HOOFDSTUK II.
Reading edition
DE VRIJAGE.
Tot alle vereeniging, van het wettig huwelijk af tot de losse verbintenis toe, leidt de vrijage. Het is de werving van den man om de begeerde vrouw. Vrijen beteekent ook het minnelijk omgaan met elkander van twee gelieven, maar ieder voelt in de taal het verschil tusschen „vrijen om” en „vrijen met”, gelijk bij Petrus Stastok's eerste minnekoozerij, zoo wreed door Rudolf van Brammen verstoord, de jongeling met Koosje van Naslaan vrijde en misschien wel den moed zou gehad hebben later om haar te vrijen, als de jonge wijnkooper uit de naburige stad hem niet vóór geweest ware. Wie eene stad wil innemen moet haar belegeren, wie de bruid voor zich wil innemen moet om haar vrijen en aan de vrijage ontkomt alleen hij, die met voorbedachten rade het huwelijk mijdt. Zóó waren er ook onder de vaderen, die hun goeden raad te berde brachten en uitriepen: „gij, o, geluckige, die noch buyten dien grouwelijcken staat zijt, schrik voor dezelve. Schu een vrou veel meerder als de vissen den angel!” Onze letterkunde bewaart—het is waar niet op hare fraaiste bladzijden—lange, berijmde samenspraken tusschen een „huwelijksbeminnenden Jacob” en eene „echthatende Maria” en andere grove en zoutelooze polemiek tegen het huwelijk. Maar gelukkig hield de natuur het tegen het „contra” met het „pro” en de grove scherts van het voorgeslacht spaarde zelfs de verlangende, oude vrijster niet, die op 5 December vroeg:
„O, Sunter klaasje, goed-heylig-man Trek erais je beste, moye tabbert an! Wat was ik in mijn schik...”
volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas als den „hijlic-man”, den huwelijkssluiter, sinds tot „heilig man” verbasterd.
De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin de agamie was, de volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen. Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm, dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus' kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:
„Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de slaapzaal, Werden gevoerd door de stad.”
Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont—mogen wij Herodotus gelooven—in de dorpen van het oude Babylonië, waar de huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen). En zoovelen als er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de „Jacobshuwelijken”, zoo genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt. In de longobardische sage van „Authari's bruidswerving” maakt de vermomde koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de (weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht. „Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.” Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. „Toen streek de prinses zich over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem vriendelijk.” Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. „Toen hij den beker van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte, lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.” Wel terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg van deze oude vrijages.
Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat harer slavernij, hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als (naar het woord van prof. Van der Vlugt) „eene taktische kunst met hare duizend regelen en conventiën”. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:
„... Dan wert benadert en becingelt stracx de stee Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...”
en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij zijne uitverkorene „met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge loopt als van cierlijcke kleederen etc.” Dit laatste behoefde niemand hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over, wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van kleine geschenken, vergezeld van briefjes en verliefde rijmpjes, en soms waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder? Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door „de genegentheydt van de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder te surmonteren”. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan, vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de „dappere dravers” komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden beukenstam, met grasjes knoopen als symbool van den huwelijksband, met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen eenboogsbrug of heul klonk het „heulen, heulen” en was er het zoet gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar een eindweegs de golven in, om het „soete, onnoosele dier” daarna met „sant te zouten”, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht. Helaas, dat „Draag Roosje nu in zee” het arme kind, in Bellamy's bekend gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer en losser dan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast ontvangen van het loon.
In dit raam van algemeenheid passen nu de tallooze vormen. De aard der vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten, zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18de eeuw de nachtelijke bezoeken, het kweesten, wat eigenlijk reeds niet meer is „vrijen om”, maar „vrijen met”, waarbij het „Galathea, zie de dag breekt aan”, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf opschrikte, waarom het ook krieken heette en Grabner, een Duitsch reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: „Nicht Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe”. Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de Duitsche „Kommnächte”, „Probenächte”, zooals ze vooral in Zwaben, in het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheer F. C. Fischer (1780) is onderzocht, door Grupen (1748) en vele anderen. Van eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis. Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495–1562), die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam. Deze meester had een „seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte in liefde verwonnen hadde”, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat het „Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in 't herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert heeft, schijnende of liefde consten doet leeren”. Helaas, toen hij na vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.
Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte, maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in 1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen predikantszoon. „Het gebeurde”, aldus dicteert de weduwe, „dat Johannis soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goet van haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op trou gaf”. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer van Langerak, „wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck moogen voltrekken met de verloofde”. Want de moeder onthield haar toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars geacht „als Jozef in 't hof van Farao” en zij trachtten hem uit te huwelijken aan „een joffer van groot qualyteit”. „Maar alsoo het knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden. Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat de gouvernante van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C. een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande, resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,” (denkt Anneke hier aan C.'s „Uytbreydingh over Ps. CXXV”:
Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast, Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)
„soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.” De rest laat zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven tegen elkander op te zetten, C. vraagt om uitlegging en doet of hij niets meer van haar weten wil „singende overluid een deuntje gelijk de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren”. Maar zij gaat hem na, „vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was”. De verzoening is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij „passeert van den dienst” en na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. „vol moets en coragije is, denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen”, trouwen zij eindelijk den 11den April 1613. Het is een verhaal als een sprookje, deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet bijvoegen, dat zij „daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd”.
Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de „burgerlijke vrijage” tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn „Hollandschen Spectator”, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen. De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is (voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche, burgerlijke zeden, waaruit de vroegere, dartele en onbeschroomde vrijpostigheid, die wij nog in de 17de eeuw bij den vrijer bespeuren, geweken is—voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk, oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig zijn aanzoek afwijst: „Mijn hart is vrij” antwoordt zij hem, „maar ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.” Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug: „Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees. Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?” Zeker klinkt dit uiterst statig—maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: „Haast niet, maar wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat zelfs de tijd aan God over.” Het is dit nationale flegma, dat zich ook in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. „Der Bataver ist nur thätig, wo er es sein musz”, schrijft een Pruisisch reiziger in ons land, ao 1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt het, met wat dieper ingaan in het wezen: „son caractère est flegmatique, mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, elles n'en sont que plus profondes et plus durables”. In ons laatste hoofdstuk komen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage nog iets op te merken.
Toen wij boven verhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman, in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het geldt het derde kwart der 16de eeuw): „dat niemandt onder haer, een huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende denselven voor hem aensoecken laten.” Ja zelfs moet hij er vrede mede hebben, als die dienaar „'t selve houwelijck haer afriedt ende een anderen in den sinne bracht.” Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel, een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf zich „eerbiediglijk” komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de doopsgezinden in de Vogezen ao 1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV) en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam, die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in zijn vertrouwen. Deze (hij heet „der steckelmann”) stijgt te paard en rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken (gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: „kom wat dichterbij en laat ik ook uw paard te drinken geven,” dan haalt hij de meêgegeven geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden. Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch voorbeeld.
Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren, dat een 18de eeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het prijselijk als „jonckheyt lieft met ouders raat”, zooals het oude rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden. Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal overgezet „Ueber den Umgang mit Menschen”, 1785, de weinig hoffelijke uitroep ontlokt: „Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!” Wij hoorden daareven Anneke van Alendorp gewagen van die „ongestadige minnaers, die niet veel passchen op haar beloften.” Van zulke trouwelooze vrijers zijn onze oude liederenboekjes vol:

Huwelijkscontract.
Naar een schilderij van Jan Steen.
„Dog vrijers zijn vol list en loze streken, Hun woorden zijn wel honing-zoet, Terwijl zij dragen in 't gemoet Den angel, om te steken Haar, die hen mind.”
Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun gezelschap:
„Dit bosje weet, Dat ons is leet, Dat gij niet t'alle-tijdetjens, Ons met uw kout Gezelschap hout En zit aan onze zijdetjens. Uw zoet gevrij En boerterij Met velerhande klugjens Ons zo verleyd Dat, als gij scheyd U volgen veele zugjens.”
Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te verwisselen („wat haast hebben wij meisjes,” vraagt Alida Leevend in haren overmoed; „als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?”), dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich onder de Republiek aan ons voordoet.