Derde gedeelte.
Reading edition
Ter behandeling blijven nu nog de drievoudig gebonden koolstof-atomen, zooals b.v. die in Acetyleen; de binding wordt hier voorgesteld door twee met drie hoekpunten, dus met een grondvlak in elkaâr liggende tetraëders (fig. XI): A C B is de drievoudige binding, R₁ en R₂ zijn de univalente groepen, waardoor de twee overblijvende koolstof-affiniteiten verzadigd worden; de nieuwe hypothese geeft hier geen aanleiding tot afwijking van de tegenwoordig gevolgde beschouwingen.
Tot besluit meen ik te mogen opmerken, dat
1. De nieuwe hypothese niets onverklaard laat, wat door de tegenwoordige opvatting duidelijk is.
2. Enkele eigenschappen en isomeriën, door de gevolgde voorstelling niet opgehelderd, krijgen door deze beschouwingen eenig licht.
3. Eindelijk sluit zich mijne opmerking omtrent in oplossing actieve verbindingen, d. i. actieve molekulen, aan RAMMELSBERG’s beschouwingen omtrent actieve kristallen aan; deze toch beweert, voortbouwende op HERSCHELL’s en PASTEUR’s waarnemingen, dat de eigenschap in vasten toestand op het polarisatie-vlak te werken (d. i. dus zoowel het actief zijn van kristallen uit inactieve molekulen, als het inactief zijn van kristallen uit actieve molekulen) samengaat met het optreden van twee niet volkomen overeenstemmende kristalvormen, die evenwel elkaârs spiegelbeelden zijn. Duidelijk is het, dat men hier te doen heeft met een rangschikking van molekulen in het actieve kristal, geheel analoog aan de asymmetrische rangschikking der atoomgroepen in het actieve molekuul volgens mijn hypothese; eene rangschikking, die veroorzaakt, dat, zoowel de door RAMMELSBERG opgesomde actieve kristallen, als de in fig. VII en VIII algemeen voorgestelde actieve molekulen, geen vlak van symmetrie bezitten.
Utrecht, 5 Sept. ’74.
J. H. VAN ’T HOFF.


STOOMDRUK, P. W. VAN DE WEIJER.—UTRECHT.