EERSTE BEDRIJF.
Reading edition
(De rijk-gemeubileerde zitkamer van een hotel, aan zee gelegen. In den achtergrond eene draperie van gordijnen met schuifdeuren, als afsluiting voor een slaapkamer met statig bed, marmeren toilettafel, lavabeau etc. Eerste en tweede plan, rechts, balkondeuren naar de zeezijde—derde plan, dito, toegangsdeur. In het midden van den voorgrond een notenhouten luxe-tafel, waaromheen causeuses en waarboven een electrische kroon. Eerste en tweede plan, links, een schrijf-nécessaire met staande electrische lamp. Derde plan, dito, toegangsdeur. De linkerhelft der draperie, het hoofdeinde van het bed maskeerend, hangt neer. Avondschemer).
Eerste Tooneel.
Hope, de kelner.
Kelner (na een paar maal geklopt te hebben, treedt van rechts binnen, zet een presenteerblad met schalen op een zijtafeltje naast de deur, spreidt op de groote tafel een servet, legt daarop bord, mes, vork, lepel, kijkt Hope, die met een boek in de hand, in een leunstoel bij de balkondeuren ingeslapen is, driest aan). Hum!… Hum!… (Hope beweegt niet. Hij loert in de achter-slaapkamer, verlaat het vertrek door dezelfde deur, keert besluiteloos terug, beklopt de deur luider aan de binnenzij).
Hope (wakkerschrikkend, het boek op tafel neerleggend). Wie daar?
Kelner. Ik, juffrouw—ik por maar wat harder—de boel wordt koud.
Hope (snel op de kamer toegaand en luisterend). Heb ’k niet verzocht zoo zacht mogelijk te kloppen?… U weet toch dat ’r ’n zieke ligt!
Kelner. Nou snap ’k niemeer waar ’k me an mot houen!… Toen ’k vanmorgen tè stil binnen kwam, kreeg ’k ’n uitbrander, omdat u in uw onderlijfie stond.…
Hope. Zeg ’ns—jij zal me ’n groot pleizier doen je afstand te bewaren—dat ’s de derde waarschuwing … Je kan gaan.…
Kelner. Sivoeplee … Alleen …
Hope. Heb u me verstaan?
Kelner. Sivoeplee … (bij de deur). De wijnkaart ligt naast de servet van de juffrouw … Une fois c’est pour moi!… Pour moi.… (af).
Tweede Tooneel.
Hope, Dokter, Hotelier.
Hope (na nog eens achter de draperie gekeken te hebben, zit wederom in den leunstoel bij het balkon, droogt zich de oogen. Een bescheiden getik). Binnen … (staat op). Dag dokter.… Dank u wel—gaat u zitten: ze slaapt—dat u zoo hartelijk is voor de tweede maal.…
Dokter.… Is u ’n paar uurtjes gaan liggen, zooals ’k u gezegd heb?
Hope. ’k Heb in den stoel voor ’t raam.…
Dokter. Noemt u dat liggen?.… U zult uzelf kapot maken. Dat houdt u vannacht niet uit. Mag ’k licht opsteken?…
Hope. Een oogenblikje … (laat de portière geheel zakken, gaat op den knop bij de deur toe, ontsteekt de kroon). Alsjeblief dokter.
Dokter. Zoo zien we mekaar tenminste. De eerste regel bij ziekenoppassen, zuster, is ’t zichzelf in acht nemen.… Charité bien ordonnée.…
Hope.… Commence par soi-mème.… Zal ’k ’r wekken?
Dokter. Zijn de benauwdheden terug gekomen?…
Hope. Om zes uur nog even, maar gelukkig niet làng … Wie daar (tot den Hotelier). Ik kan u nu niet ontvangen. U ziet dat ik belet heb.…
Hotelier. Pardon—als ik dérangeer, zuster—’t is juist om den dokter.…
Hope (uit de hoogte). Dien kunt u straks.…
Hotelier. Pardon—ik moet zoo dadelijk de deur uit … Als u ’t permiteert wou ’k dokter één seconde lastig vallen, één seconde.…
Dokter. Ik zal onmiddellijk op uw kantoor.…
Hotelier. De zaak is … (op een ongeduldig gebaar van Hope). Pardon.… U moet toch ’n beetje consideratie met ons hotel gebruiken.… Als mevrouw overlijdt.…
Hope. Zachter asjeblief.…
Hotelier. Als, als, zeg ik—worden de families van twee- en drie-en-zestìg enorm gecontrarieerd … zullen andere families onmiddellijk vertrekken—we zijn midden in ’t seizoen.… U weet, dokter, hoe de menschen zijn.… Ik ben niet onbillijk.… Niet één logeergast zal in de komende weken de appartementen willen betrekken.… Als we hadden kunnen voorzien.…
Hope. Voorzien?… Als wìj hadden kunnen voorzien—zouden we in de laatste plaats van ùw gastvrijheid geprofiteerd hebben.… Heeft u méer de gewoonte logées lastig te vallen?…
Dokter. Suscht! Suscht!… We gaan naar de conversatiezaal, meneer.…
Hotelier (retireerend). U heeft gelijk en ongelijk.… Maar.…
Dokter.… Geen verdere maren.… Ik kom bij u.…
Hotelier. ’t Gasthuis—’t Hopital Wallon—is telephonisch verbonden—heeft ’n magnifieke auto om zieken te vervoeren.
Dokter. Onder géén omstandigheden! Onder géén. ’k Zal ’t u beneden uitleggen—hier niet (af met Hotelier).
Derde Tooneel.
Hope, Charles, Kelner.
Hope (verdwijnt even achter de portières).
Charles (jonge man, ongeveer 24, scherp gelaat, zonder snor, modieuze gekleede jas, hooge hoed—komt door linkerdeur op: tot kelner). Is ’t hier?
Kelner. Ja, meneer.
Charles. Een en zestig?
Kelner. Ja, meneer.
Charles. ’k Zie niemand.
Kelner. De dames zullen daar zijn.
Hope (tusschen de portières, legt een vinger op den mond. Kelner af. Zij schuift voorzichtig de deuren der slaapkamer toe). Zoo. ’k Ben blij dat ù tenminste gekomen is.
Charles. Is ’t zóó ernstig?
Hope. Heel, heel ernstig.
Charles. Sinds wanneer?
Hope. Sinds eergistermorgen—na ’n bezoek aan de Stichting.
Charles. Wéér aan ’t hart? (zij knikt). De vorige keer dachten we ook.…
Hope. Driemaal is ze bewusteloos geweest—de dokter heeft ’r ’n kamfer-injectie gegeven.…
Charles. Ja ja.… Heb jij ons getelegrafeerd?
Hope. Op advies van den dokter.
Charles. Wat zegt-ie?
Hope. Wat u ongeveer denken kan—’n vrouw op leeftijd.…
Charles. Spijt me, dat je telegram nageseind moest worden. ’k Was eergister niet in Trouville.…
Hope. Nièt in Trouville.… En mevrouw met ’t kindje … zijn die meegekomen?
Charles (ongeduldig). Nee, nee, nee! Ik was ’n dag—voor zaken—naar Parijs … ’k Kon nog net den middagtrein pakken.… De familie is in Trouville gebleven.… Denk ’k tenminste.… En oom Dolf?
Hope. Is ’r nog niet. ’k Ben bang dat-ie mevrouw.… Ze verlangt zoo naar ’m.…
Charles. ’k Heb niet ’t flauwst vermoeden, waar-ie uithangt.… In geen maanden bericht van ’m gehad. Is-ie met ’t jacht?…
Hope. Nee meneer. Z’n laatste brief—aan uw mama—aan uw grootmama—was uit Zwitserland—uit Châtelard, meen ’k. ’t Zou de grootste ellende zijn, als—als-ie te laat kwam.… Gister heb ’k voor de tweede maal geseind.… Geen antwoord.…
Charles. Eén kan z’n adres zéker weten—die—die …
Hope.… Die hebben we—de dokter en ik—vandaag óók ’n telegram gezonden.…
Charles (verwonderd). Wist jìj van die liaison?
Hope (rustig-glimlachend). Waarom zou ik ’r niet van weten?.… ’n Publiek geheim is geen bepaald geheim meer.…
Charles. Afficheert-ie zich nog?.… Enfin, ’t regardeert me niet.… ’n Man, die m’n vader kon zijn.… (gewild over iets anders pratend). Is dat ’t kostuum van de Stichting?.… Niet positief chic. Flatteert je minder.
Hope. Denkt u, dat zieke kinderen ’r profijt van hebben òf ’t kostuum.… Wees u ’ns stil! (luistert). Nee …
Charles. Mag ’k ’r zien?
Hope. Misschien. In elk geval met de noodige voorbereiding. Ze zou kunnen begrijpen, dàt ’r gewaarschuwd is.…
Charles. Ik stoor je toch niet in je diner?
Hope (mat). ’k Heb gegeten.
Charles. Jij ben scherper in je gezicht geworden, Hope. Je ziet ’r zoo heelemaal anders uit—of ligt ’t an de kroon?
Hope. Dat kan. ’k Heb in geen twee nachten geslapen.…
Vierde Tooneel.
Hope, Charles, Dokter.
Dokter.… ’n Vlegel eerste klas.… Pardon.…
Hope. De kleinzoon van mevrouw, meneer Charles van Walden—dokter Linden.
Charles. Heel aangenaam, dokter.
Dokter. Is u zoo pas gearriveerd?
Charles. Nog geen uur geleden. Nauwelijks den tijd gehad ’n andere jas aan te schieten.… Ik hoor dat de toestand van grootmama.…
Dokter. Bijzonder zorgwekkend is.… Ik geloof, tenzij ’n wonder gebeurt, dat de familie zich op ’t ergste zal dienen.…
Charles.… Ja, ja. Dat begreep ’k, toen ’t telegram kwam.… (een stilte).
Dokter (driftig).… En die vlegel beneden—’k heb ’m te woord gestaan—wou per se de auto van Wallon bestellen. Doe dat, meneer, heb ’k ’m gezegd: doe jij dat—dan schrijf ik morgen ’n ingezonden stuk in den Courrier, om de badgasten te laten zien wat ’n humaan gérant jij ben.… Daar scheen-ie respect voor te hebben.… Stel je voor!.… ’n Doodzieke gaan transporteeren uit vrees voor ’t egoïsme van andere logées.… Laat je je eten staan, zuster?
Hope. Nee, nee.… Mag meneer mevrouw zien?
Dokter. We zullen ons overtuigen.… Blijf u hier.… Heeft ze champagne gedronken?
Hope (de portières hechtend). Met tegenzin een enkel glas.…
Dokter. Niet voldoende—niet voldoende.… Blijf nu maar—blijven—blijven … (af in slaapkamer).
Charles. ’k Zal maar wat liegen, niet?… Dat ik toevallig voor dringende aangelegenheden overgewipt ben … Als ’k me niet zoo gehaast had, zou ’k wat hebben meegebracht.…
Hope. Als ’k ’t zeggen mag.…
Charles. Ja?
Hope. ’t Zal voor mevrouw ’n teleurstelling zijn, dat u zonder uw vrouw en vooral zonder Ninette—’r eenig achterkleinkind—is.…
Charles.… Zoo’n baby van drie jaar.… En dan ik zei je toch al, dat ’k niet direct van Trouville kom.… En dan—m’n vrouw houdt niet—hoe zal ’k dat.… (ongeduldig). Wat vraag je naar den bekenden weg?… Je weet dat ’r telkens verschil van meening is.… Grootmama met ’r geweldig-overdreven.…
Hope. Toe meneer Charles!… ’t Zijn nù juist niet de omstandigheden.… Roept u, dokter?…
Dokter (onzichtbaar). Zuster.…
Hope (gaat achter de gordijnen—hij loopt heen en weer—staat stil voor den spiegel boven de nécessaire, neemt ’n kleerborstel, schuiert zich de jas—gladt zich het haar). Hier ben ’k weer. (Zij bedrukt den knop der electrische schel aan de kroon).
Charles. Toch niet sérieuzer.
Hope. Goddank nee. Ze voelt zich minder beklemd, krijgt een tweede injectie.… Nee, vooral niet binnen gaan!… (tot den kelner). ’n Flesch champagne.… Versta je niet?… ’n Flesch champagne … (af).
Vijfde Tooneel.
Charles, Kelner.
Kelner (onbewogen). Frappé?…
Charles (ongeduldig). Frappé—niet frappé—als ’t maar vlug komt!
Kelner. Moët et Chandon—Irroy Carte Blanche—Pol Roger Medium-dry—Pommery—Heidsieck—wil meneer zoo beleefd zijn …? De wijnkaart ligt op tafel.…
Charles. Je m’en fiche.…
Kelner (droog). Dàt merk hebben we niet.…
Charles. Maak jij grapjes?… Ben ’k niet van gediend. (kijkt de kaart in). Moët.…
Kelner. Demi-sec of White Star-sec?
Charles. Loop naar de … Demi-sec!… En beneden ontkurken.… En voor mij ’n kop koffie.…
Kelner. Een Moët White Star—un café noir… (af).
Zesde Tooneel.
Charles, Dokter, Hope.
Dokter (duwt de schuifdeuren dicht). Dat is voor u ’n heele reis geweest, meneer Van Walden.…
Charles. Ja, ja—gelooft u nòg, dat grootmama …?
Dokter. Alles is mogelijk.—’t Is zulk ’n verbazend krasse vrouw, dat ik me na de tweede injectie aan geen voorspellingen wagen durf.… Ze praat met ’n bedriegelijke opgewektheid.… Maar … Maar.… Als ze ’r deze keer bovenop komt, blijft de toestand bijzonder précair—bijzonder. De geringste complicatie, de kleinste stoornis, niet waar?… In ieder geval is ’t uitnemend dat u er tenminste is. En ’k zou willen adviseeren de eerste dagen in de directe nabijheid te blijven.…
Charles. Als ik dus wel begrijp is ’t ergste gevaar geweken?
Dokter. Nee—volstrekt niet—in de verste verte niet. Bij ’n hartaandoening van dien aard en op dien leeftijd en met zulke ontrustende aanvallen van bewusteloosheid, is ’t de plicht van de naaste familieleden op hun qui-vive te zijn. Toen we u seinden, was ’t mijn innige overtuiging, dat u telaat zou komen (met verheffing). Dolf handelt—als ik ’t.…
Charles. Dolf?… Kènt u.…
Dokter. Of ’k Dolf ken?… Hahaha!—hij heeft me helpen ontgroenen.…
Charles. Ontgroenen?…
Dokter. Weet u niet, dat uw oom—hij is toch uw óóm?…
Charles. Natuurlijk.
Dokter. Dat-ie vier, vijf jaar college geloopen heeft—dat wil zeggen: had behooren te loopen—’k taxeer ’m op nog geen vòlgeschreven dictaatcahier! Toen ik van ’t gymnasium kwam, had Dolf al minstens vier jaar ge—ge—ja wat feitelijk ge—ge …? Gedit, gedat, gefuifd, gekroegjoold, ge …
Charles.… Boemeld.…
Dokter. Geboemeld, ’t juiste woord in volgorde—letterlijk alles had-ie als corpslid ge—ge—gedaan—alleen niet gestudeerd. Toen-ie gesjeesd werd.…
Charles (na zacht geklop). Binnen! (tot den kelner, die enkel koffie brengt). En de Moët?
Kelner. En deux secondes monsieur.… J’ai.…
Dokter. Spreek jij geen Hollandsch, vrindje?
Kelner. Oui monsieur.…
Dokter. Doe dat dan—flauwe kunsten!
Kelner. De champagne wordt koel gemaakt.
Dokter. Heelemaal niet noodig.… We wachten ’r op (Kelner af). Dat’s nou misschien ’n jongen uit (imiteert Fransch) uit Leeuwarden, uit Hontenissen, hahaha!… Waar was ’k gebleven? Wat wou ’k.…
Charles. Toen oom gesjeesd werd, zei u.… Drinkt u ’n kop mee, dokter?
Dokter. Dank u.… Toen—vertel ’ns ’n historie zonder ’n dozijn toen’s!—toen-ie gesjeesd werd—om ’n dolle geschiedenis—’n schandaaltje, als je ’t zoo noemen wil.…
Charles (rustig drinkend). Om ’n vrouw natuurlijk!
Dokter. Spreekt van zelf.… Als ’k me goed herinner—’t geheugen is m’n forte niet—alweer zoo’n Fransch woord!—had-ie ’n vechtpartij op klaarlichten dag met den een of anderen kerel, ’n koloniaal of zoo iets, dien-ie behoorlijk toetakelde.… Met groote moeite werd ’t gesust—’n sisser van ’n week of twee brommen—en ’n paar honderd gulden fooi.…
Charles. Daar wist ik hoegenaamd niets van (glimlachend). Verwonderen doet ’t me niet.… Hoe is ’t mogelijk—op klaarlichten dag—en met ’n koloniaal—met ’n koloniaal!… Zóó iemand kàn je toch niet beleedigen.…
Dokter. Iets met ’t meisje of de zuster van dien kerel—’t ware weet ’k niet—is hijzelf waarschijnlijk glad vergeten.… Wanneer kan ’t geweest zijn?… Negentig.… Een-en-negentig.… Om en om vijftien, zestien, zeventien jaar—’k kan ’r geen slag in slaan.… Doet ’r ook niet toe.… Hij werd van de corpslijst geschrapt.… Misschien studeerde-ie anders nog, hahaha!… Ja, Dolf en ik hebben mekaar in die dagen meer dan goed gekend—later ook nog wel, maar nooit meer zóó, zoo heerlijk, onbezorgd.… Jammer van den vent.… ’n Hart van goud—’n wilde rakker—’n bandiet.… Als-ie niet zoo vroeg z’n vader verloren had, niet zoo vlug de beschikking over z’n erfdeel gekregen, zou-ie iémand—iémand geworden zijn.… Zeldzame kop.… ’t Was toen—alweer toen—’n lust om ’m te hooren, als-ie op dreef was.… ’n Vernuft, ’n géést.… En nou!… En nou!… ’k Zou ’m z’n mantel kunnen uitvegen, dat-ie met geen drie, vier telegrammen te bereiken is, dat-ie geen adres achterlaat, terwijl z’n moeder doorloopend ziekelijk is.—Tot zelfs die eerste-klasse-dame van ’m hebben we geseind.… Valt me verbazend tegen. Verbazend. ’r Eenige zoon in leven.… Uw papa is betrekkelijk vroeg gestorven, niet waar?…
Charles. Toen ik twee was.…
Dokter. Dan zult u wel geen voorraad herinneringen aan ’m hebben?…
Charles (koel). Nee—in geen enkel opzicht.
Dokter. En uw mama?
Charles.… Kort na de kraam (gewild). Rookt u ’n sigaret mee—de balkondeuren staan open.… Of heeft u er bezwaar tegen?
Dokter. Bezwaar, nee—als u bij ’t balkon blijft. Pardon, ik zal ’r geen gebruik van maken.…
Charles. Bijzondere avond.… Geen rimpel op zee.… ’n Idylle.… ’k Zou ’t persoonlijk geen week aan zee uithouden.… Parijs.… London.… De groote steden à la bonne heure.… Dat eeuwige water vind ’k assommant!
Dokter (na een drukkende stilte). Ik heb in de twee maanden, dat ik het genoegen heb over de Stichting van uw grootmama te gaan, buitengewoon respect voor haar gekregen.…
Charles. Ja—ja.…
Dokter. En u houdt zeker véel van haar—me dunkt ’n vrouw met dàt hart moet meer dan vader en moeder sámen voor u geweest zijn?…
Charles. Natuurlijk. Natuurlijk.
Dokter. Ze dweept met kinderen. Ieder bezoek aan de Stichting is ’n feest! (een stilte). Had u geen idee te studeeren?
Charles. Heelemaal niet—twee jaar na de kostschool ben ’k getrouwd.…
Dokter. Zoo jong?
Charles. Zoo jong. ’k Zal den kelner nog eens schellen. Dat is ’n ongemeene bediening. (Gelijk verschijnt de kelner met de flesch in een koelemmer). Móést dat zoo lang duren?… De dokter zei toch dat afkoelen niet noodig was?
Kelner. De gewoonte van ’t huis, meneer—niet gefrapeerd.…
Charles.… ’t Is goed—hou je mond (hem belettend in te schenken). Dicht laten.… Doen we zelf (kelner af). De ezel!… Een, twee, drie glazen—of ’r gespeecht zal worden.… Laat me u helpen, dokter.… Draagt u ’t alleen?
Dokter. Gaat best. Als u de deuren even zacht openschuift—schuiven—niet duwen. Merci.
Zevende tooneel.
Charles, Dolf.
Dolf (robuste man, ongeveer veertig, blonde volbaard—jachtkostuum—bloemruiker in de hand—praat tot den kelner buiten). Als ’r geen kamer is, dan maak je d’r een. Wat zeg-je … Enkel ’n badkamer? Dan ’n badkamer! En de rommel uit de auto naar boven halen.… Ja, ja.… Goed! (tot Charles). Wel wat drommel.… (Charles wijst naar de portières). Heb jij geseind?… ’t Is toch niet.… (Charles ontkent). Dat is ’n pak van me hart.… We hebben over de tachtig kilometer geloopen.… Midden op den weg oponthoud—’n boerekar, die natuurlijk verkeerd uitweek in ’n sloot gerejen—scheelde geen haar of we hadden met de auto ’n saut périlleux gemaakt.… Of de kaffers ’t ’r om doen, om doen!… Hoe is ’t met mama?… Meer angst dan ziekte, zooals de laatste maal?… Of.…
Charles. Ze moet op ’t oogenblik weer heel opgewekt zijn. De dokter is juist bij ’r—ik ben nog geen uur geleden van Trouville binnen komen vallen.
Dolf. Was dat telegram, aan Snip geadresseerd, van jou?… Verbazend handige inval! M’n compliment. Anders was ’k mogelijk nog bij Beelaart op de jacht!
Charles. Snip?… Snip?… Ik heb niet getelegrafeerd, omdat ’k pas zèlf gearriveerd ben—en Snip—Snip? Wie is dat, als ’k vragen mag?
Dolf. Snip.… Madame Lebeau.…
Charles. O. Wist niet dat die juffrouw ’n zoo gedistingeerden bijnaam.… Hope heeft u aan dat gerenommeerd adres ’n laatst telegram gestuurd—op de andere kreeg ze gister en eergister geen antwoord …
Dolf (eenigszins ontstemd). Hope?… Hope?… Is Hope hier?… Bij mama?
Charles. Verwondert u dat?
Dolf. Och nee. En och ja. ’k Weet ’t niet (loopt een weinig geprikkeld op en neer). Dat heb jij ’r toch niet?
Charles. Ik begrijp niet wat u bèdoelt.…
Dolf. Of jij.… Doet ’r niet toe.… Geef me ’n sigaret. ’k Ben wee van honger.… Me geen tijd gegund te dineeren. Merci.… M’n handen trillen nog van den stuurstang (lucifer aannemend). Merci (zakt in den stoel voor het raam). ’k Dacht waarachtig, dat ’t deze keer.… ’k Zou ’r enorm spijt van gehad hebben.… Want al ben ’k ’n dozijnmaal, op de ongelegenste momenten opgeschrikt—niet waar?—al is ’t goddank—geloof jìj an zoo’n sinjeur daar boven?—ik niet!—al is ’t goddank telkens met ’n sisser afgeloopen—één keer moet ’t gebeuren—en dan zou ’t meer dan beroerd zijn, als je die oogen voor goed gesloten vond.… Duurt ’t nog lang daarbinnen?… Kan ’k kloppen?…
Charles. Ze zullen wel dadelijk komen.
Dolf. Ze?… Ze?… O ja.… Attent van die kleine Hope. Dus diè heeft Snip, Snipje, ’n dépêche gezonden.… Charley, boy, ik geloof.…
Charles. U gelooft?…
Dolf. Niemendal. Niemendal. ’k Geloof heelemaal niet—zei ’k straks al.… Kan ’k me handen ergens wasschen?… ’t Bloed van de patrijzen—heele koppels hebben we onder schot gekregen—ja waarachtig!—kleeft ’r nog an—zoo gehaast als ’k in de auto van Beelaart gesprongen ben, toen de manke boschwachter op ’n fiets—dat had je moeten zien—een kruk zoo en een zoo—me de boodschap van Snipje kwam brengen.—Is hier geen waschgelegenheid?…
Charles. Hiernaast op 59—de kamer van Hope.…
Dolf. De kamer van Hope?… Nee.… Wetboek van Strafrecht, artikel—artikel.… Nou welk artikel?
Charles (lachend). Begrijp u niet.…
Dolf. Dat ’s de tweede maal, dat ’k voor jou te diepzinnig ga (werpt de sigaret uit ’t raam). Deugen niet—die papieren dingen van de régie.… Heb je Suus meegebracht?
Charles. Nee. Ze—ze kon niet zoo op slag mee.
Dolf. Hoe laat ben je uit Trouville vertrokken?
Charles. Vannacht—ja vannacht.…
Dolf (glimlachend). Je zegt dat of je ’t zelf niet precies weet.… Maakt de kleine Ninette ’t goed?
Charles. Uitstekend.
Dolf. De bronchitis heelemaal weg?
Charles. Totaal. En gelukkig. Als dat kind wat overkomen was.…
Dolf. Dan?
Charles. Nou dan niets—u kunt u voorstellen—of misschien ook niet—hoe je van zoo’n baby houdt.… Ik dweep met ’t goudkopje (een portretje uit z’n portefeuille nemend). Dat is ’t laatste kiekje aan ’t strand van Trouville (kust het). Als ’t u interesseert (reikt het over).
Dolf. Pretendeert dat de een of andere nuance van hatelijkheid—„als ’t u interesseert”—omdat ik deze maanden.…
Charles (glimlachend). Laten we zeggen ’t heele jaar—van af Nieuwjaar.…
Dolf (knikkend). Van af Nieuwjaar—merkwaardig geheugen heb jij!—geen gelegenheid heb kunnen vinden?… Charley, boy: waar ik bezoeken afleg, letterlijk waar, krijg ik verwijten.… Prachtig snuitje.… Ik kom honderd jaar tekort.… Precies je vrouw.… De dagen vliegen, de weken raken zoek, de maanden trek ’k met mudjes van den kalender.… Ja, daar zul je plezier van hebben.… Mooi kind.… Leuk kind.… Mag ik ’t bij me steken?
Charles. ’k Heb ’r maar één. En dan, beste oom—wat moet ù met ’n portretje?
Dolf. Wat ik met portretten moet? ’n Half dozijn draag ’k ’r bij me … (in z’n binnenzak tastend—dan aarzelend). Nee. Je heb gelijk. Merci (reikt het over). Heb je Suze daar ook?
Charles. M’n vrouw—nee. Of misschien hier … (doorzoekt de portefeuille). Nee. Zeker verlegd (in de slaapkamer weerklinkt gelach). We behoeven ons voorloopig niet ongerust te maken, oom—zoolang ze in dié stemming zijn.…
Dolf. Tant mieux! (staat op, klopt zachtjes).
Achtste tooneel.
Charles, Dolf, De Dokter.
Dokter (met de champagne-flesch en het presenteerblad). Sust!… Nee vooral niet binnen!—Dolf?… Meneer Dolf van Walden? Herkent u me niet meer?… Linden.… Jan Linden.…
Dolf. Pardon—mogelijk dat.…
Dokter (de flesch in den koelemmer stellend). Ik heb uw schoenen nog in ’88, ’89 gepoetst—ik heb op één avond drie snijkoeken moeten slikken, omdat ù zich verbeeldde, dat ik ’n speld binnen had gekregen.… Boven de handschoenenwinkel in de Breestraat—met aan de overzij ’t Stadhuis.
Dolf. Ben jij—ben u.… die kleine bleeke Jan, die.… Kerel, ben jij al dokter? (schudt z’n hand) En mama?.… We hebben daar zoo luidruchtig hooren lachen.… Is ’t weer zoover beter, Jan of Linden of dokter.
Dokter. Hou je bij Jan, Dolf—dat is de makkelijkste herinnering, niet? Mevrouw van Walden—jongen, jongen, wat ’n damp van de sigaretten—mag heusch niet, meneer—je mama, Dolf—’t doet me verbazend genoegen, je na zooveel jaren weer ’ns te zien—je ben d’r niet minder op geworden, ouwe kameraad!—je mama—ja, ’k dùrf geen meening meer zeggen—bij dat soort hartaandoening blijft ’t tasten.… Eergister en gister en vanmorgen nog, had ’k ’r formeel opgegeven—en nu.… Niemand weet ’t. Niemand. Als ze zich kalm houdt, ’t spreekt vanzelf dat ze ’t bed niet uit mag, bestaat ’r kans—’n heel zwakke kans.… ’t Eenige wat ’k beslist aanraden moet—en wat je gezond verstand je zal ingeven: ook al krabbelt ze weer op—je moet ieder oogenblik te bereiken zijn—versta me wel iéder oogenblik.…
Dolf. Jantje—’t zelfde hoor ’k twee jaar lang—je collega die ’r in de stad behandelde, heeft.…
Charles.… Ons om ’n haverklap getelefoneerd of geseind.…
Dolf. Zooals jij vandaag.…
Dokter. Natuurlijk, natuurlijk—maar iedere dag kàn ’t noodlottig zijn. ’t Was hoogst-bedenkelijk—hóógst. En daarstraks, na ’n met moeite gedronken glas champagne, werkte ’r hart weer bijna normaal, liet ze ons schudden van ’t lachen, omdat ze beweerde zóó’n eetlust te hebben, dat ze minstens driemaal ’t menu van de table-d’hôte, telkens van voren af aan, zou kunnen eten. En toen ik zei, dat zoo iets ’n weinig bezwaarlijk moest zijn, antwoordde ze droog, dat ’r overleden man ’t eens tweemaal gedaan had, nà ’n officieel diner, waaraan de koning had aangezeten, en waarbij niemand ’n vollen mond durfde nemen, omdat Zijn Majesteit elke plat liet passeeren, en alleen ’n cure-dent verlangde, die ’r niet was.…
Dolf. Hahaha!… Heel goed!… Maar doe me verder ’t genoegen, Jan—kerel, wat heeft de praktijk jou ’n buikje gegeven!—en praat niet meer over dineeren. Zoo als ’k mama heb gezien, moet ’k met overleg iets uitzoeken—geeuwhonger.…
Dokter. Geen tijd gehad?
Dolf. Tijd? Tijd?… Twaalf uur per dag, vijf vingers aan elke hand, kom ik tekort. Zou jij even de karaf water van Hope—die kleine attente Hope!—van Hope ’r kamer willen krijgen, Charley?
Charles. Om uw handen te wasschen?
Dolf. M’n handen wasschen?… Wou je hebben dat ’k dat zoo maar hier? (bootst het na).
Charles. O, met ’n glàs?
Dolf. Nee, neefje. Voor de bloemetjes. (Charles in de kamer links af). Hoe vindt je ’m, de zoon van m’n broer? Nette jongen, hè?… Wat gesloten—te vroeg getrouwd—drijven van … (tot Charles, die met de karaf terugkeert). Merci—merci! Nee, laat mij ’t liever doen. Zoo—de blaren vallen al af—symbool van de vrouwtjes, Jan—je bewondert ze—je plukt ze—dat wil zeggen: zij plùkken jou, terwijl je ze plukt—en als je ze ’n paar dagen in ’n bezeten stemming bezeten heb—geweldig die echo van woorden, hè?—regent ’t verdorde ideaaltjes—hou je zoo’n ding als dit—en profond négligé over … (werpt lachend ’n stengel uit ’t venster).
Dokter. Met je permissie—’t beste laat je schieten—’t stuifmeel, ’t vruchtbeginsel.…
Dolf (vroolijk). ’r Is niet één beginsel dat voor mij ’n beginsel is—Charley stop je ooren toe—ik ben de slechtste mentor voor jong-getrouwde mannen—èn vrouwen, hahaha! Kan ’k bij mama, dokter? Wat klinkt ’t verduiveld gek, zeg, jou dokter te noemen.…
Dokter. Nee, nee, nee!… Vooral niet binnengaan! Ze mag niemand zien. Rust, rust en nog eens rust. Morgen misschien, als de nacht kalm doorgebracht wordt.… Ben je zoo van de jacht op reis gegaan?
Dolf. Nog geen twee minuten na ’n prachtige haas te hebben neergelegd—roetsch, roetsch in de auto van Beelaart—roetsch ’n boerekar ondersteboven—roetsch, binnen de drie uur hier—vanmorgen twaalf uur gepicnict.… Zou ’k me wat laten brengen?… (een dekschaaltje op de zijtafel oplichtend). ’n Gestolten lamskoteletje.… (tot Charles). Heb jij dat besteld?
Dokter. Nee. Hope moet ook nog eten.
Dolf. Ook nog?… Bij half negen!…
Dokter. Dan kun je samen.…
Dolf. Sàmen—met … Met-è … soupeeren?… Nee—Hope en ik hebben zoo af en toe—af en toe.… Ik hou niet, of minder, van wat je ’n moderne, ’n moderne vrouw, noemt—en zij heeft zoo eenige bezwaren tegen mijn levensbeschouwing—als je mijn methode zoo’n wel-overwogen naam kunt geven (tot Charles). Charley, boy, kruip je heelemaal weg op ’t balkon?
Charles. Hier hindert m’n sigaret niet—en misschien hebben de heeren te praten.
Dolf. Heelemaal niet, jongen.
Charles. ’t Is zulk zacht weer—’k zit liever hier—’k zal nog enkel ’n tweede kop nemen (komt van het balkon, vult zich een tweede kop—gaat weer buiten).
Dokter. En ik stap op.
Dolf. Wat heb je ineens zoo’n haast?
Dokter. We zien mekaar, hoop ’k, dezer dagen méer en onder rustiger omstandigheden. Loop je eens bij me aan—je ben nog niet éen keer op de Stichting geweest.…
Dolf. De Stichting van mama?… Praktiseer jìj daar?
Dokter (glimlachend). Je ben wél op de hoogte, uitnemend op de hoogte van de dingen, die je mama interesseeren.…
Dolf. Kerel: ik vind ’t allemaal braaf en christelijk en voortreffelijk en hoe-je-’t-meer-noemen-wil—maar—maar: ik ben eenmaal anders—ik voel ’r zoo wanhopig-weinig en mogelijk toch weer ’n massa voor.… Toen ’t gebouw in aanbouw was, de kinderen nog in de barak logeerden, wou mama met geweld dat ik de eerste-steenlegging bij zou wonen. Dat heb ’k gedaan. De heele speech van dien dominee—die met ’n wràtje op z’n kin—dat ’s ’t eenige dat ’k van ’m onthouen heb.…
Dokter. Hahaha!.…
Dolf.… Heb ’k me gloeiend in de meer dan gloeiende zon staan vervelen en ergeren—mama kreeg ’n uitbrander voor ’r ferme daad—ik ’n dozijn steken onder water—m’n gestorven ouwe heer werd ’r bijgesleept—als ’r geen paar beeldjes van kopjes bij waren geweest, met gedekoleteerde halsjes om te zoenen, zou ’k waarachtig uit den band zijn gesprongen!… Die eene met gitzwarte oogen en ’n moedervlekje hier—is die nog verpleegster geworden?…
Dokter (glimlachend). Zwart haar?
Dolf. Juist—ze werd met Annie, meen ’k, aangesproken.… (De dokter schiet in een lachbui). Wat lach je?… Schei uit!… Is ’t zoo grappig?…
Dokter (moeilijk). Onbetaalbaar.… Daar zal ze van mee profiteeren, als ’k thuis kom (lacht weer).
Dolf. Daar ga ’k bij zitten.
Dokter. Ik ook.
Dolf. Ben je klaar met je lachen?
Dokter. Ja. Eindelijk.
Dolf. Is die ’r nog?
Dokter. Ja, Dolf. En als je ’r niet boos om ben—ik was zoo vrij ’r te trouwen, hahaha!
Dolf. Hartelijk gefeliciteerd, kerel. Wel dat doet me màchtig pleizier. Jij heb altijd smaak gehad, hè?… Altijd. Ja (begint zelf te lachen). Heel aardig. Dat ’s me nòg eens gebeurd—en ’n beetje erger—voorverleden week in Châtelard—’n engel van ’n vrouw, groot, slank—heelen dag mee geflirt—volkomen correct—snap je!—Bij de pousse stapt ’n mormel van ’n mannetje binnen—’n bouwval—’n antikiteit. „Kijk eens om, madame”, zeg ik: „’n vogelverschrikker in ’n smoking”.… Ze kijkt om, laat ’r kopje haast vallen—stelt me voor: „Mon mari—mon mari”.… ’k Heb je daarnet toch niet beleedigd, ouwe Jan van boven de beruchte sigarenwinkel-in-de-Breestraat.…
Dokter (lachend).… Handschoenenwinkel.… Boven de sigarenwinkel woonde je niet meer.… ’s Nachts hebben we je door ’t raam verhuisd, omdat de ploertin eerst ’r beer betaald wou hebben.…
Dolf. Hahaha.… Ja-ja! Nee maar zeg—’r blijft toch niets van de nonsens hangen—’k vond ’r op m’n woord lief, charmant—maar.…
Dokter. We—wè hopen je bij ons te zien.…
Dolf. Merci.
Dokter. Zou ’t voor jou ook geen tijd worden, Dolf? Die historie met die juffrouw Lebeau.…
Dolf. Heb jìj Hope ’t adres gegeven?
Dokter. Ik? Hoe kom je daar op? Ze wist ’t—iedereen weet ’t.…
Dolf (gepreoccupeerd). Zoo.
Dokter. Ik dacht geen jaar geleden, dat jij père de famille, dat je getrouwd was.…
Dolf. Nee. ’k Heb ’t nog niet verder dan tot ’n bedriegelijke nabootsing van ’t huwelijk kunnen brengen.
Dokter. Jammer. Wij hebben ’n pracht van ’n villa, met uitzicht op zee—alleen beneden ’n suite van vijftien meter, vijftien.…
Dolf.… Excellent om te kegelen.…
Dokter. Je ben positief dezelfde. Maar die befaamde vrouw—uit dat schandaalproces.…
Dolf. Ja ’t is niet in den haak—„voorwaar niet” zou dominee-met-’t-wratje zeggen.… Malle geschiedenis geweest—de kennismaking—de eerste eenzame liefdesnacht.…
Dokter.… Eenzaam?.…
Dolf. Hopeloos. Met de odeurtasch van je adoratie achter te blijven.… Dat was drie maanden geleden. Langer kan ’t niet. ’k Ben zelden langer dan drie maanden in de bedriegelijke nabootsing. We nemen ’n hotel, ’n groot hotel van over de vijfhonderd kamers—dat’s te verkiezen—Zij drinkt ’n flesch met me—verwijdert zich even—wil naar de kamer terug—heeft ’t nummer vergeten—gaat na ’n kwartier zoeken naar den portier—die vraagt ’r den naam van ’r màn—Scène-à-faire voor ’n theaterstuk: ze kent me na de korte kennismaking enkel bij m’n vóórnaam—Stel je voor, Jan: geen nummer van de kamer, geen naam van den man.… Hoogste tragiek.… De eigenaar van ’t hotel wordt door den portier gewaarschuwd, dat-ie voor ’n puzzle staat—Snip mag heelemaal niet meer binnen—familiehotel—goede naam—enzoovoort … Ik na ’n kwartier aan ’t zoeken—hoor wat ’r gebeurd is—eclipseer met de odeurtasch … Zou jij ’n vrouw na zoo’n hevig-bewogen avontuur, zònder ’r odeurtasch laten? Nee, nietwaar? Zoo hebben Snip en ik mekaar „gevonden”. En als ’k Snip, Snipje, niet gekend had, zou je je dépêche vanmiddag aan ’n ánder hart onder ’n ánderen duren hoed met struisvogelveeren—gister betaald—hoedje van zeshonderd gulden—hebben moeten lanceeren, boy.…
Negende Tooneel.
Hope, de vorigen.
Dokter. Slaapt mevrouw?
Hope. Nee, dokter. (tot Dolf) Goeien avond, meneer (hij buigt). Mevrouw wou meneer Charles graag éen oogenblik zien.… Is-ie weg gegaan?
Charles. Nee, nee, nee—present! (stapt van het balkon).
Dokter. Hoe weet mevrouw dan?…
Hope. Ze hoorde stemmen … Toen vroeg ze … En ik wist niet beter …
Dokter. Nee, meneer Van Walden—vanavond niet …
Hope. ’k Zou ’t liever wel permiteeren, dokter—u kent mevrouw: als ’k ’r niet had tegen gehouden, was ze opgestaan …
Dokter. Kom, kom, kom, kom!… Gekheid.
Hope. Ze ligt de avondeditie te lezen—zóó opgemonterd als ze zich voelt … Waarom dan niet even bezoek?…
Dolf. Natuurlijk—natuurlijk. We zullen ’t héel, héel kort maken, Jantje …
Dokter. Geen sprake van—en nog wel twee tegelijk!… Op uw horloge ’n halve minuut, meneer Van Walden—en jij Dolf: morgen … Ik doe ’t met displeizier, en om de patiënt niet te contrarieeren.—Weinig praten en weinig láten praten, meneer!—En mag ik tegelijk afscheid nemen—ik kan niet langer blijven.
Charles. Tot morgen dokter! (af met Hope in de slaapkamer).
Tiende Tooneel.
Dokter, Dolf.
Dolf. Ga je heusch?
Dokter. Me dunkt. ’n Dik kwartier verbabbeld. Zien we je?
Dolf. Op handslag … Aardig die kleine Hope in ’r kostuum, hè?… Jammer dat ze zoo … Dat beroerde bij de tegenwoordige vrouwen, hè—’t haar als ’n kloosterzuster—de hoed zonder ’n veer—moet ’k met dierbare Snip over praten—heele besparing … Is jouw vrouw ’n vróúw—wat je noemt ’n vróúw—of is ze ook zoo’n verschijnsel met aangewaaide ideeën—type eenvoud?
Dokter. Dolf—je krijgt me niet meer an ’t babbelen!… Kom je overtuigen, hahaha!… Tot ziens. Je hoeft me niet uit te laten. Denk ’r an: jij mag pas morgen op bezoek gaan. Rust, rust.
Dolf (in de deur). Zeg Jantje …
Dokter. Ja?…
Dolf. Ben je nog altijd zoo’n liefhebber van schaken?… Je gaf me ’n raadsheer of ’n kasteel voor, herinner je je?
Dokter. Ja, ja.
Dolf. Spelen we morgen ’n partij?
Dokter. Uitstekend. Bij mij thuis?
Dolf. Goed. Morgenavond. ’t Zal me ’n genoegen zijn met je vrouw kennis te maken. Jij ben ’n beste kerel.
Dokter. Adieu. Adieu.
Elfde Tooneel.
Dolf, Charles, Hope.
Dolf (kijkt het boek van Hope in, leest ’n moment, glimlacht, bladert verder, houdt ’n bundeltje gedroogde viooltjes tusschen de vingers, zit in nadenken, klapt het boek vroolijk dicht, schenkt zich een glas champagne in, drinkt dat snel leeg, herneemt het boek, bekijkt nog eens aandachtiger de gedroogde viooltjes, schrikt, sluit het boek, wacht tot Hope de deuren dichtgeschoven heeft). Nou? Hoe vond je mama?
Charles. Dezelfde van vroeger.—Als ze morgen zoo is, reis ik weer rustig af.
Dolf. Je zegt dat of ’r iets voorgevallen is—Zoek je wat Hope—juffrouw Hope?—Daar ligt ’t.… (overhandigt haar het verlegde boek).
Hope. Dank u. (zet zich in den leunstoel voor ’t raam—leest met bedoeling).
Dolf. Heb je iets, Charley, boy? Zeldzaam hoe jij zónder snor op die dominee-met-’t-wratje lijkt, hahaha!
Hope. ’n Beetje zachter, meneer—mevrouw zou gaan slapen. Dat lachen is te hooren …
Dolf. Ik dacht dat jij zat te lezen … Nou Charley, hoe heb ’k ’t met je?… Ga je zoo gezellig heen?
Charles (kalm). Grootmama sprak ’r van waar Hope bij was—ik hoef me dus voor Hope niet in acht te nemen—’r hindert me inderdaad wat! (tot Hope, die naar haar kamer gaat). Je hoort toch, dat ’k voor jóú geen geheimen heb …
Hope. Praat u liever zonder ’n vreemde ’r bij.… (af).
Charles. In elk geval kan ’k nu vrijer m’n opinie zeggen.… Oom Dolf—hoe ù doen zal, weet ’k niet, maar ik zal me ’r deze keer beslist nièt bij neerleggen.…
Dolf (droog). Money-matters?
Charles. Geldzaken ja. Grootmama heeft de intentie de Stichting, die al zooveel nutteloos geld verslonden heeft—geld niet te berekenen!—’n enorm legaat te vermaken—En omdat dat wettelijk zonder uw en mijn toestemming niet kan, niet mag, vroeg ze me of ik ’r voorloopig belóven wou met ’n beschikking van dien aard genoegen te nemen.…
Dolf. En?
Charles. Ik heb ’r in deze situatie niet dadelijk willen weigeren—’r enkel gezegd dat de dokter veel praten verboden heeft, dat we morgen à tête reposée… niet waar—vindt u niet?
Dolf. Ik vind dat verschuilen achter ’n doktersadvies niet bepaald recht door zee—niet straight forward, Charley … Hoe groot zou dat door ons goed te keuren legaat moeten zijn?
Charles. ’n Rente van ’n halve ton per jaar—dat is schappelijk berekend ruim ’n miljoen.…
Dolf. Tegen vijf procent—en die maak je niet op soliede manier.…
Charles. Met wat ’r al in de historie zit, wordt ’n fortuin, ’n fortuin, verkwist—Ik kom voor Ninette op—ik dènk ’r niet aan, dènk ’r niet aan—de excessen van grootmama, dat links en rechts „weldoen” met geld dat welbeschouwd ’t hare niet is …
Dolf. Ho. Ho. Niet zoo galopeeren. ’n Beetje maat houden in je edele verontwaardiging, Charley.….
Charles. Met genoegen, maar alsjeblief niet die hinderlijke toon, oom, of ’k nog de jongen van de kostschool ben …
Dolf. Jij schiet vanavond met iets anders dan los kruit, neefje.…
Charles. Des te beter. ’k Heb lang genoeg over me láten beschikken.…
Dolf (koel). Toch niet door mij, wel?
Charles. Door u?… Och u … (verbitterd). U had andere zaken en bezigheden dan naar mij om te kijken.…
Dolf. Ik zei je al, toen je me ’t portretje van Ninette liet zien, dat jij van nuances van hatelijkheid schijnt te houden.… Snip pleegt daar ook in den vroegen morgen specialiteit in te zijn.…
Charles. Merci voor uw ernstigen toon, oom. Maar ik verzoek u er nota van te nemen dat ik weiger—in ronde woorden weiger.…
Dolf. Ik heb je toch niets gevraagd? Wil je zoo ridderlijk zijn zelf ’t woord te voeren?
Charles. Dat zal ’k. En om onaangenaamheden te ontgaan, lijkt ’t me ’t beste ’t antwoord uit Trouville te schrijven.…
Dolf. Jawel. Maar doe ’t aangeteekend. Dat is meer businesslike, zakelijker, verstandiger—brieven kunnen zoek raken.…
Charles. ’t Zal toch heusch tijd worden, oom, dat u minder ironisch met me omgaat.… Grootmama heeft me naar die ellendige kostschool gezonden—grootmama heeft ’n vrouw voor me uitgezocht—heeft ’t huwelijk bedisseld.…
Dolf. Jij begint los te komen of je mishandeld ben geworden—of je vrouw ’n last voor je is.…
Charles. Daar blief ’k mijn gedachten over te hebben. Ik zeg alleen, dat de grens bereikt is—ik laat niet disponeeren over.…
Dolf.… Je erfdeel—ouwe, beminnelijke familie herrie, wanneer ’t zoover is.… (hard). Maar ’t is gelukkig nog niet zoover.… ’t Spijt me Charley, dat de eerste keer dat je eens prettig met me uitpraat—dat je gezicht ’n andere dan de bekende plooi heeft—dat je minder gereserveerd doet—dat je net die éérste keer zoo ongegeneerd van stapel loopt, terwijl ’t goeie, beste, onzelfzuchtige mensch, dat menig nachtje bij je opgezeten heeft, toen jij nog nièt ’t „goddelijk oordeel des onderscheids”, dat je nu bezit, had, mogelijk in ’r laatste uren ligt te becijferen, wat ze voor derden nog doen kan.… Fidonc. Je ben ’n egoïst lid, om zoo onsmakelijk je zelfstandigheid op te vatten!
Charles. Egoïsme schijnt ’n familietrek, oom … Ik heb u nooit minder getaxeerd … Au revoir. ’t Is beter ’t gesprek niet voort te zetten (bij de deur). Ik zal grootmama schrijven.
Dolf. Aangeteekend, jongen! (loopt grimmig op en neer, schelt—klopt aan Hope’s deur).
Twaalfde Tooneel.
Hope, Dolf, de Kelner.
Hope. Heeft u me noodig, meneer?
Dolf. Zou jij anders niet komen?
Hope. Natuurlijk wel.
Dolf. Hope—ik heb voor jou ’t grootste respect.
Hope (pijnlijk). Jawel, meneer.
Dolf. Waarom zeg je dat „jawel” met dat vervloekte „meneer” ’r bij—op de ouwe haatdragende manier?
Hope. Ik ben niet haatdragend.
Dolf. Kom nou—op m’n eerewoord.…
Hope. Doe u me één genoegen—en maak niet zoo’n misbruik van eerewoorden … Eer is zoo’n bijzonder ding voor ’n vróúw …
Dolf. Door ’n man zou ’k me zoo iets niet laten … En in jouw mond klinkt ’t leuk … Jij heb ’n methode (met nadruk)… Hope—ik vraag je zoo echt en zoo welgemeend excuus voor m’n gemeenheid van dien avond!—Ik heb geen bedoeling, geen bijbedoeling—’k voel enkel de behoefte je met genegenheid, met eerlijke vriendschap, de hand te drukken … Wees niet stijfhoofdig …
Hope. Nee, meneer! (weigert de hand. Geklop) Binnen. Wat is ’r?
Kelner. Vous avez sonné …?
Dolf. Breng jij ’ns vlug ’n biefstuk of ’n chateaubriand of ’n entrecote—met pommes frites—(tot Hope). Màg ’t hier?
Hope. ’r Is gedekt.
Dolf. En wat groenten …
Kelner. Pointes d’asperges?… Epinards?
Dolf. Pointes d’asperges.
Kelner. Et après …
Dolf. Niemendal. Verdwijn! ’k Val flauw. (Kelner af). Hope, schenk je vergiffenis?… ’t Heeft me zoo gefrappeerd dat jij weer bij mama terug ben, dat jij me—me—seinde—jij … na m’n onhebbelijke, lage, laffe, liederlijke—meer adjectieven zul je wel niet verlangen!—behandeling, dat ik goed met je móét worden … Die bloemen zijn voor jou …
Hope. Dank u—zal ik nièt accepteeren.
Dolf (glimlachend). ’n Páár kun je ’r drogen zooals die in je verzenboek …
Hope (schrikkend). Begrijp u niet …
Dolf. De derde keer! Nièmand begrijpt me vandaag! Race van onbegrepen naturen! De boschviooltjes die ’k dien fameuzen Zondag—die ’k zóó dicht bij ’t water greep, dat jij m’n hand moest vasthouen—liggen die niét in dat buitengewoon boek gedroogd?
Hope. Dat boek heb ’k geleend—die bloemen interesseeren me niet! (laat ze er uit vallen—wil naar haar kamer terug).
Dolf. Dus—géén wapenstilstand?…
Hope. Als ’r geen oorlog is, hoeft ’r niet over wapenstilstand gesproken te worden.… (nieuw gebaar naar de kamer).
Dolf. Ik had dien nacht wat te veel champie …
Hope. Hoe langer u ’r op doorgaat—hoe onkiescher ’t vooral voor mij is—voelt u dat niet?.…
Dolf. Eén woord van je, Hope.…
Hope (bitter). Vanmorgen, terwijl ’k me aankleedde, had de kelner, die straks hier was, de impertinentie binnen te komen—zonder kloppen—ik stond in m’n onderlijfje.…
Dolf. Goed dat je ’t zegt.… De kwajongen!…
Hope. Dien avond—toen u te veel „champie”—nee, nu zàl ik ’t zeggen—toen u te veel gedronken had, dee u èrger.… Als ’k niet geschreeuwd en gegild had—als er geen dienstboden bóven hadden geslapen—zou u.… (smartelijk).… Terwijl u wist hoeveel ik tóén—tóén—lach niet: dat’s uit, ùit—hoeveel ’k tóén van u hield … (met bedwongen tranen).… Dien heelen nacht heb ik liggen huilen, dacht ’k die beleediging—dat ’n vrouw zóó schandelijk in ’r bed te overvallen—dat ’n vrouw als ’n dier willen behandelen—had ìk reden gegeven?—ooìt?—niet te boven te zullen komen.… U had geen respect voor ’t dak van uw mama, die meer dan ’n engel voor me was—geen consideratìe voor m’n herinneringen, geen ontzag voor de beste, liefste dingen van ’n meisje, dat in de droomen van ’r kamer zoo laag, zoo ontuchtig opgeschrikt wordt!
Dolf. Ik wàs toen ’n bruut, Hope—had je den volgenden morgen—daar: op m’n knieën excuus willen vragen!—jij was geëclipseerd.…
Hope. Natuurlijk.…
Dolf. En m’n brief van vier—zès zijdjes, ’n vol uur werk!—bleef beantwoord.…
Hope. Natuurlijk.…
Dolf. Wat kon ’k meer doen?… En summa summarum, Hope-lief, àls ’k ’t zeggen mag—dat lijkt nu nog alles ’n tragedie—’n half Sabijnsche maagderoof—’n … (posteert zich voor haar deur). Nee, je gaat ’r niet vandoor!…
Hope. Dat zal van uw toon afhangen.…
Dolf. ’k Heb nu maar één glas gedronken, Hope—en mama ligt daar, Hope—en wànneer ’k ’n Blauwbaard ben, Hope, ben ’k toch ook nog ’n beetje gentleman, waarachtig ’n beetje—een, die fair genoeg is zich te schamen over ’n laagheid … Ga je nu weer dáár zitten?… Spelen we verstoppertje …?… (zet zich over haar). Enkel twee vragen.… Klopt ’r niets, niets meer voor me onder dat charmante verpleegsterskostuum, dat je prachtig staat?
Hope. Meneer, ik ben in geen stemming.……
Dolf. Ik wel.… Tweede vraag—en sérieus, Hope—zoo sérieus als ’t bij ’n bed, dat ’n sterfbed had kunnen zijn, mogelijk is!—zeg jij jà, wanneer ’k je … wanneer ik je … wanneer ik je.… Dat is driemaal.… Hahaha!… ’k Zit te hakkelen, als ’n jongen van de Burgerschool.… Dat komt, omdat de knot van je haar me geweldig biologeert.… Kun je je nu niet zoo’n heel klein tikje naar me toedraaien?… Hope!… Moet ’k alleen je haarknot en ’n schattig stukje oorlel zien—als ik je vriendelijk verzoek meelij met ’n ouwen doordraaier te hebben, door ’m te tróúwen.…
Hope (opstaand). Foei!
Dolf. Foei?… Is de vraag zoo misdadig?
Hope. Als ’k die schandelijke inval in m’n kamer, dat twee, driemaal met geweld ’n omhelzing opdringen.…
Dolf. Wat heb je ze wanhopig-precies geteld.…
Hope. Als ’k dat zou kúnnen vergeten—zou de nieuwe grofheid.…
Dolf. Nièuwe grofheid?.…
Hope (scherp). ’t Vereerend aanzoek, terwijl we u seinden bij de dame—de dame—waarmee ’k diep meelijden voel.…
Dolf. Meelij met de brave Snip?… Sta jij nog zóo groen tegenover ’t leven, dat je me voor ’n hartebreker bij ’n vrouw, die ’r liaisons als ’n záák behandelt, aanziet?
Hope. Doet ù ’t anders? Als zij geld aan-neemt—is ù ’t toch, die ’t gééft? ’n Vrouw, die ’r hand ophoudt is meelij waard.…
Dolf. Hahaha, ’n wel duur handje!
Hope. De man, die betaalt, kóópt—daar.…
Dolf. Die vin jij ’n schavuit.…
Hope (rustig).… Erger.
Dolf. Merci. Bijzonder dankbaar. Maar wanneer ik zoo’n climax van schelmerij ben—één lachje, Hope, en ’k krijg de delikaatste kuiltjes in ’n paar niet te beschrijven wangen te zien … nee?…—wanneer ik ’n ongewoon specimen van verdorvenheid lijk—op ’t punt in de armen der Snippen en Snipjens onder te gaan, brrr!, steek jij me dan ’n stroohalm toe.… Daar heeft de ellendigste drenkeling recht op.…
Hope (de schouders ophalend). Och, u heeft geld genoeg ’n beter houvast te betálen.
Dolf. Jij praat met de rancune van ’n ouwe vrijster! Hoe leelijker ’n vrouw is—hoe sekuurder ze zitten blijft—hoe ongezoutener ze tegen beulen als ik tekeer gaat. Maar jij: waarom doe jij zoo zwaar-op-de-hand zoo als ’n christelijk grootmoedertje, zoo.…
Hope.… Dat is ’n puzzle, meneer.
Dolf.… Iets voorwereldlijks.…
Hope (bitter).… En vervelends.…
Dolf (glimlachend). De nonnekap zou je nog meer flatteeren.…
Hope. ’t Jachtcostuum flatteert u—ieder z’n keus niet waar?
Dolf. Alweer merci!—Hoe edeler ’t wild—hoe prikkelender de tegenstand—Kom nou, Hope.… Die maanden en maanden na de gebeurtenis, ben je niet uit m’n gedachten geweest—M’n dolle streken waren voor negen tienden baloorigheid.… ik hóú van je. Ik kan—zoo waarachtig als ik geloof te leven—ik kàn niet buiten je.… Zoo groot is geen minachting.…
Hope (stil).… M’n moeder is verleid, als meisje van achttien—heeft zich van kant willen maken, toen hij, zoo een als u, ’r verliet—met ’n fooi voor ’t kind dat nog geboren moest worden—met ’n fooi—met ’n fooi. Ik heb ’r nooit gekend, heb ’r niet zooveel duizend maal kunnen danken, als ze duizend maal tranen gehuild moet hebben.… Voor m’n vader—vader!—voel ’k de diepste, diepste verachting.… En geen mogelijkheid, om ’m ’r iets van te zeggen—’k weet z’n naam niet—(wraakzuchtig)—tot m’n spijt—tot m’n innigste spijt! Nou kan u nagaan hoe ’k over u denk.
Dolf. Dien dag van de boschviooltjes dacht je toch minder puriteinsch—ik heb m’n doen en laten nooit onder leugentjes gemaskeerd.…
Hope. Dien dag ja.… Dien dag hóópte ’k, droomde ’k … dat u voor—voor invloed vatbaar was—en ’k moest me in m’n eigen kamer—’s nàchts.. verdedigen.… ’n Week later had u ’n nieuwe liaison … (opstaand). Dat is nu zeker de laatste maal, meneer, dat we over ons „verleden” spreken. Over ’n paar dagen, wanneer mevrouw vervoerd mag worden, ben ik weer in de Stichting—u in de „wereld”.… Laten we het mekaar niet lastig maken. Ik heb geen lust u de les te lezen—u nòg minder genoegen zoo’n weinig mondain discours op te houden.
Dolf. ’k Was juist van plan ’t in meer mondaine paadjes te leiden.… Dus àlles tusschen ons uit?
Hope. Gesteld dat ’r iets bestaan heeft—dan ìs ’t uit.
Dolf. Hahaha!… Je ben om te stelen, Hope!… Ik heb nog nooit m’n schavuite-hoofd gestooten—en jij, jij.…
Hope. … En ik?…
Dolf (met hartstocht)… Jij wil niet beter dan dat ik je weerbarstige handjes met geweld in de mijne neem, dat ik mijn lippen op de jouwe …
Hope.… Liever zou ik me.…
Dolf.… Zou je je.… Praat uit!
Hope (heftig). Ik heb geen achting voor u!
Dolf. Ik voor jou dubbel.
Hope. ’n Man waartegen ik niet opzie.…
Dolf. Hoeft niet. Je hóúdt, hóúdt, hóúdt van me, Hope—je wil je zelf en mij wat wijsmaken.…
Hope (heftig). Wijsmaken?… Wijsmaken, waar ’k geen grein eerbied … (schrikt). Daar klopt iemand. Straks heeft de kelner staan luisteren.…
Dertiende Tooneel.
De vorigen, Mevr. van Walden.
Mevr. v. Walden. Nee ik.
Hope. Ben u opgestaan? De dokter.…
Dolf. Mama, hoe dùrft u? ’t Was u verboden!
Mevr. v. Walden (glimlachend). M’n krant had ’k uit en toen méénde ik jouw stem te hooren.…
Hope. Mevrouw, u moet dadelijk, dadelijk weer.…
Dolf. Hoe kunt u dat doen? (Omhelst haar). Ongehoorzaam moedertje! Ik blijf hier zóolang u me houden wil—maar u gaat naar uw kamer.
Mevr. v. Walden (Hope afwerend). Nee kind—vijf minuten—op de klok af vijf—dan mag je desnoods met geweld.…
Hope. Mevrouw.…
Mevr. v. Walden. Spreek ’k óóit onwaarheid, Hope? Ik ben beter—de aanval is voorbij. Dat voel ’k zelf ’t beste.… En—nee, ik neem den stoel bij ’t balkon—even de zee hooren—dank je!—en wou ik zeggen, als ’t ergste nièt voorbij is, dan wil ’k van ’t gevoel van opluchting profiteeren, om ’n oogenblikje, één oogenblikje met jou, jongen, te praten.…
Hope. Praten doet u vooral niet.…
Dolf. Beslist niet.
Mevr. v. Walden. Goed kinderen … ’k Zal matig zijn. Doe de deur achter me toe, Hope—’t trekt ’n beetje—’t raam in de slaapkamer staat open.
Hope. Dan doe ’k ’t dicht. (af).
Mevr. v. Walden. Dolf, beste jongen: dat meisje is meer dan ’n engel—dat meisje is ’n vrouw zooals God ’r weinig geschapen heeft … Ik heb geluisterd. Ik weet dat ze—dat jij ’r ongelukkig maakt—dat ze … (Hope treedt binnen).… Ik zei, Hope, dat ik de Stichting … Je mag vannacht niet opblijven, kind—onder geen omstandigheden—twee heele nachten heeft ze gewaakt, Dolf.… En jij—heb ik je in de jacht gestoord?…
Dolf. Nee. Nee. ’k Wou vandaag hier in de buurt …—toen hoorde ’k toevallig dat u in ’t zelfde hotel.…
Mevr. v. Walden (glimlachend). Ja. Jawel. Mag ik ’t niet weten dat je gewaarschuwd ben? Ik ben niet bang voor den dood.…
Dolf. Nou mama! Op uw honderdsten jaardag zullen we over dood beginnen te.…
Mevr. v. Walden.… Nee jongen—je hoeft ’r niet over heen te praten. Hope weet hoe ’k ’r over denk. ’t Leven is ’n reis—’n reis—Wie heengaat komt wat vroeger aan. En die reis maken we allen, is ’t niet?.… Hoe komt ’t dat ’k je zoo lang niet gezien heb?.…
Dolf (glimlachend). Drukte. Buitengewone drukte, mama.
Mevr. v. Walden. Dat is ’n genot hier voor ’t raam. Ja—’n buitengewoon genot. Neem ’n stoel, Dolf—dicht bij me—nog dichter—dan kan ’k zacht blijven spreken. Jij ook, Hope, m’n goeie, beste Hope. Zoo is ’t goed. Zoo zit ’k of me niets kan gebeuren. Jammer dat Charles weg is gegaan. Heb jij bezwaar tegen ’n legaat, ’n heel groot legaat, Dolf—laat me je hand houden—dat ik per testamentaire beschikking aan de Stichting … ’t Staat in m’n wil … maar van kracht is ’t niet, zei de notaris—als jullie.…
Dolf (vroolijk). Alweer over dingen waarover we na dertig jaar zouen spreken.…
Mevr. v. Walden. M’n jongen—gekscheer niet. Ik ben opgeschreven.…
Hope. Nou mevrouw! Toe!
Mevr. v. Walden. Op mijn leeftijd voel je precies—hoelang nog en (glimlachend) wanneer … Zul jij je niet verzetten?—Dolf?
Dolf (luchtig). Ik geef permissie me te onterven! Daar!
Mevr. v. Walden. ’t Is ’n enorm bedrag.
Dolf. Doe zooals u ’t zelf wil—’k vraag naar niets …
Mevr. v. Walden. Ook niet waarom die Stichting me zóó na aan ’t hart ligt?
Dolf. Mama—u heeft die liefhebberij—ik ’n àndere.
Mevr. v. Walden. Liefhebberij? Nee—ik lieg niet—ik draag ’n schuld. Geef me ’n glas champagne, Hope. Ik ben toch ièts vermoeider dan ’k dacht.
Hope. Nee mevrouw. Dan gaat u naar bed.
Mevr. v. Walden. Geef me ’n glas, Hope—je zou ’r later spijt van hebben. Ik wil, wìl van m’n schuld vertellen—voor ’t eerst—en voor ’t laatst, omdat je alles toch onder de papieren zal vinden.
Dolf. Mamaatje—ga niet op die malligheid door! Als ù—ù—hahaha!—schuld heeft, nemen wij die graag over, niet waar, Hope?
Hope. Natuurlijk, mevrouw—zulke gesprekken winden nutteloos op … Wil ik de deuren sluiten? ’k Geloof dat de wind begint op te steken.
Mevr. v. Walden (glimlachend). Een glas—doe wat ’k vraag. Dank je (drinkt). ’k Kan op die manier aan de drank raken. Luíster. Ik zeg ’t zonder opwinding, omdat ’k er overheen ben. ’n Halve eeuw jaagt de ergste gebeurtenissen uit je herinnering. Ik heb uit m’n eerste huwelijk.…
Dolf. Eérste?… Wat zegt u?…
Mevr. v. Walden. Niet in de rede vallen, jongen—uit m’n eerste huwelijk twee kinderen gehad—’n jongen en ’n meisje, was toen de vrouw van ’n—van ’n man waarvan ’k nièt hìeld, die me door m’n vader op was gedrongen—ik was negentien, zelf ’n kind. Toen gebeurde wat zoo dikwijls gebeurt—ik raakte op je vader verliefd—hij op mij—zoo verliefd—zoo verliefd—daar vecht je tegen—vecht je tegen, tot.… Met geweld wou m’n man me houen—hij dee leelijke díngen—laat ’k ’r over zwijgen. Ik liep weg. Het was uit. En ik hertrouwde.…
Dolf. Mamaatje—al wat jij gedaan heb, gedaan kan hebben, is goed en te begrijpen. Niet verder op doorgaan.
Mevr. v. Walden. Nee jongen. Hiér begint m’n schuld. Ik had twee jonge kinderen verlaten—de jongen drie, ’t meisje twee. En dat màg niet. Dat is zoo wreed, zoo misdadig—schaapjes op dièn leeftijd, die op de móéder aan zijn gewezen. Nee—niet in de rede vallen! Niemand kan over zoo iets oordeelen. ’t Wordt ’n ding voor je geweten. Enkel voor je éigen geweten. M’n eerste man had ’t niet breed. Ze hebben armoe gekend—later. En nooit genegenheid, de stumpers. Als hij aan z’n werk was, werden ze door ’n meid verzorgd—vérzòrgd. Drie, viermaal heb ’k geprobeerd met gèld te helpen—wou-ie niet. ’k Wou ze voor mijn rekening ’n opvoeding geven—wou-ie niet. Toen ’k eens de reis had gemaakt, om ze te zien, werd ’k ziek zooals ze ’r verwaarloosd uitzagen—’t kleine lekkere meisje vooral—mijn dochtertje, als ’k ’t recht heb dat nu nog te zeggen. Op ’n dag—nee, maak je niet ongerust—’t is zoo dood en ver—is ’t ventje overreden—’n jaar later stierf ’t meisje—dat tengere, zwarte ding aan typhus—ongekookte melk. Dolf, m’n jongen—’k heb m’n plicht bij de grafjes mogen doen—m’n plicht … m’n plicht …
Dolf. Zie geen spoken mama—plicht is ’n ding …
Mevr. v. Walden … ’n Ding, dat ik in die dagen als ’n last, ’n machtspreuk—over boord wierp—dat toch zoo’n genot, zoo’n rust geeft.…
Dolf. U zegt zelf: u wàs verliefd—èn, dat mogen wij vóor alles zeggen: voor òns was u.…
Mevr. v. Walden. Niet doen. Mij hoef je onder geen omstandigheden te—te—overtuigen, te troosten. ’t Is zoo ver weg, zoo zonderling-ver, of ’k als ’n gestorvene over wat-begraven-is babbel. Na den dood van je papa en je broer, ben ’k wakker geworden, heb ’k geprobeerd aan andere kinderen te vergoeden, wat ’k naliet toen ’k nog niet dacht, nee niet dacht. Ja, Dolf, dat werd m’n liefhebberij, m’n „liefhebberij”.…
Dolf. Excuseer, dat ’k dat woord gebruikte.… Mag ze nòg langer praten, Hope?
Hope. Toe, mevrouw—wat luistert u slecht.…
Mevr. v. Walden (glimlachend). Ik heb niet de geringste benauwdheid—en—en.… nu ’k den vogel, die zoo zelden op ’t nest is, even bij me heb—moet ’k nòg een, nòg één belofte.…
Dolf. Mamaatje, ik geef je mijn eerewoord, dat ik èlk verlangen, zònder uitzondering, zal respecteeren—’t legaat en ook het andere dat je nog niet gezegd heb—handslag!
Mevr. v. Walden. Je ben ’n beste jongen—en wij—ik—hou heel veel van je—maar die eene belofte moet, moet je nu, nú—je kan nooit weten hoe gauw ’t …
Dolf. Afgesproken, mamaatje—ik doe ’t.…
Mevr. v. Walden (hem de hand op den mond leggend). Ssst! Sssst!.… Wij hebben sàmen iets leelijks gedaan, samen—jij en ik …
Dolf. Hahaha!.… Goed.
Mevr. v. Walden. Niet lachen—’t is heelemaal niet om te lachen. En als ’k ’t zeg, Hope, kind, met opzet in jouw tegenwoordigheid, is ’t met de opdracht dat je hem dag aan dag zal helpen onthouden als-ie lichtzinnig doet.…
Dolf. Excellent! Hoor je dat, Hope? ’k Zal volgens de letter.…
Hope. Ik wou liever—mevrouw.…
Mevr. v. Walden. Niet tegenstribbelen, Hope, m’n allerbest kind.… In achttien-honderd-negentig, Dolf, heb je—heb je veertien dagen (met moeilijken glimlach) gezeten.…
Dolf (luchtig-vergenoegd). Ja mamaatje, daar staat me wat van bij.…
Mevr. v. Walden. Je was met ’n meisje (beschaafd-aarzelend)—te ver gegaan—en de broer, die ’t zich aantrok—mishandelde je.…
Dolf (vroolijk). Gretchen—Valentijn—Faust.…
Mevr. v. Walden. Dolf! Dolf!… Heusch, we hebben iets léélijks gedaan in die dagen.… Zij was in—zie me niet zoo làchend aan, jongen!—zij was in—omstandigheden. Jij heb niet meer, nóóit meer naar ’r omgekeken.
Dolf. Mamaatje!.… Laten we ’n tikje redelijk blijven..
Mevr. v. Walden. Dat bèn ’k.…
Dolf. U heeft geen flauw begrip over wie, over wat u spreekt.…
Mevr. v. Walden. Ik spreek over—over de moeder van—laten we zeggen: ’n kind.…
Dolf. Slik ’t maar niet in! Ik kan ’n stootje velen, hahaha!… Och, och!… Twéé paar gefronste wenkbrauwen!… Nee zeg, laat me geen uur op ’t zondaarsbankje zitten, hahaha!… ’n Kluifje voor Hope.. Mamaatje: alle gekheid op ’n stokje—èn àls ’k ’t me goed herinner—ja, al kijken jullie als scherprechters!—àls ’k me goed herinner: ’k heb geen dagboek van m’n zonden aangelegd, hahaha!—die juffrouw, die me indirect belet heeft door te studeeren—jammer!—had—was … Is dàt ’t onderwerp voor ’n gesprek met jùllie—was ’n—(met lachend geweifel) ’n dametje van licht.…
Hope. ’n Gevallen vrouw.
Dolf. Dat kun je ook minder sòmber zeggen! Ze had al met meer dan een—nou flap ’k ’t ’r uit, omdat jullie me ’t vuur aan de schenen legt—met ’n paar dozijn gelééfd—toen ik aan de beurt kwam. Dat klinkt hard en ruw, mamaatje: ik maak ’t leven niet. Op ’n dag beweerde ze, dat ’k vader—en de mogelijkheid wàs helaas niet buiten gesloten.… Drie, vier, vijf maanden later—leg me op de pijnbank—precies weet ik ’t niet!—had je de herrie met ’r zoogenaamden broer.… ’k Herhaal—om ’r ’n eind aan te maken—laten we redelijk blijven—ik heb ’t mijne gedaan … heb behoorlijk gedokt—tot ze, gelukkig voor ons allen van de vlakte verdween.…
Mevr. v. Walden. Dàt wist ’k allemaal. Maar ’t kind is geboren—’n meisje, Dolf.…
Dolf (luchtig-verwonderd). Och kom!… Hoe weet ù dat?
Mevr. v. Walden. Voor de geboorte heeft ze me—’n „dreigbrief” geschreven—nà de geboorte nòg een.…
Dolf. En?.…
Mevr. v. Walden. En.… En niets.… In één-en-negentig dacht ’k zoo alleen aan mezelf, was ’k zóó’n egoïst—zoo bang voor de wereld, die m’n eerste huwelijk vergeten was—dat ’k ’r nièt antwoordde, geen letter. Je papa zond ’n honderd gulden in gesloten couvert. Den eenen brief heb ’k verscheurd—den anderen bewaard, om ’r—hoe láát ben ’k mènsch geworden!—om ’r politiezaken van te maken, als ze nog eens probeerde „af te dreigen”.… Verleden week bij ’t sorteeren van paperassen, vond ’k ’m.… En ’k kreeg ’r de tranen van in m’n oogen.… ’t Wàs ’t geluid van ’n moeder, die geen uitweg weet.… Je kunt ’m zelf lezen—hij ligt bij m’n laatsten wil—en die laatste wil is ook, vóóral ook, Dolf, dat je onderzoekt wat ’r van die vrouw is geworden, als ’t mij niet lukt..
Dolf (luchtig). Ik ben ’r paf, paf, paf van—ù niet lukt …?
Mevr. v. Walden. ’k Heb m’n chargé-d’affaires last gegeven informaties in te winnen—zoo discreet mogelijk.… Begrijp je, jongen, dat als ik toen wakker was geweest—ik—jij was misschien te jong voor verantwoordelijkheidsgevoel—dat ik jouw.… jouw.…
Hope. Zijn dòchter.…
Dolf. Merci voor ’t waarmerk!
Mevr. v. Walden. Dat ik jouw dochter—ze kàn ’t geweest zijn—nóóit aan ’r lot zou overgelaten hebben?.… Geen glimlach, jongen.… Toe, toe, geen cynisme! (grijpt z’n hand opnieuw).… Doe de belofte, die ’k je vraag, dat je die vrouw en vooral dat kind—kind—hoe de tijd vliegt!—àls ze onder de lévenden is, moet ’t ’n meisje van zeventien, achttien zijn—dat je ’r zóó lang zal zoeken tot je ’r vindt.…
Dolf. Kom, mamaatje—wat ’n excessieve.…
Mevr. v. Walden (dringender). Je zal ’r me zóó gelukkig mee maken, jongen—ik pleit niet voor die vrouw—ik pleit niet tegen ’r—ik denk aan ’t kind.…
Dolf. Wat is dat mamaatje? Tranen! Tranen?
Hope. Mevrouw!
Dolf (glimlachend). Daar—ik beloof ’t.
Mevr. v. Walden. Glimlachend? Glimlachend?
Dolf. Als ’k ’t maar belóóf, hé?… (zwak-spottend). ’k Steek ’r m’n vingers bij op, dat ’k waarachtig moeite zal doen ’r te vinden. Hoe heet m’n.… vrouw ook weer?
Mevr. v. Walden. Weet ’k niet. Sofie … Sofie …
Dolf. Dat marcheert. Ik ken ’r enkel als Kreeftje! Kreeftje.…
Mevr. v. Walden. Zul je dat kind als ’n dochter …?
Dolf. Als ’k er ù—en m’n vriendin Hope—mee plezier.…
Mevr. v. Walden. Zoo waar Gòd ons ziet?
Dolf. Mamaatje—moet ’t zoo plechtig! ’t Wordt ’n geweldig stuivers-romannetje.…
Mevr. v. Walden. Ik heb zoo’n spijt van m’n harteloosheid.
Dolf. Geexalteerd moedertje: op één conditie herhaal ’k m’n belofte in vòlste ernst—als je weer een, twee, drie gaat rusten—we zullen Jan Linden niet onder de oogen durven komen.…
Mevr. v. Walden (hem op ’t voorhoofd zoenend). Dank je—dank je, jongen. Al lijkt ’t je nog zoo overdreven—’t gaf me den heelen dag ’n gevoel van gejaagdheid, of ’k iets vergeten, iets vergeten had … Je arm, Hope—’k zal vannacht als ’n roos slapen. (bij de deur). Ontbijten we samen? Ja? Acht uur.… En vast afgesproken, Dolf?
Dolf (bij de deur). Vast.
Mevr. v. Walden (reeds onzichtbaar). En zonder uitstel?… Van af morgen?
Dolf (lachend). Van af morgen. M’n jachtkostuum kan ’k ’r voor aanhouden, hahaha! Dat zal ’n jacht met hindernissen worden. Mamaatje! Mamaatje! (sluit de portières). Binnen!
Veertiende Tooneel.
Dolf, Kelner.
Kelner (de plats neerzettend). Un chateaubriand exquis, monsieur.… Quel vin est-ce que monsieur désire?
Dolf. Niemendal! Uitrukken!… En je een beetje gepaster tegenover de verpleegster gedragen, ventje! Begrepen?… Jij heb behoorlijk te kloppen, als ’n dame bezig is zich te kleeden! Mond houen! Mond houen, kwast van ’n kerel!—en anders stuur je je patroon maar hier! Wacht je ergens op? Bonjour dan! (Kelner af—hij bindt de servet voor, begint te eten—tot Hope). Zoo. Nu éét je ’n stukje mee—’k zal je couvert klaarzetten.
Vijftiende Tooneel.
Dolf, Hope.
Hope. Nee meneer—’k ga ’n uurtje rusten, als ù zoolang blijft.
Dolf. ’k Zal op jullie twée passen, als ’n waakhond (zij gaat naar haar kamer). Hope!… Je deur heeft toch wel ’n dubbel slot?
Hope. ’k Zal ’r nièt sluiten, meneer.
Dolf. Zooveel vertrouwen ineens?
Hope. Iemand, die „’n jacht met hindernissen begint”—die daar z’n vingers voor opsteekt—die.…
Dolf. Die is nog te „redden.…” Hahaha!
Hope. Misschien (een bons).… Wat was dat?
Dolf (onbewegelijk). Kan dat in … de slaapkamer geweest zijn?
Hope. Nee—’t kwam van dié kant.…
Dolf (angstig). Kijk ’ns voorzichtig.… (Zij opent de schuifdeuren op een kier, schrikt, wijkt achteruit, snelt naar binnen—hij staart ontzet in de opening).
Hope (smartelijk klagend). O, o, lieve, goeie, beste … Hoe kom je nou zoo … O, o, o!…
DOEK.