De Heiden.
Willem Leo Leclercq translation
Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij doorgedrongen, want de Petite Jeanne was tamelijk overladen. Behalve de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers—menschen uit de Paoemotoe’s en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.
Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe’s was voorbij, en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers, waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen, één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een poosje rust en plezier in Papeete.
Natuurlijk was de Petite Jeanne overladen. Zij mat maar zeventig ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. ’s Nachts liepen ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek, en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant, waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen bananen opgehangen.
Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den geheelen nacht en den geheelen volgenden dag—een van die glasachtige, gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn te krijgen.
Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren er—pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.
Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren—dat is te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand heeft ooit meer iets van hen gehoord, ’s Morgens liet de kapitein direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.
Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein—Oudouse heette hij, een Franschman—werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog, en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden, geleiachtigen berg van vet.
De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie was mooi—namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon beperkte zich tot één borrel per dag.
Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde, stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien, die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.
Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood, beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden, en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.
Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er levend doorheen kwamen. De andere was de heiden—tenminste zoo hoorde ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.
Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe’s was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen 29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag, gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.
Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend, de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in, bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten zuiden van den Equator, als—en daar zat hem de knoop—als men niet pal in den weg van een wervelstorm ligt.
Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was wat zij dachten, en ik wist het.
Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de Petite Jeanne schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen, de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.
De tweede zee vulde het dek van de Petite Jeanne gelijk met de verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren, schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost, maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam, sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel, als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)—zij moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben—werd tegen hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg schoten ze—vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over de reeling ging en zonk.
De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde, half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.
Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik zeg, hij scheurde ze er af, en ik meen het. Ik vraag niemand het te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.
Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig, zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.
Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken te zamen.
Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving te wagen.
Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht was geweest.
Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse had iets op de Petite Jeanne dat ik nooit eerder had gezien aan boord van een Zuidzee-schoener—een drijfanker. Het was een kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het resultaat was dat de Petite Jeanne met den kop op den wind lag en op het beetje zee dat er stond.
De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het was een afschuwelijke gewaarwoording.
Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens, werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.
Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees, sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen, uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal, op alle mogelijke manieren.
Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden zeewater.
De Petite Jeanne? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt, wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend, hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam, ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de Petite Jeanne in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger, en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken gevoed had.
Het was ongeveer twaalf uur ’s middags toen de Petite Jeanne uit elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik, en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht, en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder, op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten om het bezit van het luik—de Franschman tenminste.
“Païen noir!” hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem den Kanaka schoppen.
Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen, en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp, schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.
“’t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen, jou blank beest!” gilde ik.
De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.
Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O—to—o); ook vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag, had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af geschopt voor zijn moeite.
En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die eenmaal begonnen was. En het was “pas op voor ondiepten” als Otoo eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen; en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.
Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten, beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst, maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.
Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.
Wij waren de eenige overlevenden van de Petite Jeanne. Kapitein Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.
“Het is goed”, zei hij in het Tahiti’sch. “Want wij zijn twee dagen lang kameraden geweest op de lippen van den Dood.”
“Maar de Dood stotterde”, glimlachte ik.
“Het was een dappere daad, meester”, zei hij weer, “en de Dood was niet gemeen genoeg om te spreken.”
“Waarom zeg je toch meester tegen mij?” vroeg ik, een beetje geraakt. “Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd, Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven, en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht, zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou.”
“Ja, meester”, antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van vreugde.
“Daar doe je het weer!” riep ik boos.
“Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?” betoogde hij. “Dat zijn mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het goed, meester?”
Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.
Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging, en het varen op verre reizen er aan zou geven.
“Waar gaat u heen, meester?” vroeg hij, na de eerste begroeting.
Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.
“De heele wereld,” was mijn antwoord,—“de heele wereld, de heele zee, en al de eilanden die in de zee liggen.”
“Ik ga met u mee”, zei hij eenvoudig. “Mijn vrouw is dood.”
Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen, maar in Otoo’s oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering; en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd, niets te doen dat dien trots kon beschamen.
Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder was dan mijn allerbeste.
Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep, verpleegde mij als ik koorts had of gewond was—ja, hij ving wonden voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden—in de Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji’s. En wij handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande schepen.
Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui, handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn huis bereikte.
In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds “thuisbracht”. Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet alleen wat ik deed.
Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten onder de druipende mango’s zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.
Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.
Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden, en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was, mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de eerste boot naar Auckland.
In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman, totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk, mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo er niet geweest was.
Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de Paoemotoe’s. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa—wij waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond—toen mijn kans kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver, ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend: de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens, herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen, maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal, groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak, kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.
Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp in de vier uren die volgden.
Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita, het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon’s. De inlanders waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk; en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan, het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.
Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.
Toen kwam Otoo—Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester, en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar den schoener en verzorgden onze wonden.
Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering, als hij er niet geweest was.
“U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld,” zei hij op een dag. “Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.
“Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor u zou zijn om navigatie te kennen.”
Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando dan ik zelf. Later was het weer:
“De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt beter betaald—de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en zijn rijksdaalders omdraait.”
“Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan heb je nog maar een ouden,” wierp ik tegen. “Ik zou een oud man zijn vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard.”
“Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken”, ging hij door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren op dat oogenblik in de Salomon’s, bezig ivoornoten te laden langs de oostkust van Goeadalcanar.
“De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee mijlen” zei hij. “Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu niets waard. Het volgend jaar—wie weet? of het jaar daarna, zullen er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider, wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt u het land en wordt eigenaar van een schip.”
Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met de graslanden op Goeadalcanar—twintigduizend morgen huurde ik voor negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van de Doncaster was zijn werk—ik kocht het wrak voor honderd pond in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de cacao-onderneming op Oepoloe.
Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De eenige manier om hem terug te betalen was met liefde, en de hemel weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw zeker zijn verderf zijn gewest.
De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.
“Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen—het zijn daar allemaal Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora,” zei hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.
Ik zeg met een van onze schoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.
“Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat de Petite Jeanne gezonken is”, zei hij eindelijk. “Maar als uw hart het begeert zullen wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen, en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel als ik wil—en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten boekhouder op het kantoor.”
Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later was ik gedwongen aanmerkingen te maken.
“Charley”, zei ik, “je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent, een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen.”
“Heb ik nog wat te goed?” vroeg hij angstig.
“Ik zeg je toch, duizenden en duizenden”, antwoordde ik.
Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.
“Het is goed”, zei hij. “Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen cent aan mankeeren.”
“Als er wat aan mankeert”, voegde hij er fel bij, na een pauze, “moet het uit het loon van den boekhouder komen.”
En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe van den Amerikaanschen consul.
Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon’s, waar wij ons wildste werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.
Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten te verzamelen.
Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind, rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.
Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen, in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van den man die bij de kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel, hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.
Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij, en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog tot den schouder.
Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging, toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.
“Zwem naar den schoener, meester!” zei hij. En hij sprak vroolijk, alsof de heele zaak maar een grapje was. “Ik ken de haaien. De haai is mijn broeder.”
Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai, verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.
“De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen,” legde hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen aanval af te slaan.
Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken, maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.
Maar hij bleef bij mij.
“Dag Charley! Ik ben er geweest!” kon ik nog juist hijgen. Ik wist dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen omhoog gooien en zinken zou.
Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:
“Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg beroerd maken!”
Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op mij af te komen.
“Een beetje meer naar links!” riep hij even later. “Er ligt daar een lijn op het water. Naar links, meester, naar links!”
Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een uitroep van boord. Ik keerde mij om en keek rond. Er was geen spoor van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.
“Otoo!” riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde in zijn stem.
Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren, noemde hij mij bij dien naam.
“Dag Otoo!” riep hij.
Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen, waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.
En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van zijn verheven zitplaats iedere mensch ziet vallen, dan zal zeker in zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.