Note 1 — III. MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1
Reading edition
In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!” ↑