← Table of contents
Verhalen van de Zuidzee

Het Onvermijdelijke Blanke Ras.

Willem Leo Leclercq translation

“De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank.”

Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley Roberts’ kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.

Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd werd door dorst naar den Nijl—de Steevens die “Met Kitchener naar Kartoem” op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij het beleg van Ladysmith.

Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.

De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde, hij had haast gehad bij die gelegenheid—de pijl had hem gehinderd bij het loopen—en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den kop af te breken en de schacht er uit te trekken op de manier waarop ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van de Savaii, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.

“De meeste herrie komt van de domheid van de blanken”, zei Roberts, afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. “Als de blanken een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden.”

“Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen”, antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, “en ik heb altijd kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerst gekaikai’d (opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea en de Nieuwe Hebriden—het martelaars-eiland Erromanga en de heele rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen; en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen de nikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood, vernielde hun oorlogskano’s, en stak twee dorpen in brand. En het was bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers te begrijpen!”

“Zoo is het”, zei Roberts. “En ’t is gek, maar het lijkt eigenlijk niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de blanken is hun succes in het ontginnen van de wereld geëvenredigd.”

“En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de nikkerkoppen”, flapte kapitein Woodward er uit. “Misschien heb je gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker: de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot.”

“En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk—het is het noodlot van de nikkers”, viel Roberts in. “Vertel een blanke dat er pareloesters zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z’n eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op af gaan, gewapend met houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten patent goud-wasscher—en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel, en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van als men dom en onvermijdelijk is.”

“Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die—die onvermijdelijkheid”, zei ik.

Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in zijn oogen.

“Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke, dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met de Duchess”, legde hij uit.

Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.

“Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem tegen het lijf liep—hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z’n hotel, beneden, waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn hotel, en werd precies zes weken later doodgeslagen in Sydney, bij een herrie in een kroeg.

“Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheid duidelijk kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?—hij wist. Het kattenconcert was afgeloopen, en ’s morgens lagen daar de twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats, al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk, hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.

“Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik was stuurman toen, op de Duchess, een kolossalen schoener van honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein, rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó’n indruk op me gemaakt, dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.

“Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je ’t weet laat hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover ons betrof, met den dag dat hij monsterde op de Duchess. Waar hij had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee—zooveel wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit te weten zijn gekomen.

“En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon’s. Malaita was toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano’s, maar ze lachten ons alleen maar uit als we hen kralen en calico en bijlen lieten zien en over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.

“Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.

“In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den wal, zooals gewoonlijk,—de eene om de andere te dekken, snap je, als er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.

“Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand, stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd, toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof de duivel in eigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om, en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank, de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.

“Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.

“Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.

“Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie hoofden boven op de kajuit liggen—de hoofden van drie matrozen aan wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en niets kon me meer wat schelen.

“De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.

“Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom, gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn geweer leeg te pompen.

“Zóó was de toestand toen de kano’s en de twee booten van de wal kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten, en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren mee het want in nam.

“Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje overboord, waarbij de kano’s meestal omsloegen. Saxtorph hield geen oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang, schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als er een begraven werd in menschelijk vleesch.

“De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal, zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.

“Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten, naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan Saxtorph’s geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.

“Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van bemanning en officieren van de Duchess, en ik was er tamelijk beroerd aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel, leek het of het afgeloopen was met ons.

“Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing, wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me, had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, en leidde de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood; maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.

“Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok en kluiver omhoog waren, en de Duchess viel af en stevende naar de doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en in de handen van de nikkers zouden vallen.

“Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken, maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze hadden meegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien ingepikt.

“Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in volle zee waren; tenminste de Duchess lag drie weken bijgedraaid; toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen.”

Charley Roberts floot eens, en zei:

“Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?”

“Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens, zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord.”

“De wereld ontginnen”, mompelde Roberts. “De wereld ontginnen. Hier, op hun gezondheid, iemand moet het toch doen—de wereld ontginnen, bedoel ik.”

Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn kaal hoofd.

“Ik heb er mijn deel toe bijgedragen”, zei hij. “Veertig jaar nu al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis.”

“Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet”, tartte Roberts. “Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed.”

Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings