III. MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1
Reading edition
III. MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1
1. De „Orang Boenian”
De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.
De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.
In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.
In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.
En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.
Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.
De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.
Zij keken naar buiten in den grauwen dag.
Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.
Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad
„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.
„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”
En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.
„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.
Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.
Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.
Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nu wisten zij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.
In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.
Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.
Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”
„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”
Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.
Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.
Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.
In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!
Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.
Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feest moest doorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.
De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.
O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.
Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.
De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.
In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!

2. Zij, die niet geloofden
In den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:
De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …
„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.
De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.
Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …
Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.
Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.
Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.
Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn!
„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!
Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.
3. Spoken-nacht
Middernacht.
Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.
Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.

Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …
In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,
In bamboebosch en palmkroon verscholen.
Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,
En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflits
Die àl verlicht het donker van zoo even.
De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,
In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,
Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.
Bang kreunt ontwakend meisje
En dringt zich tegen moeder aan …
„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …
„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”
„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;
„En wees niet bang van wat je hoort,
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,
In dürren Blättern säuselt der Wind …
„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,
„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”
„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …
„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.
Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …
