← Table of contents
Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

HOOFDSTUK III.

Reading edition

HET WETTIG HUWELIJK.

Tegenover welke taak stond het nieuwe geslacht, vroegen wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk, nadat wij de toestanden, zooals zij in de 16de eeuw heerschten, geschilderd hadden? Roepen wij ons duidelijk de moeielijkheid voor den geest. Van wien zou het gezag uitgaan in huwelijkszaken, zoodat de bestaande verwarring en onzekerheid zouden ophouden? Van de Staten der gewesten? Van de jonge, gereformeerde kerk, zelve nog nauwelijks (immers eerst sinds 1572 in het noorderkwartier, van lieverlede ook in de overige provinciën) geordend en ingericht? Zeker had zij nog geen wijdstrekkende autoriteit, maar van den beginne heeft zij zich met groote energie aan deze zaak laten gelegen liggen. Omdat voor haar, gelijk voor alle protestantsche Kerken, het sacramenteel karakter des huwelijks vervallen was, heeft zij van den aanvang af geijverd voor het burgerlijk, algemeen karakter der instelling. Wat Huig de Groot zegt, dat door het aannemen van den gezuiverden godsdienst alle voorrechten van geestelijken, zoo in rechtspleging als in andere zaken, het bijzonder burgerrecht rakende, ophouden, heeft zij reeds vroeger erkend ook voor 't huwelijk. Zij volgde daarin slechts de denkbeelden harer groote theologen: Calvijn achtte het huwelijk een ding, den wereldlijken rechter competeerend. Reeds de oudste provinciale synoden spreken zich uit, zoowel over de verhouding tusschen kerk en staat in 't algemeen als over het huwelijksrecht in 't bijzonder. Die van Rotterdam, ao 1575, begrenst het wederzijdsch gebied en spreekt uit, dat „onse kerckelijke regieringe geenszins usurpatie van het ambt van den magistraat medebrengt, maar dat de politische (burgerlijke) ende kerkelijcke regieringe” door God zijn ingesteld, zoodat het er verre van af is, dat „dit gheestelick ende kerckelick regiment enichsins soude het ampt ende de hoocheit der overheit tegenstriden ofte vercorten, dat in tegendeel 't selfde veelmeer dient tot befestinge vande autoriteit derselver, gelijck oock wederom der overheit ambt is door haar autoriteit der kerckelicke regieringe te beschermen ende te handthaben”. Reeds een jaar vroeger had art. 5 der Dordtsche kerkorde voorgeschreven: „die dienaren ende ouderlingen sullen wel toesien, dat sij in hare consistorische, classische ende sinodische vergaderinge niet en verhandelen dan 't gene kerckelick is”. Welnu dezelfde vergadering spreekt het uit: „Overmidts d'officiaelen des Antichrists int pausdom d'autoriteyt ende recht der overheijden in den echtscheydinghen aen sich getrocken hebben, soo sal de magistraet van den ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent worden, datse dien helpen, welcke in soodane saecken hare hulpe behoeven”. En nog algemeener de oudste gereformeerde synode hier te lande, die van Edam in 1572: ieder streve er naar dat „dese saecke des huwelijcx tot ontlastinge der kercken gebracht wordt in het burgerlijke regiment”. Omdat echter de berechting van huwelijksgeschillen voor de overheden nog nieuw was en, bij de nieuwe bedeeling, het geestelijk gerechtshof had „afgedaen”, heeft de kerk reeds in 1581 het wenschelijk geacht, dat de Staten een „houwelicxgericht” zouden instellen, „daeraen alle twistige houwelicxsaken” zouden opgedragen worden.

Men bespeurt waarom het gaat: aan den Staat moet komen de regeling van, de uitspraak in huwelijksgevallen, de wetgeving in 't algemeen over alle huwelijkszaken. Zonder zijne sterke hand zal de verwarring nooit ophouden, aangezien, zegt wederom Huig de Groot, het huwelijk is de grondwet der burgerlijke gemeenschap en omdat, naar de woorden van den remonstrantschen hoogleeraar Simon Episcopius, als er geen vaste huwelijksordening is, „is de policie niet als eene wildernisse ende de familiën zijn niet als verckensschotten”. Wenschte de gereformeerde kerk aldus, dat het huwelijk burgerlijk zou zijn, dit hield niet in, dat zij afstand begeerde te doen van haar recht op huwelijkssluiting. Opvolgster van de oude, roomsche kerk, in zekeren zin erfgename harer functiën, overtuigd, dat het huwelijk voor zijne wettigheid de wijding der kerk behoeft—had zij reeds in de jaren der vervolging, vóór zij nog gevestigd was, huwelijken gesloten. Hare rondreizende predikanten „celebreerden houwelijcken volgende de voirs. religie” en „vougden na den sermoenen oik eenige persoenen als in echten t'saemen”. In 1566, toen Margaretha hun vrije godsdienstoefening had toegestaan en zij enkele kerken in gebruik namen, was het dáár, dat men „bruyden troude”. Thans, als gevestigde kerk, handhaaft zij dit recht van huwelijkssluiting. Hare leden kunnen binnen hare muren een wettig, christelijk trouwverbond aangaan, al is men in 1573 in Noord-Holland zóó vrijzinnig, dat men een lidmaat toestond buiten de kerk te trouwen. Men moest het hem wel afraden, maar gebeurde het nochtans, dan was het huwelijk als echt te erkennen. Nu begon echter de moeielijkheid. Niet alleen toch begeerde de kerk van de overheid goedkeuring van hare huwelijksregeling op eigen terrein, maar, volgens het in haar midden sterker wordend calvinistisch beginsel, dat de wereldlijke en geestelijke macht samen moeten arbeiden aan den bloei der christelijke gemeenschap, eischte zij telkens nadrukkelijk, dat de overheid zich in alles, dus ook in huwelijkszaken, door die calvinistisch-gereformeerde gedachte zou laten leiden. Waar nu de staat zich verzet, ontstaat de strijd. En als wij bespeuren, dat de kerk voortdurend poogt eene algemeene huwelijksordonnantie te verkrijgen naar hare beginselen, dan zien wij daarin duidelijk een onderdeel van die worsteling om de oppermacht tusschen Kerk en Staat, ook in onze vaderlandsche geschiedenis zoo belangrijk. Het gaat op een loven en bieden. De kerk vraagt en de overheid, zeker gewillig het advies en de medewerking der kerkelijken in te roepen, geeft, maar ten halve. De kerk vraagt weêr en de overheid staat ook iets toe, maar geeft de teugels nimmer uit de hand en houdt aan zich het oppergezag. Zeker gevoelen wij bewondering voor deze „dienaren des Woords”, die, in hunne volstrekte afhankelijkheid van regenten en magistraten, toch rusteloos aanhouden om wat zij voor een heilig huwelijk noodig achten. Maar begrijpelijk vinden wij het evenzeer, dat de overheid op hare hoede was tegen een heerschzucht, die wezenlijk bedoelde der kerk het gezag over den staat te schenken. Ware het anders geweest, men zou kunnen wenschen, dat zij nog ruimer gelegenheid gehad hadde, haar onmiskenbaar organiseerend talent, ook op het gebied der huwelijksregeling, met de stukken te toonen. Laat ons dan zien wat langzamerhand in de Republiek tot stand kwam, door gewestelijke of stedelijke overheid gegeven, maar onder voortdurenden invloed der kerk.

Reeds in 1576 hadden Baljuw en mannen van Rijnland bepaald, dat partijen zich of door den gereformeerden predikant moesten laten te zamen geven, of voor baljuw en mannen moesten verzoeken, dat hun trouw wettig verklaard werd. Dit was reeds eene belangrijke stap in de richting van orde, maar het besluit gold slechts Rijnland en ook, men durfde een anders gesloten huwelijk nog niet nietig verklaren. Maar vijf jaren later, 1 April 1580, vaardigden de Staten van Holland en Westfriesland hunne Ordonnantie van policie uit, waar men sub III bepalingen vindt „omme te voorsien op de ongeregeltheden in huwelijkszaken”. Hier moeten partijen verschijnen voor magistraat of gereformeerde predikanten hunner woonplaats, om door (voor) hen getrouwd te worden. Huwelijken niet volgens deze ordonnantie „gecontraheerd ende gecelebreerd” zullen voortaan zijn „nul ende van onwaarde”. Eene resolutie van 6 Juli gaf nog nadere uitlegging. Voor Zeeland volgde 8 Februari 1583 eene ordonnantie van den Prins van gelijke strekking, op de openbare afkondiging waarvan de Zeeuwsche kerk telkens aandringt. Den 6den October 1584 volgden de Staten van Utrecht en voerden ook het burgerlijk huwelijk in voor het gerecht ten stadhuize, d. w. z. voor wie dit begeerden. De anderen werden getrouwd door den gereformeerden predikant. Andere huwelijken werden niet langer erkend, terwijl als overgangsbepaling in art. 13 der ordonnantie werd voorgeschreven, dat vroeger gesloten vormlooze of geheime huwelijken alsnog voor het gerecht konden worden gewettigd. De andere gewesten volgden (voor de Generaliteitslanden gaven de Algemeene Staten 18 Maart 1656 een Echtreglement) en sinds was de toestand zóó, dat ieder naar wet en ordonnantie moest trouwen, de gereformeerden in hunne kerk, de andere burgers ten stadhuize. Aan deze laatsten werden dan daarna hunne kerkelijke plechtigheden vrij gelaten. Van opmerkelijke vrijzinnigheid is een besluit van schepenen, raden en gezworen gemeente van Hasselt, reeds 25 Februari 1590. Omdat, heet het in dit merkwaardig stuk, velen, om de verscheidenheid van religie, niet gezind zullen wezen de huwelijken in de gereformeerde kerk te sluiten voor den predikant, en omdat de vrijheid van conscientie gehandhaafd moet blijven, besluiten wij, dat allen die bezwaar hebben tegen de kerk, zich zullen mogen laten afkondigen van het raadhuis en daarna getrouwd worden voor twee schepenen, onder aflegging van een eed en aanteekening in het stadsprotocol. Hoe langzaam elders weêr de nieuwe regeling doordrong (iedere stad was wezenlijk souverein) toont o. m. Kampen. Het burgerlijk huwelijk voor de doopsgezinden is aldaar ingevoerd bij publicatie d.d. 7 Juni 1658. Tot dien datum toe waren zij gedwongen geweest zich door (voor) de hervormde predikanten te laten trouwen. Thans kon dat ten raadhuize geschieden, maar (vreemd genoeg) de geboden moesten zij nog „voor den Eerb. kerckenraedt deser stadt doen opschrijven”. In Holland heeft men den dissenters sneller recht gedaan. Zoo kon de luthersche gemeente te Amsterdam in 1597 bepalen, dat wie wenschten te huwen eerst voor den gecommitteerde van de overheid moesten verschijnen, zich dan aan de voorgeschreven formaliteiten onderwerpen en daarna in de kerk konden worden ingezegend. Zoo is het gebleven tot het einde der republiek. Onder de Bataafsche Republiek openbaarde de nieuwe geest van gelijkheid en vrijheid (zegt Cornelis Rogge) zich ook in de bepaling, dat voortaan elk huwelijk voor de plaatselijke regeering moest voltrokken worden. De inzegening bleef den geestelijken toegestaan, nadat hun op eene wettige wijze de voltrekking voor de burgerlijke regeering was gebleken.

Al was dus het groote beginsel van het burgerlijk huwelijk in de gewestelijke ordonnantiën neêrgelegd, op tal van punten bleek telkens nog voorziening noodig. Onvermoeid hebben de synoden der gereformeerde kerk om zulke nieuwe bepalingen gevraagd en tevens om maatregelen tegen de ergerlijke zonden en abusen den huwelijken staat rakende. Het verdient alle aandacht, dat zij daarbij heeft gestreefd naar ééne wet voor 't gansche land, dat zij dus, te midden van het provincialisme, bij den zeer lossen band die de gewesten te zamen snoerde, voor die landséénheid opkwam, die eerst onder Napoleon gekomen is. In de 162ste zitting der groote, Dordtsche (na)synode besloot de vergadering H. H. M. te verzoeken „dat deselve door hare autoriteyt ghelieve metten eersten te doen stellen eene huwelijcks ordinancie... die eenpaerlick door alle de geunieerde provinciën mach nagekomen worden”. En art. 70 der Dordtsche kerkorde zegt desgelijks, dat „tot noch toe verscheyden ghebruycken in houwelijcksche saken alom onderhouden zijn”, maar dat het „nochtans wel oirbaar is ghelijckformicheyt daerinne gepleecht te worden”.

Het is duidelijk, dat wij in ons bestek er niet aan denken kunnen ook maar een vluchtig overzicht te geven van de wijsgeerige en rechtsgeleerde theorieën ten onzent over het eigenlijk wezen des huwelijks. Slechts op één enkel punt wil ik wijzen: de vraag, of kinderbezit het eigenlijk doel des huwelijks zij? In 't algemeen reeds zijn er anthropologen, die beweren dat, zoomin als bij de dieren, bij den oermensch, bij de natuurvolken, de voortbrenging van eene nieuwe generatie, hoewel de onbewuste drijfveer tot geslachtelijken omgang, bij den man het bewuste doel, een gewild oogmerk zou zijn. Het is, zegt ten onzent o. a. dr. C. J. Wijnaendts Francken, slechts een secondair gevolg. Het behoeft niet eenmaal altijd als gevolg bekend te zijn geweest. Dit laatste is althans onbetwijfelbaar. Maar, zoo was nu de vraag, is het huwelijk niet alleen maar eene door de wet erkende vereeniging der beide geslachten, „eene verzameling” (zegt Huig de Groot en zeide ook het Rom. Recht) „van man en wijf tot een gemeen leven, medebrengend een wettelijk gebruik van elkanders lichaam”, doch is voortplanting zijn eigenlijk doel? Neen, zeide prof. C. L. Vitringa van Harderwijk in 't begin der 19de eeuw, neen, want anders zou de apostel Paulus den christenen niet het coelibaat hebben aangeraden. Ook Kant, de wijsgeer, stelde de verwekking van nakroost op den achtergrond, het doel om kinderen te verkrijgen achtte hij niet te behooren tot de rechtmatigheid der verbinding. Anders de protestantsche kerken, die hierin de roomsche slechts navolgden. Het bijbelsch gebod, aan Adam gegeven, „wees vruchtbaar en vermenigvuldig” gold ook voor later geslachten, vonden zij, en de remonstrantsche hoogleeraar Phil. à Limborch (1735) noemt als eerste doel des huwelijks: „de voortplanting en de vermeerdering van het menschelijk geslacht”. En met deze theorie ging het volksbewustzijn accoord. Het vroeg niet: is het wezenlijk de lust om kinderen te bezitten, die de menschen tot elkander brengt? Maar het achtte kinderbezit het natuurlijk en, zeker, gewenscht gevolg der vereeniging. Tegelijk was het de gereformeerde kerk, die in haar huwelijksformulier de schoone opvatting leerde: „Daarom sult gij ook niet twijfelen of de houwelicke staet en behage Godt den Heere, overmits hij Adam sijne huysvrouwe geschapen, selve toegebracht ende hem tot eene huysvrouwe gegeven heeft; daermede betuygende, dat hij nogh hedendaegs eenen yegelicken sijn huysvrouwe als met sijne hant toebrengt.”

Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.
Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.
Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.
Bruidsstoet.—Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw)—Ms. L. Bibliotheek.

Bruidsstoet.

Foto (verkleind) naar een miniatuur in „Der Renner”, van Hugo von Trimberg (14e eeuw) Ms. L. Bibliotheek.

De gansche huwelijksacte, eindelijk, moest, als van ouds, ook bij de nieuwe bedeeling, openbaar zijn. „De tsamenvoeginge der eheluiden, gelijck deselve is eene algemeene actie” behoort te geschieden „in facie ecclesiae” d. i. voor den priester en openlijk. De term en het gansche beginsel waren van Rome overgenomen. De roomsche kerk heeft altijd het openbaar huwelijk gewild. En dit was weder in overeenstemming met het Oudgermaansch recht, dat eischt, dat de vrije Friezin in des vrijen Friezen macht komen moest met hoorngeschal en burengejuich, met fakkelenbrand en vriendengezang. In 1310 b. v. verbood de bisschop van Utrecht, Guy van Avesnes, uitdrukkelijk niet-openbare, clandestiene huwelijken, dat zijn zulke „die aangegaan worden, zonder dat de plechtige afroeping of de behoorlijke geboden in de parochiekerk der trouwensgezinde personen vooraf zijn gegaan.” Ze waren wel niet ongeldig (wij zagen dat reeds in ons eerste hoofdstuk), maar brachten toch sommige nadeelen mede. Zoo had Dirk van Santhorst, uit het geslacht der Wassenaars, „sijn wijf mitter witte van der heylegher kercke niet ghetrouwet.” Daarom wilde de vrouw van Dirk van Raephorst haar den voorrang („voirstain ende voirofferen ende anders voirdeel te hebben”) niet gunnen in de parochiekerk van Wassenaar (1338). Twee eeuwen later, den 2den October 1535 had George van Egmondt, ook bisschop van Utrecht, noodig een scherp mandaat uit te vaardigen, waarbij hij gebood: „... geen huwelijken te sluiten dan in 't openbaar, ten tijde der godsdienstoefeningen, in de kerken en niet in verborgen plaatsen, in bijwezen der gemeente.” Dat nochtans, ook door plichtsverzuim der priesters, meer nog door de taaiheid van volksgebruiken, de heimelijke, vormlooze huwelijken tot ver in de 16de eeuw voortduurden, hebben wij gezien. Maar het is duidelijk, dat ook nog bij den aanvang onzer periode en later maatregelen daartegen niet overbodig waren. Karel V bepaalde, dat een jongman onder de 25 en eene jonge dochter onder de 20 jaar niet mochten huwen zonder advies, raad en konsent van vrienden en magen van beide zijden, op verbeurte van alle aanspraak op elkanders goed, terwijl geen van Z. M. onderdanen bij huwelijken, zonder medeweten der justitie gesloten, tegenwoordig mocht zijn op boete van 100 karoliguldens. Dat was in 1540. Op 't einde der eeuw had nog de overheid denzelfden strijd te voeren, door de gereformeerde kerk gesteund, die ijverde tegen het trouwen in huis, „yn private huseren”, want het is „ergerlijck en der politie schadelijck”. Het wekte daarom in 1585 groote ergernis in gansch Friesland, dat Johannes Bogerman, de vader, twee freules Burmannia op hare state te Ferwerd getrouwd had. Zelfs het trouwen in huis bij zware ziekte werd nauwelijks (en dan nog met al de waarborgen voor openbaarheid) toegestaan. De straffen waren zwaar. Op heimelijk trouwen stond sinds 1580 voor beide schuldigen ƒ50 voor de eerste maand, ƒ150 voor de tweede, ƒ200 voor de derde en bannissement. Hooge boeten inderdaad. Want in datzelfde jaar 1580 bedroeg het predikantstractement in Den Haag ƒ360, te Dordrecht in 1594 ƒ400, prof. Feugueray werd in 1575 te Leiden benoemd op ƒ500 en ƒ100 persoonlijke toelage. Waren, trots al deze bepalingen, toch nog lieden in 't geheim gehuwd, dan trachtte de kerk hen alsnog openlijk te laten trouwen. Den 23sten Januari 1705 huwden in de Hollandsche gemeente te Smyrna Giovanni Jan Schagen en Anna Smith, weduwe Charles Pike, die vroeger voor een roomsch priester een geheim huwelijk hadden aangegaan. Nu werden zij alsnog openlijk getrouwd en wel „in 't aangezicht des doods” en dus waarschijnlijk (in dit geval van zwaren nood) in huis. Want nog dienzelfden dag overleed Schagen.

Om nu de openbare en wettige huwelijkssluiting voor te bereiden diende de verloving of ondertrouw.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings