ik wist zeker dat u komen zoudt. U zult mij nooit alleen laten, wel juffrouw?"
Ik antwoordde slechts: "Ik hoop van nooit!"
Annie was zeer spraakzaam. Ze vertelde, hoe ze nu geregeld bad, en ook dankte voor al het goede, dat ze ontving. Zij begreep nu ook iets van wat Jezus voor haar aan het kruis geleden had. "O, kon ik maar wat voor Hem doen!" riep ze uit.
"Van ons, die nog kinderen zijn, verwacht Hij geen groote dingen, Annie. Maar wat wij te doen hebben, dat is zóó te spreken en te handelen, alsof Hij altoos bij ons is, in onze kamer en bij ons werk; wij zien Hem wel niet, maar toch leeft Hij dicht bij ons. Hij glimlacht als we ons best doen, en met droeve oogen staart Hij ons aan, als we ongehoorzaam zijn of toornig, zooals ik vandaag."
Het deed mij goed, haar eens te kunnen zeggen, hoe verkeerd ik vandaag gehandeld had. En ik voelde mij gelukkig, toen ik weer thuis kwam, nog vol van ons gesprek en van het heerlijk gevoel, dat ik had na het erkennen van mijn zonden.
Eindelijk kwam dan de groote dag. De tuin bij kapitein Rogers was vol volk; ook waren er vier jongens en vijf meisjes, die we geen van allen kenden; zij waren met den trein gekomen uit Tenburg en zeven mijlen hier vandaan, uit Lincoln. Twee meisjes en drie jongens waren ook uit een pastorie.
![[Illustratie]](/illustrations/3801a515f673502c.jpg)
Naarmate de wedstrijd vorderde werd de pret, maar ook de spanning grooter. Toen het mijn beurt was, gevoelde ik mij erg zenuwachtig; mijn hand trilde alsof ik de koorts had. Maar het ging gelukkig nogal, hoewel ik natuurlijk den prijs niet won, dat wist ik vooruit wel. Ik geloof eigenlijk, dat wij er allemaal wel zoo'n beetje op rekenden, dat Daan de gelukkige winner zou wezen. Hij stond zoo kalm, mikte zoo vast, net een volwassen man. Later zei hij nog, dat ie een gevoel had gehad, als ging het om leven of dood.
En toen bleek, dat hij den prijs had verdiend, juichten we allen als uitgelatenen. Mevrouw Rogers overhandigde den prijs in een met kralen bezette beurs.
Innig verheugd kwamen we thuis, want nu hadden we ook het zadel zelf verdiend. En geen onzer behoefde nu ooit meer geld te gaan verdienen.
Het leek te mooi, om waar te wezen.
![[Illustratie]](/illustrations/a8ba9af026dc3d30.jpg)
HOOFDSTUK XIII
En nu heb ik te schrijven over een vreeslijken dag. Onze vacantie was bijna om; het zadel voor Andy was juist ontvangen, en allen reden wij druk met hem. Hij bleef ons over 't algemeen goed voldoen, en galoppeerde soms, dat 't een lust was.
Terwijl wij bezig waren, aan 't ontbijt onze plannen voor den dag te bespreken, kwam Emma binnen met een telegram voor vader. Vader krijgt vaak telegrammen over spreekbeurten, zoodat wij er weinig notitie van namen. Maar eensklaps hoorden we hem een onderdrukten snik geven, terwijl hij het telegram aan tante Caroline overgaf. Toen die het las, begon ze te weenen, en wij begrepen nu, dat er slechte tijding was gekomen. En zoo was het: Grootmoeder was gevaarlijk ziek, en vader moest onmiddellijk overkomen.
Tante Caroline riep in haar droefheid: "Zij is stervende, Jan, ik ga met je mee."
"Er is geen trein vóór 10.30, dien moeten we hebben." Tante verliet haastig de kamer, en vader richtte zich tot ons: "Kinderen, kan ik jelui met vertrouwen alleen laten? Het zou voor tante een bittere teleurstelling wezen, als ze niet met mij mee kon gaan. Wil jelui je best doen, om je goed te gedragen? Daan, jij wordt al een groote jongen, en je kent het onderscheid tusschen goed en kwaad. Op jou reken ik, terwijl ik weg ben. Grietje, neem jij Lena onder je hoede, en laat haar geen verkeerde dingen uithalen. Ik zal even met de keukenmeid een en ander bespreken. We moeten geen tijd verliezen."
Wij beloofden, ons goed te zullen gedragen. We waren wel bedroefd om grootmoeder, maar we konden ons toch ook niet ontveinzen, dat we wel een klein beetje vermaak erin hadden, nu eens alleen te zijn, zonder eenig toezicht. Dat was nooit tevoren geschied, en vooral in de vacantie is het een heerlijk gevoel, es echt alleen te wezen, en baas over jezelf te zijn.
![[Illustratie]](/illustrations/576e65dec9ece453.jpg)
Intusschen ging ik naar boven, om tante te helpen bij het inpakken van haar koffertje. Tante was erg in de war; ook de keukenmeid en Emma waren zenuwachtig, zoodat ze tante met allerlei vragen en opmerkingen nog meer opwonden. Toen alles gereed was, reed Daan de bagage in ons ezelkarretje naar het station.
Daar het nu Dinsdag was, beloofde vader, zeker nog vóór Zondag weer thuis te zijn. Tante Caroline kuste mij hartelijk bij 't afscheid, en zei, dat ze wist, dat ik mijn best zou doen, en ook den anderen tot voorbeeld zou wezen, omdat zij mij kende als haar vertrouwde hulp in 't huiselijk werk. Ik was zoo blijde met deze lofspraak, dat ik bijna schreide, maar ik hield mij goed, sloeg mijn armen om haar hals, en kuste haar hartelijk ten afscheid.
Toen Daan van 't station terug was, gingen wij allen naar het priëel in den tuin, om te praten over de onverwachte verandering.
"Twee dagen geleden was grootmoe nog zoo best," zei ik; "zij schreef nog aan tante Caroline, dat zij pas een rijtoertje gemaakt had. Ik wist niet, dat de menschen konden sterven, zonder eerst ziek te zijn."
"Maar zij is ziek," merkte Alex op.
"Jawel, maar ze kan toch niet ineens zoo verschrikkelijk ziek zijn, wel?"
"Och, zeker wel; dat zie je telkens."
"En wij dan ook?" vroeg Lena angstig. "Daar zou ik heel bang voor wezen. Tante zei nog wel, dat ze zeker wist, dat grootmoe al dood was."
"In elk geval," zei ik, "zal grootmoe nog heelemaal niet graag willen sterven. Maar zij is, evenals de ridder: semper paratus. En dat behoor jij ook te wezen, Lena."
"Dat ben ik niet," zei ze. "Ben jij het?"
"O, hou toch op met dien onzin!" riep Alex eensklaps uit. "En wat zullen we nu gaan doen met onszelf?"
"Een pic-nic zou heerlijk zijn," stelde ik voor. "In het gras bij de rivier."
"En dan moesten we Andy meenemen, dan kan hij eens een flink bad krijgen. Hij ziet er zoo verschrikkelijk vuil uit, omdat ie nooit een bad krijgt."
Zoo sprak Lena. Als er één ding is, waar die verzot op blijft, dan is het water en wasschen.
"En dan zullen we een ketel water koken, dan lijken we net zigeuners," vond Alex.
"Goed zoo. Laten we eerst naar de keukenmeid gaan, en zien, of die wat rauw vleesch voor ons heeft, dan kunnen we 't zelf braden."
Daan en ik gingen dus naar de keuken en de meid vond het maar wàt heerlijk, ons een ganschen dag kwijt te wezen. Zij gaf ons wat saucijzen en een braadpan met wat vet erin om ze te braden, verder een stukje konijnenvleesch, wat koude aardappelen, appelen, een stuk brood, een flesch melk, een beetje suiker, een zakje met zout en een zakje met thee. Dan holden we naar de leskamer en haalden er kopjes en schoteltjes weg, zoomede een ketel. Vervolgens werd alles in het ezelkarretje geladen, en reden we weg, allen zóó opgewonden blij met ons mooie pic-nic-plan, dat we al spoedig vergeten waren, dat grootmoe stervende was. Zoo nu en dan, als het iemand te binnen schoot en ervan sprak, keken we wat sip. Maar dat begon Daan te vervelen en hij zei:
"Kijk es hier lui, dat gaat zoo niet langer. Wij willen hopen, dat ze nog weer beter zal worden. Dat gebeurt met zoovelen en de dokters zeggen altijd: Zoolang er leven is, is er hoop. En daarom moeten we zooveel pleizier hebben als we maar kunnen, alsof grootmoe al beter werd."
Dat woord deed ons allen weer opleven. Het was ook zooveel prettiger, vroolijke gedachten over grootmoeder te hebben, dan sombere. En ik vrees, dat wel niemand onzer veel meer aan haar zal gedacht hebben, want we waren bij de rivier gekomen, en ons plan nam alle gedachten in beslag. Daan zei tegen Lena:
"Hoor eens, als jij wasschen wilt, dan moet je jezelf maar gaan wasschen; je handjes staan er goed voor, en dan kun je ook de borden en kopjes wasschen. Maar probeer het niet met Andy, want dan zal ik je met je hoofd in 't water duwen. Ezels zijn er niet voor, om gewasschen te worden."
Lena keek erg knorrig, maar ze is bang voor Daan. De toebereiding van onzen maaltijd gaf heel wat pret. Eerst werd er een vuurtje gemaakt, daarna de ketel erop gezet, want we moesten allemaal theedrinken. Vervolgens werd de braadpan opgezet, gevuld met de saucijzen, de koude aardappelen en het stuk konijnenvleesch. Het rook heerlijk! Daan en ik waren om beurten de kok; Alex wilde zóó vaak proeven, of 't eten al goed was, dat wij bevreesd werden, dat er niet genoeg voor ons allen zou wezen. En Lena kwam er telkens zóó dicht bij staan, dat ze haar gezicht verschroeide.
Ik geloof niet, dat grooten menschen ons baksel zou gesmaakt hebben, omdat het nog al sterk rook; eenmaal zelfs helde de pan zóóver over, dat eenige aardappels er uit rolden, maar ze werden niettemin met graagte opgegeten. Na het "diner" werd de thee gebruikt, zooals we dat nu eenmaal gewoon waren. Vervolgens beproefden wij de appels te roosteren, maar dat ging heel lastig en bovendien waren we van 't koken al erg vermoeid, zoodat we ze maar rauw hebben opgegeten.
Lena en Puf en ik gingen nu de borden omwasschen en spoelen; ze werden weer ingepakt en in 't karretje gelegd, waarna we verstoppertje gingen spelen. Vlak bij was een klein bosch, zoodat we er heel wat pret mee hadden. Maar toen begon ook de eerste ellende. Wij hadden Andy afgetuigd en lieten hem gras eten, maar toen we spelen gingen, vergaten we hem geheel, en eensklaps ontdekten we, dat ie er vandoor gegaan was.
![[Illustratie]](/illustrations/0e00f560bebfe838.jpg)
Dadelijk gingen we allen op zoek, schreeuwden en klapten in onze handen, maar er was geen spoor van hem te ontdekken. Toen werden we boos op 'm. Lena vond, dat hij zich den dag had moeten herinneren, waarop hij met Puf was weggereden. En Alex zei pruttelend: "We zullen de rest van den dag wel moeten besteden aan 't zoeken naar dat oude beest! Laten we maar naar huis gaan, hij zal zelf wel den weg naar huis vinden!"
"Maar we kunnen toch het karretje niet hier laten," zei Daan.
"Span Alex dan maar in, dan zal ik hem wel sturen," zei Lena, terwijl ze danste van pret om het plannetje.
De jongens echter hadden er geen ooren naar. Nog een uur lang zochten we naar Andy. We waren al drie mijlen van huis, en we wisten niet, wat te beginnen. Ten slotte vonden de jongens 't toch maar 't beste, om met vereende krachten het karretje naar huis te brengen. Wij juichten van pleizier, want dat leek ons bijzonder. Er werd nog lang en breed over gepraat, voordat het aan 't vertrek toe was. Op voorstel van Daan werd eindelijk besloten, dat Puf in 't karretje zou zitten (hij was erg vermoeid), en dat de anderen als vierspan er voor zouden trekken. Lena en ik vormden het eerste tweespan, Daan en Alex het tweede. Gelukkig hadden we touw bij ons; na nog eens weer overlegd en geregeld te hebben, waren we eindelijk gereed, en zette de stoet zich in beweging.
"Laten we nu zeggen, dat Puf juist gekozen is als afgevaardigde voor het graafschap, en nu hebben we de paarden voor z'n rijtuig afgespannen, en trekken nu met hem de stad rond," stelde Daan voor. Dat viel in den smaak, luidjuichend riepen we allen: "Leve Puf, de vriend der arbeiders!"
Wij wisten wel, hoe dat toeging bij die verkiezingen.
Maar, o wee, wat was dat zwaar trekken met het ezelen-karretje! Doodop waren we, toen we het ding eindelijk weer op den weg hadden gekregen, en we rustten dan ook al dadelijk even uit. Puf vond het natuurlijk heerlijk; voor alle zekerheid hadden we hem de zweep maar afgenomen, toen hij, vol verrukking over zijn zegetocht, de zweep ter hand had genomen, als waren wij een heusch vierspan. En zie, terwijl we even wachtten, daar kwam Mevrouw Laura aan in haar rijtuig met twee paarden, vergezeld van Betty en Clara.
"Wij hebben ons ezeltje verloren!" riepen we haar toe. Wij trachtten in galop haar voorbij te rijden, want de weg was daar heuvelachtig, doch Mevrouw Laura hield ons staande. "O jelui dwaze kinderen," zei ze, "wat ben ik blij, dat ik niet op jelui heb te passen."
Wij vonden dat niet erg aardig van haar, omdat wij het heusch niet zoo prettig vonden om zoo met ons karretje heuvel op heuvel af te moeten sjouwen; maar het moest wel. Daan groette haar nu beleefd, door z'n pet af te nemen, en legde haar uit, waarom we zoo deden. Hij vroeg haar, of ze Andy ook ergens gezien had; zij beloofde, ons dadelijk te zullen boodschappen, als zij hem ergens zag. Betty en Clara vonden het zoo leuk, dat ze wilden uitstappen, om met ons samen een zesspan te vormen, doch ze hadden hun beste kleeren aan, en daar kon dus niet van komen.
![[Illustratie]](/illustrations/9cf8d1bcb4afcead.jpg)
Na deze afwisseling gingen we weer welgemoed verder, totdat wij, dicht bij ons dorp, aan een vrij steilen heuvel kwamen. Wij stelden ons voor, er in een prachtigen galop af te draven en zoo in volle vaart ons dorp binnen te rijden. Ik vermoed, dat we het wat al te haastig aanlegden, want juist voor dat we weer op gelijken grond kwamen, scheen het karretje over te hellen, Daan en Alex konden het niet meer houden, Lena struikelde, en voor dat ik goed zien kon, wat er gebeurde, lagen wij allen door elkaar in een droge sloot, waarbij Puf tekeer ging, alsof ie vermoord werd. De mand tuimelde uit de kar, en alle borden, kopjes en schoteltjes waren aan scherven.
Daan was de eerste, die overeind scharrelde. Hij scheen er goed aan toe te wezen, was alleen een beetje gekneusd, zooals hij zei. Lena had een groote buil op haar voorhoofd, zoo groot wel als een kievitsei. Alex had een zijner beenen leelijk bezeerd en zei, dat het zeker gebroken was, maar Daan betastte het eens en besliste van niet, omdat er nergens een beentje van z'n plaats was. Puf had alleen z'n knieën bezeerd, de eene bloedde vrij erg, en ik bond er mijn zakdoek om. Ik zelf had mijn elleboog aan een steen gestooten, het deed erg zeer, maar anders ook niet.
Nadat we al deze akeligheden overzien hadden, gingen we een oogenblik in een haag uitrusten. Maar wijl er niemand kwam opdagen om ons te helpen, lieten we ons karretje liggen, nam Daan, Alex op z'n rug en zoo marcheerden we als een verslagen vijand ons dorp binnen; Lena's jurk was erg gescheurd, en mijn hoed zag zwart van modder. Toen wij zoo thuis kwamen, gaf Emma een gil van schrik. Ze was echter spoedig weer bekomen, en zei Baldwin, de kar te gaan halen. Alex ging binnen op de sofa liggen, waar de keukenmeid z'n been onderzocht. Zij meende, dat het wel voldoende zou zijn, als er een koud-waterverband werd omgelegd. Het been was wel wat gezwollen, maar er was geen sprake van gebroken.
Dat we allemaal weinig opgeruimd waren, laat zich denken, maar het was natuurlijk Andy's schuld en niet de onze. Nadat we thee hadden gedronken, kwam er een jongen aan de pastorie; hij had Andy gevonden in een grasveld, waar ie met een paar veulens aan 't hollen was. Hoe hij daar terecht was gekomen, daar begrepen we niets van; hij moèst over een heg zijn gesprongen. Wij waren heel blij, dat we 'm weer hadden, maar Daan gaf 'm een flink pak slaag. Emma vond, dat het hier nu wel een hospitaal geleek, met zooveel gewonden en gekneusden.
En nu wou ik maar, dat ik hier de beschrijving van onze ellende kon eindigen, maar het ergste moet nog komen.
Ik zat in den tuin een boek te lezen; Puf was al naar bed, en Lena speelde binnen halma met Alex. Plotseling kwam Daan opgewonden naar mij toe en riep:
"Zeg, d'r staat een boerderij in brand, een halve mijl van hier! Het is de boerderij van Gaythorpe! Ik ga er heen!" "Ik ga mee!" riep ik.
't Is wel treurig voor wie 't treft, maar we houden allen van brand; dag of nacht, altijd gingen we er heen.
Vlug zette ik m'n hoed op, en rende met Daan weg. Al spoedig zagen we dikke rookwolken in de verte. Daan vermoedde, dat er hooibergen in brand stonden.
Wij holden zoo hard als wij konden door, en toen we er kwamen, bleek inderdaad een hooiberg in brand te staan, doch de vlammen waren al overgeslagen op de stallen, die vlak aan het huis grensden. Daar er geen brandspuit dichterbij te vinden was dan te Lemworth, waren er vele menschen bezig met emmers water in de vuurzee te gooien, maar dat hielp weinig, en 't stond er dus niet best voor. Daan begon dadelijk te helpen bij het redden van de meubelen uit het woonhuis; het had een rieten dak, en er was dus weinig kans, dat het gespaard zou blijven.
Gelukkig waren de kinderen van den boer al uit het huis, en ook de paarden waren al losgesneden, zoodat er geen levende ziel meer in huis was. De boer deed al z'n best, om nog te redden, wat er te redden was.
Intusschen had een der mannen een ladder tegen het woonhuis gezet, en begon nu het riet van het dak weg te snijden; doch de ladder vatte plotseling vuur, zoodat de man z'n werk moest opgeven; zóó snel schoten de vlammen toe, dat hij z'n handen er nog bij brandde. Ik wilde Daan nog helpen met het sjouwen der meubelen, maar hij stond het niet toe; dat is geen werk voor dames, vond ie.
Eensklaps hoorde ik een gejank in een schuurtje, wij liepen toe, en daar zagen we boven een der vensters een lief klein hondje staan op den hooizolder!
"O, het is Fox!" jammerde juffrouw Gaythorpe "ik heb hem opgesloten, toen ik de kinderen uitliet!"
"Ik zal hem eruit halen!" riep Daan, en hij vloog het huis binnen en de trap op. Nog geen minuut was hij weg, of daar sloeg een vreeslijke vlam uit de schuur. Juffrouw Gaythorpe zei, dat zou van een vat petroleum zijn. Tegelijkertijd zagen we Daan, die den hond voor zich uithield boven het venster.
"Zal ik hem eruit werpen?" riep Daan.
"Kom zelf er gauw uit!" riep de boer. "Het vat met petroleum is gesprongen!"
Daan verdween weer. Maar spoedig verscheen hij aan het venster en riep: "De trap staat in brand! Ik kan niet naar beneden!"
![[Illustratie]](/illustrations/d1da6cfa04614a26.jpg)
Ik stond te trillen op mijn beenen van angst. "Houdt een deken gespannen!" schreeuwde Daan. "Ik zal Fox erin gooien. Twee mannen spreidden een deken uit, en Fox werd er in opgevangen. Intusschen was Gaythorpe de ladder gaan halen, maar die was gebroken en nu te kort, om Daan te bereiken. Een andere werd gehaald, die was ook te kort. Toen werden ze aan elkaar gebonden. Ik stond doodsangsten uit, maar Daan bleef kalm.
"Schiet wat op!" riep hij; "het vuur komt hier al in de kamer!" En geen seconde daarna stond hij al in een rookwolk gehuld; het huis brandde als papier weg.
"O Daan, Daan!" jammerde ik. "Is er niemand, die hem redden kan?" En meteen hoorde ik, dat de ladders al zóó verkoold waren, dat ze niet meer te gebruiken waren. En nog verloor Daan den moed niet.
"Werpt me een touw toe!" riep hij nu weer. "Ik moèt hieruit, de vloer begint al onder mij te branden." Hij stond nu in de vensterbank; men haalde een matras, en vier mannen hielden haar gestrekt.
"Spring!" riepen ze. "'t Is je eenige kans!"
Een oogenblik aarzelde Daan .... hij keek omlaag .... hij was zoo hoog .... nog even gekeken .... daar sprong hij omlaag .... ik deed m'n oogen dicht....
Ik vrees, dat hij te wild gesprongen heeft, want ik hoorde een vreeslijk gekraak. Nooit zal ik dit ontzettend oogenblik vergeten. De menschen gilden van schrik, en toen was het ineens doodstil. Ik vloog er heen, maar boer Gaythorpe greep me bij den arm.
"Hier blijven, kind, dat is niet voor je om te zien. Arme, arme jongen!" Wat mij nog nooit overkomen was: ik viel in zwijm. En toen ik weer bijkwam, was ik in een huisje gebracht, waar een vrouw bezig was in mijn neus met verbrande veeren te kietelen. Dadelijk herinnerde ik mij alles, en vroeg verschrikt: "Waar is Daan?"
"De dokter is bij hem, lieve. Gelukkig was die net onderweg naar boer Turt, waar hij den brand zag en dadelijk naar hier kwam."
"Is hij dood?" vroeg ik schreiend. "O toe, hij kan niet dood wezen!"
"Kom, kind, we willen er 't beste van hopen!"
Ik stond op, en liep zoo snel als ik kon naar buiten, waar ik Baldwin vond. Ook de keukenmeid was hier gekomen, en stond handenwringend te schreien. Ik ging het huis binnen. Daar kwam de vrouw, die daar woonde, op mij af, en op mijn geroep van "Is hij dood?" antwoordde ze:
"Och lieve, houd moed, hij heeft gebroken beenen, maar jonge beenen genezen spoedig, zeggen de dokters! Kom, binnen twee dagen lacht ie alweer! Maar hij mag niet vervoerd worden. Ik ben verpleegster te Lemworth geweest, en ik zal hem zoo best verzorgen, als ik kan. Dat beloof ik je!"
We bleven nu in de kamer naast die waar Daan lag, op den dokter wachten.
HOOFDSTUK XIV.
Dr. Fenning is al oud, hij woont zes mijlen bij ons vandaan. Glimlachend kwam hij uit de ziekenkamer, hij bemerkte wel, hoe beangst we allen keken. "'t Zal wel gaan," zei hij, "mits hij met zorg verpleegd wordt. Maar hij moet volledig rust houden, niemand mag hem zien dan juffrouw Blatch. Zij zal hem verzorgen naar mijn aanwijzingen."
![[Illustratie]](/illustrations/03d6b368a8b93d32.jpg)
"Och dokter," smeekte ik, "zou ik hem niet even mogen zien, heel even maar? Vader is op reis. Is hij erg gewond?" "Het is een geluk, dat hij juist op het gras terecht kwam, en het is een wonder, dat hij er nog zoo goed aan toe is, als nu. Gewond? Ja, hij heeft een rib gebroken en ook een arm is gebroken, verder een leelijke wonde aan z'n hoofd, maar hij is nog jong en ik zal het wel met hem klaar spelen. Ga jelui maar gerust naar huis, hij is hier goed verzorgd."
Baldwin en de meid wilden nog weer wat aan Dr. Fenning vragen, maar hij werd ongeduldig en ging heen, zoodat wij naar huis terugkeerden. Lena en Alex wisten nog van niets af, die had ik dus al het droeve nieuws te vertellen. Wij besloten, dat ik dadelijk aan vader zou schrijven, en hem alles vertellen. Nog vóórdat ik naar bed ging, geschiedde dat, zoodat de brief den volgenden morgen nog met de eerste post wegkwam.
En toen naar bed. Voor 't eerst van m'n leven verlangde ik naar bed, om tot rust te komen na zulk een vreeselijken dag. Van oververmoeidheid viel ik dadelijk in slaap; toen ik den volgenden morgen wakker werd, was het mij, als lag er een zwaar gewicht op mijn hoofd: het was de herinnering aan Daan. Bij het ontbijt kwam er een brief van vader; hij schreef, dat grootmoe was gestorven, en dat hij niet eerder dan na de begrafenis kon thuiskomen, dat was Zaterdag. Lena en ik waren droevig gestemd; we konden maar niet gelooven, dat grootmoe werkelijk dood was.
Alex had nog veel last van zijn verwonde been, hetgeen niet opwekkend werkte op z'n humeur. Daar er dus thuis weinig aantrekkelijks te beleven viel, gingen wij maar weer eens naar juffrouw Blatch, om te hooren, hoe het met Daan ging. Zij vertelde ons, dat hij sliep, en niet gestoord mocht worden.
"Heeft hij veel pijn?" vroeg ik. "Spreekt hij ook over wat er gebeurd is?"
"Hij is niet geheel helder nog, lieve; maar dokter geeft hem wat in, om rustig te blijven. Hij zal wel voorspoedig genezen, wees daar maar niet bang voor."
"Vader komt niet vóór Zaterdag thuis," vertelde ik haar, met tranen in de oogen; "en zonder Daan is het nu thuis zoo eenzaam. Weet u zeker, dat hij niet sterven zal, juffrouw?"
"Ik heb er alle hoop op, kindlief. Als de goede God ons helpt, zal 't niet aan mij liggen."
"Toe Lena, laten we dan maar naar huis gaan en voor hem bidden; wat verkeerd van ons, dat we dat nog niet gedaan hebben!"
Zoo gingen we weer terug. Lena was ongewoon ernstig; thuisgekomen, gingen we dadelijk naar onze slaapkamer, knielden voor ons bed neer, en baden, dat Daan spoedig mocht genezen. Toen we gebeden hadden, gevoelden we ons wel moediger gestemd. We gingen vervolgens naar Alex, die nog altoos op de tot bed ingerichte sofa lag. Puf was met Andy aan 't rijden in 't grasveld.
![[Illustratie]](/illustrations/32aaaee113c74675.jpg)
Wij vonden Alex erg terneergeslagen. Toen we hem van Daan vertelden, zei hij: "Maar ik ben er ook leelijk aan toe, mijn been wordt al erger. Ik denk, dat er koudvuur is bijgekomen, het wordt zwart. En dan ben ik spoedig evenver heen als Daan, en dan zullen ze mijn been afzetten, en kan ik de rest van mijn leven op één been rondhinken."
Wij werden beangst door zijn spreken en vroegen hem, zijn verband eens af te doen, dat we zijn been bezien konden. Toen ik het zag, riep ik verlicht uit. "O, dat zijn de ontvellingen, dat ziet er altoos veel erger uit, dan 't is. Die heb ik ook gehad, op mijn armen."
"Ja," riep Lena, "en ik ook, kijk maar op m'n voorhoofd."
"Puh!" zei Alex. "Wat zou nu jelui gebeuzel over die ontvellinkjes te maken hebben met mijn been! Had ik den dokter maar laten roepen! Die meid denkt, dat ze heel knap is, maar zij maakt nog gehakt van me."
Wij konden niet helpen, dat we in den lach schoten, want dat zegt Mary altijd tegen tante, als ze niets weet voor 't middagmaal. "We zullen d'r maar gehakt van maken, juffrouw." Ze zou ons op die manier wel dag aan dag gehakt willen geven, als ze er ten minste vleesch voor krijgen kon.
"Het zal mij benieuwen, wat voor pijn Daan heeft," merkte ik op. "Wat een verschrikkelijke dag gisteren!"
"En daar was Andy de schuld van," mompelde Alex. "Als hij niet was weggeloopen, zou ik mijn been niet bezeerd hebben, en dan was ik met jelui naar den brand gegaan."
"En wat dan?" vroeg ik.
"Dan zou ik Daan hebben weerhouden van zijn dwaasheid, om een brandend huis binnen te rennen."
"Hij heeft den hond gered," zei ik. "Ik geloof, dat hij daarmee een goede en dappere daad verrichtte. Ik zou niet graag in zijn plaats zijn geweest, toen hij daar gereed stond, om van boven af te springen. O, wat was dat vreeselijk, om te zien. En dan die angst, om toch vooral op de matras te springen! En toch stond hij er zoo dapper en kalm bij. De lui uit 't dorp noemden hem een echten held!"
Alex zei niets meer. Wij droegen hem naar den tuin, waar hij in 't gras kon liggen, en wat met ons babbelen. Wat duurde die dag lang! Mary en Emma waren naar juffrouw Blatch gegaan, om naar Daan's toestand te informeeren; ze waren vreeselijk lang onder weg, omdat ze in 't dorp met iedereen gingen praten over de vreeselijke gebeurtenis. Juffrouw Ribbon vond, dat wij vader hadden moeten telegrafeeren over Daan; maar later zei ze weer, dat 't toch maar beter was, zooals we gedaan hadden want in een telegram kan je niet alles goed duidelijk maken.
Tegen den avond kregen we bezoek van Mevr. Rogers. Wat waren we blij, dat zij eens kwam kijken. Ik verbeeldde mij zelfs, dat ik er behoefte aan had, nu ook eens met groote menschen te praten. Zij wilde ook Daan gaarne zien, en bleef wachten, totdat dokter kwam. Ook wilde ze aan vader schrijven.
"Jelui moeten allemaal maar eens een heelen dag op de boerderij komen," zei ze, "dan kun je mijn man meteen weer eens wat opmonteren."
"Maar," merkte ik op, "wij hebben de laatste dagen niet anders gehad dan ongelukken; brand en dood en ziekte, zoodat we ons niet erg opgewekt gevoelen."
"Jawel kinderen, dat weet ik wel, maar we moeten nu niet alles van den zwarten kant bezien. Andy is weer terecht en niemand van jelui is levensgevaarlijk gewond bij den tuimel in de droge sloot. En Daan wordt alweer beter, en Zaterdag komt je vader weer thuis. Kom, kom!"
"O ik wou, dat u hier kondt komen en blijven, totdat vader weer thuis is!" riep ik zuchtend uit.
Maar Mevrouw zei, dat ze den kapitein niet alleen kon laten. We waren echt bedroefd, toen ze weer vertrok, maar wij beloofden haar toch, den volgenden dag op de boerderij te komen doorbrengen. Zoo geschiedde, en we hebben ons best vermaakt.
Intusschen kreeg ik een tweeden brief van vader, en Mary kreeg er ook een. Hij schreef, dat hij onmiddellijk naar huis had willen terugkeeren, doch dat hij eerst aan den dokter getelegrafeerd had, die hem berichtte, dat het niet noodig was, omdat Daan goed vooruitging. Verder schreef hij nog, dat hij zoo moeilijk vóór grootmoe's begrafenis kon wegkomen, omdat er nog zooveel te bespreken en te regelen was. En dan deelde vader ons mee, dat in plaats van tante Caroline, tante Marie Zaterdag met hem mee kwam. Dat was een blijde tijding voor ons! Tante Marie kan 't best geschiedenissen vertellen, beter dan wie ook. Als wij in den winter om 't gezellige haardvuur in 't schemerdonker zijn neergezeten, dan begint zij te vertellen van den burgeroorlog, die eeuwen geleden werd gevoerd. Zij vertelt ons van jongens en meisjes, die hun vaders in donkere kerkers opsloten, en waaruit ze dan weer door geheime gangen ontvluchtten. En ons hart beeft, en we houden onzen adem in, als ze vertelt van die ontvluchtingen, dat de menschen bijna weer werden gegrepen. De tijd vliegt om, en eer we 't weten, is 't bedtijd. Het is heerlijk, naar tante Marie te luisteren!
Langzaam herstelde Daan; toen vader en tante Marie thuis kwamen, kon hij nòg niet vervoerd worden; dat gebeurde pas drie weken later. Toen hij thuis kwam, zag hij er nog erg bleek en smalletjes uit; zijn arm droeg hij nog in een verband, en hij moest steeds nog in bed blijven.
![[Illustratie]](/illustrations/56504ab3778ee521.jpg)
Overdag gingen we veel bij zijn bed zitten, om hem op de een of andere manier gezellig bezig te houden. Den eenen keer deden wij spelletjes met hem, den anderen keer haalden wij acrobatische toeren voor hem uit. Alex beproefde, over een stok te loopen, dien hij tusschen twee stoelen gelegd had, of balanceerde een glas op z'n neus. De stok brak, en hij maakte een flinken smak. Gewoonlijk was Daan bij al deze uitvoeringen best in z'n schik, doch toen ik op een Zondagmiddag bij hem kwam zitten, vond ik hem heel ernstig.
Hij had het over mijn Zondagsschoolklas en zei: "Vader had toch wel gelijk, Griet, ik was er niet voor geschikt, die kleintjes te leeren. Ik had de taak van een dienstknecht op mij genomen, terwijl ik het nog niet eens was. Weet je wat ik dacht, toen ik daar in het venster stond te wachten op de ladder, en de vlammen reeds om mij heen lekten?"
"Neen," antwoordde ik, "ik wist wel, dat je aan iets dacht, je keek zoo ernstig en kalm. Hè, laten we daar maar niet meer over praten, 't was vreeselijk!"
"Maar ik wou er nu juist zoo graag eens over praten. Het waren de woorden van den ridder, die mij door het hoofd vlogen: Semper fidelis, semper paratus. En ik gevoelde, toen ik den dood voor mij had, dat ik niet paratus, niet bereid was. En bovendien, ik was niet fidelis, niet getrouw geweest."
"Maar je keek toch niets bevreesd," merkte ik op. "Ik dacht juist, dat je niet zag, hoe dicht het vuur al bij je was."
"Het staat niet dapper, om bang te zijn," zei Daan met z'n oude deftigheid; "het is niet in den vorm, om je gevoelens aan iedereen te openbaren." En hij vervolgde:
"Maar met dat al zat ik leelijk in de benauwdheid, en daar was reden voor, want ik was niet bereid om te sterven. Wat zou jij hebben gedaan, Griet?"
"Ik denk, dat ik het uitgegild zou hebben van angst," antwoordde ik. "Maar niet voor het sterven zou ik zoo bevreesd zijn geweest, doch voor 't vuur. Ik geloof, dat ik — ik aarzelde even verder te gaan, want ik vind het altijd moeilijk over mezelf te spreken — dat ik niet bang voor den dood zou geweest zijn, omdat alles daarna wel weer in orde zou gekomen zijn."
"Hoe weet je dat?"
"Dat staat in den Bijbel. Ik denk aan dat hoofdstuk over de schapen, en hoe Jezus daarvan zei: Ik geef hun het eeuwige leven, en nimmer zullen ze omkomen, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken."
"Jawel, maar hoe weet je nu, dat jij een van die schapen bent?"
Aarzelend antwoordde ik: "Hij stierf voor mij, Hij riep mij en ik ging tot Hem. Anders kan ik er niet van zeggen." Daan was even stil, en sprak toen:
"Ik wil ook zekerheid van mijzelf hebben, voor dat ik dit bed verlaat. Ik wil er zekerheid van hebben, dat, als ik plotseling den dood ontmoet, ik zoo gerust zal zijn, als kon het mij niets hinderen. Een mensch moet geen enkele oorzaak in zich hebben, om bevreesd te zijn. Ik zal paratus, bereid zijn om te sterven. Daar wil ik ernstig naar streven."
"Vader kan je daarin helpen," zei ik.
Verder spraken we niet over deze zaken, en enkele dagen daarna zei Daan tegen me: "Ik heb zekerheid nu. Of beter gezegd, God heeft mij die zekerheid gegeven. Ik heb er alle hoop op, dat ik nu nimmer meer bevreesd zal zijn voor den dood. En ik hoop ook, dat als ik paratus, bereid ben, ik dan ook in staat zal wezen, fidelis, getrouw te zijn."
Ik knikte even, en wij spraken er verder niet meer over. Toen Alex weer naar school ging, was Daan nog niet geheel hersteld. Lena en ik kregen nu les van tante Marie. Langzaam aan begon het buiten koud en nat te worden: de winter naderde, en onze kachels werden weer te voorschijn gehaald.
Als we niet buiten konden spelen, speelden we thuis veel verstoppertje en dan deed tante Marie ook mee. Ook ging zij wel met ons uit rijden in 't ezelkarretje, terwijl ook vader er af en toe al eens gebruik van maakte voor huisbezoek. Zoo begon Andy meer en meer nuttig te worden; hij bracht pakjes naar 't station, reed iedere week met mij en Annie Steel, en deed boodschappen in 't dorp. En eindelijk kon ook Daan z'n eersten rijtoer weer maken, waarna hij spoedig ook weer naar school ging.
Tante Marie veranderde de kooroefeningen van Zaterdag op Vrijdag, en dat vonden we heerlijk. Dan konden we den ganschen Zaterdag uitgaan. Regende het op Zaterdag, dan was het een allervervelendste dag. Den ganschen dag verveelden we ons dan, en meermalen werd hij besloten met een vechtpartij.
Verleden Zaterdag regende het den ganschen dag. Wij sloten ons 's morgens op in de leskamer, en bedachten allerlei raars. Alex vond, dat Andy nu toch wel eens wat kunstjes mocht leeren; 't moest zoo'n soort circusezel worden. Opzitten b.v., en aan een tafel eten, dansen op de maat der muziek, pianospelen met z'n hoeven, en meer van dat moois.
Wij staken de hoofden bijeen, bespraken fluisterend een plannetje, en Alex rende weg. Hij ging kijken of Andy in den stal was gebracht. Lena en ik gingen naar boven, naar onze "lorrendoos", dat was een doos, waar tante Caroline afgedragen kleeren in bewaarde. Wij vonden er een oude slaapmuts in, een lange blauwe jurk en een witten omslagdoek. We namen naald en draad, spelden en lint, en gingen weer naar beneden, nu naar de eetkamer; de leskamer was te hoog voor den ezel.
Tante Marie was uitgegaan, om met vader een zieke vrouw te bezoeken. Daan zette de staldeur open, en Lena en ik legden kranten op den grond, ingeval Andy vuil zou wezen. Maar Alex had vooraf zijn hoeven al geboend, zoodat Andy, met den halster om, in bijzonder goed humeur kwam aangestapt. Zoodra hij binnen was, sloten we de deur, om ongewenschte bezoekers buiten te laten.
![[Illustratie]](/illustrations/9356f6544bb8a21a.jpg)
Intusschen had Daan een bos wortels, dien hij van Baldwin had gekregen, gereed gelegd voor "de dressuur". De eetkamer leende zich daar heel goed voor, want als Andy lastig werd, konden we gauw de tuindeuren openen, en dan kon ie daardoor weer z'n stal bereiken. "Zie zoo," zei Daan, "laten we nu maar es beginnen!"
Andy kreeg de slaapmuts op z'n kop, de bandjes werden om z'n hals vastgebonden en hij keek zoo grappig, dat we 't allen uitbarstten van lachen. Vervolgens werd de blauwe jurk om z'n lijf geslagen en flink met touwen vastgesjord, en toen kwam 't moeilijkste nog aan. De witte omslagdoek werd in vieren geknipt, elk stuk om een zijner pooten gewonden en daarna aan de blauwe jurk vastgenaaid zoodat de vierpijpige broek niet kon afzakken. Alles ging goed; Andy keek wel wat vreemd om zich heen, maar hij bleef rustig.
![[Illustratie]](/illustrations/736a4a25823f5881.jpg)
Totdat Daan wilde beproeven hem te laten opzitten en pootjes geven. Daan had een wortel aan een stok gebonden, en hield hem nu heel hoog den ezel voor. Maar terwijl wij met alle moeite bezig waren, hem op z'n achterpooten te doen zitten, rukte hij zich plotseling los en begon de kamer rond te rennen. Onmiddellijk gooiden we de tuindeuren open, en hij vloog er uit. Het regende hard, maar Daan en Alex holden hem na. En nu had die domme Baldwin het hek open laten staan! Natuurlijk rende Andy er door, en holde het dorp in! Daan zei later, dat hij haast niet meer had kunnen loopen van 't lachen, zoo koddig als Andy er uit zag in z'n galakleed. Enkele menschen, die van hun werk kwamen, konden van 't lachen ook al geen hand uitsteken, en zoo rende ons ezeltje maar voort.
Toen vader en tante thuis kwamen, vroegen zij ons, waar de jongens waren; wij vertelden hun alles, en vader was erg boos. Als Andy weer thuis kwam zou hij hem onmiddellijk wegsturen. Tante schudde van 't lachen. Kort na 't middageten kwamen de jongens terug; ze waren Andy weer kwijt, ze hadden hem niet kunnen vinden. Maar vader zei ernstig: "Jelui moet dan maar weer op pad gaan, en net zoo lang zoeken, tot je hem vindt. Jelui verdiende, dat ie nooit terugkwam."
Nu, dat leek den jongens wel, om er weer opuit te gaan. Ze bleven nu weg tot theetijd, maar .... hadden Andy nog niet ontdekt! Vader zond Daan regelrecht naar bed, en vroeg tante, hem wat warms te drinken te geven, want hij was na dien brand nog niet geheel de oude.
Het werd nacht en het werd Zondag en het werd Maandag: geen Andy te zien. Dien Zondagmorgen was Mevrouw Rogers in de kerk, en wij vertelden haar alles. En zij vertelde ons, dat zij spoedig de boerderij zouden verlaten, om naar Londen terug te keeren. Wat speet ons dat! Wij hielden allen zoo van den kapitein, en gingen zoo vaak op de boerderij spelen.
"Heusch, ik weet niet wat wij moeten aanvangen zonder jelui," zei Mevrouw. "Wij houden zoo van jelui en van dien armen Andy."
En ik pruilde: "Altijd moet ons wat naars overkomen. Nauwelijks hebben we een week, dat er niet wat droevigs geschiedt."
Zij lachte en sprak: "Ik zou er alles voor over hebben, om jelui narigheid te besparen."
Toen zij was vertrokken, voelde ik mij droef te moede. Het leelijke is, dat de dingen die wij doen, pas verkeerd lijken als ze gedaan zijn; ik dacht niet dat het verkeerd was, Andy te dresseeren, maar nu blijkt het, want wij hebben hem verloren, door dat te doen.
HOOFDSTUK XV.
Den Maandag daarna plakten we weer een briefje op den mijlpaal, waarop deze woorden:
"Verloren, verdwaald of gestolen: Een zwarte ezel. 't Laatst gezien in blauwe jurk, wit-zwarte broek en witte slaapmuts. Luistert naar den naam van Andy. Wie hem aan de pastorie te Warlington brengt, krijgt een flinke belooning."
Vader vond, dat Daan beter gedaan had, met even aan te loopen bij den veldwachter, om hem een en ander mee te deelen. Na de lessen ging tante Marie met Lena en mij aan den wandel, terwijl we iedereen, dien we tegenkwamen vroegen, of hij Andy niet gezien had. Maar niemand wist er wat van. Teleurgesteld en weinig hoopvol kwamen we weer thuis, en toen de jongens uit school thuis kwamen, ook al uit hun humeur, was 't één groote treurpartij.
Nijdig zei Alex: "Als die veldwachter hem niet weet uit te vinden, dan gaat z'n hoofd eraf."
"Wat wou hij doen?" vroeg ik.
"Moet je hooren, hij praatte eerst, alsof Andy een meneer was. Hij vroeg of ie een ring droeg, of z'n zakdoek geparfumeerd en wie z'n barbier was. Toen heeft Daan 'm gezegd, dat dat zijn zaken waren, om uit te visschen, en dat hij, als hij den ezel niet vond, geen knip voor z'n neus waard was." "Ik vrees," hernam ik beklemd, "dat Andy een ongeluk is overkomen; misschien is die jurk wel om z'n nek geschoven en heeft ie zich geworgd, misschien is ie wel over die lange broekspijpen gestruikeld en in een gracht getuimeld. Ik geloof niet meer, dat hij leeft."
"Goed, maar dan is z'n lichaam toch nog ergens te vinden! Zoo klein was ie toch niet!"
"Ik vermoed," zei Lena half-huilend, "dat ie zich half dood gejaagd heeft, en toen in de struiken gekropen is, om daar te sterven. Arme Andy!"
Toen ik een dergelijke veronderstelling maakte, waarbij ik een soortgelijk gezicht trok, schoten de jongens in den lach. Maar dat duurde niet lang, en spoedig zaten we allemaal weer in zak en asch.
De dagen gingen treurig voorbij. Op een Dinsdag ontmoette ik kapitein Rogers, en vertelde hem van onze ellende. "Kom, kom!" riep hij uit, "ezels en honden komen altijd weer terug."
"Ja," zei ik, "maar morgen is 't al Woensdag, en dan rekent Annie er op, om met hem uit rijden te gaan. Nog niet één keer heb ik haar overgeslagen, maar nu weet ik heusch niet, wat ik met haar beginnen moet. En als Andy voor altoos weg is, zal zij nooit meer met hem kunnen rijden. O, het is verschrikkelijk!" Ik trachtte mijn tranen in te houden, maar 't lukte niet.
"Hoor es hier, beste meid," zei kapitein Rogers, "a.s. Maandag vertrek ik van hier. Hoe zou je er over denken, je kleine patient in mijn rijstoel mede te nemen? Hij rijdt o zoo licht, je zoudt hem zelf best kunnen voortduwen. Ik zal hem dan aan jelui huis laten brengen en dan kun je elken Woensdag het arme kind erin rondrijden."
Ik deed een sprong van blijdschap en bedankte hem driemaal. "Ik was zoo bang, dat ze nu nooit meer naar buiten zou kunnen, en nu kan ik haar gaan zeggen, dat ze Maandag weer kan rijden. O, wat vind ik dat vriendelijk van u, meneer, maar het spijt me zoo, dat u ons verlaten gaat. Wij houden allemaal zoo van u."
![[Illustratie]](/illustrations/739b76d9945898c9.jpg)
"Ja kind, het gaat mij evenzoo," zei hij lachend, "en ik hoop, dat je mij eens schrijven zult, Grietje, al is 't maar eens in de maand. Of kun je niet es een mooi boek schrijven en het mij sturen, als 't klaar is? Een dagboek bijvoorbeeld?"
"Nu," antwoordde ik, "ik zal hier spoedig een einde aan maken, en dan aan deel II beginnen. Zoudt u 't werkelijk graag eens lezen?"
"Ja, heusch."
"Maar ik vrees," hernam ik spijtig, "dat het een heel treurig slot zal worden, want alles gaat tegenwoordig verkeerd. U gaat weg, en Andy is weg, en de winter komt, en het doet niets dan regenen. Als we veel thuis moeten zitten, vervelen we ons en dan gaan we verkeerde dingen bedenken. Zelfs tante Marie speelt tegenwoordig niet zooveel meer met ons, zij heeft het te druk met ziekenbezoek."
"Nu, in elk geval houd ik je aan je belofte, om mij je boek te zenden, als 't klaar is."
"Ja, dat zal ik doen. En hoort u es, kapitein, zoudt u 't goed vinden, als ik uw rijstoel ook nog voor andere doeleinden gebruikte dan voor Annie? Ziet u, ik breng soms boodschappen van onze dorpsgenooten naar Cross Glen, ik ben dan zoo'n soort vrachtrijdster."
"Maar hoe ter wereld kom je dáár nu toch bij?"
"Och, daar houd ik van. Vader zegt, je moet nooit iets beginnen, of je moet er een nuttige oorzaak voor hebben. En vindt u dat dan geen nuttige zaak?"
"Wat voor oorzaak hadt je daar dan voor?"
Ik wou het hem eerst niet zeggen, maar dat leek me toch weer laf ook, en ik antwoordde: "Ik wil graag een dienstmaagd van Jezus Christus zijn, Die gezegd heeft: Ga en help uw naasten. Dus dan heb ik te gaan. Dat noem ik mijn gaan." Kapitein Rogers lachte niet, moedigde mij aan, meer ervan te vertellen, en ik vervolgde: "Ik geloof, dat ik mijn gaan beter waarneem dan mijn doen. Thuis moet ik tante Marie helpen, kousen stoppen, enz., en dat gebeurt haast nooit met graagte. Heb ik u niet eens verteld van die woorden op de graftombe van den ridder in onze kerk: Semper fidelis, semper paratus? Hij was een uitnemend dienstknecht, en ik wenschte te zijn als hij."
"Juist," zei de kapitein, terwijl hij mij ernstig aankeek, "en daar zul je zeker in slagen. Maar kind, ik moet weg. Vaarwel hoor! Ik zal je den rijstoel zenden. En Zaterdag moet jelui allemaal bij mij op een afscheidsfeest komen. Ik zal een deftige uitnoodiging zenden."
Verheugd riep ik uit: "Dat 's heerlijk!" Toen ging ik regelrecht naar Annie en vertelde haar alles van ons verdwenen ezeltje en van den rijstoel. Zij had reeds van Andy's vlucht gehoord, en had ook reeds verwacht, dat het rijden nu wel uit zou zijn; maar ik had haar betere dingen te beloven. Dien middag bleef ik meteen maar bij haar en gaf haar les in 't lezen. Op Zaterdagmorgen gingen we allen op pad om nog eens een onderzoekingstocht naar Andy te doen. Puf ging niet mee, om niet vermoeid te zijn vóór de partij bij kapitein Rogers. De kapitein had ons genoodigd om 3 uur.
![[Illustratie]](/illustrations/40ddb4281d427bd5.jpg)
Toen we aan den kruisweg kwamen, stelde Daan voor, dat we ieder een weg zouden inslaan, en dien zoo ver mogelijk oploopen. Mij leek het plan niet goed; Lena zou zoo ver toch niet kunnen loopen. Toen haalde Daan een kaart uit z'n zak. "Kijk hier," zei hij, "al die wegen hier leiden naar een dorp of stad; als we nu de volgens deze kaart dichtsbij gelegen plaats nemen, kunnen we daarheen wandelen." Na een langdurige studie op, en breedvoerig debat over de kaart, werd besloten, naar de stad Rockwell te loopen, die op 5 mijlen afstands was gelegen. Aldus geschiedde.
Al wandelend, bespraken we verdere plannen. Daan vond, dat we nu den volgenden Zaterdag weer een andere plaats in een andere richting nemen moesten. We zullen zoowat drie mijlen geloopen hebben, toen Alex in een heg klom, om eenige braambessen te plukken. Terwijl hij daarmee bezig was, gaf hij eensklaps een schreeuw, die ons allen op hem deed toeloopen. Daar in de sloot, bijna verborgen onder doode takken lag een stuk zwart-wit omslagdoek!
![[Illustratie]](/illustrations/e240827251aca28a.jpg)
We haalden den lap er dadelijk onderuit, en jawel, het waren de vier broekspijpen, nog met mijn garen erin! We keken elkaar verstomd aan, niet wetend wat we doen moesten: verheugd zijn of huilen! "Nu hebben we eindelijk z'n spoor!" riep Daan uit.
"Laten we dan es even gaan zitten, en overdenken, wat we nu doen moeten," stelde ik voor.
"De vraag is: hoe komen die lappen daar," zei Alex.
"Misschien," zei Lena en bibberde van angst, hoewel 't klaarlichte dag was, "misschien is ie een moordenaar tegengekomen, die z'n kleeren wou hebben, en heeft die hem vermoord en hier ergens begraven."
"Ja, en toen zal Andy in z'n laatsten doodstrijd die broekspijpen hebben losgescheurd," zei Daan, "en toen is de moordenaar, gekleed in blauwe jurk en slaapmuts, heen-gewandeld. Dat is wel een aannemelijke voorstelling."
"Ik geloof niet, dat Andy zelf die broekspijpen kon afscheuren," merkte ik op, "daar heb ik ze veel te stevig voor vastgenaaid. Bovendien, kijk hier, ze zijn afgesneden."
Daan bekeek het afgesneden stuk met detective-oogen en zei toen plechtig: "Ja, dat is ook een verschijnsel, waar we terdege op moeten letten. Het is inderdaad het werk van een mes, dat we hier voor ons hebben."
"En als er een mes is," besloot Alex, "dan moet er ook een man in 't spel zijn."
Waarop ik half-wanhopig uitriep: "Hij is zeker gestolen! Nu moeten we 't spoor van den dief uitvinden!" Ik sprong op en wilde dadelijk maar weer verder. Doch de jongens hadden er nog geen plan op. Zij doorzochten nog eens nauwkeurig de sloot, zij klommen weer over de heg, en zie, eensklaps vonden ze een stuk oranjeschil.
"Zie hier," zei Daan, "nu kunnen we er zeker van zijn, dat hier een landlooper of zoo geweest is, die Andy heeft meegenomen. Alleen zulke lui eten oranje-appels."
Ik was het niet met Daan eens, maar Alex wilde voortmaken en zei: "Toe, laten we nu verder gaan. Wij weten nu in elk geval, dat Andy hierlangs is gekomen. Ik geloof zeker, als we nu dezen weg volgen naar Rockwell we hem nog wel zullen vinden."
![[Illustratie]](/illustrations/6353aae9b6f696b8.jpg)
Met nieuwen moed gingen we weer op pad. Toen we te Rockwell aankwamen, waren we allen vermoeid. Het was een flink dorp, met wel tien winkels in de hoofdstraat. We gingen een melksalon binnen en dronken limonade; meteen vroegen we aan de vrouw, die ons bediende, of er ook iemand in de buurt ezels op na hield. Het scheen een domme vrouw; eindelijk begreep ze ons en vertelde, dat de dominee er een had, een heel oude; in de 40 jaren, dat ze daar woonde, had ze nooit een anderen ezel gezien.
Daar schoten we dus weinig mee op, en we gingen weer verder. Daan ontdekte het bureau van politie, waar hij lange onderhandelingen voerde met een agent. Deze schreef alles op, wij gaven onze namen en adres op en toen ging 't weer verder. Nog niet tevreden, gingen we alle vier in verschillende richtingen nog even het dorp door, en kwamen na een kwartier weer in den melksalon bijeen. Iedere man, vrouw, jongen of meisje, die we tegenkwamen, werd gevraagd, of ze ook een zwarten ezel gezien hadden. Ik was eerst wel wat verlegen, om iedereen zoo maar aan te spreken, maar ik deed het ten slotte zoo beleefd mogelijk: "Och, neem u me niet kwalijk, hebt u soms kort geleden een zwarten ezel gezien? Een week geleden hebben we hem verloren, en hij is hierlangs gekomen."
Soms keken de lui ons verbaasd aan, soms ook lachten ze hartelijk. Eén keer zei een ruwe jongen: "Ja, als je naar huis gaat, en je kijkt in den spiegel, dan zul je een zwarten ezel met rood haar zien." Dat sloeg op mij, want ik draag na grootmoe's overlijden zwarte kleeren. Maar geen onzer kreeg een bevredigend antwoord.
En zoo werd de terugreis weer ondernomen, in een ver van prettige stemming. Toen we thuis kwamen en de vier broekspijpen op de tafel uitlegden, schoot tante Marie erg in den lach, hetgeen Daan zeer verstoord deed opmerken: "Het moge voor u, tante, een blijspel wezen, voor ons is het een treurspel." Toen vroeg ze ons vergiffenis voor haar lachbui.
Werkelijk, het wàs een treurspel; hoewel we niettemin naar het thee-partijtje van kapitein Rogers gingen en er volop pret hadden, hing het verlies van Andy ons als een donkere wolk boven het hoofd. Of, zooals Alex het uitdrukte: "Het is erger dan de dood, want het is een niet-eindige onzekerheid." Bovendien was het verlies dubbel hard, omdat we het onszelf te wijten hadden. De arme Andy was altoos geduldig en lijdzaam geweest, zoolang we hem hadden. Of wij al elken dag met hem reden, hij klaagde nooit. Maar toen we hem gingen uitdossen met een slaapmuts en een blauwe jurk, en toen we hem wilden doen opzitten en pootjes geven, toen had hij er genoeg van en ging er vandoor; ik geloof heusch, dat hij bepaald bedoeld heeft, ons te verlaten en nooit terug te keeren.
En nu kwam nog de treurigheid van het vertrek van kapitein en Mevrouw Rogers. Van andere groote menschen dan hen hielden we niet. Ik ben beslist van plan, den kapitein dit boek te sturen, als het af is; hij heeft gezegd, dat hij probeeren wil, het voor mij te laten drukken. Maar nu moet ik zien, dat het boek wat vroolijker eindigt, dat hoort bij een goed boek. Boeken met een treurig einde vind ik verschrikkelijk; als er verteld wordt van kinderen, dan gaat gewoonlijk de liefste van hen dood.
En dat is vreemd, want de Bijbel zegt ons, dat het niet zoo vreeselijk is om te sterven; het is "verre te verkiezen". En de hemel is een heerlijke plaats, onze kerkliederen zingen daarvan. Maar mij maakt een verhaal over 't sterven van kinderen altoos verdrietig, tot schreiens toe. Ik weet dat nog best uit de dagen, dat Daan ziek was; o, als er toen een van ons gestorven was, zelfs al waren we er bereid voor geweest, ik had het niet uitgehouden. Ik geloof wel, dat moeder blij zou wezen, als ze ons weerzag. Voor hen, die heengaan is het ook zoo erg niet, maar voor hen, die achterblijven, is het zoo vreeselijk.
Den volgenden Maandag ging ik naar Annie en reed haar in den rijstoel. Wij brachten meteen een paar pakjes voor juffrouw Ribbon weg, omdat Tom met een zeeren voet te bed lag. Ik kreeg steeds meer te doen met Annie; zij scheen veel last van de kou te hebben en ik ben er zeker van, dat ze geen kleeren genoeg had; haar grootouders zijn ook zoo arm. Ik sprak er met tante Marie over en die opperde het denkbeeld, dat Lena en ik een wollen jurk en een dikken rok voor haar zouden maken, om die dan als kerstgeschenk te geven. Ik voelde er niet heel veel voor, omdat ik niet van zulk werk houd, maar bij de gedachte aan Annie joeg ik die leelijke luiheid op de vlucht en beloofde tante, er onverwijld aan te zullen beginnen. Tante vond 't best, dat we er 's avonds na de thee aan werkten, dan zou ze ons komen helpen, en tegelijk geschiedenissen vertellen. Nu, dat leek mij, en gelukkig Lena ook; gisteravond zijn we eraan begonnen. Ook de jongens zaten erbij; terwijl ze bezig waren met het roosteren van kastanjes. "Ik zie niet in, waarom jongens ook niet zouden kunnen naaien," zei Lena. "Als ik jongens had, dan liet ik ze hun eigen kleeren maken. Waarom moeten dat altijd hun moeders en zusters en tantes doen?"
"Als ik meisjes had," zei Alex, die bijzonder van redetwisten houdt, "dan zou ik ze de deur uit sturen, om hun eigen brood te verdienen. Waarom moeten hun vaders en broeders en ooms ze altijd thuis houden voor een oortje?"
"Wel," zei tante, "de wereld is tegenwoordig erg aan 't veranderen. Tegenwoordig verdienen meisjes ook al buitenshuis. Maar ik denk, dat jelui vader nog van de ouderwetsche leer is, dat wij vrouwen thuis behooren te blijven en naaien, terwijl de jongens zich moeten bekwamen, om later geld voor ons te verdienen. Maar wat zal ik jelui nu eens vertellen?"
"Iets over tooverpaleizen!" vroeg Puf.
"Gevechten en ontvluchtingen," stelden Daan en Alex voor.
"Een prinses in de gevangenis," vroeg Lena.
"Zoudt u ons niet eens kunnen vertellen van dien ridder in onze kerk?" vroeg ik.
"Semper fidelis, semper paratus," zei tante Marie nadenkend. "Jawel, dat kan wel."
Wij wilden allemaal die geschiedenis wel graag eens hooren. Maar tante Marie wilde eerst vijf minuten hebben, om zich te bedenken; terwijl rustten Lena en ik even uit van ons naaiwerk. Even liepen we naar de kachel, en aten wat van de kastanjes. Heerlijk brandde het vuur, en wij gevoelden ons allen zóó prettig en gezellig thuis, dat we onwillekeurig weer aan Andy moesten denken, die daar buiten in regen en wind liep te dolen, of afgejakkerd werd door een dronken landlooper.
![[Illustratie]](/illustrations/788ab058d1481657.jpg)
"Was hij maar weer hier!" zuchtte Lena. "Dat kan niet," zei Alex. "Hè, wat is het toch een ellendige zaak. Daar hebben we nu een kar, en een zadel, en mooi tuig, en niet eens een ezel, om ze te gebruiken."
"God weet, waar ie is," riep Puf eensklaps uit. "Ik verwacht hem spoedig hier. God heeft mij vanmorgen gezegd, dat Hij hem de volgende week thuis zou sturen, als ik goed oppaste."
Wij lachten niet om Puf. Waarom zou God ook zijn gebedje niet verhooren? Ik geloof, dat hij grooter geloof heeft dan wij.
Nadat het kastanje-maal was verorberd, verklaarde tante zich gereed om te beginnen. Terwijl ze bezig was met het stoppen van Daan's kousen, begon ze het verhaal, dat ik in het volgende hoofdstuk heb oververteld.
HOOFDSTUK XVI
HET VERHAAL VAN ONZEN RIDDER
"Lang geleden leefde er een ridder, Sir Roger Dereker geheeten. Reeds van zijn veertiende jaar af was hij met z'n koning op het oorlogspad, daar hij 's konings page was. Hij was de dapperste der ridders aan 's konings hof; vrees scheen hij niet te kennen, en iedereen, die hem kende, hield van hem.
![[Illustratie]](/illustrations/ddc8142165d9e9b6.jpg)
Wel was hij dapper en streng, maar jegens vrouwen en kinderen was hij de zachtheid zelve; wie hem om hulp vroeg, ging nooit teleurgesteld heen.
Hij woonde in een groot kasteel, dicht bij den koning en had een jonge vrouw, die hij innig lief had...."
"O tante!" riep ik uit, "dan moet u ons eerst vertellen, hoe hij haar kreeg. Toe, dat moet u vooral heelemaal vertellen!"
"Wel, op een bitter-kouden winteravond reed hij, met z'n page bij zich, naar huis.
![[Illustratie]](/illustrations/7309e66ec6fd6d08.jpg)
Regen en wind stormden hem tegemoet, en zijn handen waren zóó koud, dat hij nauwelijks meer de teugels kon vasthouden; z'n paard, een goed dier, kon slechts stapvoets gaan, daar zij door een zeer donker bosch reden, dat vol struikgewas stond. Eensklaps hoorde hij een gekraak in de struiken achter zich, en geen seconde later verscheen voor zijn verbaasde blikken een wit paard, dat als dol voortrende, en op welks rug hij de gedaante van een vrouw ontwaarde. Zij was geheel gewikkeld in een donkerblauw kleed, en scheen tevergeefs te trachten haar paard tot staan te brengen.
"Er achteraan!" riep Roger zijn page toe. "Zij wordt tegen haar wil ontvoerd!"
Hij gaf ook z'n eigen paard de sporen, en beiden joegen ze het witte paard na, totdat ze aan den rand van het bosch kwamen. Er lag daar een groote open vlakte voor hen, en heel in de verte zagen ze de lichtjes van 's ridders kasteel. Het paard met de dame was zóó snel over de vlakte gerend, dat zij haar pas inhaalden vóór de valdeur van 't kasteel. Met schuim bedekt, stond daar het paard stil; de dame was buiten adem en uitgeput van inspanning. Sir Roger reed op haar toe en begroette haar.
"Mevrouw, het is een verschrikkelijke avond, en u is hier voor mijn deur, die altoos open staat voor wie in nood verkeert. Wilt u mij het genoegen doen, van mijn gastvrijheid gebruik te maken?"
De dame wikkelde zich dichter in haar rijkleed en sprak zoo zacht mogelijk: "Ik ben u zeer dankbaar. Ik ben zeer ver van huis en inderdaad in nood. Waar mijn bedienden zijn, ik weet het niet. Men vervolgt mij; iemand heeft mijn vader vermoord en ons huis verbrand. Ik heb hulp noodig."
Sir Roger blies op zijn hoorn; de valdeur werd opgetrokken en nauwelijks waren zij binnengereden, of met vreeselijk geweld beukte iemand op de poort, met woedende stem uitroepende: "Die dame behoort mij. Zij is mijn beloofde vrouw!"
Sir Roger verwaardigde zich niet, een antwoord te geven. Hij bracht zijn bezoekster naar de appartementen van zijn moeder, en zag haar niet vóór het avondeten.
Haar vervolger trok na nog eenig gebeuk op de poort onverrichterzake af. Toen Sir Roger zijn gast bij het avondeten ontmoette, was hij verrast door haar schoonheid.
![[Illustratie]](/illustrations/5c974381bbbf46c6.jpg)
Zij scheen nog jong en droeg een wit, met goud-borduursel omzoomd kleed. Dichte strengen donkerbruin haar golfden om haar bleek gelaat; diep-blauwe oogen keken hem aan met een uitdrukking van onschuld en reinheid; toen ze hem aankeek, vloog een lichte blos over haar wangen. Zwijgend nam ze haar zetel aan tafel in, en toen de maaltijd ten einde was, ging hij met haar naar zijn eigen kamer, waar zij hem haar geschiedenis vertelde.
Met oogen vol tranen vertelde ze, hoe haar vader gevallen was in een gevecht met zijn aartsvijand, Baron Dacre, die haar hand had gevraagd, en was afgewezen. Zij vertelde hem, hoe de baron door het verraad van een der bedienden den toegang tot hun tuin vond, waar een vreeselijk gevecht plaats had. En toen eindelijk ook hun huis in vlammen opging, was ze op haar schimmel gevlucht, achtervolgd door den baron en z'n handlangers.
Terwijl ze hem dankbaar aankeek, zei ze: "Hoe zal ik u naar waarde danken voor wat ge deedt aan een meisje, dat thans wees is, en alleen staat."
En het ernstige antwoord van Sir Roger was: "Als u mij het recht geeft, u voortaan te blijven beschermen en helpen." Zoo kreeg hij z'n bruid."
Wij klapten allen in onze handen van blijdschap, waarna tante vervolgde:
"Er kwamen moeilijke tijden voor onzen dapperen ridder. Zijn koning was omringd van onbetrouwbare hovelingen. En diezelfde Baron Dacre liet hem niet met rust, verzamelde zich ontevreden mannen, en een burgeroorlog was 't gevolg.
Op den avond van Sir Roger's huwelijk met Gravin Gwendolina kwam een renbode aan zijn poort, om hem tot den oorlog op te roepen. Roger scheurde zich los van zijn jonge vrouw, en toen zij even haar bekommering daarover uitsprak, zei hij: "Lieve, ik ben aan mijn koning verbonden met mijn eerewoord en mannentrouw. Desniettemin bemin ik jou evenzeer. Maar ik mag mijn riddereer niet aanranden, door hem te verlaten, als hij mijn diensten vraagt."
Zoo reed hij heen, en bleef vier lange maanden weg. Toen keerde hij terug, bedekt met wonden, maar ook beladen met roem.
Eenigen tijd leefde hij nu rustig thuis, doch op zekeren dag werd zijn kasteel overvallen door Baron Dacre en een troep handlangers, tegen wie hij een harden kamp te strijden had, om zijn bezittingen te behouden. Middenin het gevecht kwam een renbode op het kasteel door de geheime onderaardsche gang, die een mijl lang was en midden in het bosch uitkwam. Hij had opdracht van den koning, om Sir Roger tot een samenspreking op te roepen. Eén oogenblik aarzelde de dappere Roger; hij wist, dat als hij heenging, zijn huis zou verwoest worden. Hij keek zijn vrouw angstig aan en sprak: "Lieve, ik moet naar den koning, hij laat mij roepen." Zij sprong overeind als door een plotseling besluit aangegrepen: "En ik zal met je trouwe dienaren het huis verdedigen, totdat je terugkomt."
"Bravo!" schreeuwde Daan ertusschen in.
Sir Roger gespte z'n zwaard aan en vertrok met den renbode door de onderaardsche gang. Hij had vooraf aan zijn vrouw gezegd, dat, als het haar te benauwd werd, zij daar ook in moest vluchten; aan het eind zou zij wel een verblijfplaats vinden, waar zij veilig zijn komst kon afwachten.
Bij den koning gekomen, vond hij dezen omringd van zijn edelen, sprekende over een belangrijke zaak, waarover de koning ook Roger's meening wilde hooren. Sir Roger gaf zijn oordeel over de zaak te kennen, en toen de koning zijn oogen opsloeg en naar buiten keek, zag hij boven Roger's kasteel zware rookwolken opstijgen. Hij vroeg naar de oorzaak ervan; toen rees Roger op en sprak met van aandoening trillende stem:
"Sire, dat is mijn kasteel; in mijn afwezigheid heeft mijn vijand het verwoest."
"Wist gij dit, voor ge hier kwaamt?"
"Midden in het gevecht kwam uw boodschapper."
"En liet ge toen uw vrouw alleen achter in zoo groot gevaar?"
"Zij zou het zoo goed als zij kon verdedigen, en ik zei haar, te gaan vluchten, zoodra haar leven dreigde gevaar te loopen."
"Sir Roger," zei de koning, "dezen avond zal ik nimmer vergeten. Ga nu heen, en moge God uw dappere vrouw van den dood hebben gered."
Dadelijk verliet de ridder het paleis, en vond zijn vrouw in den geheimen kelder, omgeven van enkele gewonde getrouwen. Doch toen haar man haar in zijn armen drukte, zeeg ze als dood terneer. Hij ontdekte, dat een pijl haar linkerarm had doorboord, en haar ontzettende pijnen had veroorzaakt.
"O tante, laat haar niet sterven," riep ik uit.
Lang duurde het, eer de ridder weer een goed kasteel had, doch de koning schonk hem er een, nog grooter dan wat hij bezeten had. Zoo gingen de jaren voorbij. Hij had inmiddels een zoontje gekregen, dat de vreugde van z'n leven was; ook zijn kind wilde hij eens zien dienen in de gelederen van zijn koning.
Toen op zekeren dag Sir Roger met zijn mannen terugkeerde van een gevecht in het buitenland, bracht hij de vreeselijke ziekte, zwarte pest geheeten, in zijn kasteel over. Eerst werd één bediende ziek, toen een tweede, spoedig tastte de ziekte ook zijn gade en zijn zoontje aan. De ridder zonk op z'n knieën en smeekte God om uitredding.
Juist op dit oogenblik verscheen weer een boodschapper van den koning, die hem opdroeg, zijn koning te vergezellen op een veldtocht naar een ver land. De ridder liet niet den minsten angst blijken; hij verliet vrouw en kind, en pas na twee weken vernam de koning zijn toestand. Een harde strijd stond hem te wachten. Sir Roger redde op het meest spannende oogenblik des konings leven, en daardoor wist hij een dreigende nederlaag om te zetten in een prachtige overwinning. Zelf echter werd hij gewond, en toen het gevecht geëindigd was, sprak hij tot zijn page:
"Vervoer mij naar huis; mogelijk zijn mijn vrouw en kind nog hersteld. Ik zou ze nog zoo gaarne zien, vóór ik sterf."
![[Illustratie]](/illustrations/09b0f7bfe864b11f.jpg)
Men vervoerde hem naar huis, en wonder boven wonder kwam hij er nog levend aan. Toen hij de hal binnengedragen werd, waren daar zijn vrouw en kind, die hem met open armen verwelkomden. Dank zij een ervaren kruidenlezer, waren zij geheel hersteld.
Weken lang lag de arme ridder tusschen leven en dood. Wel werd hij eindelijk iets beter, maar zijn gezondheid was voorgoed geschokt en zijn kracht was weg. Nog enkele jaren leefde hij gelukkig, en zag zijn zoontje opgroeien tot een dapper soldaat.
Toen, op een stormachtiger avond, hoorde hij aan zijn deur kloppen. Verouderd en vermagerd als hij was, strompelde hij naar de deur. Het was zijn koning! En opgewonden riep hij uit: "Laat mij hem waardig ontvangen en de eer geven, die hem toekomt!"
Zijn bedienden trachtten hem uit de koude voorhal terug te dringen, maar hij wilde erheen. "Mijn koning! Mijn koning!"
De koning was verraden, en vluchtte nu, om zijn leven te redden. Hij wist, dat er één onderdaan was, die hem van harte zou ontvangen, en daarom was hij naar Sir Roger gevlucht. Toen de ridder hem in zijn goed verwarmde kamer had genoodigd, viel hij zijn koning te voet.
"O, sire! Ik heb wel gedroomd van deze eer, maar nooit had ik durven denken, dat ze mij te beurt zou vallen. Wees welkom binnen deze woning, die immers de uwe is, wijl ze aan uw nederigen onderdaan toebehoort; al wat hij bezit, bezit ook zijn koning!"
Toen de koning zich neerbukte, om zijn trouwen dienaar op te richten, zag hij met grooten schrik, dat hij dood was neergezegen. 't Waren zijn laatste woorden geweest, en zijn laatste gedachte was een gedachte van trouw en aanhankelijkheid voor zijn koninklijken meester.
Toen besloot de koning, dat op het wapen der Derekers voor altoos zou gegrift staan: "Semper fidelis, semper paratus"."
![[Illustratie]](/illustrations/954e6753708c07b6.jpg)
Toen tante Marie haar verhaal had geëindigd, waren we eenige oogenblikken stil. Mijn hart klopte van de inspanning van 't luisteren.
Daan en Alex riepen als uit één mond: "Hè, leefden we nog maar in die tijden!" Lena schreide en zei: "Arme ridder, de koning had hem moeten omarmen en kussen!"
Ik kon geen woord uitbrengen. Tante Marie keek me strak aan en vroeg: "Vindt je 't mooi, Griet?"
Ik knikte en zei even later zacht: "Wij moeten evenzoo worden, en ik zal het beproeven," "En ik ook," zei Daan, mij ernstig aankijkend. Wij begrepen elkaar. Tante Marie zegt nooit iets over de moraal [1] van haar geschiedenissen, daarom houden we er zoo van. Dat moeten we zelf maar uitmaken. Ik was zóó van het verhaal onder den indruk, dat ik mijn werk neerlei, de kamer verliet, en naar m'n slaapkamer ging. Daar viel ik op m'n knieën, en sprak tot mijn Koning. En Hem bad ik, dat Hij mij, door voor- en tegenspoed heen, een trouwe dienstmaagd wilde maken. En ik meende oprecht, wat ik bad.
Ook Daan had tante's verhaal gepakt. Toen ik den volgenden dag — Zaterdag — de kerk binnenging, om vaders toga te halen, die versteld moest worden, vond ik tot mijn verbazing Daan geknield liggen bij de graftombe van den ridder. Hij sprong op, alsof hij gestoken was, maar ik deed net, of ik hem niet bemerkt had. Ik liep op de graftombe toe, en beschouwde het beeld van den ridder.
Om maar wat te zeggen, zei ik tot Daan: "Was je bezig om te vergelijken, of hij goed lijkt op den ridder van tante Marie?"
Langzaam antwoordde hij: "Ik was bezig een belofte af te leggen." Belangstellend vroeg ik hem: "Toe, zeg mij, welke, ik zal het niemand vertellen."
Hij wees naar het motto op het schild. "Ik heb beloofd, zoo te zullen worden en God zal mij helpen." Dadelijk daarna liep hij de kerk uit. Ik was besloten, niet bij hem achter te blijven. Weer knielde ik neer, gelijk den vorigen avond, en in weinige woorden deed ik een belofte gelijk de zijne. Toen stond ik op en ging welgemoed heen; ik voelde mij als tot alles bekwaam.
![[Illustratie]](/illustrations/6635f8662fcd4cf4.jpg)
Inmiddels begonnen de toebereidselen voor het Kerstfeest. Elken dag nog hoopten wij wat van Andy te zullen hooren, maar er kwam geen tijding en we bleven hem zeer missen. Vader meende zeker, dat hij was gestolen. Toen wij op zekeren avond bij elkaar zaten — Lena en ik bezig aan kleeren voor Annie, en de jongens met het maken van Kerstkaarten — teekende Alex een ezel op een zijner kaarten en zoo kwam het gesprek al spoedig op Andy.
Alex begon: "Het zou mij niets verwonderen, als die zigeuners weer hier geweest zijn en hem gestolen hebben. Juffrouw Ribbon vertelde mij, dat er tegen Kerstmis nog een soort markt te Lemworth is, en als we daar nu eens heen gingen, wie weet of we Andy er nog niet zouden vinden."
"Zoo dwaas zijn ze niet," vond Daan. "Ze zullen er dan heusch niet mee in de buurt komen. Als ze hem gestolen hebben, is ie natuurlijk allang weer verkocht."
"Weet je, wie ik denk, dat hem gestolen heeft?" vroeg ik. "Niet die zigeuners, maar die man met de vuile ezels, die zoo vreeselijk vloekte bij de keuring. Van Bob Tapson heb ik gehoord, dat hij iederen zomer naar een badplaats gaat, hier niet ver vandaan, en daar de ezels verhuurt."
De jongens schenen voor deze voorstelling veel oor te hebben. "Dan moeten we dat heerschap zien te vinden. Waar woont ie?" Ik antwoordde: "Ergens aan de andere zijde van Lemworth. Vraag maar aan Bob, die weet het wel."
Er werd een plan gemaakt, hoe we zouden handelen. "Ik vermoed," zei Daan, "dat, als Andy daar al is, de schurk hem met een andere kleur zal hebben geverfd, en hoe zullen we hem dan herkennen? Natuurlijk zal hij volhouden, dat het zijn ezel is."
Wij bedachten, of Andy geen bijzondere kenteekenen had, en herinnerden ons, dat in zijn eene oor een klein spleetje zat.
"Ik hoop, dat dàt bewijs genoeg zal zijn," hernam Daan. "Anders zullen we 't nog door een rechter moeten laten uitmaken."
"Andy is zoo dom," voegde Alex er aan toe. "Als hij z'n naam hoort, zal ie heusch niet opkijken. Hij zal even hard naar den dief als naar ons loopen, als hij geroepen wordt."
Daan vervolgde: "En misschien moeten we wel een lang proces ervoor voeren, dat ons hoopen geld kost. Het zal 'De ezel-zaak' heeten, en de bladen zullen er kolommen vol van hebben."
Bij dat denkbeeld schaterde Lena van 't lachen. En ik trachtte zijn gedachten wat te kalmeeren: "Als je nu rustig kon uitvinden, waar Andy is, en je wist dan zeker, dat ie 't was, kun je hem dan niet terug stelen? Dat zou toch niet verkeerd zijn, wel?"
"Nee, natuurlijk niet. We konden hem 's nachts ontvoeren. Maar als ie dan maar mee wil!" zei Daan.
"Och kom, dat zal wel lukken. In elk geval, we kunnen 't probeeren!" moedigde Alex aan.
En zoo dachten we er ten slotte allemaal over.
[1] beteekenis, strekking ten goede.
HOOFDSTUK XVII.
Ik begin nu te gelooven, dat dit mijn laatste hoofdstuk wordt. Misschien schrijf ik een volgend jaar weer een boek, maar dit moet naar Kapitein Rogers. Ik heb nu nog te verhalen vanaf den dag, dat we over Andy aan 't spreken waren.
Nog vóór het ontbijt was Daan naar Bob Tapson gegaan, en kwam hij terug met het adres van den vermeenden roover. Vader scheen niet erg hoopvol gestemd, toen we hem ernaar vroegen. Hij stond den jongens echter toe, dat zij den eersten den besten vacantiedag met den trein naar Lemworth mochten gaan. De man woonde 3 mijlen van Lemworth verwijderd. Lena en ik wilden ook graag mee, maar dat verbood vader. Den 20sten December begon de vacantie. En dus gingen zij den volgenden morgen dadelijk naar Lemworth. Ten afscheid riep ik ze toe: "Denk erom, we willen je niet terug zien, dan met Andy!"
Het was een drukke week nu; tante Caroline zou de Kerstdagen bij ons komen doorbrengen. Ik denk, dat tante Marie dan ook blijft, en dat zou allerprettigst wezen; tante Caroline zorgt dan voor de huishouding en tante Marie voor ons.
Lena en ik moesten helpen bij 't halen van de pitten uit de rozijnen voor de Kerstpudding, verder moesten we pakjes thee en suiker maken voor eenige van vaders oudste gemeenteleden en dan nog hadden we allerlei versieringen te maken voor den grooten Kerstboom, die in de school wordt opgericht voor alle schoolkinderen.
We hadden 't met al deze dingen zóó druk, dat we nauwelijks den tijd hadden, om onze eigen geschenken gereed te maken. En het was toch sinds jaren onze gewoonte, om elkaar met het Kerstfeest cadeautjes te geven. Nooit koopen we die, dat is juist het aardige. Dezen keer zullen Lena en ik een omslag maken voor vaders preekbundel; hij wordt van zwart fluweel, met zwart zijden strooken afgezet. Lena maakt het omslag en ik borduur in goud-kleurige zijde vaders voorletters er in; tante Marie heeft ze voor mij geteekend.
Voor tante Marie maak ik een nachtzak, terwijl Lena voor haar waschtafel onderlegkleedjes maakt. Voor Puf vlechten we roode teugels met bellen er aan; voor Alex overtrek ik een kartonnen doos voor z'n postzegels met sterk, mooi gekleurd linnen, zoodat de doos lang goed blijft; Lena maakt voor hem een portretlijstje met denneappels er in; worden ze in de lijst gezet, dan gaat dat met zegellak, dat dadelijk stolt, zoodat ze goed vast zitten; een beetje vernis er over, en 't lijkt prachtig!
Mijn geschenk aan Daan blijft een zwaar geheim, zelfs Lena mag het niet weten.
Dit alles neemt veel tijd in beslag, en als ik dan gestoord werd, was ik erg boos. Maar ik trachtte toch telkens mij weer te herinneren, dat het 's Konings bevel was, om anderen te helpen. En dan gevoelde ik weer duidelijker, dat het er niet op aan kwam, hoe vaak ik gestoord werd, omdat Hij het is, die mij noodig had.
Den ganschen morgen konden Lena en ik ongestoord aan onze geschenken doorwerken. Na het middagmaal nam tante Marie ons en Puf mee naar het bosch, waar wij klimop en mos bijeenzamelden voor de versiering der kerk. Het was er zoo stil en rustig, maar erg koud.
Vóór 't theedrinken waren we weer thuis en werkten we weer door aan onze geschenken. Het werd inmiddels 8 uur, half 9, 9 uur, doch geen jongens te zien! En 8 uur kwam de laatste trein aan! Lena en ik moesten naar bed. Tante Marie zei, dat ze heelemaal niet angstig was, maar vader wel. Natuurlijk dachten Lena en ik, dat hun iets overkomen was. Lena meende, dat de man ze vermoord zou hebben en hun lijken onder den grond gestopt. Ik veronderstelde, dat ze Andy gevonden hadden, en dat de man toen naar den dichtstbijzijnden politiepost was gegaan, om te zeggen, dat de jongens den ezel gestolen hadden. En dan zouden ze niet worden geloofd, en in de gevangenis komen, totdat ze bewezen hadden, dat Andy hun eigendom was. 't Kon ook wezen, dacht Lena, dat ze de jongens ergens hadden opgesloten, om zich met Andy uit de voeten te maken. Wij spraken zoo druk over al die mogelijkheden, dat we ten slotte van vermoeidheid in slaap vielen.
Toen wij den volgenden morgen van Emma hoorden, dat de jongens nòg niet terug waren, werden wij zeer beangst en opgewonden. Vader en tante Marie keken bij 't ontbijt ook erg somber; vader zei: "Ik had ze niet moeten laten gaan; ik moet zelf maar even naar Lemworth gaan." En tante Marie voegde eraan toe: "We zullen nog wachten tot vanavond. Ik geloof zeker, dat ze den trein gemist hebben, en nu tot vanmorgen ergens geslapen hebben."
Lena en ik, we wisten niet, wat te beginnen. Ontelbare keeren liepen we naar 't hek, en keken den weg op, of ze nog niet kwamen. En zie, toen we juist weer in huis waren gegaan, en aan onze cadeautjes begonnen, daar kwamen ze binnenvallen. Wat waren we blij! Lena danste de kamer rond en riep: "Wij dachten, dat jelui vermoord waren!" En ik vroeg ademloos: "Waar is Andy?" "Raad maar!" zei Daan kalm. Wij werden weer angstig, omdat de jongens zoo ernstig keken. En toen zei Daan plechtig:
"In den stal beneden!"
Wij juichten van blijdschap en renden naar beneden, om hem te zien; ook vader en tante Marie kwamen aangeloopen, zelfs Emma en de keukenmeid. Puf vonden we al in den stal, zijn armen geslagen om Andy's nek, en den ezel kussende, als deed hij het tante Marie.
![[Illustratie]](/illustrations/adabc252b5786cbe.jpg)
Wij konden haast niet gelooven, dat het Andy was. Hij zag er zoo vuil, vermagerd en vermoeid uit. Even keek hij ons aan en vrat toen weer verder van het hooi, dat Baldwin hem gebracht had. Dat is het akeligste van ezels; ze schijnen zoo kalm en onverschillig. Hij begreep niets van onze blijdschap. Ik had gewild, dat ie met ons had rondgedanst, om te bewijzen, hoe blij hij was met zijn thuiskomst.
Met allerlei vragen overstroomden wij de jongens. "Wie had 'm? Waar vond jelui hem? Hoe ben je naar hier gekomen? Waar hebben jelui geslapen? Waarom ben jelui gisteren niet thuis gekomen?" Doch vader bedaarde ons een beetje; hij was even blij als wij, maar de jongens hadden fermen honger. Zoo gingen we dus met hen naar de eetkamer, waar ze ons onder een stevig ontbijt hun wedervaren vertelden.
"Wij hebben toch zulke groote avonturen gehad!" zei Alex; "het was wel goed, als je alles in je dagboek opschreef, Griet, want het is grappig genoeg, om het later nog eens te lezen."
![[Illustratie]](/illustrations/979881e2f00e6148.jpg)
"Ik zal beginnen bij 't begin," zei Daan, en begon.
"Wij kwamen veilig te Lemworth aan, en gingen van daar uit loopend naar het huis van Jem Harvey, zoo heet de kerel. Het was een heel eind, en zeker wel langer dan 3 mijlen. Aan de grens der gemeenteweide vonden we een soort schuur, waaromheen ezels liepen te grazen. We overlegden nog eens rustig, hoe we doen zouden, en gingen toen aan den slag."
"Net alsof wij roovers waren, die op dieren af sluipen," viel Alex Daan in de rede. "Wij kropen voort in de schaduw van een heg, en konden toen al de ezels overzien, zonder dat iemand ons bemerkte."
Daan vervolgde weer: "Wij telden 5 ezels, maar Andy was er niet bij; maar natuurlijk dachten wij, dat hij ergens was opgesloten. Wij moesten dus eerst de schuren en hokken onderzoeken, en dat was verbazend moeilijk, want toen we wat dichterbij kwamen, zagen we een man, die daar stond hout te hakken."
"Maar ten slotte hadden we ons plan toch gereed," viel Alex weer in. "Vertel jij nou verder, Daan, maar niet zoo langzaam."
"Met flinke stappen gingen we op hem af.
![[Illustratie]](/illustrations/62d894546404fd63.jpg)
Goeden middag! zei ik. We zijn gekomen, om met u over zaken te spreken. Onderwijl nam Alex hem eens goed op. Hij keek ons achterdochtig aan en zei toen, dat we hem dat al eens meer gezegd hadden. Ik zei: Wij hebben onzen ezel verloren, en komen nu eens hier, om te zien of we van u een anderen kunnen koopen. Hij antwoordde: Maar mijn ezels zijn niet goed genoeg voor jelui bleekneuzen. En hij lachte daarbij zoo akelig, dat ik dadelijk vermoedde, dat hij er meer van wist. Misschien hebt u toch nog wel een paar mooie beesten, zeiden we; toen klopte hij z'n pijp uit en ging met ons een der stallen binnen. Ik zal misschien nog wel wat goeds voor jelui hebben, een aardig beest, loopt als de wind, en behaalde een prijs te Lincoln.
Hij schuifelde het schuurtje binnen, en zie, daar stond een kleine grijze ezel. Wij keken scherp rond...."
"Ik zag hem het eerst," viel Alex uit. "Met mijn scherpziende detective-oogen had ik hem onmiddellijk herkend." Daan ging voort, als had hij Alex niet gehoord: "In den hoek hing aan een spijker Andy's blauwe kleed."
Wij waren allen onder den indruk van de spannende oogenblikken, en tante Marie was zóó meegesleept, dat ze gejaagd vroeg: "En wat zeiden jelui?"
"Eerst zeiden we niets, we deden, alsof we niets gemerkt hadden, praatten over den grijzen ezel, en zeiden, dat we bevreesd waren, dat ie te klein voor ons zou wezen. Och, wat keek die man leelijk, hij grijnsde ons aan en stonk naar den drank. Ik gaf Alex een knipoogje, zich stil te houden; toen wij overal goed hadden rond gekeken, zoodat we goed wisten, dat Andy nergens kon verborgen worden, vertrokken we. Maar terwijl we wegliepen begon ik eensklaps tegen den kerel uit te varen:
"Waar haal jij dat blauwe kleed in je schuur vandaan? En wie heeft den zwart-witten omslagdoek in stukken gesneden? En denk nu maar niet, dat wij zulke melkmuilen zijn, want wij gaan regelrecht naar de politie, en die zullen we je hier op je dak sturen. Eén kans is er, om je te redden: onmiddellijk Andy losmaken, hem brengen op de markt te Lemworth, en hem daar vastbinden aan een lantaarnpaal. Wij geven je den tijd tot 4 uur namiddag, en we beloven je tot zoolang te zullen geduld hebben. Is ie er om 4 uur niet, dan sturen we je dadelijk de politie, en dan ben je er gloeiend bij."
Natuurlijk was ie woedend. Hij raasde en vloekte, en zei, dat ie dat blauwe kleed aan den weg had gevonden, en dat hij ons zou aanklagen wegens laster. Wij vertelden hem, dat dat alles tevergeefsch zou zijn, want alle veldwachters in den omtrek wisten al van onzen verdwenen ezel en het blauwe kleed.
Daarna verlieten we hem, en liepen zoo vlug mogelijk naar Lemworth."
"Toe laat mij nu ook eens vertellen," zei Alex, die zich nooit rustig kan houden, als een ander vertelt. Daan hield zich stil, en Alex vertelde verder:
"Toen we te Lemworth terug waren, hebben we eerst broodjes met melk genomen, en vervolgens onze plannen verder besproken. Natuurlijk was het dom geweest, om dien kerel te zeggen, dat wij hem tot 4 uur ongemoeid zouden laten, want in dien tusschentijd kon ie al lang ontvlucht wezen. Maar nu komt het mooiste nog aan.
Nadat we gegeten hadden gingen we, vermoeid door het straat-slenteren, een buitenweg op. Ongeveer een mijl waren we dien opgeloopen, toen we plotseling een jongen zagen, die in een droge sloot getuimeld was en te keer ging als een mager varken. 't Was een echte landlooper, en eerst zei ik: Kom, laten we maar doorloopen. Maar dat vonden we toch ook weer al te hard; als hij eens gewond was! We gingen dus naar hem toe en vroegen wat hem scheelde. Hij toonde ons zijn been, dat leelijk verwond was. Uit zijn verhaal echter konden we totaal niet wijs worden. Hij zei, dat z'n baas hem afgeranseld had, en toen was hij van de kar gevallen; hij was er nog suf van in z'n hoofd. Hij had z'n been een beetje verbonden, maar het had vreeselijk gebloed, wij namen dus onze zakdoeken en verbonden hem wat steviger, waarna we zeiden, hem naar huis te zullen brengen. Waar hij woonde? Bij m'n baas! zei ie. Maar waar die woonde wilde hij niet zeggen, want hij wou nooit meer naar 'm terug. Toen zeiden we, dat we hem naar 't hospitaal zouden brengen, daar kon z'n been goed worden nagekeken. Dat leek hem goed toe, maar om hem te dragen, dat was geen grapje. Daan zei tegen me: Wat is het jammer, dat we Andy niet bij ons hebben. Toen de jongen dit hoorde, spitste hij plotseling de ooren, keek ons verwonderd aan, en in 't volgende oogenblik hadden we elkaar herkend. Het was de jongen van Jem Harvey. We zeiden tot hem: "Wees maar niet bevreesd. Wij zijn op jou niet boos, omdat jelui onzen ezel gestolen hebt. Maar je baas zal er voor boeten. Wij hebben alles al ontdekt."
Hij keek verschrikt op. "O, ik wist wel, dat er iets niet in den haak was!"
"Waar heb je onzen ezel 't laatst gezien?" vroeg Daan. Toen vertelde hij ons alles. Zij waren Andy tegen gekomen toen hij langs den weg rende; de baas had hem opgevangen en vastgebonden. Zoo moest Andy achter hun wagen aan loopen, tot ze aan een groot bosch kwamen. Toen het donker was, werden Andy's kleeren afgetrokken, en zoo gingen ze met hem naar huis. Den volgenden dag moest de jongen hem naar een stal te Taunerton brengen. Daar moest een kooper voor hem gezocht worden. De jongen vertelde ons tegelijk, welk een hondenleven hij bij dien baas had gehad, en dat hij daarom was weggeloopen. Hij was wees, en Jem had volstrekt geen rechten op hem.
Wat waren we nu in spanning, om Andy terug te krijgen! Maar die jongen moest eerst naar 't hospitaal. Wij vernamen, dat Taunerton 5 mijlen daar vandaan was, te ver dus om nu nog te gaan loopen. Gelukkig was er een bakkerswagen, die er heen moest, en de bakker stond ons toe, mee te rijden. Wij vertelden hem al ons wedervaren. Hij kende den man, dien we zochten. Het was een messenslijper en tinnegieter; hij leefde met een vrouw, zoo mogelijk nog slechter dan hij. "Maar jelui moet er niet heengaan," zei de bakker, "het zijn gevaarlijke lui."
"Het was bijna donker, toen we te Taunerton aankwamen en toen schoot ons met schrik te binnen, dat we den laatsten trein zouden missen, maar wij konden toch ook niet teruggaan, nu we zoo vlak bij Andy waren. Ga jij nou maar weer verder, Daan."
Daan vervolgde dadelijk: "Wij waren bang, dat Jem Andy ergens zou verstopt hebben, maar het moest nu gewaagd worden. De bakker wees ons het huis. Gelukkig was het goed donker nu, want wij waren vast besloten, Andy weg te halen, zoodra we hem zagen.
![[Illustratie]](/illustrations/648bdf71ec439f64.jpg)
Wij slopen naar het huisje, toen den tuin rond, en zie, daar in een vervallen schuurtje met een half gebroken deur, stond Andy! Ik kan jelui zeggen, dat we geen oogenblik verloren lieten gaan! We sneden z'n halster door, en trokken hem uit den stal. Daar kwam de kerel aan! Maar 't was te laat! We hoorden hem nog schreeuwen: Houdt den dief! Maar beiden hadden we ons op Andy's rug geslingerd, en als dollen renden we naar het dorp terug!
![[Illustratie]](/illustrations/6df3758e4461ec39.jpg)
Al spoedig draafden een half dozijn lui achter ons aan, die schreeuwden als Indianen. Toen we een flink eind buiten hun bereik waren, hielden we wat in, totdat we nog betrekkelijk vroeg te Lemworth aankwamen. Wij waren zóó bang, dat Jem ons nog zou opmerken, dat we er niet durfden blijven, en dus maar verder reden; voor den trein was het nu toch te laat.
Wij reden en liepen om beurten. We waren hongerig en vermoeid, en ook Andy begon den kop te laten hangen. Eensklaps hield hij midden op den weg stil en wilde niet verder. Wat moesten we beginnen? En vlak voor ons kwam een auto aangerend. Wij schreeuwden hard, en zij stopten. Wie denk je dat er in zat?"
"Mevrouw Laura!" raadde ik.
"Mis! Generaal Walton, die altijd visch van ons kocht. Hij herkende mij, en vroeg wat we uitvoerden. Ik vertelde het hem; hij was o zoo vriendelijk. Hij liet z'n knecht uitstijgen en wij mochten in de auto zitten. Hij zou ons naar zijn huis rijden, waar wij den nacht konden doorbrengen. Zijn knecht droeg hij op, Andy mee te brengen. Verder werd er niet gepraat, en wij hadden een heerlijk autotochtje."
"Maar dat had je ons toch wel even kunnen seinen," zei vader. "Dacht je dan niet, dat wij in angst zouden zitten?"
"Zeker wel, vader. Generaal Walton zond dadelijk zijn knecht naar hier."
"Dien heb ik niet gezien," zei vader.
"Toe, vertel nu verder, wat jelui deden," drong ik aan.
Daan vervolgde: "Wij kregen een heerlijk middagmaal, en wij vertelden hem al onze avonturen. Hij heeft ons allen te eten gevraagd op Nieuwjaarsavond!"
Dat gaf blijdschap! "En toen zijn we vanmorgen dadelijk na 't ontbijt op Andy's rug naar huis gereden, maar hij is bepaald niet goed, want telkens hield hij weer stil, en daarom zijn we zoo laat."
Hun verhaal was ten einde. Ik had het spannend gevonden, maar Lena had het mooier gevonden, als de jongens waren opgesloten of ongeveer vermoord geworden.
En nu wij allen gelukkig zijn met Andy's terugkomst, lijkt het mij het beste toe, mijn verhaal hier te eindigen. Alles is nu goed afgeloopen en ook ons Kerstfeest was allerprettigst. Het zou te lang duren, ook daarvan nog alles te vertellen.
Eén ding moet ik echter nog zeggen. Mijn geschenk aan Daan was het motto van den ridder in geschilderde letters, blauw, rood en goud. Op den eersten Kerstdag riep Daan mij in zijn kamer en toonde mij, waar hij het had opgehangen: juist tegenover zijn bed.
"Het is mooi, Grietje," zei hij. "Het is goed, aan iemands goede wenschen herinnerd te worden."
"Ja," zei ik, "en het is ook mijn wensch, Daan. Ik denk, dat de oude ridder weinig vermoed zal hebben, dat zijn motto nog zóó zou voortleven. 't Is een woord van groote waarde."
"Niet van zoo groote waarde, als vader's preek," zei Daan. "Maar het komt er mee overeen. Komen — gaan — doen! Nooit zal ik het vergeten!"
Terwijl mijn hart klopte van aandoening, zei ik: "En ik geloof, Daan, dat, als wij deze bevelen getrouw opvolgen, onze Koning eens tot ons zeggen zal, wat de koning zei in het verhaal van tante Marie:
Semper Fidelis, Semper Paratus.
EINDE.
Transcriber's Notes:
Dit boek bevat een aantal zetfouten. De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd: [en zie toen van ja.] —> [en zei toen van ja.] [Allex vroeg haar,] —> [Alex vroeg haar,] [omdat ze zelf ook haast niet hebben] —> [omdat ze zelf ook haast niets hebben] [Toen het Woendag] —> [Toen het Woensdag] [beloofde tante, er overwijld] —> [beloofde tante, er onverwijld] [al ik goed oppaste.] —> [als ik goed oppaste.] [dat hij nauwlijks meer] —> [dat hij nauwelijks meer] Een inhoudsopgave is toegevoegd. Enkele leestekens zijn toegevoegd maar verder niet vermeld.