← Table of contents
Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

HOOFDSTUK VI.

Reading edition

DE BRUILOFT.

Wij hebben in dit hoofdstuk eene dubbele taak, wij willen getuigen zijn van de voltrekking van het huwelijk, zooals de Staat die eischte en van de feestelijkheden aan den bruiloftsdag verbonden, naar gebruik en zede. Op één punt vallen zij reeds aanstonds samen: de wet wil met nadruk de openbare huwelijkssluiting, de volkszeden vragen het even nadrukkelijk: luidruchtig bruiloft vieren moet het zijn met gezang en gejuich, opdat de heele wereld wete, dat er een huwelijk gesloten wordt.

In de tweede helft der achttiende eeuw echter begonnen de aanzienlijken er eene eer in te stellen, om in alle stilte te trouwen, bruid en bruidegom gingen zonder eenig gezelschap, ja soms ieder afzonderlijk, in hun daagsche pak naar kerk of raadhuis. En, om toch vooral maar deftig te zijn en alle opzien te mijden, kozen zij niet de Nederlandsche, maar de Fransche of Engelsche gereformeerde kerk, die minder bezocht waren, al kenden zij vaak hunne talen zóó slecht, dat de koster hun had in te fluisteren, als zij „oui” of „yes” moesten zeggen. Ernstige vaderlanders voelden deze verachting van het openbare huwelijk als eene slappe ontaarding, en Abraham Blankaart zegt, dat hij vreeselijk de nijd op dat stille trouwen heeft, alsof men zich het heilig huwelijk schamen moest en daarom wilde hij niet, dat Saartje indertijd in de Fransche of Engelsche kerk trouwen zou. Toch was dit weer niet bij allen dwaze deftigheid, het was ook vaak de eindelijke reactie tegen de overdaad en de onkieschheden eener „ouderwetsche bruiloft”.

Waar in sommige steden, gelijk veelvuldig te platten lande, nog die nabuursplichten zich hadden gehandhaafd, waarover de heer H. Tiesing in den Nieuwen Drentschen Volksalmanak van 1914 ons heeft ingelicht, daar gingen de buren rond om het huwelijk aan te kondigen en tot de bruiloft uit te noodigen. In Drenthe heette zulk een bode de „broedneuger”, en dat moet wel eene blijde bewegelijkheid in menig stil dorp der landschap gegeven hebben, als de broedneuger, kleurige linten om den hoed en om den stok, van nieuwsgierige kinderen omjoeld, het erf opstapte en vroeg, vaak in een lang gedicht, dat hij met zwier voordroeg, „of 't oe bleeft te komen tegen aanstoande Zundag”. Jammer alleen, dat hij voor zijn moeite placht beloond te worden met een geldstukje, dat in een vol glas brandewijn lag, wat hij dus eerst moest leegdrinken, waarom hij, op 't einde van zijn ommegang, wel aanleiding zal gehad hebben te vragen, zooals in één dier gedichten staat: „Heb ik min boodschap niet wel of kwoalik gedoan....”

In de steden waren het gemeenlijk de bedienden (bij de gegoeden), die de uitnoodiging overbrachten aan magen en vrienden. „De Hollanders”, vertelt in 1664 een Engelschman van ons volk, alsof hij het over Indianen heeft, „hebben geen andere vrienden dan die van hun geslacht: op iedere bruiloft pleegt de geheele stam te vergaderen”. Bovendien was reeds op andere wijze van de naderende bruiloft kond gedaan. Een knecht met een ruiker op zijn borst was met een slede, door een versierd paard getrokken, bij vrienden en kennissen eene zoete lading gaan rondbrengen van bruidssuikers, in zilverpapieren zakjes, met roode en groene linten dichtgebonden, en van de bruidstranen, den hipocras, gekruiden wijn in flesschen, van fijn mandewerk omvlochten.

Op eene 18de-eeuwsche kinderprent (verzameling van Dr. Boekenoogen) ziet men zulk eene slede afgebeeld met den knecht, die de lekkernijen aanreikt en de fooi in ontvangst neemt, waaronder dit rijmpje:

„Het lijkt u Jan dus rond te rijden Met Ipocras bij manden vol, Catrijntje mag het ook wel lijden, De meid is naar 't verval al dol.”

Ook de apotheker, die den drank leverde, had er een zoet winstje aan. Wanneer men huwelijksaankondigingen is gaan rondzenden, kan ik niet zeggen, denkelijk sinds de helft der 18de eeuw, ook heb ik er geene onder de oogen gehad. Over Duitsche heeft onlangs Walter von Zuwesten ons verteld in „Von Fels zum Meer” met afbeeldingen. Zeer fraai was de huwelijksaankondiging (September 1839) van den Düsseldorfer schilder Adolf Schrödter en de bloemenschilderes Alwine Heuser.

De taak der speelnooten, twee bruidsjonkers en twee bruidsmeisjes, was bij de oude bruiloften veelomvattend. Zij leiden de feestelijkheden, plaatsen de gasten, zorgen voor de vertooningen en mogen niet schromen zelven vóór te gaan in dans en lied:

„Soete gespeeltjes, Zijdelingen van de bruyd, Nog éénmaal u held're keeltjes Met de gasten opensluyt!”

Zij waren het ook, die twee dagen vóór den trouwdag den zoeten arbeid van het palmknoopen verrichtten, zij vlochten de buigzame twijgen van den maagdenpalm met vergulde en verzilverde draden tot slingers inéén en wonden die om spiegels en luchters en kandelaars, om stoelen en kasten, onder gelach en ravotten en gulle kussen. Ook zorgden zij voor de bruiloftskroon, twee halve hoepels kruisgewijze over een heelen bevestigd, met roosmarijn en loovertjes omvlochten, met gekleurde waaiers en vlaggetjes, en in 't midden binnenin hingen zij een paar cupidootjes, of twee vereende rechterhanden, of een hart met pijlen, of een wieg—als onbeschroomde en onergerlijke uiting van wat ieder van het huwelijk hoopte. Zou het wiegje binnen enkele weken noodig zijn, dan bleef het versieren achterwege, of vlochten de buren—bij ruwer zeden—de kroon van stroo. Maar waar geen oneer dreigde, zaten bruid en bruidegom op den grooten dag aan den bruiloftsdisch in glorie onder hun kroon:

„Nogh is het niet genoegh; men hangt er groene kroonen Daer haar het weerde pant sal aan den dis vertoonen, De solder en de balk, de muren en het bed, Zijn met gestreckte palm aan alle kant beset.”

Het waren de bruidsmeisjes, die het bruidsvertrek in orde brachten, versierden en (naar de zeden des tijds), om den bruidegom te plagen, de beddelakens aan het bed vastnaaiden, of zijn plaats met harde erwtenschillen bestrooiden.

Te platten lande zorgden hier en daar de vrouwen voor het hoofdkussen van dat bruidsbed, brachten de veeren er voor te zamen en werden dan op het veerenmaal onthaald. Wij noemen maar iets uit de veelheid der gebruiken. In de huwelijksgeschenken heerschte natuurlijk eene oneindige verscheidenheid, maar als vaste zinnebeelden waren er de bruidegomspijp, de kop met een altaar en vuur, of met harten, of een bruidspaar er in gebakken, een prachtige, met strikken versierde goudsche pijp, die zorgvuldig, als een soort van amulet, zal worden bewaard, en waaruit de man telken jare op zijn trouwdag rooken zal. Hier is ook de glazen huwelijksbokaal op zilveren voet, die bij den bruiloftsdisch zal rondgaan en waaruit later, bij plechtige gelegenheden het echtpaar drinken zal.

Allen kennen wij voorts nog die sierlijke, zilveren trouwkistjes, waarin de medaljes bewaard werden, bij gelegenheid van het huwelijk geslagen, met toepasselijke afbeeldingen en spreuken.

Zoo breekt de trouwdag aan. Elke dag was toegestaan. Zeer gebruikelijk was de Zondag, na de middagpredikatie, omdat anders de feesten aan die beurt schade zouden doen. Dat men op de hooge feestdagen trouwde, vond geene algemeene goedkeuring; volstrekt verboden waren de vasten- en biddagen. Zegt niet de profeet Joël: „Bepaalt een vastendag, kondigt een heiligen dag af.. verlate de bruidegom zijne kamer, de bruid haar slaapvertrek.”

De Zondag was in den aanvang ongewenscht, in Groningen nog in de 17de eeuw verboden, in de 18de ook daar toegestaan. Een Groningsch predikant teekende 19 April 1750 in zijn dagboek aan: „heden heb ik in de vroegpredikatie getrouwd Mons. Havinga en nigtje Radijs”. En 19 April viel in dat jaar op Zondag. Maandag en Vrijdag waren voor het lager geloof ongeluksdagen.

Rubens' bruid, Hélène Fourment in bruidskleed.—Naar een schilderij van Rubens.
Rubens' bruid, Hélène Fourment in bruidskleed.—Naar een schilderij van Rubens.

Rubens' bruid,

Hélène Fourment

in bruidskleed.

Naar een schilderij van Rubens.

Toen onze stadhouder Willem V in October 1767 met Frederika van Pruisen trouwen zou, wilde haar oom, Frederik de Groote, niet dat het op een Maandag geschieden zou, zeggende: „nur nicht am Montag, denn diese Tag ist nicht gunstig, nur wenigstens habe ich an einem Montag eine Bataille verloren”, dus werd het 4 October, een Zondag.

Op den vastgestelden dag dan kwam de bruidegom de bruid afhalen. Zij was door de bruidsmeisjes gekleed en droeg het bruidskroontje, in de 17de eeuw op de loshangende, in 18de op de gekapte haren... maar voor 't overige wagen wij ons niet aan eene beschrijving van het bruidstoilet in zijne wisselende vormen, in elk gewest, in elken tijd verschillend, afhankelijk ook van den godsdienst, door de bruid beleden en natuurlijk ook van haar stand en vermogen.

In de kunst kent ieder Rubens' portret van zijne tweede vrouw, Helena Fourment, in bruidstooi (1630) en nog eerder Rembrandts „Joodsche bruidje” (1668) in het Rijksmuseum, volgens velen niet eene „joodsche” bruid, maar Rembrandts zoon Titus met Magdalena van Loo, terwijl anderen denken aan een vader, die zijne dochter aan den bruidegom geeft; over de kleuren van welk stuk („al de geestesweelde van zijne oneindig verdiepte kunst”) en over de houding der twee figuren Jan Veth zoo fraai geschreven heeft. In geen geval mag men uit dit stuk de wezenlijke kleeding eener joodsche bruid ten onzent opmaken: daartoe doet men beter de prenten te bezien in de gelijktijdige werken over „De kerkzeden en gewoonten der hedendaagsche jooden” of eene „Schoole der jooden” en dergelijke.

Even verschillend natuurlijk was de wijze, waarop het paar zich ter kerke of ten raadhuize begaf. Bij deftige Amsterdammers in de 18de eeuw bestrooien kinderen hen bij het buitentreden met bloemen en groen, daarna gaan zij in de slede en de familie volgt in karossen. De overheid, altijd er op bedacht de weelde bij bruiloften te beteugelen of, zoo haar dit al niet gelukte (wat nooit het geval was), er althans voordeel uit te trekken, vroeg voor ééne karos, ten bate van het Aalmoezeniershuis, ƒ25, hing ze in riemen ƒ100, voor eene slede ƒ2.50, voor twee ƒ6.30.

Bij het wegrijden strooiden de bruidsjonkers suikergoed onder de toegestroomde schare, en niemand minder dan Constantijn Huygens vertelt ons, dat, toen zijne dochter Susanna 20 April 1660 trouwde met Philips Doublet, heer van St. Anna-land, dit suikerstrooien geschiedde „en telle abondance que vous eussiez dit d'un orage de gresle, où l'on vit coups de poing donnez pour le butin, femmes décoiffées, filles culbutées et autres bouleversements estranges, le sexe à cotillon ne se souciant peu de ce qu'on luy faisoit, pourveu qu'il attrapast quelque poignée de sucre”. Dikwijls ging de stoet ook te water, te Leiden b.v. deed men in de 18de eeuw in een groot tentjacht „een toertje door de frissche gragten der stad om van boord ter kerke te gaan”. Van die jachten waren er vele, en de stadsregeering vroeg van elk „speelschuitje” ƒ2.50 voor het Armewees- en kinderhuis. Thans zijn ze, met de frissche grachten, verdwenen.

Bij welvarende boeren ging men in sjeesen, voorop de bruidssjees, de bruidegom hield de teugels en de versierde zweep in de hand, de bruid strooide uit een volle mand suikergoed en daarachter volgde de lange rij der gasten: eene blijde cavalcade, vol van kleur en leven. Dit is nog niet geheel uitgestorven.

Maar meest ging in de dorpen de optocht te voet en het was dán, gelijk natuurlijk is, dat de taaiheid van oude gebruiken zich openbaarde. In Drenthe ging de bruidegom met zijne verwanten naar het huis der bruid, vroeg haar buiten te komen en daarna toog de blijde stoet, soms de speellui voorop, ter kerke. Het is geheel de Oudgermaansche bruidsopeisching, op haar beurt weder herinnering aan den vrouwenroof. In Noordholland begaven bruidegom en bruid zich na den trouw ieder weêr naar eigen huis. Dan toog de bruidegom naar de herberg en zond vandaar enkele vrienden om de bruid te halen. Zij kwam... maar vóór haar uit droegen hare gespelen allerlei spijs en drank: teeken, dat zij niet van honger en dorst haar ouders huis verliet. Vooral vertoont dat oude zich in het vangen, het schutten der bruid, dat wij kennen uit Brabant, Limburg, Drenthe, Arnhem, Rijnland, het spannen van een lijn, het leggen van een balk over den weg, beletsel, dat dan voor eene kleinigheid werd afgekocht.

Is dit een overblijfsel uit den tijd, dat het trouwen van een vrije met eene lijfeigene werd tegengegaan? Aldus sommigen. Maar evenzeer mag men denken aan den tegenstand, den vrouwenroover geboden. Al het genoemde vormt daarvan de nog maar weinig samenhangende overblijfsels. Maar de Oudromeinsche huwelijksplechtigheid bewaarde nog tal van die schijndaden van geweld, het wegvoeren van de bruid uit het huis harer ouders, men ontrukt haar aan de armen harer moeder, men voert haar, luidschreeuwende, weg. Bij het huis des bruidegoms tillen de vrienden haar over den drempel: laatste herinnering aan het rooven. Ook de bruiloftsliederen wezen daarop, en de fakkels, door de bruidegomsvrienden gedragen, herinnerden aan den nacht, waarin men immers op roof uitgaat.

Van deze „wegvoering naar het huis (des bruidegoms)” bewaren ook onze gebruiken de sporen, men verstopt de bruid, men vindt haar, men eischt haar op, men brengt haar in triomf naar hare nieuwe woning, men tracht de roof te verhinderen.

„Het schijnt alsof de maeght een krijghsgevangen waer”,

rijmt Cats en dit was niet ver van de oude waarheid, gelijk ook later:

„Wegh met dat oude vuyl! In Zeeland is de bruydt Geen ruyters eygen slaaf, geen rovers eygen buyt”.

Maar de bruidsgang naar de kerk bewaart nog andere overoude herinneringen. In 1610 klaagden enkele leden ter synode van Appingedam, dat „bij copulatie van eheluden einer mith einem blothem schwerde vorahntrede.” Drie eeuwen vroeger, 1327, hadden die van den gerechte in datzelfde Appingedam uitdrukkelijk bepaald, dat de naaste bloedverwant der bruid de aangewezen man was, om met het uitgetogen, blanke zwaard vóór den stoet uit te gaan. Ziehier (bijna schreef ik: in levende lijve) het Oudgermaansche (bepaaldelijk Oudfriesche) huwelijkszwaard, „aeftswird”, waarvan weder Jacob Grimm ons leert: „Die friesen trugen der braut ein schwert vor zum zeichen, dasz der mann gewalt über ihr leben habe”. Oude Friesche kronieken vertellen ons hetzelfde: de zwaarddrager houdt het zwaard voor de deur der echtelijke woning en daaronder door treedt de bruid het huis binnen. In geval van overspel zal haar man haar met dat zwaard mogen dooden. Dat wist ook Kiliaan, toen hij in zijn beroemd woordenboek (1598) schreef: „Sweerdhouder, sax. fris. sicamb. bruydleyder, paranymphus, agnatus sponsi proximus” (d. i. naaste verwant van den bruidegom), in dit laatste dus verschillend van de Appingedammer wetten, die het zwaard, zagen wij, door den broeder der bruid lieten dragen. Overigens—de 17de-eeuwsche dorpelingen, over wie de kerkvergadering van Appingedam zich bezwaard gevoelde, waren zeker het rechtssymbool vergeten en droegen hun zwaard vóór de bruid uit, omdat dit altijd zoo gebeurd was, met die taaiheid van volksgebruiken, die ons zooveel uit eene lang ten onder gegane gedachtenwereld bewaard heeft. Wij moeten daarvan nog een treffend voorbeeld geven.

Uit datzelfde Groningen en uit Drenthe weten wij, dat, althans nog in den aanvang der 17de eeuw, het gewoonte was „bij den kerckganck van brüdt ende brödegam den brudigam tho schlahen”, of ook, met eene kleine wijziging, hem te slaan „nae die copulatie” of ook „in der kercke wanneer eluyden worden gecopuleert”. Dit „brüdegomslahen” (soms is het de bruid, die onder het gaan van de kerk naar huis met geschilde berketakjes geslagen wordt) geschiedt nog heden in Westfalen, in den Oberpaltz, bij de Letto-Slaven, Rabelais vertelt ervan in zijn „Pantagruel” en zoo doet ook Olaus Magnus, de bisschop van Upsala, de geograaf, een tijdgenoot van Luther. Maar wat beteekent het? Heeft Kuhn gelijk, als hij zegt, dat de bruidegom moest voelen wat slagen zijn, opdat hij later zijne vrouw sparen zou? Veeleer (heeft Mannhardt ons doen zien) hebben wij hier een spoor van die oud-animistische wijsbegeerte, die leerde dat er booze geesten in den bruidegom konden huizen, die hem in den bruidsnacht ongeschikt tot de copula konden maken en dus vooraf met slagen verdreven moesten worden. Daarvan wisten de Groningers en Drenthen in de dagen van prins Maurits niets meer, maar zij sloegen den bruidegom onder den, hùn onbewusten, invloed van lang verdwenen, in gebruiken voortlevende, denkbeelden.

Maar thans is de bruidsstoet aangekomen, laat ons eerst zeggen, bij de gereformeerde kerk. Hoe kwam daar nu het huwelijk tot stand? Hoe werd de verloving als een „aangevangen vereeniging” tot een „volslagen huwelijk”?

Aanvankelijk, bij de onzelfstandigheid der vrouw naar Germaansch recht, trad bij den kerkelijken trouw de priester op als vertegenwoordiger van het meisje en gaf de bruid aan den bruidegom. Langzamerhand trad nu die voorstelling van de onzelfstandigheid der vrouw terug en dus ook het besef, dat, zoo er iemand moest gegeven worden, het de vrouw zijn moest. In plaats daarvan kwam nu de meening, dat beide echtgenooten gegeven worden aan elkander door den priester. De priester copuleerde hen, voegde hen te zamen, wat dan overeenkwam met zijn functie volgens kanoniek recht, hij reikt den ring, hoort de gelofte, zegt de gebeden en houdt de aanspraak en bindt te zamen. Hier is b.v. het formulier waarmede „op manendach post thome anno 1534” een pastoor het huwelijk van zekeren Claes Dirricks sloot: „Soe bynde ick u tsamen mytten bandt daer Godt Adam jnd Eva myt bande.”

Het „trouwen door den paap” maakte dus op kanoniek standpunt het wettig huwelijk. Daarop slaat het weinig stichtelijke, Amsterdamsche straatliedje, dat bij de nadering van het Paaschfeest en na afloop der Dommelde metten (nachtofficie op Woensdag, Donderdag en Vrijdag van de Goede week) door den hondenslager en de schooljongens, nog kort vóór de Hervorming bij beurtzang aangeheven werd. Lelong heeft het ons echter niet geheel ongerept, denk ik, overgeleverd. De kerkedienaar begaf zich met zijn ratel, vergezeld van een groot aantal schooljongens, ook met ratels, op straat; voor de huizen der aanzienlijke poorters stonden zij stil, waarop de man riep:

„Zijt gij allegader hier?” „Ja!” „Moecht gij wel goedt Hamburger bier?” „Ja!” „Heeft de paap uw moeder getrouwt?” „Ja!” „Zijt gij al te samen hoerekinderen?” „Neen!”

Man en jongens ontvingen als loon een pint bier, dat zij uit hun mutsen opdronken.

Het ligt nu voor de hand te meenen, dat bij de nieuwe bedeeling predikant en magistraat in de rechten des priesters traden en dus het huwelijk sloten, dat hun eene actieve, huwelijkscheppende rol werd toebedeeld. Maar, zegt prof. Fockema Andreae, „ik houd dat voor niet meer dan schijn”. De predikant treedt volgens de hervormde formulieren nimmer in die rol op, toch is het huwelijk voor den predikant overal rechtskrachtig. Attestatiën van gesloten huwelijken, door hem afgegeven (eene synode van Den Briel ao 1593 zegt het zeer juist), zijn officiëel, daar zij door een publiek persoon zijn gegeven over wat op eene publieke plaats verricht is. Zulke attestatiën werden dan ook door de Hoven aangenomen. Goed gereformeerd zeide reeds in 1566 de Rotterdamsche predikant Adr. Damman na de voltrekking van een huwelijk, dat het „bij hen geen sacrament werd geacht, maar eene belofte, die de contrahenten elkander doen”.

Was het nu aldus bij de kerk, is het dan denkbaar, dat men voor het burgerlijk huwelijk, waaraan men dezelfde rechtsgeldigheid verleende, een samengeven door den magistraat zou hebben geëischt, dat de kerk niet vorderde? Neen, predikant en magistraat schiepen niet door hunne handeling het huwelijk: partijen solemniseeren hun huwelijk zelven voor de gemeente of voor schepenen, waarvan akte gegeven wordt. Dit geldt van alle provinciën.

In de onderscheiden in gebruik zijnde formulieren heerscht echter door slordige woordkeuze soms verwarring. Niet in het kerkelijke. Ook hier heeft de Dordtsche synode uniformiteit gebracht. In de 178ste zitting der (na)synode, 28 Mei 1619, besloten de leden, dat de „Nederlantsche liturgie, waarin begrepen sijn de publijcke gebeden en de formulieren van de bedieninghe der sacramenten, oeffeninghe der kerckelijcke discipline, bevestinghe der kerckendienaren ende insegheninghe des huwelijckx sal worden oversijen.” Dit is ook geschied, maar voor eene officiëele uitgave hebben zij niet gezorgd. Ten grondslag legden zij den tekst der Zeeuwsche kerk van 1611, terwijl eene uitgave, bezorgd door de Zuidhollandsche van 1737, zeer gebruikelijk is geworden.

In het formulier dan „om den houwelicken staet voor de gemeente Christi te bevestigen” luidt het: „Overmits den gehouwden gemeynlick velerhande tegenspoet ende kruys van wegen de sonde is toekomende; opdat gij N. ende N., die uwe echtelicke verbindinge in Godts name opentlick alhier in de kercke wilt laten bevestigen, oock in uwe herten versekert zijn meugt van de gewisse hulpe Godts in uwen kruyce...” volgt eene uiteenzetting van het doel des huwelijks, daarna stelt de dienaar de vragen, waarin o. a.: „Bekent gij voor Godt en dese gemeynte, dat gij genomen hebt ende neemt tot uwe wettelicke huysvrouwe...” en desgelijks tot de bruid: ... „dat gij genomen hebt ende neemt...” en eindelijk geeft hij den zegen: „De Vader der barmhertigheydt, die u door sijne genade tot desen heyligen staet des houwelicks beroepen heeft, verbinde u met rechte liefde ende trouwe ende geve u sijnen segen”.

Het is duidelijk: het is de bevestiging van wat beide partijen ten opzichte van elkander willen. De predikant neemt voor Gods aangezicht akte van wat partijen elkander beloven en roept daarover Gods zegen in.

Thans laat ik enkele burgerlijke formulieren volgen. Te Amsterdam geschiedde de trouw voor twee schepenen, van wie de voorzittende schepen vroeg (de opgave is van 1658), nadat bruid en bruidegom elkander de hand hadden gegeven: „„Gij A.A. bekent aengenomen te hebben tot uwe wettige huysvrouwe B.B.? ende gij B.B. bekent aengenomen te hebben tot u wettige man, huysheer ende vooght A.A.?” Beyde geantwoort hebbende: ja, seyt wijders aldus: „Ende belooft malcander aen wedersijden getrouw te sijn en als echte man en wijff eerlick ende godsalichlick na des Heeren insettinge te leven, totdat u de doot scheyden sal?” Weder geantwoort hebbende: ja, seit dan nogh: „De Heere segene u huwelick. Gedenkt den armen.””

Men ziet, in dit formulier, gebruikt bij den trouw van niet-gereformeerden, is evenmin van huwelijksschepping door den magistraat sprake: partijen bekennen elkander aangenomen te hebben. De schepen neemt daarvan akte en zegt: „de Heer zegene uw huwelijk.”

Te Kampen had het formulier voor den trouw ten raadhuize den volgenden inhoud (1658, vernieuwd 1664): „Gij bruidegom ende bruid... verklaert gij... met uwen vrien wille malkanderen met hande ende monde trouwbeloften te hebben gedaan... om malkander trouwe te houden als wettige man en wijff, in eendragt, minne en liefde met den anderen te leeven nae instellinge des Heeren en het uytwijsen van sijn heylig woord, alles met hulpe van den Heere, sonder wijns genadige bijstant wij het allerminste niet en vermogen?” Antwoord: Ja. „So wil dan God almagtig ul. in desen egtenstaat segenen en u verbinden met regte liefde en trouwe. Gaet in vrede!” Hetzelfde formulier gebruikte men ook te Deventer. Ook hier hetzelfde beginsel, gelijk het mede is neêrgelegd in het advies der Hoven omtrent de staatskerkorde van 1601, waarin deze verklaring: „Op huiden zijn voor schepenen van... gekomen en verschenen N. N. als bruidegom ter eene en N. N. als bruid ter andere zijde... gevende hij haar zijne mannelijke trouwe... en wederom zij hem hare vrouwelijke trouwe... Tot al hetwelk zij Godt almagtigh tot een getuige aangeroepen en gebeden hebben. Aldus gedaan bij schepenen...”

Echter zijn er ook ordonnantiën op dit punt, waarin sprake is van „sich laten copuleeren”, zich laten „thosamen geven und conjugeren” door den predikant, maar men was weinig zorgvuldig in zijn woordenkeus, als in Zwolle, waar in één stuk sprake is van trouwen door een predikant en voor schepenen. Wezenlijk heeft overal gegolden: partijen geven zich aan elkander, predikant of schepenen scheppen niet het huwelijk.

Omtrent die burgerlijke formulieren nog een woord. De hervormde kerk achtte het onbetamelijk, dat sommige secretarissen ten stadhuize het formulier voorlazen 't zij uit de liturgie der hervormden, 't zij uit die der lutherschen. Ja er waren schepenen of schouten, die een gebed uitspraken, die den zegen gaven, waartegen de kerk altijd heeft geprotesteerd. Waarom? Was zij naijverig op wat haar alleen toekwam? Wilde zij het huwelijk ten stadhuize neutraal houden?

Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.—Naar een prent van Bernard Picard.
Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.—Naar een prent van Bernard Picard.

Een huwelijksvoltrekking in een gereformeerde kerk.

Naar een prent van Bernard Picard.

De trouw in de hervormde kerk geschiedde nu gemeenlijk als volgt, waarbij, wat de versiering aangaat, de gegoedheid van partijen natuurlijk verschil maakte. Of in het koor, of in het doophek, of daarvóór in het midden der kerk lag een tapijt, stonden armstoelen en taboeretten, de poort van het doophek was vaak met groen versierd en in de tweede helft der 18de eeuw, de dagen der hooge kapsels, was het voor vele dames een zwaar stuk onder die poort door te gaan. Onder psalmgezang trad de staatsie (wij vertellen hier Schotel na) binnen, de leeraar beklom den kansel en las het straksgenoemde formulier. Dan liet hij bruidegom en bruid elkander de rechterhand der trouw geven en stelde de vragen, over het neergeknielde paar sprak hij dan den zegen uit, waarna het gebed volgde. Onder het gezang werd gecollecteerd. Daarna begaf zich de stoet, waarbij thans de man de hoogerhand had, naar de consistoriekamer, waar men ververschingen gebruikte. Dit was de trouw op zijn deftigst. Maar zeer dikwijls ging het minder statig toe, als de bruiloftsgasten zich niet ontzagen pratend en joelend de kerk binnen te treden.

Alleen geordende predikanten mochten den dienst leiden. Toch kwam het voor, dat proponenten het deden, gelijk bij het huwelijk van Willem Albert van Hout en Antonia Magdalena van Breda te Hoeven gem. Oudenbosch, 22 Juli 1787, dat door den proponent J. M. Visser werd ingezegend. In Utrecht echter was dit werk ook aan proponenten toegestaan. Te Leiden schijnen soms zelfs voorzangers zich de inzegening te hebben aangematigd. De kosten waren natuurlijk afhankelijk van den stand van het bruidspaar, van de plaats en van de vraag, of de trouw op gewonen of buitengewonen tijd geschiedde. In 1788 kostte te De Bildt zulk eene extra-inzegening 2 dukaten aan de armen (de gouden dukaat deed ongeveer ƒ5.50), tabak en pijpen, 12 flesschen malaga met een schotel best banket aan den kerkeraad, ½ anker wijn aan den predikant, ƒ3 aan den koster.

Als een voorbeeld van huwelijksinzegening in eene hervormde gemeente in het buitenland geven wij die in de beroemde, reeds vroeger vermelde, Hollandsche kerk te Londen, die ook voor deze liturgische handelingen zooveel heeft gedaan en voor wie Maarten Micron reeds in 1554 zijne „Christlicke Ordinanciën” opstelde, waarin ook „Van de ceremonie des huywelicx”. Nadat het paar in de trouwboeken was ingeschreven (ze beginnen in 1571: „Hier achtervolgen die namen der gheener die onser Nederduytscher gemeinte getrouwet zijne”) en de drie Zondagsche proclamatiën waren „uutgheropen”, had de bevestiging op den volgenden Zondag in den morgendienst plaats, in diezelfde prachtige kerk in Austin-friars, waar thans nog de gemeente samenkomt.

De dienaar hield eene toespraak over het huwelijk, wees het bruidspaar op zijne verplichtingen en deed de vragen. Daarna legde hij hunne rechterhanden inéén en sprak: „God Almachtich, die u tot den huywelicken staet gheropen heeft, binde u te samen met den bandt der warachtigher liefden, opdat gij u gansche leven de groote verborghen eenicheit Christi ende sijnder ghemeinten uitdrucken moecht, ende wille u vermeerderen, ter eeren sijns naems ende uwer sielen salicheit doer denselven Christum Jesum. Amen.”

Naar aanleiding van Matth. XIX sprak de predikant dan nog over de vaste onverbrekelijkheid van den huwelijksband, en de gemeente, bij monde van den dienaar, zegende het neêrgeknielde paar: „God wil u vruchtbaer maken ende ghenade gheven uwe kinderen, die hem sal believen u te gheven op te voeden, door leeringe ende straffinghe des Heeren. God blijve met u ende met ons allen.” Met psalmgezang eindigde de plechtigheid.

Hoezeer wij bij ons onderwerp telkens verdacht moeten zijn op plaatselijke afwijkingen leert ons de huwelijksinzegening op Ameland, waarvan ik daarom met een enkel woord melding maak. Dit merkwaardige eiland was staatkundig onafhankelijk (in den 80-jarigen oorlog sluit het een verbond van neutraliteit met de Republiek en met Spanje) en even onafhankelijk was de gereformeerde kerk, eene naar inrichting en bestuur op zich zelve staande gemeenschap. Vandaar op Ameland groote verdraagzaamheid tegenover dissenters. De doopsgezinde leeraren mochten huwelijken voltrekken, maar alleen tusschen leden hunner eigen gemeente. De hervormde predikanten deden het, als bruidegom en bruid (of een van beiden) ongedoopt, hervormd of van eene andere doopsgezinde gemeente waren.

Op Terschelling viel de magistraat de doopsgezinden lastig over hunne huwelijksinzegening, maar Gedeputeerde Staten van Friesland stelden hen in 't gelijk (19 Juni 1623), zoodat zij op dat eiland schijnen te hebben mogen doen, wat elders ongeoorloofd was, gelijk nog eens, in 1676, door acte van een Harlingschen notaris, de geldigheid der doopsgezinde huwelijksinzegening wordt bekrachtigd, d. i. dus van de door een doopsgezind leeraar afgegeven attestatie. Het eene gewest, de eene stad begunstigde de doopsgezinden meer dan de andere, zoodat het aan sommige gemeenten vrijstond om de huwelijken in haar eigen vergadering te sluiten, maar dit aan andere weder werd geweigerd. Ook schijnen de doopsgezinden op Terschelling, na hunne inzegening, ten stadhuize ingeschreven te zijn geworden. Trouwens ook in Holland heerschte er te dezen opzichte nog geen vaste regel en vandaar klachten over moeielijkheden hun in den weg gelegd, wat toch vaak slechts gehoorzamen was aan eene ordonnantie.

Voor het katholieke deel der bevolking ontstonden er groote moeielijkheden uit de bepaling, dat geen huwelijk wettig zou zijn tenzij voor predikant of schepenen gesloten. Hier bracht wetsontduiking uitermate verwarde toestanden, toch al verward genoeg. Vooreerst kwam het voor, dat hervormden, om in verboden graad te kunnen trouwen of het consent der ouders niet kunnende erlangen, zich door pastoors lieten trouwen, in den waan nog bovendien, dat dit huwelijk wettig was.

In 's-Hertogenbosch kwam het voor, zooals de hervormde kerkeraad in 1632 aan de „militaire en de politijcke collegiën” klaagt, dat soldaten, die „met bossche vrouwspersonen comen te trouwen, gaen, om haere bruydts te gelieven eerst trouwen bij de papen ende comen daerna trouwen in de kercke”.

Het was noodig, al verder, te bepalen, dat al had iemand zijne geboden voor een priester laten gaan, hij toch in de hervormde kerk trouwen moest en dat (omgekeerd), al waren de proclamatiën bij predikant of magistraat gegaan, het huwelijk voor den priester nochtans onwettig was.

Eindelijk (het ligt voor de hand), bij de herhaalde wetsontduiking wat aangaat de sluiting zelve des huwelijks, werd er ook met andere voorschriften de hand gelicht, zoodat wij b.v. hooren klagen, dat de priesters in het markiezaat van Bergen op Zoom personen trouwen, die zij nooit zagen, zonder voorafgaande geboden, zonder oudrenconsent. De wetten, te dezen door H.H. Magistraten voor de generaliteitslanden gegeven, zijn mede een deel van hunne politiek tegen deze gewesten, die met harde hand, naar hun oordeel, moesten worden geregeerd.

Een plakkaat van 8 April 1644 verbood roomsche priesters, die nog in Brabant werden geduld, lieden in ondertrouw op te nemen, ook al zouden zij niet van plan zijn het huwelijk zelf te sluiten. Aan die van Hulst en Hulster-Ambacht gaven de Alg. Staten, 31 December 1647, nog eens expresselijk te kennen, dat, als zij buiten de publieke kerk wilden trouwen (want dit mochten zij overal) hun huwelijk, na drie voorafgaande Zondaagsche proclamatiën, bij klokslag te doen, moest worden voltrokken voor (een burgemeester met) twee schepenen en secretaris, terwijl elk ander huwelijk onwettig zou zijn.

In de landen van Overmaze (Valkenburg, Dalhem, 's-Hertogenrade) was 1632, na de verovering van Maastricht, de gereformeerde religie ingevoerd, tijdelijk onderbroken door de herovering in 1635. Na den Munsterschen vrede verbande de regeering „alle praetense geestelijke personen” en in 1656 maakte ook daar het Echtreglement het huwelijk politiek. Toen nu bij den vrede van Nijmegen in 1678 de uitoefening van den katholieken godsdienst werd toegestaan, waanden die van de landen van Overmaze, begrijpelijkerwijze, dat nu ook het huwelijk weêr kerkelijk was geworden, waan, waaraan toen eene resolutie van 21 Augustus 1683 een einde maakte.

Voorzoover de roomschen in de generaliteitslanden dicht genoeg bij de frontieren woonden, lieten zij de plechtigheden van huwelijk (en doop) over de grenzen geschieden. De anderen moesten zich onderwerpen en overtraden de wet, als zij konden.

Er is menig hard woord gezegd over deze en dergelijke maatregelen in de generaliteitslanden. Tot de geschiedkundige verklaring ervan bedenke men, dat de roomsche bevolking in de grenslanden voortdurend onbetrouwbaar bleek en groot gevaar opleverde voor de veiligheid der Republiek. Het ergste was, dat waar de schout ontbrak, het wettig huwelijk diende gesloten voor den predikant. Dit was hatelijk. „Nos pères”, zegt een hedendaagsch katholiek, „ont du se résigner alors à se faire marier devant le ministre protestant avant de se presenter devant leur curé. Ils durent passer du temple réformé à l'église catholique comme de nos jours on passe de la mairie à l'église”.

Ook hier worde weêr bedacht, dat deze predikanten louter optraden als ambtenaren van den burgerlijken stand, dat zij in dat opzicht orde hebben gebracht in de nu getrouw bijgehouden huwelijksregisters—en dat zij, in zoo vijandige omgeving en met zulk eene taak, ook niet voor hun genoegen in de wereld waren. Daarvan is eene geschiedenis als van ds. Paulus Arleboutius te Tilburg (1633), een uiterst leerzaam en tegelijk schilderachtig voorbeeld.

Eindelijk—het blijkt duidelijk, dat de katholieken toch ook de officiëele inschrijving wel op prijs stelden. In de Roermondsche trouwboeken (1632–1637, jaren, waarin die stad Staatsch was) komen de namen voor van tal van roomsche officieren: zij hebben daaraan als maatregel van burgerlijke wettigheid waarde gehecht.

Keeren wij thans tot het algemeene terug, dan rest ons nog te vermelden, dat niet zonder reden de kerk het trouwen voor den magistraat verdacht. Het staat zoo onschuldig in het trouwboek te Vianen op 20 Juli 1604: „Compareerden joncker Balthasar van der Vecht en jonckvrouwe Theodora van Weer en hebben, na voorgaande geboden, voor den stadhuyse alhier gedaen, malcanderen bij desen getrouwt ende beloeven de een den anderen nyet te verlaten volgens Godts inzetten. Actum voor Michiel van Riemsdijk en Willem Pijll, schepenen.” Dat „hebben malcanderen getrouwt” is (wij zagen het) naar het juiste beginsel. Maar overigens—Vianen had, zoomin als Kuylenburg, een goeden naam, het waren wel-aangename vluchthavens voor velerlei soort van avonturiers, die daar gemeenlijk vriendelijke herberg en hartelijke ontvangst vonden. De magistraat zag er niet zoo nauw, ook waar het een huwelijk gold.

En dit geldt waarlijk ook buiten Vianen. Het gelukte al te vaak eene overeenkomst te treffen, als het met verboden graden of getuigenissen van vrijigheid niet in orde was, en trouwlustigen, die wat op hun geweten hadden, konden voor klinkende munt al te lastig onderzoek afkoopen. Geldzucht (heeft Fruin eens gezegd) was de groote zonde van den tijd, en tal van schouten waren helaas omkoopbaar. Wat wonder, dat de predikanten, die op dit punt zuiver van wandel waren, dat trouwen voor den schout soms niet vertrouwden? Gelijk zij evenmin konden toestaan, dat wie anders wel in de kerk kwamen, op 't stadhuis trouwden: het was een „misbruijck der ordonnantie van de policye”.

Op den trouwdag werden de ringen veranderd. De vrijster draagt den (verlovings)ring aan den linkerringvinger, dikwijls ook aan den duim, na haar huwelijk aan rechtervinger of -duim. Zoo was het nog op 't einde der Republiek. Wij durven, om ons bestek, over trouwringen niet uitweiden, er zijn meesterwerken van kunst bij en sommige hebben een Europeeschen naam, zooals de „ring van Frangipani”, ± 1514, thans te Augsburg, met de ingegraveerde, bekoorlijke woorden „Myt wyllen dijn eygen”, ring, die misschien gedragen is door Christoffel, graaf van Frangipani bij zijn huwelijk met Apollonia von Wellenbrug en door H. Thode bezongen werd. Wie deze en enkele andere ringen wil afgebeeld zien, kan „Die Woche” 1913, S. 1913–1916 opslaan en er de toelichtingen van Willy Bauer bij lezen.

Wanneer nu aldus bruidegom en bruid zich elkander in huwelijk gegeven hadden volgens wet en gewoonte, wachtte thuis het bruiloftsmaal.

„Daer twee geliefden trouwen Met weêrzijds vrinden raad, Daer mag bij 't bruyloft houwen Wel zijn een blij gelaad...”,

zagen wij vroeger.

Bij aanzienlijken en gegoeden was de tafel prachtig versierd met bloemen, met slingers, met gekleurd zand ook kunstig bestrooid. De suikerbakkers wedijverden in het scheppen der kunstwerken, die den disch zouden versieren, jachtpartijen, zeeën met schepen, waranden met dieren, de Hof van Eden natuurlijk met Adam en Eva, welke laatste heerlijkheid Cats de vraag doet stellen:

„Waerom toch voor de bruyt een hof op tafel staat?”

wat hij dan beantwoordt met eene bespiegeling over Hooglied IV, 12: „Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein,” volgens zijne en de theologie zijner dagen alles zinnebeeld van het huwelijk tusschen Christus en zijne kerk, in waarheid—dit gansche Hooglied—eene verzameling Oudoostersche bruiloftsliederen, in verheerlijking der zinnelijke liefde gelijk, aan wat in zijn eigen dagen nog aan het bruiloftsmaal gezongen werd. De tafel boog door onder den last der gerechten, tegen de weelde waarvan, tegen het aantal gasten en schotels, de overheid wel door keur bij keur optrad, maar zonder veel gevolg, al moest, te Groningen, de bruidegom zelf ten stadhuize onder eede komen verklaren, dat op zijn feest naar die keuren was gehandeld.

Maar de vaderen hadden gezonde magen (misschien zij het ons vergund te verwijzen, naar wat wij over hun eten en drinken schreven in „Het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders”, blz. 157–164) en op Susanna Huygens' bruiloft zaten de gasten vijf uren aan tafel te midden van „la senteur des viandes” en toen kon M. du Thou, de Fransche ambassadeur, het niet langer uithouden en moest noodig eens opstaan „pour se degourdir le jarret”. Ook de kerk heeft geijverd tegen den overdaad, de brasserijen en de verspilling bij de bruiloften, bij de schouten aangedrongen op maatregelen „om de ongeregeltheden, die in de landsbruyloften ommegaan te bekampen”. Dubbel erg dus, dat soms predikanten zelven het slechte voorbeeld gaven, zooals Franc. Pontanus, predikant te Odoorn, door „ongeregeltheiden, bi hem alhijr binnen Assen begangen als sijn bruloft gecelebreert werde” (1608).

Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).—Naar Peter Brueghel den Oude.
Het Boerenbruiloftsmaal (16e eeuw).—Naar Peter Brueghel den Oude.

Het Boerenbruiloftsmaal (

16

e

eeuw).

Naar Peter Brueghel den Oude.

Van die bruiloftsliederen gesproken—gedicht en gezongen werd er bij het feest uit den treure. Huwelijken, klaagde reeds de groote hervormer Anastasius Veluanus (1554) „beginnen met gasterijen, onkuys dantssen und singen...” De gasten droegen de liederenboekjes bij zich, duodecimo-bundeltjes, vaak prachtig gebonden, met allersierlijkste slootjes en bevattende minne-, bruilofts- en drinkliederen op aangegeven wijs. De inhoud is zeer verscheiden, oude balladen en volksliederen, zooals het lied van de Soudaensdochter:

„Hoord toe al die vol liefde zijt, Het lust mijn geest te zingen...”

of „Het daghet in den Oosten”, of „Na Oostland wil ik vaaren”; dan verzen aan de beste dichters van den eigen tijd ontleend, soms deerlijk verminkt, goede en slechte, waarin onbeschroomd het mingenot bezongen wordt, dat zoo straks het bruidspaar wacht, of waarin de gasten tot zingen en kussen worden opgewekt, kussen, geen klein deel van der vaderen gulle bruiloftspret, „des coups de baiser”, zegt alweêr Huygens, „francs et bien appuyez, enfin baisers apostoliques et de bonne foy, qui firent un bruit dans la sale, comparable à celuy que les chartons d'Anvers et de Bruxelles font avec leurs fouets, quand quelque douzaine de charrettes enfile les premières rues”. Dan weer plotseling tusschen de dartelste minneliedjes in een geestelijk: „O kerstnacht schooner dan de dagen” of, zooals in het „Groot Hoorns liedeboeck” eene berijming van Spr. XXXI, eene rijmelarij uit het Hooglied:

„Wanneer zal hij mij kussen fijn, Zelfs met de kus zijns monds divijn..”

dan de psalmen 23, 33, 45, 100, 128 naar Datheen, het Onze Vader berijmd en (met doorloopende coupletten) het Ave Maria:

„Maria, vol van gratie, Uw name groeten wij Met groote jubilatie, Zoo is de Heer met dij..”

Deze liederen mag de lezer niet verwarren met de verzen, voor eene bepaalde bruiloft gedicht, door de grootsten onzer zangers of door de pooversten onzer poëtasters, de heerlijkste kunst dus of het ellendigst gerijmel, vrij uit het dichterlijk gemoed geweld of nagelbijtend op bestelling geleverd. Sommigen zijn gemeen, ook de beste dikwijls dartel, Vondel is af en toe van gloeienden hartstocht en bij Hooft slaat ook soms, zegt Kalff, „de vlam der gezonde zinnelijkheid uit”. Verbood ons bestek het ons niet, wij zouden gaarne van 't schoonste afschrijven, zooals van Vondel op de bruiloft van J. Linnich en Kathar. de Vries:

„Hoogste wijsheid, wiens beleid D'eeuwigheid Van het menschdom door het paren Handhaaft, en met volle vreugd Onze jeugd Zegent onder 't zoet vergaren...”

In deze liederen zijn, naar de mode van den tijd, Venus en Cupido de graag aangeroepen goden, die het genot der liefde smaken doen. Zijn er ten onzent ook geweest, die ze juist wilden weren als beschermers van de grofzinnelijke liefde, als in een bruiloftslied van Philip Sydney (1581):

„But thou, foul Cupid, sire to lawless lust, Be thou far hence with thy empoisoned dart, Which, though of glittering gold, shall here take rust, Where simple love, which chastness doth impart, Avoids thy hurtful art?”

In den loop der jaren werden de bruiloftszangen gekuischter, verzwegen de zangers, wat niet meer gezegd worden mocht, en in 1824 zingt Spandaw in een „Echtzang”:

„Gij wacht hier, bruidegom, geen dartle minnezangen, Geen cithertonen, waar Idalisch vuur in gloeit..”

Maar Bilderdijk kon zich niet weerhouden, bij de bruiloft van Pieter N. en Celia V., van woordspelingen als:

„Pietercelie, roem der hoven Ja gij watert ons den mond! Laat vrij Pieter Celie stoven Dat gerechtje is gezond.”

De vroegere, zeer openhartige zinspelingen op het te wachten kroost zijn op 't einde onzer periode geworden tot een „toast aan een bruiloftsdisch” (van C. G. Withuys):

„'k Breng een toast aan 't eerste wiegje, Bruidje bloos er maar niet om! 't Eerste wiegje is bij gehuwden Boven alles wellekom.”

Wil men zich over deze grooter ingetogenheid verheugen, het is ook waar, dat oudtijds onze liederen nog in den volksmond leefden, waaruit ze thans, helaas, verdwenen zijn. De dienstmaagd in Asselijns „Saartje Jansz. of de gewaande dienstmaagd” zingt onder den arbeid een bruiloftslied op Tromp:

„Tsa trompen en trompetten Blaas op een gouden toon, Nu Tromp de oorlogswetten Verlaat om Venus' zoon..”

Omdat bruiloftsverzen somtijds hatelijke, politieke toespelingen bevatten, stonden zij hier en daar onder censuur, welke taak te Groningen was opgedragen aan den... Rector magnificus der hoogeschool! Tegen het al te losse, het soms gemeene erin verzette zich al wat puriteinsch dacht onder de vaderen. Kan het Gode aangenaam zijn, vroegen zij, als men de beginselen des huwelijks zoekt in die ijdele, afgodische namen en grillen van Venus, Cupido en ander duivels gespuis? Wordt niet door zulke venusdichten eene ontuchtige manier van spreken ingevoerd en de jonge jeugd schrikkelijk afgetrokken in hare vrijagiën? Het was beter deze lichte en dartele galmen, deze venusjes en voddekens, dit „singen en lollen van lichtveerdige en onkuysche liedekens” te vervangen „door geestelijcke en stichtelijcke propoosten”. Het was slechts jammer, dat zij, zooals zoo dikwijls, reeds kwaad zagen, waar wezenlijk was onergerlijke blijdschap aan het leven en zijne volheid en dat zij, zooals ook vaak, met het badwater ook het kind uitgoten.

Jodocus van Lodenstein zat eens aan zekeren bruiloftsdisch en zorgde, dat men over tafel slechts hoorde „geestelijcke gezangen of gebeden of stichtelijcke redenen”. En toen Jacobus Arminius, toen nog predikant te Amsterdam, te Leiden de bruiloft vierde van Kuchlinus met zijne tante, voerde hij met zijn tafelbuurman, den uitnemenden hoogleeraar Franc. Junius, een druk gesprek over den val van Adam, de oorzaak, de manier waarop en de gevolgen van dien. Men kan niet nalaten te denken, dat dit toch wel het andere uiterste is.

Op eene bruiloft werden vertooningen gedaan en even natuurlijk, dat er gedanst werd, die bevallige, die statige dansen, die thans vergeten zijn. Ook tegen dit dansen heeft de kerk zich altijd verzet, wederom zonder eenig onderscheid te maken tusschen het wezenlijk wulpsche en gemeene èn het sierlijke, losse, gracelijke van den onergerlijken dans. Eens is gansch Groningen in rep en roer geweest, omdat een ouderling op de bruiloft zijner dochter, het was in 1772, het gewaagd had met zijne dame en het jonge paar een menuet te dansen. Betje Wolff heeft het schrikkelijke geval vereeuwigd in haar gedicht: „De menuet en de domineespruik”. Bij boerebruiloften was het dansen zeker niet altijd los en bevallig: wie den „Boerenbruiloftsdans” van Pieter Brueghel (den vader, gest. 1569) ziet, kan daaromtrent geene groote verwachtingen koesteren.

Maar thans—na een poos dansens—komt het oogenblik, dat de bruid „te bedde gedanst” wordt. Zoo nog in de 17de, niet meer in den loop der 18de eeuw. In de liedjes gaat dat nog kalm toe:

„Strooyt kruytjes en bloemtjes, de bruyd moet te bed! Geleyt er, bereit er Ontkleet haar te met En kust haar goe nagt En slaat dog wel agt, Dat niemand haar ruste verstoort of belet!”

Dansend paar (16e eeuw).—Naar H. Aldegrever.
Dansend paar (16e eeuw).—Naar H. Aldegrever.

Dansend paar (16

e

eeuw).

Naar H. Aldegrever.

Dansend paar (16e eeuw).—Naar C. Bos.
Dansend paar (16e eeuw).—Naar C. Bos.

Dansend paar (16

e

eeuw).

Naar C. Bos.

Maar in werkelijkheid ging het ruwer. Schrikt niet! Daar grijpen midden onder den dans de jongere gasten de bruid aan en dragen en sleuren haar naar het bruidsvertrek—vage herinnering aan den ouden bruidsroof. Wel snelt de bruidegom den troep achterna en koopt de bruid terug door een feestje te beloven, het „weerom-vetje” op een der komende dagen. Maar nu barst de storm eerst recht los. Bed, dekens, kussens, al de geheimen der slaapkamer begluren zij, betasten zij en eindelijk vallen zij op de arme bruid aan en „plukken haar als een vogel” en nemen haar af sluier en lint, ketting en kroon, tot hare kousebanden toe, welke laatste vooral als gewenschte buit, als eene oorlogstropee, worden meêgenomen en aan tafel vertoond. De jonge echtgenoot raakt de dolle bende eerst kwijt, als hij doet, alsof hij zich ontkleeden gaat. Op deze manier werd bij de deftigste families de bruid te bedde gedanst. Gelukkig nog, zoo men haar en haar echtgenoot voor 't overige van den nacht met rust liet! Wel mocht Edmund Spenser in zijn „Epithalamion” (1594) smeeken:

„Let no false treason seek us to entrap, Nor any dread disquiet once annoy The safety of our joy; But let the night be calm, and quietsome, Without tempestuous storms or sad affray, Like as when Jove with fair Alcmena lay.... And let the maids and young men cease to sing, Ne let the woods them answer, nor their echo ring.”

Wel mocht nog twee eeuwen later Goethe zingen:

„Im Schlafgemach, entfernt vom Feste, Sitzt Amor dir getreu und bebt, Dasz nicht der List muthwill'ger Gäste Des Brautbetts Frieden untergräbt...”

Van huwelijksreizen wisten de vaderen niet; nog van 1800 vertelt Jacob van Lennep, dat zulke dwaze, onkiesche dingen toen nog niet voorkwamen. Den eersten morgen komen de naaste vrouwelijke bloedverwanten de jonge vrouw begroeten en bij 't kleeden helpen (zóó nog bij Saartje Burgerhart, bij Chrisje Helder), de dienstbode brengt het morgenwater en ontvangt haar bruidsstuk als loon. Lang vergeten was de oude gewoonte van te onderzoeken, naar wat wij boven (blz. 90) hebben aangestipt. Lang ook vergeten (sommigen hebben ontkend, dat het ooit bestond: zóó Karl Schmidt, zóó Bismarck) was in onze periode het recht van den landsheer op den eersten nacht. Wie het vroeger bestaan ervan nog trachten te handhaven zeggen, dat het wijst op een „tijdperk van overgang tusschen de vroegere, als heilig beschouwde, rechten van den stam én de langzaam opdagende persoonlijke rechten van den echtgenoot. Later wordt het dan beperkt tot enkele voornamen, nog later afgekocht, om eindelijk te verdwijnen.” Het is mogelijk, wij stellen ons geen partij; in elk geval was dit gebruik in den nieuwen tijd verdwenen.

Dit geldt wezenlijk ook van de morgengave, het geschenk door den man den eersten morgen aan zijne vrouw gegeven. Dit werd langzamerhand eene som gelds, waarvan het bedrag in het huwelijkscontract werd bepaald, maar waarvan de oorspronkelijke beteekenis geheel verloren was gegaan. Op deze manier: „Eyndelick (het is een stuk van 1626) soo heeft de bruydegom, Johan Witten, siin toecomende huysvrouw (Johanna van Brienen) een morgengave ende nae morgengaevesrechten uyt siin gereedste goederen gegeven 1200 caroli guldens”. Ook kwam het voor, dat de morgengave niet was betaald en werd opgeëischt. Het volgende signaat, d.d. Putten 26 Juni 1544, dat in zijn kortheid toch veel vertelt, lichte dat toe. Griet Jans spreekt aan de vier erfgenamen van haren overleden man, die haar schuldig zijn 12 rijderguldens „van de morgengaeve, gelick die frunde sulx verdedingt ind gemaeckt hebben.”

Te dezer plaatse voegt nog de herinnering vooreerst aan huwelijken op de graven gesloten, opdat (wonderbaar taaie nawerking van den ouden doodenkultus) daardoor lafenis zou geboden worden aan de zielen, wier stoffelijk omhulsel in die groeve rustte. De schilder Maerten van Heemskerck bestemde in 1558 de opbrengst van een stuk land voor „schamele doch eerlijcke jongelieden”, die op zijn graf en dat zijner vrouw te Haarlem zouden trouwen.

Niet minder eigenaardig was de ten onzent (maar ook reeds den Romeinen bekende) diepgewortelde gewoonte (voortgekomen uit de gedachte, dat de dood moet wijken voor wat de kweekplaats des levens is), dat, wie op weg naar het schavot door eene vrouw ten huwelijk werd gevraagd, van den dood vrij kwam. Toen den 3den Juni 1572 de jonge Theodoor Bommer te Gorinchem door Lumey's geuzen naar de galg werd gevoerd, redde een meisje hem op die wijze van den dood. Zoo erlangde 17 September 1603 een door Maurits ter dood veroordeeld Spaansch soldaat lijfsbehoud, „verboden synde door eene jonghe dochter”. Ja, nog in 1672 gold het gebruik in de rechtspraak. Te Amsterdam zouden toen vier Fransche soldaten worden gehangen. „Eenige juffrouwen, met groote meedogenthijt ingenomen”, vroegen aan burgemeester Outshoorn pardon voor de „gecondemneerdens”. Daarop „den heer Outshoorn sijde of de juffrouwen of eenige derselve, souden genegen wesen daarmede te trouwen?” Maar ongelukkig kon het middel deze maal niet worden toegepast: de juffrouwen „antwoorden alle getrout te sijn”. Toch kwamen de Franschen er af met brandmerking en gewipt worden aan de wipgalg. Soms echter ging strengheid boven gewoonte, als toen de jonge officier Nicolaas de Maulde de Mensard, betrokken in de leycestersche samenzwering te Leiden, 27 October 1587 werd terechtgesteld, niettegenstaande een „juffrouw genaemt Uytenbroeck” hem ten huwelijk vroeg.

Na de bruiloft volgden nog de „navetjes”, ook plachten de jonggetrouwden bezoeken te brengen aan magen en vrienden, binnenlandsche reisjes, waaraan toen zooveel meer vast zat dan nu, maar waarvan nog zoo kinderlijk, zoo volop in de ongerepte natuur genoten werd. Dan loopen echter de wittebroodsweken ten einde, de speelman is van het dak, het gewone leven herneemt zijn eischen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings