Tweede Bedrijf.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Eerste Tooneel.
Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.
De Prinses van Frankrijk, Rosaline, Maria, Catharina, Boyet, Edellieden en verder Gevolg komen op.
Boyet.
Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;
Denk, wie uw koninklijke vader zendt,
Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,
Uzelf, in ’s werelds oog een rijk juweel,
Ten mondgesprek met de’ een’gen erfgenaam
Van al wat ooit een man ten sieraad strekte,
Navarra’s roem; en dit voor niets geringers,
Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.
Wees met uw zeldzaam schoone gratie mild
Zooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,
Toen zij der gansche wereld die onthield,
Om in haar mildheid alles u te schenken.
Prinses.
Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering, 13
Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;
Naar ’t oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,
Niet naar de opvijz’ling van eens koopmans tong.
Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,
Dan gij naar roem verlangend om ’t vernuft,
Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.
Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!—
Gij weet, hoe ’t alles meldende gerucht
Verbreidde, dat Navarre heeft gezworen,
Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,
Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;
En daarom komt het ons noodzakelijk voor,
Aleer we aan zijn verboden drempel treden,
Te weten, wat hij wil; en daartoe lezen
Wij, zeker van uw kloeken geest, u uit,
Als onzen best betrouwb’ren pleitbezorger.
Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochter
Ter wille van een zaak, die spoed vereischt,
Met zijn genade een mondgesprek verlangt.
IJl, meld dit; ondertusschen wachten wij
Zijn wil als arme smeekelingen af.
Boyet.
Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv’rig heen.
Prinses.
Juist; ijver is aan allen trots gemeen.
(Boyet af.)
Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenooten
Des wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?
Eerste Edelman.
’k Weet Longaville er van.
Prinses.
’k Weet Longaville er van. Kent gij dien man?
Maria.
Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeest
In Normandië, toen graaf Périgord
Met de erfgenaam van Jacques Falconbridge
In de’ echt trad, zag ik dezen Longaville.
Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,
In kennis rijk, met wapenroem gesierd,
Welslagend steeds in wat hij ernstig wil. 46
Ja, de een’ge vlek op zijner deugden glans,—
Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,—
Is scherp vernuft bij al te plompen wil.
Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wil
Wil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.
Prinses.
Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?
Maria.
Zijn vrienden zeggen ’t; juist is uw besluit.
Prinses.
Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.—
En wie zijn de and’ren?
Catharina.
Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,
Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;
Met macht, maar zonder ’t hart, om kwaad te stichten,
Met geest, die ook ’t onschoone schoon zou maken,
Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.
Ik zag hem eens bij hertog Alençon,
En veel te zwak, bij ’t goede dat ik zag,
Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.
Rosaline.
Nog één van deze wijsheidzoekers was
Daar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,
Heet hij Biron; met opgeruimder man,—
Wiens blijheid toch aldoor betaam’lijk blijft,—
Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.
Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,
Want ieder voorwerp, dat het eene treft,
Weet de and’re tot een blijde scherts te maken,
Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,
In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,
Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,
En jonger hoorders ras zijn meegesleept;
Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.
Prinses.
God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,
Dat elk van u haar liev’ling heeft gesierd
Met zulk een rijken schat van eer en lof?
Eerste Edelman.
Daar komt Boyet.
(Boyet komt terug.)
Prinses.
Daar komt Boyet. Nu, heer, hoe is de ontvangst?
Boyet.
Navarre wist reeds van uw lieflijk naad’ren;
En stond juist, hooge meesteres, gereed
Om met zijn eedgenooten u te ontmoeten,
Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:
Hij laat u eer in ’t open veld kampeeren,
Alsof gij hier zijn hof beleeg’ren kwaamt,
Dan hij de strengheid van zijn eed ontduikt
En u zijn eenzaam hof betreden laat.
Daar komt Navarre. 89
(De Dames doen haar maskers voor.)
(De Koning, Longaville, Dumaine en Biron komen op, met Gevolg.)
Koning.
Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!
Prinses.
Het “schoon” geef ik u terug, en het “welkom” heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.
Koning.
Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.
Prinses.
Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!
Koning.
Ach, schoone jonkvrouw, ’k heb een eed gezworen,—
Prinses.
Help, heil’ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!
Koning.
Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.
Prinses.
Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.
Koning.
Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.
Prinses.
Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;
Want dat gij ’t weet, bewijst onwetendheid.
Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;
Doodzonde, heer, is ’t houden van dien eed;
En zonde ook is het, hem te breken.—Maar
Vergeef mij, ’k ben hier onberaden driest;
Het past mij niet, een leeraar les te geven.
Gelief het doel van mijne komst te lezen,
En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.
(Zij overhandigt een geschrift.)
Koning.
Is ’t moog’lijk, ja; wees hiervan overreed.
Prinses.
’k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,
Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.
Biron.
Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Rosaline.
Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
Biron.
Ik weet, het is zoo.
Rosaline.
Ik weet, het is zoo. Hoe onnoodig dan
Mij dit te vragen!
Biron.
Mij dit te vragen! Dat is doorgedraafd!
Rosaline.
Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.
Biron.
Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.
Rosaline.
Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot. 121
Biron.
Hoe laat is ’t wel?
Rosaline.
Hoe laat is ’t wel? Het uur, dat dwazen vragen.
Biron.
Moog’ heil uw masker dagen!
Rosaline.
En mijn gelaat beschijnen!
Biron.
Heb minnaars bij dozijnen!
Rosaline.
En beet’re, dan gij zijt.
Biron.
Ik ga; ’t is meer dan tijd.
Koning.
Prinses, uw vader spreekt in zijnen brief
Van ’t afdoen van een honderdduizend kronen,
Wat echter slechts de helft is van de som,
Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.
Doch stel, dat hem of ons,—wat niet gebeurde,—
Die som betaald was, dan bleef de and’re helft
Toch onbetaald, waarvoor aan ons als pand
Een deel van Aquitanië is afgestaan,
Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.
Indien uw koninklijke vader ons
Die onbetaalde helft nu afdoen wil,
Dan staan wij gaarne ’t onderpand weer af
En blijven zijner hoogheid goede vriend.
Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,
Want hij verlangt hier de terugbetaling
Van honderdduizend kronen, en vraagt niet,
Na kwijting van een honderdduizend kronen,
’t Bezit van Aquitanië weer terug,
Wat wij veel liever hem weer zouden afstaan
Mits ons ’t geleende geld wierd uitbetaald,
Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.
Prinses, waar’ zijne vord’ring niet veel grooter
Dan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hart
Toegeef’lijker doen zijn dan billijk waar’,
Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.
Prinses.
Gij doet den koning mijnen vader onrecht,
En onrecht aan uw eigen goeden naam,
Zoo gij aldus de ontvangst te looch’nen schijnt,
Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.
Koning.
Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;
Bewijs dit, en ik zal voldoen, of sta
U Aquitanië af.
Prinses.
U Aquitanië af. Een man een woord.
Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggen
Voor deze som, van hen, die volmacht hadden
Van Karel zijnen vader.
Koning.
Van Karel zijnen vader. Goed, vertoon dit.
Boyet.
Verschoon, ’t pakket is nog niet aangekomen
Met dit en andere overtuigingsstukken; 165
Doch morgen zult gij inzage er van hebben.
Koning.
Dit zal voldoende zijn, en dan zal ik
Toegeven, wat ik kan in reed’lijkheid.
Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,
Als eere, zonder eerebreuk te plegen,
Aan uw hooge waarde bieden kan.
Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;
Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,
Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,
Al moet ik in mijn huis u herberg weig’ren.
Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;
Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.
Prinses.
Verzell’ steeds heil en welzijn uwe schreden!
Koning.
’k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!
(De Koning met zijn Gevolg af.)
Biron.
Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.
Rosaline.
Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.
Biron.
Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.
Rosaline.
Is ’t arme ding dan krank?
Biron.
Mijn hart is hard ziek.
Rosaline.
Onttap het dan wat bloed.
Biron.
Gij denkt dus, dit waar’ goed?
Rosaline.
O, dan is ’t dra gezond.
Biron.
Zoo prikke uw oog de wond.
Rosaline.
Neen, ’k wil mijn mes u geven.
Biron.
Nu, God behoede uw leven!
Rosaline.
En ’t uwe, voor hooge jaren!
Biron.
Nu kan ik mijn dank wel sparen.
(Hij treedt ter zijde.)
Dumaine
(tot Boyet). Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?
Boyet.
Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.
Dumaine.
Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!
(Dumaine af.)
Longaville.
Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?
Boyet.
Een meisje, heer, zoo gij in ’t licht haar gadeslaat.
Longaville.
In ’t donker wellicht ook. Haar naam is ’t, dien ik vraag.
Boyet.
Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag. 200
Longaville.
Wiens dochter is zij, meende ik.
Boyet.
Ik meen wel, van haar moeder.
Longaville.
Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!
Boyet.
Bedaard, heer, niet verstoord!
Zij is een Falconbridge.
Longaville.
’t Is over, op mijn woord.
Ze is lieflijk, zoo maagd’lijk!
Boyet.
Op mijn eer, ze is behaag’lijk.
(Longaville af.)
Biron.
Wie is die met den hoed?
Boyet.
Catharina, geen bloed.
Biron.
En heeft ze al een man?
Boyet.
Ze is zoo mans, als ’t maar kan.
Biron.
’k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!
Boyet.
De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.
(Biron af.—De dames ontmaskeren zich.)
Maria.
Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;
Elk woord met hem is een scherts.
Boyet.
Elk woord met hem is een scherts. En elke scherts maar een woord.
Prinses.
Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op ’t woord.
Boyet.
Zoo graag hij ent’ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.
Maria.
Twee vurige schapen!
Boyet.
Neen, schepen zijn we eer beide’;
Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.
Maria.
Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.
Boyet.
Als gij mij vergunt te grazen.
(Hij wil haar kussen.)
Maria.
Als gij mij vergunt te grazen. Neen, neen, mijn teeder beest!
Mijn mond? ’t is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.
Boyet.
Aan wien behoort het veld dan?
Maria.
Aan wien behoort het veld dan? Aan mijn geluk en mij.
Prinses.
Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.
Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgild
Die roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild. 227
Boyet.
Indien mijn scherpe blik,—die zelden valsch besluit,—
Op ’s harten stomme taal, die zich in de oogen uit,
Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.
Prinses.
Hoe zoo?
Boyet.
Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.
Prinses.
En uwe reed’nen?
Boyet.
Zijn doen en gebaren, ’t was al naar zijn oogen,
Als burg, waar ’t verlangend door uitkeek, getogen;
Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,
Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;
Zijn tong, wie ’t verdroot niet te zien, slechts te spreken.
Drong stromp’lend om zich in zijn oog te versteken;
Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;
De schoonste der schoonen te zien was hun streven.
Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,
Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;
Zij toonden hunnen gloed, door ’t schitt’rend glas omringd,
En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.
Zijn gelaat had als randschrift bewond’ring uitgedrukt;
En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.
Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,
Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.
Prinses.
Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.
Boyet.
Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.
Hij spot niet—ik zweer het—maar maakt van zijn oog
Een mond met een tong, die nooit iemand beloog.
Rosaline.
Hij is een oude kopp’laar, die nooit niet bedroog.
Maria.
Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw’lijk.
Rosaline.
Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw’lijk.
Boyet.
Zottinnen, hoort gij?
Maria.
Zottinnen, hoort gij? Neen.
Boyet.
Zottinnen, hoort gij? Neen. En ziet gij ook niets meer?
Rosaline.
O ja, ons pad naar huis.
Boyet.
O ja, ons pad naar huis. Gij plaagt mij al te zeer.
(Allen af.)