← Table of contents
Varens en mos

BUWEKLOOSTER

Reading edition

Stil plekje aarde is ’t, onder ’t ruischen, Van der Olmen bladrenpracht, Zwevend langs de kloostergracht, Niet om spitsboog meer of kruisen— Toch is ’t, of zich daar nog breidt, Iets, van kloostereenzaamheid.

Als bij lieflijke avondstonden,— ’t West met zachter stralend goud, Op die plek zijn Schoon ontvouwt, Over hoog gelegen gronden Strijkend, rakelings voorbij, ’t Huisje in laagte en boompartij;

En langs Eiken en Kastanje, Bij des avonds eenzaamheid Zich door ’t looverdak verspreidt, Af, op ’t bloemhout, licht als franje, Naar, van over pad en dreef— Wat van Buwe’s klooster bleef;

Is ’t of ze aanstonds wederkomen, Allen, van de Nonnenschaar, Door de loofbooggangen daar, Ruischend in hun wakend droomen, Nu, ’t daar gloeit, als ’t kaarslicht, hel, Op ’t altaar, eens der Kapel.

’t Is, of zij nog, als voor dezen, Buigen, voor ’t Madonnabeeld; Waar ’t Zuid juist het loof verdeelt, Uit hun graf nu opgerezen— Als een plotsling visioen— Vorm aannemend, van het groen.

’t Is of de Echo van ’t verleden, ’s Kerkhofsklokstem daar nog is, Die de Nonnen en Abdis, Ten gebed roept, op dit heden. Van zijn eenzaam Kerkhof uit. Nu ’t in Buweklooster luidt,

Wand’lend naar de Kerk van ’t Klooster:— «Heilige Maria’s Graf»— ’t Uitgetreden voetpad af.— Reeds eene andre schimtne poost er; Blijft, wat heenga, of verga, Die, des Stichters Harkema.

„’t Ave Maria” klinkt sedert Eeuwen, niet meer te avondstond, Over Buwe’s kloostergrond. Toch is ’t mij, als klonk daar weder ’t. Nu er Zesuur’s avondklok, De aandacht, als het rustuur trok.

En het vroom gezang der Nonnen, In hun zoo eentonig grijs, Op een Palestrina’s wijs Zwijgt. Maar sedert lang begonnen, Liedren van de woudkoorschaar. Hunne Lentehymnen daar.

’t Is hier thans een woudidylle; Eene wereld op zich zelf; Slapende onder ’t bladgewelf ’t Klooster, dat hier ging ter ziele; Waar geen beeld der Moedermaagd, Der geloov’gen groet meer vraagt.

Bleef zelfs van de kloostermuren, Den Mariadienst gewijd, Niet een brokstuk tot deez’ tijd: Van meer nuchtere naturen Een, bij zijnen kleinen kring, Leeft daar in bespiegeling.

Daar, waar eens de zusters samen, Preev’lend bij hun rozekrans, In den matten kaarsenglans, Reeds bij nacht ter vroegmis kwamen— Peilt den versten hemelzoom, Thans de Landman—Astronoom.[1]

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings