Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH.
Reading edition
20 SEPTEMBER 1862–10 MEI 1914.
„Van strak gespannen snaren!” Zóó zou naar den wensch van mijnen hooggeschatten, lieven, vaderlijken vriend, bij afzonderlijke uitgave, de titel luiden van zijne brieven, toegezonden aan de „Geref. Kerkbode van Leiden en omstreken” en bestemd voor de gemeente, die hij zooveel jaren had gediend en waaraan hij zoo nauw was verbonden.
Naar den vorm literarisch schoon, naar den inhoud veelzeggend!
Deze titel doet ons denken aan een muziekinstrument, welks snaren worden gewonden tot de hoogste spankracht voor de zuiverheid van den klank en de fijnheid van toon. Hij koos den titel en drukte ermee uit, wat lijden hij heeft geleden en aan welk een beproeving hij was onderworpen. En nu staat het aan ons, die, als ik, zoo menigwerf getuigen waren van zijn lijden, dat onder Gods aanbiddelijk bestel zooveel maanden achtereen werd uitgerekt; aan ons, die deze brieven lazen of nog zullen lezen, te beoordeelen, wat soort van liederen op dit veelsnarig instrument getokkeld werden. En—oordeel zelf—is het te veel gezegd, als we beweren, dat het zijn zangen „per aspera ad astra”, uit de diepte naar omhoog. „Liederen van den Opgang”, teeder aandoenlijk, warm gemoedelijk; zangen waardoor ons de stille berusting des geloofs, de onwankelbaarheid der hope en de innigheid der liefde van den waren Christen tegen ruischen?
Ds. Rudolph was een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Het moge ietwat vreemd klinken in de ooren van allen, die hem slechts in zijn openbaar leven gekend hebben, hem, die in de gelederen van zijne politieke tegenstanders vaak met den minder vleienden naam van „De Beul” genoemd werd, hier te hooren karakteriseeren als een gevoelsmensch, een man met een vrouwenhart. Doch wie hem meer van naderbij kende en wist, hoe teeder achter het harnas van dezen strijder het harte klopte, beaamt het volkomen en stemt het ons gereedelijk toe. Ds. Rudolph kon geen leed van eenigszins ernstigen aard zien, of hij werd tot weenens toe bewogen. En juist deze man met het priesterlijke hart en het lichtbewogen gemoed, die,—had hij niet in het ambt van Dienaar des Woords gestaan,—een geboren diaken zou zijn geweest, heeft zelf zoo moeten lijden. Hoe vaak heeft hij in zijn gezonde dagen tegenover zijn huisgenooten de vurige begeerte uitgesproken, dat de Heere hem voor kanker mocht behoeden. En zie, wat hij zoozeer vreesde, is hem niet gespaard! Met forsche hand heeft de kanker hem aangegrepen, den fieren man, die een toonbeeld was van bloeienden welstand, den breedgeschouderde met zijn fraai gewelfd voorhoofd, zijn schitterende oogen, die vonken spatten, als hij was midden in het toernooi met zijn tegenstanders, den trouwen echtgenoot, der pleegkinderen liefdevollen vader, den man van 't initiatief, immer van idealen vol. En deze alom terecht gevreesde ziekte heeft hem niet meer losgelaten. Of zij dit wel ooit doet? Geen pogingen zijn onbeproefd gelaten, om aan dezen machtigen vijand der menschheid zijn kostbare prooi te ontrukken. Bezweken voor den sterken aandrang van oprechte vrienden, die zich voor de noodige geldmiddelen borg stelden, werd de reis naar Heidelberg ondernomen, naar het wereldberoemde Instituut voor kankerlijders van Prof. Czerny. Hoe vol hoop trok de patiënt met zijn echtgenoote, die hem in al zijn lijden een ware hulpe was, daarhenen, en hoe enthousiast keerde hij na een kuur van 4 weken weder! Wonderen had hij zien gebeuren! Waarom zou dan ook met hem geen wonder kunnen geschieden! De Heere is toch de God der wonderen! Wonderlijk is ook de naam Zijns Heilands! En was hij niet tot nog grootsche taak geroepen? Wachtten hem niet de Stichtingen voor Verwaarloosden en Drankzuchtigen te Achteveld bij Barneveld met kennelijk ongeduld? Hoorde hij niet als met duidelijk waarneembaren klank de weemoedige stem der ontouderde kinderen: „Vader Rudolph, kom, kom spoedig. Wij hebben uwe leiding zoo noodig, waar ons de ouderlijke ontbreekt”? Is het wonder, dat Ds. Rudolph hoopte, ziende ook op de Almacht Zijns Gods, tot op het laatste toe?
Voor de 4e maal kwam hij uit Heidelberg terug. De doctoren hadden hem diets gemaakt, dat hij een katarrh in de keel had en de lucht daarvoor in Holland beter dan in Heidelberg was. „Ga zoo spoedig mogelijk terug naar Uw Heimat en als de katarrh over is, kom dan weder, zoo zullen we de kuur voortzetten!” Zóó werd gesproken. De werkelijkheid was evenwel geheel anders. Men had alle hoop op herstel moeten opgeven. Trots alle middelen van wetenschap en kunst, woekerde het proces met door niets te stuiten kracht voort. Men vreesde voor verbloeding en dan.... weldra het einde.
Zóó was de naakte werkelijkheid. Wie zou het den lijder aanzeggen? Aan ondergeteekende viel deze zware opdracht te vervullen. Hadden deskundigen niet verklaard, dat er groot gevaar voor verstikking bestond, zoo den patiënt deze vreeselijke tijding werd bekendgemaakt? Biddend en bevend wordt de gang gemaakt naar het St. Elisabethsgesticht te Amersfoort. „Heere, voorkom, wat gevreesd wordt, geef de woorden in de opening mijns monds en den armen lijder kracht van Boven!” Ik schel aan en treed binnen. Dáár lag hij, de kankerlijder, die reeds sedert ettelijke maanden tot zwijgen gedoemd was. Allerhartelijkst was de begroeting met dien vriendelijken glimlach, krullend om de lippen en die zachte trekken op het gelaat, waarop de stille smart reeds diep haar sporen afgedrukt had. De vraag werd gedaan, of de hope op beterschap niet begon te verflauwen, daar er van vooruitgang toch zoo weinig viel te bespeuren. „Ik heb idee, dat herstel nog zeer goed mogelijk is. Dit zegt de dokter. Dat mag ik dus aannemen. Maar is 't, dat je 't anders weet, zeg 't dan. Ik ben bereid om heen te gaan!” Met woorden, dooraderd van diep medegevoel, wordt nu niets verholen, maar alles gezegd! De zieke vouwt de handen. Hij is in het gebed. Twee groote tranen worden aan de gesloten oogen ontperst. 't Is een plechtige, ernstvolle stilte in dit zieken- en bidvertrek. Onwillekeurig dacht ik aan het woord der Schrift: „En David sterkte zich in den Heere zijnen God!” Na een wijle gaan de oogen weer open, de handen laten zich los, de tranen worden afgewischt, de pen wordt weer opgenomen en met vaste hand neergeschreven: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen!” Hier was een strijd gestreden, hier was een overwinning bevochten!
Daarna ging ik heen, verruimd van gemoed, in het bewustzijn een zwaar, doch ook een goed werk te hebben verricht.
Menigwerf toefde ik in de krankenkamer en moest getuigen: „Waarlijk, in dit klaaghuls is het beter dan in het huis der maaltijden.” 27 April kwam ik weder bij hem en vroeg, of hij nog even sterk stond in zijn geloof en Satan niet trachtte te ontnemen, wat hij meende te bezitten, waarop hij aanstonds neerschreef: „Ik geniet zoeten vrede, die alle verstand te boven gaat. Dit staat vast, dat iemand niet vandaag een Petrus en morgen een Judas is. Dit staat vast, dat God geen God van Ja en Neen is. Maar Jehova, de Ik zal zijn, Die ik zijn zal.”
Nimmer sprak hij eigener beweging van zijn lijden en hoe strakker de snaren zijner smarten gespannen werden, des te meer melodieus en des te liefelijker waren de zangen van aanbiddend geloof en roemende genade voor familie of vrienden, door de schrijfstift aan het papier toevertrouwd, of in de achtereenvolgende brieven aan zijn gemeente te Leiden toegezonden.
Ieder, die eenigermate met 't openbare leven meeleeft, weet ook, hoe Ds. Rudolph zich op politiek en sociaal terrein niet onverdienstelijk heeft bewogen. Als 't er op aankwam, stond hij zijn man. De groote stadsgehoorzaal te Leiden zou er van kunnen getuigen, hoe hij, als verdediger der Christelijke beginselen, als kampvechter tegen het materialistisch Socialisme, niet gering te schatten was. Hij liet zich niet in een hoek zetten. Hoe kon hij dan in wetenschappelijke welsprekendheid met heilige verontwaardiging toornen tegen stofaanbidding en menschvergoding. Dan werd 't niet alleen gehoord, maar gezien, dan werd 't gevoeld, dat hij leefde uit hoogere beginselen, dan waarvan het hedendaagsche Socialisme uitgaat. En wat hij in 't aangezicht van het Socialisme, vertegenwoordigd door zijn uitnemendste voorstanders in ons land, beleden, bepleit en verdedigd heeft, ziet, dat heeft hij met het vonnis van den dood in zijn vleesch, op zijn krankbed, te midden van lijden en smart, in het aangezicht ook van den dood, aller menschen vijand, op het luisterrijkst bezegeld.
Toen hem alles ontviel, in het midden zijner jaren, in den bloei zijner manlijke kracht; toen het beeld zijner aardsche idealen tot het onzichtbare toe verflauwde, toen, toen hield hij alles over: het ideaal, de rotsvaste hoop op een zalig hiernamaals, de zekere wetenschap van een blijde toekomst.
En op mijn zeggen in de laatste week zijns levens: „Wat zijn de wegen des Heeren met U toch ondoorgrondelijk!”, schreef hij met van groote zwakte bevende hand neder: „En niettemin keur ik ze goed, ziende op het heerlijk einde!”
Dat was Rudolph's geloof, rotsvast, steunend alleen op het volbrachte werk van zijnen Heiland en Koning, Wien te belijden op alle terrein de lust van zijn leven, het leven van zijn leven was.
Zeg, Marxist, was hier de mensch Rudolph niet meer dan stof?
Zoo ging hij heen, in de volle zekerheid des geloofs, in de hope op een eeuwig zalig leven.
Als een Christen had hij geleefd, als een Christen gestreden, als een Christen ook geleden, het daarvoor houdende, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid, die hem zou geopenbaard worden.
Ds. Roelof Jan Willem Rudolph werd den 20en September 1862 uit eenvoudige burgerouders te Elst in de Betuwe geboren, bezocht daar de Openbare Lagere School en ging vervolgens naar het Gymnasium te Doetinchem, waar zijn uitstekende aanleg al spoedig de opmerkzaamheid zijner leeraren trok. Hier deed hij met goed gevolg eindexamen, ging toen naar Utrecht en liet zich daar aan de Universiteit als student in de Theol. Faculteit inschrijven. Doch hij gevoelde er zich niet thuis. Wat anders zocht hij en vond dit aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, die pas was opgericht. Daar studeerde hij in de Rechten en in de Godgeleerdheid. In de eerste Faculteit behaalde hij den graad van candidaat, zette zijn studiën voort voor het doctoraal, maar kwam—en dat wel om financiëele redenen—niet tot het afleggen van het examen. In 1887 werd hij candidaat in de Theologie. Beroepen naar Heinenoord, diende hij daar niet zonder zegen de Gereformeerde Kerk, toen nog de Doleerende, van October 1888 tot December 1890. Hier verrees door zijn onvermoeid streven een Christelijke school, waarvan hij den eersten steen legde. In de Ned. Herv. Kerk stond toen ds. A. S. Talma, de latere Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in het Ministerie-Heemskerk, met wien hij over de kerkelijke muren heen een vriendschappelijken omgang onderhield. Reeds te Heinenoord kwam de lust tot weldoen, waarin ds. Rudolph en zijn ega M. W. F. Frijlinck zoo zeldzaam harmoniëerden, op lieflijke wijze tot uiting. Een jeugdige tuberculoselijderes uit een arm arbeidersgezin werd weken achtereen, tot op haren dood, in de gastvrije pastorie liefderijk en geheel belangeloos verpleegd.
Toen op het einde van '90 Leidens Doleerende Kerk hem riep, meende hij voor deze roeping niet te mogen bedanken, hoewel het hem verre van gemakkelijk viel na zoo korten tijd zijn eerste standplaats te verlaten. De snoeren waren gevallen in lieflijke plaatsen.
Op den eersten Zondag van Dec. 1890 vertoond hij zich met een predikatie over Gen. 1: 1 aan zijn nieuwe gemeente, die hij ruim 21 jaren heeft mogen dienen. Leiden met zijn beroemde Universiteit, de kweekplaats van onderscheidene wetenschappen; Leiden, de vermaarde Sleutelstad, had al de liefde van zijn hart. Hoe sterk kwam dat altijd uit, als de kalender 3 October aangaf en Rudolph den kansel beklom om zijn hoorders te doen inleven in die wel oude, maar nooit verouderde geschiedenis van de belegering en het ontzet van Leiden, wat ieder geboren Leidenaar telken jare opnieuw met versche belangstelling aanhoort. Dan was Rudolph Geus met de Geuzen, dan deed hij in liefde ontvlammen voor Oranje, dan begon het oog te schitteren en trilde de stem van vurige verontwaardiging over de Spaansche tirannie en den duldeloozen gewetensdwang, dan jubelde hij met dank aan den Heere voor de ongedachte verlossing. Dan was Rudolph welsprekend.
Bekend, geliefd en geëerd was hij bovenal om zijn hulpvaardigheid. Wie naar een betrekking stond; wie op de eene of andere wijze in verlegenheid zat, vond aan de pastorie van Ds. R. altijd een geopende deur, een belangstellend hart en een luisterend oor. Hij stond ieder te woord en menigeen is door hem geholpen of voortgeholpen. Hij was een vriend van armen en verdrukten. Menig treffend staaltje zou daarvan kunnen worden bijgebracht. Op zekeren keer kwam hij ongezocht in de schamele woning van een fabrieksarbeider met talrijk gezin op eene van de achtergrachten in Leiden. Het noodige schoeisel ontbrak daar geheel. Hij bedacht zich niet lang. Spoedig waren de schoenen gehaald, voor elk der kinderen een paar. „Maar Dominee”, was de vraag van de vrouw des huizes, „weet Ge wel, dat ik Roomsch ben?” „Daar vraag ik immers niet naar, ik zie dat Gij het noodig hebt”, luidde het antwoord van den vriendelijken weldoener.
Was de kinderzegen hem door den Heere onthouden, zonder kinderen scheen zijn levenspad te eenzaam en koud. In Leiden nam hij, met volle bewilliging zijner echtgenoote, die hierin volkomen gelijk met hem dacht, twee kinderen, jongens, tot zich, die beide hunne moeder in de allereerste dagen der jeugd moesten missen. De een heeft reeds den leeftijd van 21 jaar bereikt, terwijl de ander 12 jaar oud is.
Als prediker muntte hij nu juist niet uit door schitterende kanselgaven, al wil dit daarom allerminst zeggen, dat hij de gave der welsprekendheid geheel miste. Tekstverband en -zin kwamen altijd uitmuntend tot hun recht. Van een eenzijdig-voorwerpelijke prediking was hij een vijand. Dikwerf gaf hij in een afzonderlijke toepassing leiding aan de eenvoudige zielen.
Goed kenner van de oude talen, bewoog hij zich gemakkelijk en gaarne op het veld van Schriftverklaring. Van zijne hand verscheen, in samenwerking met Ds. Renkema, een populair en practisch werk over „De Gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus”. In 1900 kwam van hem uit: „Abraham, de vader der Geloovigen, voorgesteld in 13 meditaties”. Behalve zijn „Kardiphonia”—stemmen uit 't hart—een drietal preeken, waarmee hij van zijn Leidsche gemeente afscheid nam en onderscheidene kleinere geschriften, zijn vooral bekend: „Het Hedendaagsch Socialisme” en „Het Diaconaat” (in vereeniging met Prof. Biesterveld en Dr. J. van Lonkhuizen).
Als journalist was hij niet zonder verdienste. Van meer dan één week- en dagblad was hij achtereenvolgens redacteur of medewerker.
Het Christelijk onderwijs in al zijn vertakkingen had de liefde van zijn hart. Als President der Geref. Schoolvereeniging gaf hij mede den stoot tot de oprichting der Geref. M. U. L. O. School op de Hooglandsche Kerkgracht te Leiden. Zijn ideaal om in de Sleutelstad te stichten een hospitium voor Christelijke Indologen, heeft hij niet kunnen bereiken, maar toch was de oprichting van het Indisch Comité, dat in het belang van Indologen van Christelijke belijdenis werkzaam is, eene zaak van niet geringe beteekenis.
Op de meerdere vergaderingen werden de adviezen van den Jurist-theoloog op hoogen prijs gesteld. Meermalen telde de Generale Synode hem onder hare gedeputeerden.
Eén van zijn vurigste wenschen heeft hij niet mogen vervuld zien om n.l. als lid van de 2e Kamer zijn volk te vertegenwoordigen in 's lands Raadzaal. De nederlaag in Ede in 1909, in niet geringe mate toegebracht door de heftige bestrijding van velen, die met hem in het Geloof stoelden op denzelfden wortel, bleef hem nog lang een schrijnende wonde. Het liefst zweeg hij daarvan.
Door de Kinderwetten was de mogelijkheid geopend om ook van Christelijke zijde meer dan tevoren te arbeiden in het belang van hen, die Ds. R. gaarne kenschetste met den naam van „sociale schipbreukelingen”. Zoo rijpte bij hem het denkbeeld, dat tenslotte belichaamd is in de Stichtingen te Achteveld, ééne voor ontouderde of verwaarloosde kinderen, en ééne voor landloopers, drankzuchtigen, ontslagen gevangenen en dergelijken. Hij werd benoemd tot Predikant-Directeur dier Stichtingen. Dat was een événement in zijn leven. 2 October 1912 preekte hij Afscheid in de kerk op de Hooigracht, „een biddend afscheid” (zie „Kardiphonia III”), en bepaalde zijne gemeente bij Hand. 20 vs. 32–38, „het slot van 't teeder afscheid van Paulus van de ouderlingen van Efeze.” Hierin vond hij „de wijze aangegeven, zooals hij 't liefst van zijne gemeente wilde scheiden:
het oog naar boven, de hand op 't hart, de knieën gebogen,
met tranen in de oogen, die van onverbreekbare banden getuigen”.
Hoe moeilijk het hem ook viel den herderstaf in zijn geliefde gemeente neer te leggen en emeritaat aan te vragen, niet jeugdig vuur en groot enthousiasme gaf hij zich aan de voorbereidende maatregelen voor den nieuwen werkkring, in de vaste overtuiging, dat de Heere hem daartoe riep. Maar: „de mensch wikt, God beschikt!” Zal de naam van ds. Rudolph in de wordingshistorie dezer Stichtingen immer met eere en groote erkentelijkheid genoemd worden, tot zijnen eigenlijken arbeid heeft hij niet mogen ingaan. Als een Mozes van den ouden dag moest hij blijven vóór den Jordaan van het zoozeer gewenschte land. En hierin te hebben kunnen berusten, gelijk herhaaldelijk op zoo treffende wijze uit deze brieven blijkt, wat was het anders dan de lieflijk geurende bloem van zijn groot geloof in de absolute Souvereiniteit zijns Gods, die nooit antwoordt van Zijn daden?
Zeker, ook Rudolph had zijn gebreken. Zelf zou hij de eerste zijn om dit te erkennen. Financier is hij nooit geweest, wellicht zou hij het ook nimmer geworden zijn. Hij gaf soms meer dan hij bezat. Doch waar is het licht, dat geen schaduw heeft?
Zondag 10 Mei j.l. werd hij uit zijn lijden verlost en op den dag der ruste ging hij, zacht en kalm, met den glans van zoeten vrede op het vermagerd gelaat, de eeuwige ruste van het hemelsche Kanaän in.
Nù, ook Rudolph heeft geen leed meer van uitgestelde hoop en teleurgestelde verwachting, en van al wat tot deze aarde en dit leven behoorde, is hij verlost. Zijn werk volgt hem na en hij rust uit van zijn arbeid niet in ledig-zijn, maar in hemelsch zalig doen.
Was zijn stoffelijk omhulsel op Woensdag 13 Mei van uit Amersfoort per trein naar Leiden overgebracht en geplaatst in het midden vóór den kansel van de Geref. Kerk op de Oude Vest, den dag daarop werd het onder de grootste belangstelling op de Begraafplaats van de Groenesteeg aan de schoot der aarde toevertrouwd. Vooraf werd in genoemde kerk, die tot in alle hoeken gevuld was, een korte samenkomst gehouden. Ds. Kouwenhoven, de oudste pastor loci, ging daarbij voor in het uitspreken van een rede aan de hand van Psalm 90 vs. 3: „Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen!” Het was een aandoenlijke plechtigheid. Menige traan werd weggepinkt!
Bij de geopende groeve werden goede woorden gehoord. Ds. Thomas sprak namens den Raad van de Geref. Kerk van Leiden, ds. Impeta van Katwijk namens de classis Leiden, ds. Teerink van Amersfoort gewaagde van zijne bezoeken aan den kranke; ds. Van der Munnik uit Leeuwarden, voerde het woord namens Deputaten van de Generale Synode voor de Zending onder de Heidenen en Mohammedanen; de heer Boddaeus, notaris te Schiedam, sprak als Voorzitter van het Bestuur der Kinderstichting; de heer Mekking van Gorinchem, namens het Bestuur van de Jan-Pieter-Adolfvereeniging; ds. Breukelaar van Zaandam, herdacht den overledene als Bestuurslid van het Chr. Comité voor Indië; dr. Dupont van Ermelo, van de Geref. Drankbestrijding; ds. Meijnen van Dordrecht, van de Vereeniging „De Tuin”; ds. Heidema van Heinenoord, bracht in herinnering het 2-jarig verblijf van den overledene in zijn eerste gemeente en ten slotte de heer Vros, hoofd eener Chr. School te Leiden, sprekend namens de Geref. Schoolvereeniging. En nòg waren er meer sprekers, o.a. van de Indologen en van „Polyhymnia”, bovendien de heer Wilbrink, Landbouw-Directeur van de genoemde stichtingen, en ondergeteekende. Doch de lange duur van het toeven op de begraafplaats maakte het gewenscht aan de droeve plechtigheid een einde te maken, te meer daar ook de weduwe en de hoogbejaarde vader van den overledene mede tegenwoordig waren.
Veel is daar gesproken, en had de gestorvene het kunnen hooren, ongetwijfeld zou hij gezegd hebben: „Te veel eer voor mij!” Maar de grondtoon bij alle sprekers was: dank aan den Heere, die ds. R. tot zooveel en zoo velerlei arbeid geroepen en hem in zijn laatste levensjaar met zoo groote genade begiftigd had.
Waarlijk, het was een droeve en toch goede dag. Zij de gedachtenis dezes rechtvaardigen nog tot rijken zegen!
Was het de wensch van den overledene, dat ondergeteekende, die gedurende een twintigtal jaren door hechte en innige banden van vriendschap aan hem verbonden was en nimmer hoopt te vergeten, wat hij naast God aan ds. Rudolph te danken heeft, de zorg voor de uitgave dezer Brieven op zich nemen zou, met liefde heeft hij er bijdezen aan voldaan.
Mogen deze brieven een blijvenden troost bieden voor de diepbedroefde weduwe zulk een man, voor den ouden vader zulk een zoon, voor de pleegkinderen zulk een vader, voor de gemeente zulk een Herder en Leeraar, voor allen, die hem lief waren, zulk een vriend gehad te hebben en mogen ze, waar ze door dezen herdruk de wijde wereld ingaan, voor velen nog in dagen van druk en beproeving, tot rijken zegen gesteld worden! Gode alleen de eer!
G. VERRIJ.
Waarder (Z.-H.), Mei 1914.
Amersfoort, 23 September 1913.
Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden.
Geliefde gemeente!
Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.
Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen, hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in 't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank mogen betuigen.
Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope, dat ik onder des Heeren zegen op de middelen geheel zal mogen herstellen.
En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs, goed en heilig is, geschiede.
Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en blijft mij verreweg het beste.
Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht. Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest, zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte, toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.
Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde toegevoegd: „Heere, Uw wil geschiede!” Wat de Heere doet, is wèl gedaan, hoe 't ook ga. Zeker, donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een Paulus niet betuigen: „Ik sterf alle dagen!” Voor 't vleesch is dit alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom, geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge wezen in des Heeren wil!
En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.
En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en verblijde Hij ons door Zijne groote daden!
In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 1 October 1913.
Geliefde gemeente!
Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans vaar.
Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest, in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!
Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar Heidelberg te gaan, en in het Czerny's Institut für Krebskranken, d. i. de instelling voor kankerlijders van prof. Czerny, genezing te zoeken.
Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't dankbaar.
Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit Amersfoort vertrokken. Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.
Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven, maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen, waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen God.
Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't douanenonderzoek verder.
O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over 't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.
Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.
Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht. Van Frankfurt naar Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve God tot mij sprak: „Kind, ook dit is alles voor u en van u!” Wonderbaar, wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.
Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.
Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan. Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt mij overal.
Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden in Zijn grooten Naam!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 8 October 1913.
Geliefde gemeente!
Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht van ons u niet onwelkom zal zijn.
Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans vertoeven.
Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan de beide oevers van den Heidelberg gelegen, in een halven cirkel door hooge, groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.
Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen oorlog heeft Tilly de stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheer Mérac bevel: „Verbrand de Paltz!” Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.
Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdom Baden gevoegd. Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan. Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en kunstenaars, dichters en denkers. En Von Scheffel, de dichter van Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:
Oud Heidelberg, zoo fijn, Gij stad, aan eere rijk, Aan Heidelberg en aan Rijn, Geen andere stad is u gelijk!
In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeld Excellenz Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 't Samariterhaus of het huis der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders, waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.
Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen. De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor de dooding der ziektekiemen.
De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar. Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden. Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving, al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine verrassingen en groote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap matigen.
De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een heele onderneming. Maar: „huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij geven voor zijn leven!” Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij, alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: „De levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!” Als een werkelijke vader hoop ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt, maar ook zoo vaderlijk zorgt.
Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds. Kammerer over Hebr. 10: 19–25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept. Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe kunnen wij zeggen: „houdt u aan de Kerk”, wanneer de Kerk de leugen brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd, of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan. Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande aangehoord. Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't slotvers ging ik geheel en al op:
„Herr unser Gott, dich loben wir, Herr unser Gott, wir danken dir Die Feier dieser Stunde. O dir sei unsre Lebenszeit, Die uns noch übrig is, geweiht In einem ew'gen Bunde. Hilf uns kampfen, Bis zum Sterben, Dasz als Erben Zu den Höhen, Einst wir siegend aufwärts gehen!”
Dat wil zeggen:
Heere onze God, U loven wij, Heere onze God, wij danken U De viering van dit uur. O, U zij onze levenstijd, Die ons nog rest, gewijd Tot eeuwigblijvenden bond! Help ons worst'len, Tot aan 't sterven, Opdat we als erven Tot de hoogten Overwinnend opwaarts stijgen!
Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft, met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons, zoolang wij hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar 't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde, en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad, op den Heidelberg, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichter Von Scheffel:
„Der Himmel hat die Erde geküsset!” De hemel heeft de aarde gekust!
En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus, en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven. Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: „Mijnheer, dit zijn de dingen, die ons aan de aarde binden!” „Neen, dominee”, was zijn antwoord, „ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den hemel doen verlangen!”
Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!
Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't Allerbeste! „Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal thuis!” Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan. Vroeg of laat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!
Met vriendelijke groeten van ons beiden,
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 14 October 1913.
Geliefde gemeente!
Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek, dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te gaan.
Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.
De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas, door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.
De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden geweest.
Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden: Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen: Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren: Hegel, Fischer, Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.
Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel is: „Wie heer is van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!” Was de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.
Na den dood van Calvijn, onder Frederik III, was Heidelberg om haar Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is de regeering protestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.
Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische staat dus de medische faculteit bovenaan.
De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis, soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.
Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik, alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor het Instituut van Czerny. Daar lazen wij den naam: „Samariterhaus!” of huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk en ambtelijk worden geinspireerd door den Geest van den medelijdenden Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op ons zoo moeilijk en donker pad.
Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere zal het wèl maken.
Heerlijke wetenschap!
Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving, zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: „Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!”
Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen 't weer te zullen worden: „En Mozes zag het land van verre!”
Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig. Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn Geest wilde schenken.
Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: „Wat is er toch achter deze zienlijke wereld?” Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel. Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar niet teleurgesteld.
Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij soms met heimwee naar boven zien. „Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben”.
Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen. Immers: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde”. Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de zaligheid en heerlijkheid des hemels.
Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente, ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank! Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.
Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem roepende: „genezen, genezen!” Natuurlijk feliciteerde ik hem zeer hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: „Einen schönen Grüsz für Ihren Mann!” Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u, naar de mate Hij u nu beproeft!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 21 October 1913.
Geliefde gemeente!
Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.
's Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp voor de zonnestralen op. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen, der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Heidelberg, schitterend als kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw geheugen terug te roepen.
Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote „Denkmal” te onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van de viering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd, en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.
Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog. „Aber wenn der Krieg kommt”, „maar wanneer de oorlog komt”, is een uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. „Aber wenn der Krieg kommt,” en met zorg staart haar blik op haar kind.
In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.
Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar in Handschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt, en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger, gelijk men dat hier noemt, Simultankirche was, d.w.z. door Roomschen en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv. 's morgens door de Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen stijl.
Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als van koperdruk.
De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar welgestelde en zeer intelligente menschen.
Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't „Wij loven U, o God!” Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch, machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de ziel: „Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan”.
Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan. Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14–29. Wanneer ge deze woorden naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der ziel aangreep.
Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes, Exodus 15: 1–6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór de Napoleontische verdrukking rekende men in Duitschland niet meer met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders. Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: „God heeft mij de zege gegeven.” Moet de overwonnene erkennen: „God heeft over mij gericht geoefend!”
Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth. Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten, dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen strijd.
Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken, en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.
Het is en blijft dus biddende wachttijd!
Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!
Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op dit gebied bevestigt: „Die zoekt, zal vinden!” O, wanneer ge hier in deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De Schrift spreekt van een „kauwen der tonge.”
Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan, en 't is mij een diepe behoefte geworden: „Och mocht ik mij toch maar recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!” Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: „Och Heere, erbarm U over mijne ellende.”
't Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:
Wer glaubt, der ist grosz und reich, Er hat Gott und Himmelreich! Wer glaubt, der ist klein und arm, Und schreit nur: „Gott erbarm!”
Dit is:
Wie gelooft, die is groot en rijk, Hij heeft God en hemelrijk! Wie gelooft, die is klein en arm, Hij roept slechts: „Dat de Heere Zich erbarm!”
„Heere, erbarm U!” Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven voor
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 30 October 1913.
Geliefde gemeente!
Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest heerscht in dat Samariterhaus! De professoren en doctoren zijn er vaders, zusters, moeders voor de patiënten; armen en rijken, geringen en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam „Samariterhaus” vertolkt volkomen wat dit huis is!
Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken. Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon voerde! Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel inzonderheid de maand der schilders.
Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert, en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een klaagzang: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!”
Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:
De dood heeft mij een brief geschreven, Ik las hem op het dorrend blad, Dat door den stormwind voortgedreven, Op 't vensterglas heeft post gevat.
Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen, gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje, den hoogbegaafden prediker, die na een langdurige ziekte mede werd weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot Hiskia: „Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven”. Hoeveel goeds mij ook van het Czerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van een Von Moltke en een Von Bismarck werd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal. Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!” Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.
Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw en ik kunnen geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan grooten heeft onthouden.
Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen. Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid, waarvan geen „sic transit gloria”, „zoo gaat de heerlijkheid voorbij”, kan worden gezegd.
Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan, in zijn schoone goudbruine kleur!
Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept: „Sursum corda!” „De harten naar boven!” Daar is het eeuwige licht! Daar zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De blinkende kleuren!
Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine kleur!
Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.
Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den dood.
Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst ons in zijn vergaan nog naar boven, naar de onvergankelijke heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.
O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!
Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des Heiligen Avondmaals.
Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg ik altijd bij mij zelven: „Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet!” Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.
O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!
Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens Zijn Naam samen mogen grootmaken!
Wees daartoe den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 6 November 1913.
Geliefde gemeente!
Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te vertellen.
Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen wrocht.
Laat ik 't u mogen verhalen.
Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft Fil. 1: 23 en 24: „Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil”.
Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld verhuizen.
Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.
Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag hij op de gemeente, dan verlangde zijn ziel naar leven en vrijheid, om haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.
Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten, of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel, dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken, en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen, hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.
Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken. Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.
Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof. Czerny te Heidelberg.
Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.
Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeft mij steeds bij al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment, in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo luidde zijn antwoord: „Mannen, knielt, bidt!” Ditzelfde zeide ik steeds tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan de hoogste vreugde.
Zoo ging 't ook dezen dag.
Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.
Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig gingen mijne noodkreten op tot den Heere.
Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart, openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart teeder de hand drukte, en tot mij zeide: „Nu alles is afgesneden, nu zal Ik voor u zorgen!”
Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean Paul zoo schoon schreef:
„Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine Ewigkeit!” „Hoe de tijd voor u ook voorbij snelle, het is heden uwe eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!”
Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt, mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.
Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere beloofde!
Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.
Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied? Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land niet verkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?
Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:
Zalig hij, die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft; Hij, die door den nood gedreven, Zich tot Hem om troost begeeft, Die zijn hoop in 't hachlijkst lot Vestigt op den Heer, zijn God!
Zoo is het!
Wat hoop ik nu voor de toekomst?
Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten zeggen: „Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!”
Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: „Heere, Gij zijt de Getrouwe”.
Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven: Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd; Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven; Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en heilig is.
Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.
En waarom ik u dit nu mededeel?
Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, „die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken, dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil geweest.
Moge dit zoo zijn!
Dit wenscht u hartelijk
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 12 November 1913.
Geliefde gemeente!
Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn brief.
Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.
Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is, nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel van groote voorzichtigheid.
Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield, en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit hoogelijk gewaardeerd.
Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover, varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde, de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van God jubelde mij dan tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:
„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”.
Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. „God is bekend in Juda”. In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.
Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer aarde elkander beliegen en bedriegen.
Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn volk op aarde.
Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.
Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name: geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den laster zijn steeds de hoofdzonden in tijden van verval. Alle deze zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen, die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.
En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?
Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm, de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David betuigt: „De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!”
Een gebroken hart!
Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?
Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!
Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas; weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben in de oogen des Heeren?
Welke waarde?
Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in Romeinen Zeven over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van Paulus!
Hoort hem daarin ten slotte klagen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”
Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan. Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!
En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen, gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die luide klaagt: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”
Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider: „Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!”
„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”; blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar, liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan Zijn Eeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de roemtaal op de lippen: „Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen 8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen 7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” Hij besluit met de jubelende tonen: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere”.
Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik een iegelijk uwer ook van harte toebid.
De Franschman Bordeaux schreef een boek, dat den titel voert: „la peur de vivre”, „de vrees om te leven”. In een inleiding op dit boek verwijt Réné Doumic aan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken. Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen. Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.
Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!
Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven, zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den donkersten nacht.
Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede aanbevelend.
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 19 November 1913.
Geliefde gemeente!
Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds. en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station. Het weer was zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk, en zagen dreigend op ons neer.
Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef”; „Roep mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren”; „Zij zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden”. Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt, en we gingen wederom met goeden moed op reis.
Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen tusschen hooge bergen doorstoomt.
Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen aan den hemel.
Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-acht welgemoed in Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door de beide professoren Czerny en Werner. O, wat was 't me weer goed weer bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof. Czerny is daarbij niet alleen een priester, maar evenals Pasteur te Parijs, en Kort te Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in korten tijd één millioen Mark toe, om 't Samariterhaus, 't huis van barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld worden.
Prof. Werner is een man met Duitsch-militaire houding, snelle bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek, en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof. Werner ben ik een van de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er thans goede hope is.
O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat gesteld, ook anderen te troosten.
Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om hun een woord van troost toe te spreken.
Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundige behandeling, die hier in den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn arbeid voortzetten.
Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtige Friedenskirche te Handschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.
De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15–18. Krachtig wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst in dagen van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken. Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen wij ook bidden tot Hem, die sprak: „De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid.” Laten we 't doen in 't besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof. In der waarheid.
Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.
Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne ziel 't meejubelt: „Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.”
Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar uit: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden”.
Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas à Kempis: „Meditatiën over het leven van Christus.” Welk een beschaming, maar ook welk een troost ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig lijden en sterven!
Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven. En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne ziel: „En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!”
Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in een oceaan verzinkt!
Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!
Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen, dat den titel voerde: „Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen.” „Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord.”
Twee onderwerpen werden daarin behandeld: „Wereldbeschouwing en zedelijkheid,” en „Hoe iemand van zijn angst verlost wordt.” Een uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.
Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ik dadelijk: Ik moet zien, welke hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. „Ach, was haar antwoord, 't geeft zoo weinig!” Ik was blijde haar terstond 't tegendeel te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar Holland zenden. „Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve merkt.”
Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met haar werden.
Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje, opdat mijn brief niet te groot worde.
„Hoe verhoort God onze gebeden?”
„Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen. Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: „Heere help ons, wij vergaan!” Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord, wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige heerlijkheid rijper gemaakt worden.”
Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen zijn.
Ons wederom in uwe gebeden aanbevelend, blijf ik
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 25 November 1913.
Geliefde gemeente!
Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld, behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad beteekent.
Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naar Handschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk leven. Handschuhsheim is de Sionsburcht van Heidelberg.
Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op de Landstrasse. Rechts hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het Heidelbergdal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren op aarde. Een oogenblik later begon de klok van Handschuhsheim haar volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu ingeluid.
Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. „Voor den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!” Ik dacht toen dadelijk: „Maar is onze verhouding tot het Christendom een andere?” Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons Christenen meer dan een Godsdienst, het is ons alles. Dat was 't voor een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!
Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap, de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken. Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.