Abraham’s Offerande
Reading edition
«Ja ’t is uw wil o Vader! Ofschoon me in hart en ader, Bij die gedachte ’t bloed verstijft... Mijn eenig kind zal ’k geven, Hoe ook mijn hand moog’ beven, Die ’t staal straks door zijne ad’ren drijft.»
«Volg mij gij mijn geliefde,» Spreekt Abraham.—Al kliefde, Reeds ’t mes zijn eigen hart;— Al moest dat hart ook breken, Toch tracht hij kalm te spreken, In de overmaat van smart.
«Maar wat zal ’t offer wezen?» Is eensklaps opgerezen, In ’t kinderlijk gemoed; «God zelf zal ’t offer geven,» Spreekt Abraham met beven, «Het heden te offren bloed.»
O! zwijgend gaat hij verder, Hij! de getrouwe herder, Met het geliefde schaap; Tot, waar God, den getrouwe, Zegt, dat hij ’t altaar bouwe, Om ’t offeren den knaap.
«’t Is Vaders welbehagen,» Zoo moog zijn harte klagen, In matelooze rouw: «Zijn wil zal zegepralen, En mijn geloof niet falen: Ik weet op Wien ik bouw.»
Daar zal zijn hand zich heffen, Om ’t dierbre Kind te treffen; O God! slechts ééne slag... En dan o! hartverscheurend.... ’t Is God, hem waardig keurend Zijn vriend, Die ’t eischen mag.
Als met gebroken oogen, Staat over ’t kind gebogen, De Vader Abraham; Nog Vader slechts een wijle... «O God! en dan, dan ijle, De wanhoop toe, om ’t schuld’loos lam.»
Daar ligt het zoo aanvallig, Door onschuld zoo lieftallig, Des vaders eenig Kind; Dat Kind zal hij vermoorden.... «Is ’t waarheid dan, die woorden, Alsof in leed, God wellust vindt?»
«En toch ’t is waarheid, waarheid; ’t Zijn woorden, zoo vol klaarheid; Zoo zal, zoo moge het dan zijn;» Een laatste blik vóór ’t scheiden... «Treedt God niet tusschenbeiden, Zoo zijt gij Dierb’re niet meer mijn...»
«Vaarwel!» met biddende oogen,— Het slachtmes uitgetogen,— Heft zich de hand omhoog! Daar, daar, daar valt het neder.... «Terug! gij hand, keer weder, Die zich tot slaan bewoog!»....
«Terug!» dus roept almachtig, Daar eensklaps ernstig, krachtig, Een stem van ’s Hemels trans. «Terug, terug! Ik reken, Uw groot geloof gebleken, En uw vertrouwen thans!»
O! zalig treedt de Vader, Zijn dierbren Liev’ling nader, Die nog op ’t altaar ligt.... Bedwelmd door diepe ontroering, Van dankbare vervoering, Heeft hij zijn Izaak opgericht.
Verplet stort hij in de armen Van ’t Kind. «God! welk erbarmen,» Uit zijn verrukt gemoed.... Een betere offerande, Toont hem de boschwarande, Om te offeren dat bloed.—
Dat is geloofsvertrouwen! Dat zonder ook te aanschouwen, God dienen naar ’t bevel.— ’t Gebod moog’ duister schijnen: De Vader kent de Zijnen, Al wat Hij eischt, is wel.—