De Vreeselijke Eilanden.
Willem Leo Leclercq translation
Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon’s een onguur zoodje eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk vreeselijk kunnen blijken.
Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren, dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie, in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant, en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt, als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar, dat de inboorlingen van de Salomon’s een woeste bende zijn, met een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst- en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot, dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig, en den pot opeischt.
Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer dan twintig jaren in de Salomon’s geleefd hebben, en die heimwee voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig zijn—en geluk hebben—om lang te blijven leven in de Salomon’s; maar hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week, en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en dan nog iets—de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben; hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.
Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste, dat vertelde hij aan de dames-touristen op de Makembo, hoewel in andere termen; en zij vereerden hem als een held, want het waren dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon’s. Er was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheid geëxploiteerd, en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra, graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid in kapitein Maloe’s pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright’s heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel een flinke, knappe jongen.
Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende hem zijn plan om het leven in de Salomon’s te zien, rood en bloedend, zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.
“Het is zoo eenvoudig”, zei hij. Hij schoof den buitensten loop langs den binnensten. “Daardoor wordt het geladen en gespannen, ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen, acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De grootste dwaas kan er mee omgaan.” Hij liet den houder er weer uit glijden. “U ziet hoe veilig het is.”
Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting van kapitein Maloe’s maag. Kapitein Maloe’s blauwe oogen keken er onafgewend naar.
“Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?” vroeg hij.
“Het is absoluut veilig”, verzekerde Bertie hem. “Ik heb den houder er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu.”
“Een vuurwapen is altijd geladen.”
“Maar dit niet.”
“Houdt u het toch maar in een andere richting.”
De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep en van hem weg.
“Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is”, daagde Bertie uit.
De ander schudde zijn hoofd.
“Dan zal ik het u laten zien.”
Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.
“Wacht u even”, zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. “Mag ik het even zien?”
Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.
“Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?” legde hij uit. “Het was stom van me, dat moet ik zeggen.”
Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed was weggeëbd uit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover op het dek liggen.
“Heusch,” zei hij, ”... heusch.”
“Het is een mooi wapen”, zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool terug.
De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van de Makembo, en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling aan land te zetten. En voor Oegi lag de kits Arla, schipper Hansen. Nu was de Arla een van de vele schepen die kapitein Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van de Arla kwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van Malaita. Daarna zou de Arla hem ontschepen op de Reminge-plantage (ook eigendom van kapitein Maloe), waar Bertie een week zou blijven, om dan over te steken naar Toelagi, den zetel der regeering. Daar zou hij gast zijn van den resident. Kapitein Maloe had nog twee andere voorstellen op zijn geweten, en als die bekend zijn, verdwijnt hij uit deze geschiedenis. Eén was er gericht aan kapitein Hansen, het andere aan mijnheer Harriwell, den administrateur van de Reminge-plantage. Zij waren van gelijken aard, namelijk om mijnheer Bertram Arkwright een idee te geven van de ruwheid en rauwheid van het leven in de Salomon eilanden. Ook, zoo fluistert men, liet kapitein Maloe doorschemeren, dat er een kist Schotsche whisky verbonden zou zijn aan elk bijzonder grootsch idee dat mijnheer Arkwright van dat leven mocht krijgen.
“Ja, Swartz was altijd een veel te groote stijfkop. Ziet u, hij nam vier zwartjes van zijn bemanning mee naar Toelagi om gegeeseld te worden—officieel, begrijpt u—en ging toen met hen terug in de sloep. Het was tamelijk vlagerig, en de boot sloeg om toen ze net buiten waren. Swartz was de eenige die verdronk. Natuurlijk was het een ongeluk.”
“Was het dat heusch?” vroeg Bertie, die maar half luisterde, en hevig zat te staren naar den zwarten man aan het stuurrad.
Ze hadden Oegi achter zich gelaten, en de Arla gleed door een zomersche zee naar de beboschte bergketens van Malaita. De roerganger die zulk een aantrekkingskracht uitoefende op Bertie’s oogen verheugde zich in het bezit van een langen draadnagel, dien hij als een vleeschpen scheef door zijn neus gestoken had. Om zijn hals hing een snoer van broeksknoopen. In verschillende gaten in zijn ooren staken een blik-openmaker, het kapotte handvat van een tandenborstel, een aarden pijp, een koperen tandwieltje van een wekker, en verscheiden hulzen van Winchester-geweerpatronen.
Op zijn borst hing, vastgebonden aan een touwtje om zijn nek, de helft van een porseleinen bord. Een goede veertig ongeveer op dezelfde wijze uitgedoste zwartjes lagen overal verspreid op het dek. Vijftien daarvan vormden de bemanning, de rest waren pas geworven inlandsche koelies.
“Natuurlijk was het een ongeluk”, deed de stuurman van de Arla zich hooren. Hij heette Jacobs, en was een tengere man met donkere oogen, die meer van een professor had dan van een zeeman. “Johnny Bedip heeft bijna hetzelfde ongeluk gehad. Hij bracht er verscheiden terug van een pak slaag toen ze hem lieten omslaan. Maar hij kon even goed zwemmen als zij, en er verdronken er twee van hen. Hij gebruikte een voetenplank en een revolver. Natuurlijk was het een ongeluk.”
“Heel gewoon, die ongelukken,” merkte de schipper op. Ziet u dien man daar aan het roer, mijnheer Arkwright? Dat is een menscheneter. Zes maanden geleden hebben hij en de rest van de bemanning den toenmaligen kapitein van de Arla verdronken. Ze deden het aan dek, mijnheer, hier op het achterschip, bij den overloop van de bezaan.”
“Het dek zag er verschrikkelijk uit”, zei de stuurman.
“Begrijp ik goed—?” begon Bertie.
“Ja, precies”, zei kapitein Hansen. “Hij is bij ongeluk verdronken.”
“Maar aan dek—?”
“Precies. Ik wil u wel vertellen, in vertrouwen natuurlijk, dat ze een bijl gebruikten.”
“Deze bemanning die u nu heeft?”
Kapitein Hansen knikte.
“De andere schipper was altijd veel te onvoorzichtig”, legde de stuurman uit. “Hij draaide zich alleen maar even om, toen zaten ze al boven op hem.”
“We hebben geen schijn van kans hier”, was de klacht van den schipper. “Het gouvernement beschermt altijd de nikkers tegen de blanken. Je kunt niet het eerst schieten. Je moet de nikkers het eerste schot geven, en anders noemt het gouvernement het moord, en je gaat naar Fidzji. Daarom verdrinken er zooveel bij ongeluk.”
Men werd geroepen voor het eten, en Bertie en de schipper gingen naar beneden, den stuurman aan dek latend om de wacht te houden.
“Houd een oogje op dien zwarten duivel, dien Aoeiki”, was de laatste raad van den schipper. “Ik mag zijn tronie al een paar dagen lang niet.”
“All right,” zei de stuurman.
Het diner was al een heel eind gevorderd, en de schipper was midden in zijn verhaal van het buitmaken van de Scottish Chiefs.
“Ja,” zoo vertelde hij, “het was het mooiste schip op de kust. Maar toen ze niet door den wind wou, en nog voordat ze het rif geráákt had, kwamen de kano’s er al op af. Er waren vijf blanken aan boord, en een bemanning van twintig zwartjes van Santa Cruz en Kanaka’s van Samoa, en alleen de ladingmeester is ontsnapt. Bovendien waren er nog zestig inlandsche koelies. Ze zijn allemaal gekai-kaid. Kai-kai?—o, neemt u me niet kwalijk. Ik bedoel, ze werden opgegeten. Dan had je de James Edwards, een keurig-getuigde—.”
Maar op dat oogenblik klonk er een scherpe vloek van den stuurman aan dek en een koor van woeste kreten. Drie keer ging er een revolver af, toen hoorde men een luiden plons. Kapitein Hansen was direct de kajuitstrap op gesprongen, en Bertie’s op avontuur beluste oogen werden even geboeid door een glimp van een blinkenden revolver dien de schipper trok terwijl hij sprong.
Bertie ging omzichtiger naar boven, aarzelend vóór hij zijn hoofd boven de luikopening uitstak. Maar er gebeurde niets. De stuurman trilde van opwinding, zijn revolver in de hand. Eéns schokte hij op, en sprong een halven draai om, alsof er gevaar dreigde in zijn rug.
“Een van de inlanders is overboord gevallen”, zei hij met een vreemde, strakke stem. “Hij kon niet zwemmen.”
“Wie was het?” vroeg de schipper streng.
“Aoeiki”, was het antwoord.
“Maar hoort u eens, ik geloof dat ik heb hooren schieten,” zei Bertie bevend van nieuwsgierigheid, want hij speurde avonturen, en avonturen die gelukkig voorbij waren.
De stuurman stoof op hem af, en snauwde:
“Je liegt, verdomme! D’r is geen schot gelost. De nikker viel overboord.”
Kapitein Hansen keek Bertie aan met starende, glanslooze oogen.
“Ik—ik dacht—” begon Bertie.
“Schoten?” zei kapitein Hansen droomerig. “Schoten? Hebt u soms hooren schieten, mijnheer Jacobs?”
“Geen schot gelost”, antwoordde mijnheer Jacobs.
De schipper keek zijn gast zegevierend aan en zei:
“Blijkbaar een ongeluk. Laten we naar beneden gaan, mijnheer Arkwright, en verder af-eten.”
Bertie sliep dien nacht in de kajuit van den kapitein, een kleine hut naast de groote kajuit. De voorste wand was versierd met een rek geweren. Boven de kooi hingen nog drie geweren. Onder de kooi was een groote lade, die, toen hij ze uittrok, gevuld bleek met ammunitie, dynamiet, en verscheiden doozen slaghoedjes. Hij prefereerde de rustbank aan anderen kant. Op de kleine hangende tafel lag, goed zichtbaar, het journaal van de Arla. Bertie wist niet dat het speciaal voor deze gelegenheid was bewerkt door kapitein Maloe, en hij las er in hoe op 21 September twee leden van de bemanning overboord waren gevallen en verdronken. Bertie las tusschen de regels door, en wist wel beter. Hij las hoe de sloep van de Arla bij Soe-oe was beschoten van uit de bosschen en drie man verloren had; hoe de schipper had ontdekt dat de kok menschenvleesch braadde op de kombuiskachel, vleesch dat door de bemanning gekocht was in Foei; hoe, bij het seinen, een ander matroos was gedood door een toevallige ontploffing van het dynamiet; hij las van nachtelijke aanvallen; havens waaruit men met de noorderzon was weggevlucht; aanvallen door boschbewoners in mangrove-moerassen en door vloten van kustbewoners in de grootere doorvaarten. Een geval dat eentonig dikwijls terugkeerde was overlijden aan dysenterie. Hij merkte met ontzetting dat twee blanken daaraan gestorven waren, gasten op de Arla, zooals hij zelf.
“Zeg, hoort u eens”, zei Bertie den volgenden dag tegen kapitein Hansen. “Ik heb uw journaal eens doorgekeken.”
De schipper bleek hoogst ontstemd dat het journaal was blijven slingeren.
“En al die dysenterie, ziet u, dat is allemaal larie, net als dat bij ongeluk verdrinken,” ging Bertie door. “Wat beteekend dysenterie eigenlijk?”
De schipper toonde onverholen bewondering om de scherpzinnigheid van zijn gast, werd toen stug en ontkende verontwaardigd, maar gaf zich ten slotte gracelijk gewonnen.
“Kijkt u eens hier, mijnheer Arkwright, dat zit’m zoo. De reputatie van deze eilanden is al erg genoeg op zichzelf. Iedere dag wordt het moeilijker om blanken aan te monsteren. Stel dat er iemand vermoord wordt. De maatschappij moet dan zwaar betalen voor een ander die het baantje overneemt. Maar als er iemand gewoon dood gaat aan de een of andere ziekte, och, dan is de zaak in orde. De nieuwelingen geven niet om ziekte. Vermoord worden, daar hebben ze het land aan. Ik dacht dat de schipper van de Arla aan dysenterie gestorven was, toen ik zijn baantje vernam. Toen was het te laat. Ik had het contract geteekend.”
“Bovendien,” zei mijnheer Jacobs, “d’r zijn er over ’t algemeen veel te veel die bij ongeluk verdrinken. Dat lijkt niet pluis. Het is de schuld van het gouvernement. Een blanke krijgt de kans niet om zich tegen de nikkers te verdedigen.”
“Ja, kijk maar eens naar de Princess en dien Yankee stuurman”, nam de schipper het verhaal op. “Het schip voer vijf blanken en nog een gouvernements-agent. De kapitein, de agent, en de ladingmeester waren aan wal in de twee booten. Ze werden tot den laatste toe doodgeslagen. De stuurman en de bootsman met zoowat vijftien matrozen, lui van Tongga en Samoa, waren aan boord. Een troep nikkers kwam er aan, van de wal. Toen de stuurman begon te snappen wat er aan de hand was, waren de bootsman en de matrozen al doodgeslagen, bij den eersten aanval. Hij graaide drie patroongordels en twee Winchesters en smeerde ’m het want in. Hij was de eenige die het geval overleefde, en je zult hem niet laste kunnen leggen dat hij gek was. Hij pompte een geweer tot het zóó warm was dat hij het niet meer kon vasthouden, en toen pompte hij het andere. Het dek was zwart van de nikkers. Hij roeide ze uit. Hij schoot ze neer terwijl ze over de verschansing klommen, en zoo gauw namen ze hun pagaaien niet op of hij had ze te grazen. Toen sprongen ze in het water en probeerden zwemmende hun huid te bergen, en omdat hij razend was deed hij er nog een half dozijn bij. En wat heeft hij ervoor gekregen?”
“Zeven jaar in Fidzji”, beet de stuurman.
“Het gouvernement zei dat hij geen recht had om te schieten toen ze eenmaal in het water waren”, legde de schipper uit.
“En daarom gaan ze tegenwoordig dood aan dysenterie”, voegde de stuurman er bij.
“Stel je voor”, zei Bertie, en hij werd zich bewust van een verlangen naar het einde van den tocht.
Later op den dag ondervroeg hij den zwarte die hem aangewezen was als een menscheneter. Deze mijnheer heette Soemasai. Hij had drie jaar doorgebracht op een plantage in Queensland. Hij was geweest in Samoa, en Fidzji, en Sydney; en als matroos had hij gevaren op wervingsschoeners door heel Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, Nieuw-Guinea, en de Admiraliteits-eilanden. Ook was hij een guit, en hij had een voorbeeld genomen aan het gedrag van zijn schipper. O ja, hij had heel wat menschen opgegeten. Hoeveel? Hij kon het niet zeggen. Ja, ook blanken; ze smaakten uitstekend, behalve als ze ziek waren. Hij had één keer een zieken opgegeten.
“Mijn woord!” riep hij uit bij die herinnering. “Mij ziek veel bij hem. Mij buik loop rond te veel.”
Bertie rilde, en vroeg inlichtingen over hoofden. Ja, Soemasai had er verscheiden, verstopt aan de wal, in uitstekenden staat, in de zon gedroogd, en boven het vuur gerookt. Eén was er van den kapitein van een schoener. Het had lange bakkebaarden. Hij wilde het verkoopen voor twee pond. Hoofden van zwarten wou hij voor één pond verkoopen. Hij had ook nog wel een paar kinderhoofden, maar die waren niet goed geconserveerd, en hij wilde ze hem overlaten voor tien shilling.
Vijftien minuten later merkte Bertie dat hij op het luik van de kajuitstrap zat langszij van een zwartje met een vreeselijke huidziekte. Hij vloog weg, en op zijn vraag vernam hij dat het melaatschheid was. Hij haastte zich naar beneden, en waschte zich met antiseptische zeep. Hij waschte zich dikwijls antiseptisch in den loop van dien dag, want iedere inlander aan boord was lijdende aan het een of ander kwaadaardig gezwel.
Toen de Arla voor anker kwam te midden van mangrove-moerassen was er boven de verschansing een dubbele versperring van prikkeldraad gespannen die om het heele schip liep. Dat leek alsof het meenens zou worden, en toen Bertie de kano’s van den wal langszij zag komen, bewapend met speren, bogen, pijlen en Sniders verlangde hij serieuzer dan ooit naar het eind van de reis.
Dien avond bleven de inlanders lang treuzelen vóórdat ze het schip verlieten. Enkelen van hen jouwden den stuurman uit toen hij hen beval aan land te gaan.
“Hindert niet, ik zal ze wel,” zei kapitein Hansen, naar beneden duikend.
Toen hij terug kwam liet hij Bertie een staaf dynamiet zien met een vischhaak er aan. Nu kan een leege chlorodyne-flesch die in een papier is gewikkeld en waar een onschadelijke lont uitsteekt iedereen misleiden. Het misleidde Bertie en het misleidde de inlanders. Toen kapitein Hansen de lont aanstak en den vischhaak in den lendendoek van een van de inlanders sloeg, werd die inlander overvallen door een zóó hevig verlangen naar het vaste land, dat hij vergat zijn lendendoek te laten afglijden. Hij vloog naar voren. De lont knetterde en siste achter hem aan, en bij iederen sprong dien hij maakte namen de nikkers bij dozijnen hun duik over het prikkeldraad. Bertie stond verlamd van schrik. Kapitein Hansen ook. Hij had niet gedacht aan zijn vijfentwintig koelies voor ieder waarvan hij dertig shilling vooruit betaald had. Ze sprongen samen met de bewoners van het eiland overboord, gevolg door den man die de sissende chlorodyne-flesch achter zich aan sleepte.
Bertie zag de flesch niet springen; maar de stuurman liet op het juiste moment een staaf echt dynamiet ontploffen, op het achterschip, waar het niemand kwaad kon doen; en Bertie zou in ieder Admiraliteits-Hof gezworen hebben dat er een nikker aan flarden gevlogen was.
De vlucht van de vijfentwintig koelies had de Arla veertig pond gekost, en aangezien ze hun heil in de bosschen hadden gezocht, was er geen hoop meer om hen nog terug te krijgen. De schipper en zijn stuurman wisten niet beter te doen dan hun verdriet verdrinken in koude thee. De koude thee was in whisky-flesschen, en Bertie wist niet, dat wat ze opdweilden maar koude thee was. Alles wat hij wist was, dat de twee mannen erg dronken raakten en welsprekende en lang-uitgesponnen debatten hielden over de kwestie of de ontplofte nikker gerapporteerd zou worden als bij ongeluk verdronken of als een geval van dysenterie. Toen ze eindelijk snorkend in slaap vielen, was hij de eenige blanke aan boord die nog tot iets in staat was, en hij hield een ijselijke wacht tot de morgenschemering, in angst en vreeze voor een aanval van de wal of een oproer van de bemanning.
Nog drie dagen bracht de Arla door op de kust, en nog drie avonden dronken de scheeps-officieren overvloedig koude thee, terwijl ze Bertie de wacht lieten houden. Zij wisten dat ze op hem konden rekenen, en hij zelf wist even zeker dat hij, als hij nog leefde, hun liederlijk gedrag aan kapitein Maloe zou rapporteeren. Daarna liet de Arla het anker vallen voor de Reminge-plantage, op Goeadalcanar, en Bertie stapte met een zucht van verlichting op het strand, waar hij werd verwelkomd door den administrateur. Mijnheer Harriwell was klaar voor hem.
“Nu moet u niet schrikken als er een paar van ons een beetje neerslachtig lijken”, zei mijnheer Harriwell, hem even in vertrouwen apart nemend. “Er wordt gepraat over een uitbarsting, en ik geef toe dat er een paar verdachte teekenen zijn, maar voor mezelf geloof ik dat het allemaal poppenkast is.”
“Hoe—hoeveel zwarten hebt u hier op de plantage?” vroeg Bertie, en alle moed ontzonk hem.
“Op het oogenblik werken we met vierhonderd man”, antwoordde mijnheer Harriwell opgewekt; “maar we zijn hier met z’n drieën, en met u, natuurlijk, en den schipper en den stuurman van de Arla kunnen we ze gemakkelijk hanteeren.”
Bertie draaide zich om om kennis te maken met een zekeren McTavish, den magazijnmeester, die nauwelijks notitie van hem nam, zóó verlangend was hij om zijn ontslag in te dienen.
“Omdat ik een getrouwd man ben, mijnheer Harriwell, kan ik me eigenlijk niet permitteeren nog langer te blijven. Er broeit iets, zoo zeker als er een neus op uw gezicht staat. De nikkers staan op springen, en dan krijgen we hier nieuwe Hohono gruwelen.”
“Wat zijn Hohono gruwelen?” vroeg Bertie, nadat de magazijnmeester overreed was om nog tot het eind van de maand te blijven.
“O, hij bedoelt de Hohono-plantage, op Isabella”, zei de administrateur. “De nikkers hebben daar de vijf blanken vermoord, den schoener buit gemaakt, kapitein en stuurman doodgeslagen, en zijn toen met z’n allen ontsnapt naar Malaita. Maar ik heb altijd gezegd dat ze op Hohono niet voorzichtig waren. Hier zullen ze ons niet in den dut vinden, dat verzeker ik u. Komt u even mee, mijnheer Arkwright dan kunt u het mooie uitzicht vanaf onze veranda eens zien.”
Bertie was te druk bezig met overleggen hoe hij weg zou komen naar Toelagi, naar het huis van den resident om veel van het panorama te zien. Hij overlegde nog steeds, toen er vlak bij hem, in zijn rug, een geweer knalde. Op hetzelfde oogenblik werd zijn arm bijna uit het lid gerukt, zoo heftig trok mijnheer Harriwell hem naar binnen.
“Zeg, oude jongen, dat scheelde een haartje”, zei de administrateur, en hij betastte hem overal om te zien, of hij ook getroffen was. “Ik kan je niet zeggen hoe me dat spijt. Maar het was klaarlichte dag, en ik dacht er zelfs niet aan.”
Bertie begon bleek te worden.
“Op die manier hebben ze den vorigen administrateur ook gekregen”, betuigde McTavish. “En een allemachtige flinke kerel was dat. Zijn hersens vlogen over de heele veranda. Hebt u die donkere vlek niet gezien daar, tusschen de trappen en de deur?”
Bertie was rijp voor den cocktail die mijnheer Harriwell voorstelde en voor hem klaar maakte; maar vóórdat hij er nog van kon drinken, kwam er een man in rijbroek met puttees binnen.
“Wat zal’t nu weer zijn”, vroeg de administrateur na een blik op het gezicht van den nieuwen acteur in de komedie. “Is de rivier weer gestegen?”
“Verrek met je rivier—’t zijn de nikkers. Stapte pardoes uit het bamboe, geen tien voet van me af, en pafte op me. Het was een Snider, en hij schoot vanaf de heup. Nu wou ik wel eens weten waar hij dien Snider vandaan heeft gehaald. O, neemt u me niet kwalijk. Aangenaam, mijnheer Arkwright.”
“Mijnheer Brown is mijn assistent”, legde mijnheer Harriwell uit. “En laten we nu die cocktail nemen.”
“Maar waar heeft hij dien Snider vandaan?” hield mijnheer Brown aan. “Ik heb er altijd tegen gesputterd dat die geweren op het erf bewaard werden.”
“Ze zijn er nog altijd”, zei mijnheer Harriwell, een beetje geraakt.
Mijnheer Brown glimlachte ongeloovig.
“Ga mee kijken”, zei de administrateur.
Bertie sloot zich aan bij den optocht die naar het kantoortje ging, alwaar mijnheer Harriwell zegevierend wees naar een groote pakkist in een stoffigen hoek.
“Goed, maar waar haalt de kerel dan dien Snider vandaan?” zaagde mijnheer Brown.
Maar op dat oogenblik lichtte McTavish de kist op. De administrateur schrok, rukte toen het deksel er af. De kist was leeg. Ze staarden elkaar aan in een vreeselijk zwijgen. Harriwell liet vermoeid zijn hoofd hangen.
Toen begon McTavish te vloeken.
“Wat ik altijd beweerd heb, de huisjongens zijn niet te vertrouwen.”
“Ik moet zeggen, het ziet er ernstig uit,” gaf Harriwell toe, “maar we zullen er wel door heen komen. De bloeddorstige heeren moeten eens door elkaar gerammeld worden, dat hebben ze noodig. Wilt u misschien zoo goed zijn, heeren, en uw geweren meebrengen aan tafel, en wilt u, mijnheer Brown, misschien een veertig of vijftig staven dynamiet klaar maken? Maak de lonten goed kort. We zullen ze een lesje geven. En nu, heeren, het diner is klaar.”
Er was één ding dat Bertie verfoeide, en dat was rijst met kerrie, dus zoo gebeurde het dat hij alleen deel had aan een verleidelijke omelet. Hij had zijn bord heelemaal leeg, toen Harriwell zich van de omelet bediende. Eén mondvol proefde hij, toen spuwde hij het uit met veel misbaar.
“Dat is de tweede keer”, verkondigde McTavish onheilspellend. Harriwell zat nog steeds te rochelen en te spuwen.
“Tweede keer wat?” bibberde Bertie.
“Vergif”, was het antwoord. “Die kok zal nog eens opgehangen worden.”
“Op die manier is de boekhouder op Cape Marsh er tusschen uit getrokken,” deed Brown zich hooren. “Een vreeselijken dood gestorven. Aan boord van de Jessie zeiden ze dat ze hem drie mijlen ver hadden hooren schreeuwen.”
“Ik zal den kok in de boeien laten slaan”, proestte Harriwell. “Gelukkig dat we het op tijd ontdekt hebben.”
Bertie zat daar als verlamd. Er was geen kleur in zijn gezicht. Hij trachtte te spreken, maar het resultaat was slechts een onduidelijk gorgelen. Allen keken hem angstig aan.
“Zeg het niet, kerel, zeg het niet!” schreeuwde McTavish, in hevige spanning.
“Ja, ik heb er van gegeten, een heele boel, een heel bord vol!” barstte Bertie uit, en hij haalde ineens weer diep adem, als een duiker die boven water komt.
Het afschuwelijk zwijgen duurde een oogenblik voort, en hij las zijn noodlot in hun oogen.
“Misschien was het toch geen vergif, après tout,” zei Harriwell somber.
“Roep den kok”, zei Brown.
Binnen trad de kok, een grijnzend zwartje, met pennen door zijn neus en gaten in zijn ooren.
“Hier, jij, Wi-wi, wat naam dat?” loeide Harriwell, en hij wees beschuldigend naar de omelet. De angst en de wanhoop van Wi-wi waren bijzonder natuurlijk.
“Hem goed kai-kai”, mompelde hij afwerend.
“Laat het hem opeten”, stelde McTavish voor. “Dat is het beste bewijs.”
Harriwell vulde een lepel met het goedje en sprong naar den kok, die doodelijk verschrikt wegvluchtte.
“Dat beslist alles”, was Brown’s plechtige uitspraak. “Hij wil het niet eten.”
“Mijnheer Brown wilt u hem misschien even in de boeien slaan?” Harriwell wendde zich opgewekt tot Bertie. “Het is in orde, oude jongen, hij zal met den resident te doen krijgen, en als jij dood gaat, zal hij hangen, hoor, daar kan je van op aan.”
“Ik geloof niet dat het gouvernement dat doen zal”, wierp McTavish tegen.
“Maar heeren, heeren toch!” riep Bertie. “Denk ondertusschen eens aan mij.”
Harriwell haalde medelijdend zijn schouders op.
“Spijt me, beste kerel, maar het is een inlandsen vergif, en daar is geen tegengif voor bekend. Tracht je er in te schikken, en als—”
Twee geweerschoten van buiten onderbraken het gesprek, en Brown kwam binnen, laadde zijn geweer opnieuw, en ging aan tafel zitten.
“De kok is dood”, zei hij. “Koorts. Tamelijk plotselinge aanval.”
“Ik was juist bezig mijnheer Arkwright te vertellen dat er voor inlandsche vergiften geen tegengif bestaat—”
“Behalve jenever”, zei Brown.
Harriwell schold zich uit voor een imbecielen idioot en rende weg om de jeneverflesch te halen.
“Puur, man, puur”, raadde hij Bertie, die een groot glas voor twee derden gevuld met het bijtend goedje onvermengd naar binnen slokte, en zat te hoesten en te kuchen tot de tranen hem langs de wangen liepen.
Harriwell voelde zijn pols en nam zijn temperatuur op, en twijfelde weer of de omelet wel vergiftigd was geweest. Brown en McTavish twijfelden ook, maar Bertie onderscheidde een onoprechten klank in hun stemmen. Zijn eetlust was weg, en hij voelde stilletjes zijn pols onder de tafel. Het viel niet te ontkennen, dat die sneller werd, maar hij dacht er niet aan dat toe te schrijven aan den jenever dien hij gedronken had. McTavish, geweer in de hand, ging naar buiten om eens poolshoogte te nemen.
“Ze komen in troepen bij elkaar bij de keuken”, was zijn verslag. “En ze hebben bende’s Sniders. Mijn idee is er om heen te trekken en ze van den anderen kant in de flank aan te vallen. Den eersten klap geven, zie je. Ga je mee, Brown?”
Harriwell at rustig door, terwijl Bertie ontdekte dat zijn pols vijf slagen toegenomen was. Niettemin sprong hij tegen wil en dank overeind toen de geweren begonnen te knallen. Boven de zware ontploffingen der Sniders uit hoorde men het scherpe knetteren van de Winchesters van Brown en McTavish, alles tegen een achtergrond van demonisch gegil en gekrijsch.
“Ze hebben ze op den loop”, merkte Harriwell op, toen stemmen en geweerschoten wegstierven in de verte.
Nauwelijks waren Brown en McTavish terug aan tafel, toen de laatste weer even poolshoogte ging nemen.
“Ze hebben dynamiet”, zei hij.
“Laten we ze dan ook met dynamiet bestoken”, stelde Harriwell voor.
Ze staken elk een half dozijn staven in hun zakken, rustten zich uit met brandende sigaren, en liepen naar de deur. En juist op dat oogenblik gebeurde het. Ze gaven McTavish er later de schuld van, en hij gaf toe dat de lading wel wat sterk was geweest. Maar in ieder geval ontplofte het onder het huis, dat schuin omhoog werd gelicht, en weer terugviel op zijn fundamenten. De helft van het porselein op de tafel brak, en de achtdaagsche klok bleef stilstaan. Gillend om wraak renden de drie mannen naar buiten, den nacht in, en het bombardement begon.
Toen ze terugkwamen was er geen Bertie meer. Hij had zich weggesleept naar het kantoortje, zich daar verschanst en gebarricadeerd, en was toen neergezonken op den vloer in een van jenever doordrenkte nachtmerrie, waarin hij duizend dooden stierf terwijl de wakkere strijd rondom hem verder gevoerd werd. In den morgen, beroerd en katterig van den jenever, kroop hij naar buiten, waar hij de zon nog in de lucht vond en God naar alle waarschijnlijkheid in den hemel, want zijn gastheeren leefden nog en waren ongedeerd.
Harriwell drong er op aan dat hij nog wat zou blijven, maar Bertie stond er op onmiddelijk met de Arla weg te zeilen naar Toelagi, waar hij heel dicht in de buurt van het huis van den resident bleef, totdat de volgende boot kwam. Er waren dames-touristen op het stoomschip, en Bertie was weer een held, terwijl kapitein Maloe, zooals gewoonlijk onopgemerkt bleef. Maar kapitein Maloe stuurde twee kisten met de beste Schotsche whisky die er aan de markt was, want hij was niet in staat uit te maken, wie Bertie het meest grootsche idee van het leven in de Salomon’s had gegeven kapitein Hansen of mijnheer Harriwell.