Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH. (continued 2)
Reading edition
Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek. Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier. Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.
Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles tegelijk.
Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui der zware krankheid....
Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht, hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeft Zijn Middelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom ik moet lijden.
Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke woorden van Carolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan ik reeds een vorig maal melding maakte.
„Wat hebt Gij mij te zeggen, Mijn Meester daar omhoog?” Zoo wil ik weder vragen Tot ik Uw heil versta. Waarom hebt Gij gestuit Opnieuw nu mijnen loop? O, zeg mij toch het antwoord, Ik wachte stil daarop. Mijn kind, Ik moest u leiden Hierheen in deez' woestijn, Om met u te spreken Op deze stille plaats. In al 't verwarde drijven Der onrust om u heen, Daar kondet gij mijn stemme Niet hooren, neen o neen! Gij waart in gevaren, Die gij niet hebt vermoed, En hoordet niet mijn roepen, Dat zacht u heeft gemaand. Zoo moest Ik „halt” gebieden, En nu door deze smart Uit het gewoel u trekken Heel na aan mijn hart. Nu zie Mij eens in d'oogen En ga niet weder weg. Geloof nu Mijne liefde En hoor naar Mijn Woord! Buig u nu geduldig Ook onder Mijne tucht, Opdat Ik u kan reiken Des Geestes zoete vrucht! * * * Nu heb ik U verstaan, Mijn Meester en mijn Vriend, En wil verheugd U danken Dat Gij zoo trouw 't meendet. Nu wil ik in de stilte Bij U ter schole gaan En U in Uwe schoonheid, Mijn Koning, gadeslaan!
O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn, de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche Kanaän, waar niemand zegt: „ik ben krank!” O, heerlijke woestijn, waar de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid uitbreidt over de ziel. Ik ben overgelukkig, en ook uit mijn hart klinkt de lofzang tot dien Heere: „Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd zijn!”
Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.
Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de bekende pastor Samuel Keller uit Freiburg zou preeken. Hij is hier gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou hij spreken over „die Heimkehr Gottes,” Maandag over „den omgang met mijzelven,” Dinsdag over „vrije liefde en werkelijk huwelijk,” Woensdag over „moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk,” Donderdag „over den inzet der ziel,” en Vrijdagavond „over de toekomst van het Christendom.” Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en preekt Zondagmorgen in de kapel.
Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier duizend menschen samenkomen.
Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.
Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend gelaat, een stem van metaal.
Hij nam tot tekst Openb. 2: 2–5.
Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we vandaag de massieve, grove volkszonden hekelen, onszelven als farizeërs oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. „Ik weet uwe werken,” zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere zegt: „Ik weet!”
Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging; maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan: „deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!” Maar zóó zijt ge verachterd in de genade!
Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en gewetens aangreep.
Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.
Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad. Weest tezamen den Heere bevolen van
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 3 December 1913.
Geliefde Gemeente!
„Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren!” „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef!” In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.
Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1 uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.
Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.
Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende 't vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 't Samariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. „Heere”, zeide ik in mijzelven, „daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen”. Deze overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees voor pijn. Welgemoed ging ik 't Samariterhaus binnen, onderging 't één na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en verzenden.
Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had gesterkt.
Prof. Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide 't werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.
Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed houden.
Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk 't onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn, van alle zonde en ellende ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs, elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der wereld.” Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in 't Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en prijs!
Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den Heere te worden uitgedreven.
En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst. Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.
's Middags maakte ik een bezoek bij Prof. Werner, om met hem over mijn toestand te spreken. Hij was nu nog meer voldaan dan aan 't einde der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk weer mag opvatten.
Mocht dit eens waarheid worden!
Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?
In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:
Die Wege sind oft kromm, und doch gerad, Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen, Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen, Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!
D. i.
De wegen zijn vaak krom, en toch recht, Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert, Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien. Toch triumfeert ten laatste Uw goede raad!
Ja, krom schijnen vaak de wegen, waarop de Heere Zijne kinderen leidt tot het voorgestelde doel!
Israël wordt uit Egypte geleid; maar in plaats van dadelijk wonderdadig Kanaän te worden binnengeleid, wordt 't gansche volk in de engten van Pi-Hachirôth oogenschijnlijk dadelijk ten doode gewijd!
Aan Jozef wordt verhooging beloofd, en hij wordt in de diepste vernedering weggestooten!
David wordt tot koning gezalfd, en de gezalfde des Heeren moet als balling buiten zijn vaderland zwerven, bij de Filistijnen zelfs een schuilplaats zoeken!
Kromme wegen!
Toch zijn ze recht als een kaars!
Aan de Roode Zee wijken op Gods bevel de wateren des doods voor de koningskinderen. Als een rij soldaten staan de wateren aan weerskanten van 't doortrekkend volk. Het is, alsof ze hun zwaarden tegen hun schouder drukken, om den kinderen Israëls militaire eer te bewijzen. Op de Egyptenaren stormen ze in met de scherpte hunner wapenen. En Mozes en Israël zingen 't lied, dat de paaschpsalm der eeuwen, 't lied der eeuwigheid werd!
Was Jozef een minder voortreffelijk onderkoning, omdat hij in 't kerkerhol had gezucht, of was hij de rechte man op de rechte plaats om den nood van heel een volk te lenigen?
Heeft 't David kwaad gedaan, dat hij een balling was, voordat hij koning werd. Neen, in de ballingschap is de lier gestemd, waarbij de koning voor zijn volk zong; meer nog, is zijn hart gevormd, om een rechte koning te zijn over het arme volk van God.
Zal 't mij hinderen in mijn arbeid onder de verwaarloosde jeugd, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen, wanneer ik straks als uit de dooden opgestaan in hun midden mag staan om de groote werken Gods te vertellen?
O, mocht 't eens waarheid worden, dat ik in Februari of Maart mijn werk weer mocht opvatten!
Bidt, Geliefden, de Heere is de Hoorder der gebeden! Hem is niets te wonderlijk! O, verhoore Hij uwe en onze smeekingen, en verblijde Hij ons door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 9 December 1913.
Geliefde gemeente!
Wanneer gij dezen ontvangt, hoop ik met mijne vrouw weder in het vaderland te zijn. Woensdag 10 December vertrekken we D.V. 2,19 van hier, en hopen dan 's avonds 10,16 in Amersfoort aan te komen. Donderdag zal wegens de vermoeienis van den vorigen dag 't hoofd wel niet tot schrijven staan. Daarom zend ik dezen brief thans maar wat vroeger af.
Het voornaamste wat in de afgeloopen dagen met mij heeft plaats gehad, is de vroeger reeds aangekondigde opsluiting van 5 tot 7 December en de bestraling met mesothorium radium.
Behalve operatie worden hier voor de kankerbestrijding in hoofdzaak drie middelen aangewend: 1e. de inspuiting met enzytol, 2e. de Röntgen-bestraling, en 3e. de radium-bestraling.
Deze volledigheid teekent de voortreffelijkheid der hier gevolgde methode. Ook in andere steden, als Weenen, Dresden en Parijs wordt de kanker stelselmatig bestreden; maar nergens heeft men het complete stel van middelen, dat men hier gebruikt. Schier nergens heeft men de inspuiting met enzytol, waaraan hier juist zulke groote waarde wordt gehecht. Op de meeste plaatsen heeft men òf Röntgen-bestraling, òf radium-bestraling; doch schier nergens, gelijk hier, beide tegelijk.
De voortreffelijkheid der hier gevolgde methode van kanker-behandeling blijkt dan ook wel 't best uit de verrassende uitkomsten. Een Hollandsch dokter, die op onderzoek uit is, deelde mij mede, dat hij nergens de resultaten heeft gezien, die hij hier aanschouwde. We stonden samen bij een man uit Crefeld, die in zijn geboorteplaats voor de tweede maal aan maagkanker was geopereerd. Bij de tweede operatie was de opening echter dadelijk dichtgemaakt; men zag de onmogelijkheid van een tweede operatie in. Deze man kwam hier. Hij vertelde ons, dat de knechten, die hem in 't bad hielpen, tegen elkander zeiden: „Deze kan nog naar Crefeld terug, maar verder niet, anders bezwijkt hij zeker.” Hij maakte nu zijn derde kuur door, had 13 pond aan gewicht gewonnen, maakte zeer groote wandelingen, en zou spoedig verlof krijgen, om te gebruiken, wat hij wilde. De dokter, die naast mij stond, fluisterde mij in 't oor: „in beginsel is hij reeds genezen!”
Zóó zijn hier tal van voorbeelden.
Vooral de radium-bestraling is echter zeer kostbaar. Het radium is de schoone uitvinding van Madame Curie, een Poolsche van geboorte, met een Fransch professor gehuwd, zelve gedoctoreerd in de chemie, als ik mij niet bedrieg, de éénige vrouw, die ooit op wetenschappelijk gebied een ontdekking deed. Deze vinding plaatste deze princesse de science evenwel dadelijk in de voorste rijen der grootste geleerden. Zelden is nuttiger uitvinding gedaan dan deze. Het radium wordt tegenwoordig gebruikt voor de genezing van allerlei treurige ziekten, waartegen men vroeger machteloos stond.
Maar gelijk ik reeds zeide, 't radium is zeer kostbaar. Vele centenaars grondstof zijn noodig om er een milligram radium uit te bereiden. De grondstof is ook niet in groote hoeveelheden voorhanden. Alzoo gaat de bereiding slechts zeer langzaam voort, en komt op hooge kosten te staan.
Vandaar dan ook de opsluiting van de patiënten, die met radium worden bestraald. Ze krijgen voor een groote waarde aan hun lichaam. Ik had bijv. voor een waarde van 63000 Mark of 37800 Gulden aan mijn hals. Stel eens, dat zulke patiënten vrij konden rondloopen! Hoe licht zou iemand in de verzoeking komen, om er mee weg te gaan, of 't weg te stoppen, en te veinzen 't verloren te hebben, om 't later voor een zeer groote waarde aan dezen of genen dokter of kwakzalver te verkoopen!
Vrijdagavond zes uur werd de deur van buiten achter mij gegrendeld. Toen kreeg ik eenig idee van 't vreeselijke der cellulaire gevangenis, en ik kan mij begrijpen, dat tegenwoordig velen opstaan, die een andere wijze van straffen voorstaan. Terstond dacht ik ook aan Bunyan en Rutherford, en stelde mij voor, wat dezen om hun geloof hebben geleden.
En toch, hoe goed hebben deze beide mannen 't in de gevangenis gehad, wat was de Heere hun daar nabij! De kerker was hun als een paradijs! Bunyan schreef hier zijn Christenreize, en Rutherford zijn heerlijke brieven.
Ook mij wilde de Heere wederom sterken. Acht-en-veertig uren moest ik alzoo gevangen zitten; maar de tijd is omgevlogen. Ik troostte mij vooral met den 9en en 10en Zondag van den Heidelberger Catechismus. Ik hief mijn hart op tot Hem, Die vóór alle dingen is, en door Wien alle dingen zijn. Ik bewonderde Zijn wijsheid, die zulke verborgene krachten in de schepping legde, en dan den naar Gods beeld geschapen, denkenden, menschelijken geest 't vermogen gaf, de meest verborgen geneesmiddelen op te sporen. Ik loofde Zijn goedheid, dat ik 't onwaardeerbaar voorrecht mocht genieten, thans van dit kostbare middel gebruik te maken. Niet minder dankte ik Zijne liefde, dat Hij mij alles, wat Hij mij in den laatsten tijd deed ondervinden, ten goede deed medewerken. Alles bracht mij nader tot Zijnen Eeuwigen Zoon. Jezus werd mij steeds dierbaarder. O Hij, Hij alléén, is mijn Alles, mijn wijsheid, mijn rechtvaardigheid, mijn heiligmaking, mijn verlossing, mijn vreugde, mijn liefde, mijn hope, mijn troost. Ik ken en aanbid dan ook de bedoeling, die de Heere met mijne zware beproeving heeft. Hij zendt ze mij uit liefde, met vaderlijke hand toe, om mij hoe langer zoo meer te louteren. Deze kennis geeft mij geduld in dezen tegenspoed, geeft mij dankbaarheid, wanneer ik eenigen vooruitgang bemerk en geeft mij ook genade om mij met een volkomen vertrouwen voor de toekomst aan den Heere over te geven, wetende, dat niets mij zal scheiden van Zijne liefde in Christus.
In dit vertrouwen ga ik dus zonder vreeze de onbekende toekomst in.
De hoofdkuur is nu afgeloopen.
Wat is 't resultaat?
Dit zal nader moeten blijken.
Blijf ik, zooals ik nu ben, dan zou ik, zij 't met groot lichamelijk gebrek, mijn arbeid weer kunnen doen. Bij de eerste kuur kwam er een omwenteling ten goede in mijn gestel. Deze is bij de tweede bevestigd.
Maar er is meer noodig.
Zoolang de kanker nog niet is uitgeroeid, blijft steeds een catastrophe te vreezen.
Ik zal dan moeten afwachten, wat de Heere nu verder werkt. Is de nawerking der hoofdkuur goed, dan hoop ik met goeden moed een derde kuur te ondernemen, in de stille hope, dat de Heere dan een volkomene genezing geeft.
Zooals Hij doet, zoo is 't echter wèlgedaan.
Neemt Hij mij weg, dan hoop ik den God mijn levens, den God van zoo rijke en vrije genade, in mijn sterven te mogen verheerlijken, en zal ik stervend Zijnen goeden Naam nog danken, dat Hij mij door mijn bezoek aan Heidelberg de gelegenheid heeft geschonken, getuigenis af te leggen van de genade, die Hij mij wilde bewijzen. De Heere vergist Zich nimmer; ook in mijn sterven zal Hij dan Zijn naam grootmaken.
De eerste leerlingen van de Geneefsche Universiteit werden door Calvijn naar Frankrijk gezonden. Calvijn had zich heel wat voorgesteld van den arbeid dezer beide evangeliepredikers in zijn geliefd geboorteland. Nauwelijks zijn zij echter over de grenzen, of zij worden gevangengenomen en verbrand.
Welk een slag voor Calvijn! Slechts voor een korten tijd! Spoedig leerde Calvijn inzien, dat deze beide jonge mannen in hun martelaarsdood krachtiger prediking hadden gedaan, dan zij heel hun leven hadden kunnen houden.
In Amerika sterft een jeugdig proponent, en wordt begraven op den dag, dat hij zijn intrede zoude doen. Wijlen Ds. Beuker zou bij de begrafenis de lijkrede houden. Hij begon te zeggen: „Deze jonge man dacht 't evangelie te prediken in de lijdende en strijdende kerk! God heeft wat beters over hem voorzien, hij mag nu aan de heilige engelen Gods verkondigen de veelvuldige wijsheid Gods, in de verlossing der gemeente openbaar”.
God rechtvaardigt altijd zijn doen.
Nu zien we dat nog niet ten volle.
Hoeveel duisters er echter ook zij in 't Godsbestuur, hiervan ben ik zeker, dat 't einde aller dingen de allerheerlijkste Theodicee of rechtvaardiging Gods zal zijn.
Hoe de Heere dus ook doe, wat Hij doet, is altijd wijs, heilig en goed.
Behaagt 't Hem, mij nog jaren tot mijne levensjaren toe te voegen, dan heb ik de begeerte, dat Hij mij slechts een hemelsch leven geve, opdat ik reeds op aarde den hemel meer en meer mag beginnen.
Geliefden, laten wij die genade veel van onzen God bidden! O, wat zal 't ons dan goed zijn, wat zal God in al ons doen verheerlijkt worden, en wat zal ook de wereld dan werkelijk worden jaloersch gemaakt!
Eenigen tijd geleden verscheen een werk, dat veel opzien baarde, en dat den titel voerde: „Briefe, die Ihn nicht erreichten!” „Brieven, die hen niet bereikten.”
En wie waren die brieven?
Dit waren de Christenen. Zij zijn de brieven, die de Heere aan de wereld schrijft, opdat zij uit den wandel der Christenen zullen leeren hun leven te verbeteren.
Maar helaas, vele van deze brieven bereiken de menschen der wereld niet.
De wereld kan aan vele Christenen niet zien, dat zij werkelijk Christenen zijn.
Zulke brieven komen niet aan hun adres, en blijven als onbestelbaar liggen.
Neen geliefden, zoo mag 't niet zijn!
Laat ons dus om genade bidden, dat wij een waarlijk hemelsch leven mogen beginnen! Zegene Hij daartoe voor ons tezamen ook het schrijven dezer brieven!
Dit is de hartelijke bede van
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 18 December 1913.
Geliefde gemeente!
Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen, omdat we dan nergens behoefden over te stappen; in Heidelberg stapten we in, in Amersfoort uit den trein.
Spoedig waren we in Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van Heidelberg langs „den grootvorst van Europa's stroomen” spoorde.
Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht, en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht „wateren des doods”. Heel anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte, natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't electrische licht.
Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.
Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van 't atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste lichtstralen geweest, waarbij ik uit die duisternis geraakte. „Neen,” zoo dacht ik, „die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks als de moederliefde uit te denken en te scheppen!” Volkomen versta ik dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag, wat noodig is voor de verhooging van een volk. „Geef ons moeders!” zeide de scherpziende staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw heeft gedompeld.
Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.
Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog, hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords, door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt: „Vita brevis, ars longa”, het leven is kort, de kunst is lang. Zoo spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn, en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot volk zinken.
Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een groot volk, dit volk van „denkers en dichters”. En onwillekeurig deed de Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.
De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.
De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.
Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't Duitsche rijk.
En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.
In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn „Sommerfrische” wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den arbeid van heel een jaar.
Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende. Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche literatuur.
De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken. Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren. Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden. In 1870 is deze wensch vervuld. „Die Wacht am Rhein” was 't volkslied, dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied is sindsdien het volkslied bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk, over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en wellust, krachtig voort.
Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van toepassing: „Sic transit gloria mundi!” Zoo vergaat de heerlijkheid dezer wereld!
Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't bijzonder dacht ik aan den vredehof „Rijnzicht”, die even buiten Leiden wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf te mogen vinden.
Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.
Welk een vreugde van 't wederzien!
En nu? Wat zal 't nu verder zijn?
Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof. Werner naar 't resultaat van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: „Wir haben einen guten Erfolg!” Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de tong zeer langzaam zou gaan.
Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.
Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen. Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch, eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!
En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde papier, de zee inkt, de grashalmen pennen, en alle engelen vaardige schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!
En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen deelen!
O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?
Zij is een beeld van Zijn liefde.
De moederliefde heeft iets souvereins.
De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't zich als een gebrekkig kind openbaart.
Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheid souverein. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en schuld te dragen en te boeten.
De moederlijke liefde is een trouwe en onveranderlijke liefde. Zij houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen. Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus' liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood.
De moeder offert zich gaarne voor haar kind. Zij springt 't na in den vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't Kruis!
En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen prijzen.
Weest allen hartelijk gegroet van
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 8 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die men momenten noemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.
Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't zwijgend graf gelegen hebben.
En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen, om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:
„Zoete banden, die mij binden. Aan des Heeren lieve volk,”
en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens mij zijn vervuld.
Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope, en de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!
O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest, van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt troostwoord verkwikken.
In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van Psalm 62: „God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!
Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft ter bestemder tijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.
Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen. Voor Hem was nergens plaats. Noch in de hutten der armen, noch in de paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in 't hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht. Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.
„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit goed en terdege gehoord: dat de sterkte Godes is”.
En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne goedertierenheid.
Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.
Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift; maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve kinderen Gods hebben geleden.
Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft, kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen, verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert hun genadeloon in de hemelen.
„Want”, zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: „Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
De vergelding wordt hier door den psalmist in verband gebracht met des Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van 't genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar volk zal schenken.
O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk genadeloon kronen.
„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
Heerlijke woorden!
Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel heeft verkwikt.
Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.
„Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”. Gelukkig staat hier niet: „want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden”; want dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de nog zwarter zonden van mijn later leven.
Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt. Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeide von Zinzendorff eenmaal: „Herr Jesu, Du bist meine Passion!”, ik zeg het hem zoo van harte na: „Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!” En evenals deze leidsman der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: „Heere, ach, kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij- en regeeringskinderen, voor ontslagen gevangenen, zwervers en drankzuchtigen!”
Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak 't voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed gedaan! Ik zing zoo van harte meê met den dichter van den 119den psalm:
'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in, Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de Heere ook met Zijn volk.
Zou ook ik daarop mogen hopen?
Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?
De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord „kanker” doet den mensch sidderen.
Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?
Lieve broeders en zusters: „De Heere heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!”
Daarmede troost ik mij.
Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.
En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.
Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan als een korte wandeling in den hemel.
Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem „Vader” te noemen.
Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen. Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon op onze lippen leggen: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest.” Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus, Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.
En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: „Maar, lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het beste!”
Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten. In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.
Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde kuur.
Mijn adres is dan in 't hôtel Metropol-Monopol. Men kan ook adresseeren aan 't Samariterhaus.
Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe gebeden gedenken
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 14 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den 9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere, Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.
Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen waren.
Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend, en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:
Alt-Heidelberg, Du feine, Die Stadt, an Ehren reich, Am Neckar und am Rheine, Keine kommt Ihr gleich!
Wat, vrij vertaald, wil zeggen: „Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den Heidelberg en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!”
Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland. Honderden, ja wellicht duizenden,—want de schaar groeit steeds aan,—hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke kwaal.
O, wanneer die weg naar het Samariterhaus eens spreken kon, wat zou hij hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men „de brug der zuchten” noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen, menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.
Ook die weg naar Samariterhaus mag wel de weg der zuchten worden genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: „ik ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd; wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?”
De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij benemen schier niemand de hoop geheel. Eudokia in Rotterdam heette eerst: „gasthuis voor ongeneeslijke zieken!” Toen dit gebouw in gebruik werd genomen, zeide Dr. van Staveren: „Dit opschrift deugt niet, het is in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen ziekte ongeneeslijk!” Terstond is de naam toen ook veranderd in dien van: „Tehuis voor chronische lijders.”
Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld verbaasd staat.
Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.
In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar 't Samariterhaus. Prof. Werner onderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes, één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.
Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15, 16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk radium met mijn hand tegen de tong houden.
't Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel wat sterker geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat meer ondernemen.
Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: „nu is er toch Eén, Die met mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!” Het was mij, alsof Hij van den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide: „Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en wilt mij uit allen nood en dood verlossen!” En zie, eenige minuten later sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik met Jeremia kan zeggen: „En de slaap was mij zoet!”
Zalige genieting!
Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.
Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.
Weest allen dan den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 20 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Kwam mijn voorgaand schrijven te laat voor de Kerkbode, waarschijnlijk geschiedde dit door vertraging van de post. Ter voorkoming van dergelijke ongevallen zend ik mijn brieven voortaan zoo mogelijk een dag vroeger af, en doe dit reeds met dezen, die dan tegelijk met mijn voorgaanden kan worden geplaatst.
Trouwens deze brief is een vervolg op den voorafgaanden.
Ik had reeds beloofd iets te zullen schrijven over de zendingspreek, die ik 11 Januari in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier mocht hooren.
Die Zondag was door de kerkelijke overheid der gansche Badensche landskerk tot een Zendingsdag bestemd.
Ds. Kammerer, de pastor van 't Diaconessenhuis, nam tot tekst Matth. 24: 14: „En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”
Hij begon met de opmerking, dat ook in Duitschland de tijden zeer zijn veranderd. In 1848 was in 't naburige Hessen alle openbare arbeid voor de Zending streng verboden. Verbeeldt u! Thans wordt vanwege de kerkelijke overheid in Baden een algemeene Zendingsdag uitgeschreven.
Zóó gaat 't goed! Zoo komen we op den rechten weg!
Niemand minder dan de Heiland zelf zegt: „En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden.” Nòg staat Hij alleen. Maar Hij spreekt toch als Koning van 't Godsrijk. Zooals Hij zeide is 't geschied, en moet 't verder geschieden.
Doch nu taste men niet mis in 't eigenlijke wezen van den Zendingsarbeid.
Is 't Zendingswerk het brengen der Christelijke cultuur?
Bestaat 't in de bevordering van het schoolonderwijs onder de onbeschaafde volken?
Moet 't bovenal gericht zijn op de wegneming van sociale misstanden en de verbetering van 't maatschappelijk leven onder de heidenen?
Dit alles is bijzaak, bijwerk, of ook vrucht der Zending.
Het eigenlijke wezen van het werk der Zending is 't niet.
De eigenlijke hoofdzaak van 't Zendingswerk is de prediking van het Evangelie des Koninkrijks. Vandaar en daardoor alleen wordt de eenige troost voor leven en sterven onder de volken verkondigd.
En wat moet men zich als hoofddoel voorstellen van het Zendingswerk?
Dat heel de heidensche maatschappij gekerstend worde?
Het ware heerlijk, wanneer dit doel bereikt werd.
Maar stellen we ons deze illusie niet voor.
Hoofddoel is, dat 't Evangelie hun tot een getuigenis onder de volken wordt gepredikt.
De één neemt 't Evangelie aan. De ander verwerpt 't. Christus is ook tot een oordeel in de wereld gekomen.
De strijd tusschen vrouwen- en slangenzaad blijft tot den jongsten dag.
En wanneer het Evangelie over de heele wereld gepredikt wordt, en over heel de wereld die twee tegenover elkander staan, dan zal 't einde zijn.
Het zendingswerk is dus geen bijzaak, maar hoofdzaak. Het staat in onmiddellijk verband met Christus' wederkomst.
Wij danken dan ook den Heere, dat wij ons met 't Zendingswerk weder in goede richting bewegen.
Ge begrijpt, geliefden, dat ik de prediking met hartelijke instemming heb aangehoord.
Ge begrijpt ook, dat ik de mededeeling omtrent de vroegere Duitsche toestanden op Zendingsgebied met eenige verbazing vernam.
Bij eenig nadenken is evenwel mijn verwondering verdwenen.
Was 't vroeger bij ons ook niet ongeveer alzoo?
Neen, er was geen verbod om zendingswerk te doen. Maar men liet 't over aan zendingsvrienden, en beschouwde 't een liefhebberijzaak van deze menschen.
Tot voor korten tijd stonden we precies evenzoo tegenover den evangelisatiearbeid. Wat is in onze dagen meer noodig dan 't zendingswerk in onze naaste omgeving? Toch werd deze plicht door de Kerk nog slechts weinig gevoeld.
En in werkelijkheid staan de meesten nog zoo tegenover den arbeid, dien ik in des Heeren Naam en kracht ondernam, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Men vindt 't wel goed, dat ook die arbeid wordt aangevat; maar men voelt er niet veel voor. En ziedaar juist 't gebrek! Voor zulk werk moet worden gevoeld, anders kan 't niet slagen; want er is reuzeninspanning voor noodig om het te volbrengen. Van alle zijden moet hulp in voorbede en geldelijke bijdrage, worden geboden; anders komt 't niet tot stand.
En wie maar even nadenkt, zal dadelijk moeten toestemmen, dat geen werk meer noodig is dan dit werk. Er is een werk, dat bij voorkeur den naam draagt van Christelijk werk. Daartoe behooren 't uit- en inwendig zendingswerk, de arbeid onder al 't verlorene, 't gaan in de heggen, en sloppen, 't bezoeken der gevangenen, enz. Wanneer een gemeente deze werken niet heeft, zegt de Heiland van haar: „Gij hebt den naam, dat gij leeft; maar gij zijt dood!”
't Spreekt vanzelf, dat de zuiverheid der leer bij dit practisch werk niet mag worden verwaarloosd. Hoe zullen we op dit gebied ons hoofdwerk goed doen, 't brengen van het Evangelie aan de schare, indien we 't niet zuiver bewaren?
Bovenal moet bij dezen arbeid 't eigen, inwendig leven zorgvuldig worden verpleegd. Alleen omdat de liefde van Christus hem drong, kon Paulus alle bezwaren overwinnen in zijn moeilijk werk.
Maar wanneer 't vuur van binnen brandt, is 't ook zulk een heerlijk werk.
Hoe verlangt mijn ziel naar 't oogenblik, dat ik dezen arbeid zal mogen aanvatten!
Ik verheug mij, dat ik u in dezen opzichte wederom gunstige berichten mag doen toekomen. Inplaats van 20 minuten word ik om den anderen dag geregeld 40 minuten bestraald met Röntgen-belichting. 15 en 16 Januari werd ik met radium behandeld. Vandaag kreeg ik nog een extra-behandeling met kool-radium, weer een nieuw soort. Duurt de gewone radium wel 2000 jaren, deze kool-radium houdt slechts twee dagen zijn kracht. Maar 't doet eveneens een krachtige werking. Ondanks een kleine katarrh verdraagt mijn gestel alles met het grootste gemak. Ik ga in gewicht nog zelfs iets vooruit en voel mijn krachten herleven.
O wonder van goedheid, dat de Heere aan mij doet!
Dien alléénzaligen God beveelt ook u, geliefde gemeente, van ganscher harte
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 28 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister de dooi onverwacht ingetreden. De plasregen van den morgen werd echter gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen glans der witte bergen.
Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.
Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig gezang:
Vater, kröne du mit Segen Unsern Kaiser und sein Haus, Führ durch Ihn auf deinen Wegen Herrlich deinen Ratschlusz aus! Deiner Kirche sei er Schutz, Deinen Feinden biet' er Trutz.
Dat is:
Vader, kroon met uwen zegen Onzen Keizer en zijn huis, Voer door hem op uwe wegen Heerlijk uwen raadslag uit! Uwe Kerk zij hij ten schild, Uwen vijand bied' hij tegenweer.
Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.
Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering; in al 't vreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.
Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan deze preek enkele beschouwingen vast.
Ds. Kammerer sprak uit Lukas 2: 41: „En Zijne ouders, reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van Pascha.” In zijn rede stelde hij de heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.
Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen, hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.
Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.
Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen? Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man. „Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?” vroeg de predikant met ontroerde stem.
Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.
En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend zijn.
Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogste gewaardeerd. Ziet, dit is de eere, die Hij aan deze arme echtgenooten geeft, dat zij de pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.
Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den Heere wordt gesteld!
O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer, In deiner Liebe eines Geistes sind, Als beide eines Heils gewürdigt, keiner Im Glaubensgrunde anders ist gesinnt; Wo beide unzertrennbar an dir hangen In Lieb und Leid, Gemach und Ungemach, Und nur bei dir zu bleiben stets verlangen An jedem guten wie am bösen Tag!
Dat is:
O zalig huis, waar man en vrouw in eene, In uwe liefde éénes geestes zijn, Waar beiden van één heil bezitters zijn en geene In gronden des geloofs een andere gezindheid heeft. Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen, In lief en leed, gemak en ongemak, En slechts bij u te blijven steeds verlangen, Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.
Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel haar Gretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden. De Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurig Faust-karakter; hij hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.
De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis, en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.
Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen te wankelen.
Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.
Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.
Vreeselijk!
Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad: „Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en echtbreuk even goed hun werk als in Parijs.” Het blad raadt dan ook aan, Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te overladen.
Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die 't dreigend gericht voorspellen.
Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden van Lasserre las over den bekenden Franschen schrijver Ernst Hello. Deze Hello is met recht genoemd de Pascal der 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk geschreven, getiteld: „l'Homme”; „de mensch”.
Lasserre geeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende passage mede.
Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't volksleven geheel vermolmd.
De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe gegoten was.
Men lachte om dit ding.
Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in de Kamer:
„Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!”
Op één dier dagen vóór '70 wandelde Lasserre op de tentoonstelling. In de verte komt Hello aanwandelen. Hij komt naar Lasserre, en zegt: „Ik verwonder mij, mijn vriend!” „Waarom?” voert Lasserre hem tegemoet. „Ik kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen staan!”
Die man is krankzinnig, zegt een ander tot Lasserre.
Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën gaan in vlammen op.
Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!
Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't naar dezen nog luisteren!
Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurig aan 't woord van Jesaja tot Juda: „Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”.
Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.
Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik weer aan 't openbare leven kan deelnemen!
Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 4 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn hart met snelle vreugdeslagen kloppen.
Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje. „Ueber allen Gipfeln ist Ruh!” Boven op de bergen, overal is 't heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag mijn hart vervult.
De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd, voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur. Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend. Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren. Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.
Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't „Jenseit”, één voor 't „Diesseit”, één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke leven.
De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware krankheid, zelfs in kerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte ovens.
Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't besluit, dat de meditatie of de overdenking, de oratie of 't gebed, de contemplatie of de inwendige geestelijke aanschouwing de voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.
Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die tezamen bij zichzelve overlegde. Maria mediteerde over hetgeen de herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen, dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen, en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't Kruis stond, 't licht daarover opging, en juist dit licht behoedde haar toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in dikke duisternis rondtasten.
Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes te midden van de vele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.
In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven de oratie of 't gebed.
Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid! Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost, wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed over wil uitweiden.
Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor 't gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.
Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met den Heere, noemde ik de contemplatie of de innerlijke geestelijke aanschouwing.
Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen, of wij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den getroffene gevoelen.
Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen, zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus, Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.
Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.
Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden glans van den hemel.
Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: „Wij dan, de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.”
O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!
Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde den hemel mag beginnen, en volkomen mag zijn voor de taak, die mij wacht.
Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.
't Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg. 2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor alles.
Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 10 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
In mijn vorig schrijven heb ik U reeds onze behouden aankomst in Amersfoort gemeld. Zoo spoedig mogelijk ben ik hier naar mijn huisdokter gegaan, om mij wederom te laten onderzoeken. Hij was buitengewoon tevreden over de in- en uitwendige resultaten der kuur.
Alzoo ga ik dan, den Heere zij daarvoor lof en prijs, langzaam maar gestadig vooruit. Natuurlijk zou ik liever zien, dat mijn genezing grootere sprongen maakte. Maar wij weten niet, wat wij moeten begeeren. In Heidelberg is men van oordeel, dat een langzame maar steeds doorgaande genezing beter is dan een plotselinge, omdat zich bij de snelle genezingen de meeste terugvallen voordoen, terwijl een langzame maar gestadige voortgang der genezing de meeste kans biedt, dat men voorgoed van de kwaal wordt bevrijd.
Hoe dit zij, ik geef 't over aan den Heere, die mij beloofd heeft voor mij te zorgen. Dezer dagen wilde Hij mij wederom nog zoo krachtig vertroosten met de woorden van Ps. 91: 1, „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Wat zal ik nog meer wenschen? Wat anders dan dat heel deze weg mij maar altijd nader brenge tot den Heere, mij altijd inniger Zijn gemeenschap doe smaken. Dit is 't Hoogste en Zoetste. Daarvan zing ik met Tersteegen in zijn overschoon lied: „De vereeniging met God”.
Ich bin im dunklen Heiligtum, Ich bete an und bleibe stumm; O ehrfurchtfolles Schweigen! Der beste Redner sagt mir nicht, was man hier ohne Reden spricht, durch Lieben und durch Beugen. Hier ist die stille Ewigkeit ein immerwahrend selges Heut, dies Nun kann alles geben. Die Zeit vergeht mir süsz un sacht; Ich möchte beten Tag und Nacht, bei Gott im Geiste leben. Hier ist mein wahres Element, ein Friedensland, weit ohne End, von Milch und Honig flieszend, Hier quilt im Grund ein Balsenflusz, durch alle Kräfte des Genusz, So sänftiglich ergieszend.
Dat is:
Ik ben in 't donker heiligdom; Aanbiddend, blijf ik stom; o diep eerbiedig zwijgen! De beste spreker zegt mij niet wat men hier zonder woorden spreekt, door Lieven en door Buigen. Hier is de stille eeuwigheid, een altijddurend zalig heden; dit „nu” kan alles geven. De tijd gaat voorbij zoet en zacht; Ik wilde wel bidden dag en nacht, Om in den geest bij God te leven. Hier is mijn ware element, een vredes-land zonder end, van melk en honig vloeiend. Hier ontspringt een balsembron, die 't genot in alle zielekrachten zoo zoetelijk doet stroomen.
Behaagt 't den Heere, mij te herstellen, dan heb ik natuurlijk ook nog een tweede begeerte, n.l. spoedig te mogen ingaan tot den arbeid, die zoo geheel de liefde van mijn hart heeft, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers.
Volgens sommigen is deze arbeid wel nutteloos; zij beschouwen eigenlijk alleen dan een bekeering als echt, wanneer iemand van zijn jeugd af als een kind des verbonds heeft geleefd. „Wacht u voor bekeerde Joden, voor bekeerde hoeren, voor bekeerde bandieten! Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken.” Ziedaar hun standpunt!
Er is zeker weinig betoogkracht noodig om dadelijk te doen zien, dat dit standpunt onhoudbaar is.
Het strijdt met de Schrift. De eerste Christelijke gemeente is uit bekeerde Joden als evenzoovele levende steenen opgebouwd, en hoeveel goeds wordt in de Schrift van haar gezegd. Een moordenaar volgde den Heiland in 't paradijs. Hoeveel liefde bewees de vrouw, aan wie veel vergeven was!
De feiten werpen ook dit heele standpunt omver. Denkt slechts aan een Da Costa, een Neander, een John Bunyan, een Rowland Hill.
De ervaring bewijst juist, dat menschen met een zwarte jeugd, wanneer zij waarlijk bekeerd worden, zich na hun bekeering zoo ver mogelijk van dit zwarte punt zoeken te verwijderen, en als Maria Magdalena zoo dicht mogelijk bij den Heere zoeken te zijn.
O, ik brand dan ook van verlangen, om dien arbeid te beginnen onder deze ellendigen en verlorenen.
In de stichting voor voogdij- en regeeringskinderen zullen we in den regel wel alleen degenen krijgen, die voor de gezinsverpleging ongeschikt zijn. Dit is dus 't minste soort. Maar o, wat lokt 't mij aan, deze zwarte schapen hun weg voor oogen te stellen, en hun te doen zien, hoe deze weg hen ten ondergang voert! Hoe lokt 't mij aan, hun tegelijk den oneindigen rijkdom van Christus' zoekende liefde te prediken, en hun den weg te wijzen, die leidt tot een eeuwig behoud!
Ook van de opleiding voor maatschappelijken arbeid stel ik mij veel goeds voor. Terecht heeft de Regeering ingezien, dat zij voor heel de opvoeding van dergelijke kinderen de krachten van 't particulier initiatief moet te hulp roepen. Vooral in de particuliere stichtingen kan de Christelijke liefde haar werk doen. Met dwang alleen komt men trouwens in 't werk der opvoeding niet veel verder. Laat de plantagehouder zijn slaven op den akker zenden, laat hij den man met de zweep medezenden; 's avonds keeren de slaven wel terug met de vruchten van hun arbeid, maar ook met een hart vol haat tegen den meester en tegen den arbeid. Liefde tot den arbeid moet den kinderen worden ingeprent. Daartoe moeten dwingend gezag en Christelijke liefde samenwerken.
De andere arbeid, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers, is van niet minder belang.
In den regel stellen wij ons voor, dat de gevangene in zijn kerker vurig naar de vrijheid verlangt. En dit is ook zoo. Toch is er iets, dat hem al 't genot der vrijheid geheel vergalt. De gevangene weet, dat hij in zijn gezin de eereplaats kwijt is. Werk krijgt hij niet gemakkelijk meer. Wie wil iemand hebben, die gezeten heeft? Velen vallen na hun ontslag uit de gevangenis in de misdaad terug, en zij gaan hun verder leven van de gevangenis in de maatschappij, van de maatschappij in de gevangenis. Dit moet voorkomen worden. Deze menschen moeten geholpen worden. „Peccator est, comprime; homo est, miserere!” „Hij is een misdadiger, bestraf hem; hij is een mensch, heb medelijden met hem!”
Ook voor de drankzuchtigen moet er een retraite (rustplaats) zijn, waar hun verstoord zenuwleven hersteld wordt, en waar zij onder de bearbeiding der Christelijke liefde tot den strijd tegen de drinkgewoonte worden gesterkt.
Het moeilijkst te behandelen zijn de zwervers, de arbeidsschuwen; die leven van bedelarij en diefstal. Maar de Heere kan ook uit deze steenen kinderen Abrahams verwekken.
O geve mij de Heere dezen arbeid te mogen beginnen!
Geliefden, houdt aan in 't gebed voor mij! Verblijde ons de Hoorder der gebeden nog door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 19 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Tot mijn leedwezen kan ik u thans geen uitvoerig schrijven doen toekomen. Ik lig met een lichte maagkatarrh te bed, en kan dus niet schrijven.
Gedenkt onzer, en weest den Heere bevolen
door uwen u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 25 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh, die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij dank, geheel hersteld.
Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop. Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.
Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn, wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten valt weleens moeilijk.
Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken wel.
Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.
Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken. Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarder verdrukt moeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt. Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn schoonvader Réhuël.
Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats van Israël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen. De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk. Welk een beproeving voor Mozes!
Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders. Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods. De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods, die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij, wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is de hoogeschool, die Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er den Heere voor gedankt.
Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de beproeving ook voor mij gezegend.
Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.
En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't kruis.
Dan wordt 't bevestigd: hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere. Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende, vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend, wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:
Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben, aller Dinge Grund und Leben; Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder: Ich senk mich in Dich herunter. Ich in Dir, Du in mir; lasz mich ganz verschwinden, Dich nur sehn und finden.
Dat is:
Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven, aller dingen Grond en Leven; Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen: Ik zink in U ten onderen. Ik in U, Gij in mij: laat mij geheel verdwijnen, U slechts zien en vinden.
O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!
Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof. Waar alles wordt afgesneden, hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.
Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde. De verdrukking is de stormwind, die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het „God heb ik lief!” van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen, dat zulken zegen brengt?
Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon.
Je gröszer Kreuz, je schöner Krone, Die Gottes Gnad uns beigelegt, Und die einmal vor seinem Throne Der Uberwinder Scheitel trägt, Ach, dieses teure Kleinod macht, Dasz man das gröszte Kreuz nicht achtet.
Dat is:
Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon, Die Gods genade heeft toegelegd, En die Hij eenmaal voor Zijn troon, Om 's overwinnaars schedel vlecht. Ach, dit duurzaam kleinood maakt Dat 't grootste kruis als niets is geacht.
Geliefde gemeente, hoe 't hier op aarde ook met u en mij ga, dengenen, die den Heere liefhebben, werken alzoo alle dingen mede ten goede. Laat ons dit vasthouden! Laat de Azafswensch de onze zijn: „Maar mij aangaande, het is mij goed, nabij God te wezen.” Met Mozes zullen wij dan eenmaal aan des Heeren mond mogen ontslapen.
Daartoe zij de Heere met u en met mij!
Ontvangt wederom de hartelijke groeten mijner huisgenooten, en gedenkt mij steeds als
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 5 Maart 1914.
Geliefde gemeente!
De vogeltjes tjilpen alweer. De voorboden der komende lente vertoonen zich alweer. De landman gaat weer uit tot zijn akker, om dien voor de ontvangst van 't zaad te bereiden.
Tegenover mijn raam staat van den morgen tot den avond een man te spitten. Met forschen stoot zet hij telkens de spade in den grond. Alsof ze een veer ware, licht hij de losgewrongen kluit met zijn spade op. Met een lichte handbeweging werpt hij den klomp aarde in stukken op haar plaats. Zoo werkt hij door, slechts nu en dan even verpoozend, den elleboog op den knop van zijn spade, zijn klomp op 't staal doende rusten. En dan gaat hij weer voort met zijn zwaren arbeid, totdat etenstijd hem een wijle huiswaarts roept.
Deze stoere werker doet mijn hart branden van verlangen, om ook alzoo de spade in den grond te zetten op 't terrein, dat ik aanvankelijk betrad. Geduld! Geduld! De Heere maakt alles schoon op zijn tijd. Hoe heerlijk leert ons dit de roeping van Mozes bij 't brandend braambosch, waarbij ik deze week nogal eens werd bepaald.
Mozes heeft nu den leeftijd van tachtig jaren bereikt. Nog is zijn schouder ongebogen; maar hij is de fiere jonge man niet meer, in wiens aderen 't bloed dadelijk bruist en kookt; die den aanrander van den volksgenoot met één slag velt, de herders van Midian op de vlucht drijft, en Zippóra's schapen drenkt. De kalmte der grijsheid heeft de onstuimigheid der jeugd vervangen.
Echter moeten wij ons niet voorstellen, dat hij door het veertigjarige woestijnleven ruw geworden is. In de tenten der Oostersche Bedoeïenen heerschte vaak meer hoffelijkheid dan in de paleizen der stedelingen.
Mozes heeft iets buitengewoons eerwaardigs, terwijl hij de kudde voortleidt, tot achter in de woestijn, bij Horebs berg.
Waarom, Mozes, voert ge uwe kudden zóó ver weg, tot achter in de woestijn? Waarheen wendt zich vol heimwee uw oog? Blijft daar nog een hope sluimeren op den bodem van uw hart, dat gij toch nog eens als redder zult optreden van dat volk, dat daarginds in slavenboeien zucht?
Plotseling worden zijn gedachten afgeleid door iets in zijn nabijheid. Een boschje staat in brand. Dit was niets ongewoons. 't Gebeurde wel meer door de onvoorzichtigheid van herders met 't vuur, dat er alzoo een woestijnbrandje ontstond.
Zulk een brand is echter eindelijk uitgebrand; maar deze blijft gloeien, altijd sterker, altijd verhevener.
Ware Mozes bijgeloovig geweest, hij ware op de vlucht gegaan. Hij gelooft; daarom gaat hij op onderzoek uit.
O wondervol gezicht! Blinkend, doch niet verblindend gaan hoog de vlammen op. Niet verterend, maar verlichtend, omzweeft de lichtvolheid, de lichtheerlijkheid 't braambosch.
Hoort een stem, die Mozes zegt, den schoenriem te ontbinden, omdat deze plaats heilig is!
O groot oogenblik in Mozes' leven!
De Heere spreekt!
De Heere spreekt, en zegt Mozes, dat Hij is neergekomen om de verdrukking van Zijn volk te zien. Een menschelijke wijze van spreken, waarin de Heere Zijn nederbuigende goedheid aanschouwelijk maakt.
De Heere spreekt, en roept Mozes om 't verdrukte volk uit Egypte te leiden, en naar Kanaän te voeren. Welk een roeping!
Zullen de verdrukten zich nu laten leiden?
Hoe zal Faraö bewogen worden de zeshonderdduizend werkkrachten, die hij gebruikt tot wat hij wil, te laten trekken?
Op wien zal Mozes mogen steunen bij de voldoening dezer onafzienbare taak?
De Heere noemt Mozes Zijn Naam: „Ik zal zijn, Die Ik zijn zal! Ik zal zijn!”
Welk een roeping!
De Heere is de Zijnde! Hij is niet een wordende God, zooals Hegel leert. Hij is de Zijnde. De eenige wezenlijke. Het éénige, eeuwige, volmaakte wezen, buiten wien er niets wezenlijks is, en aan wien al wat is zijn ontstaan en voortbestaan dankt.
De Heere is de Ik zal zijn. Zijn raad bestaat, en Hij doet al Zijn welbehagen.
Niets kan Hem weerstaan. Hij schept werelden door een enkel woord van Zijn mond. Hij vernietigt koninkrijken met den adem Zijner lippen.
De Heere is de Ik zal zijn, die Ik zijn zal. De Getrouwe. Hij zal zijn, wat Hij heeft toegezegd te willen zijn. De Heere vergeet Zijne beloften niet. Hij moge uitstellen, dit uitstel dient slechts tot de meerdere glorie van Hem, die een afgesnedene zaak op aarde doet.
In dezen Naam is Mozes naar Egypte gegaan.
In dezen Naam heeft de tachtigjarige zijn reuzentaak op luistervolle wijze volvoerd.
Op Zijn tijd maakt de Heere alles schoon.
Maar wij zien nu geen brandende braambosschen meer, en wij hooren nu geen hemelstemmen meer.
Toegegeven. De openbaring Gods is thans voltooid. Hij, die met Zijn lichtvolheid woonde in 't nedere, nietige braambosch, heeft Zich na dien tijd zelfs nog heerlijker geopenbaard. Hij is met de volheid Zijner Godheid gekomen in nedere dienstknechtsgestalte.
En Hij, die eenmaal zóó Zijn werk op aarde volbracht, en nu gezeten is ter rechterhand van den Vader, woont ook nu nog met Zijn Genade en Geest bij Zijn arm en ellendig volk.
Ja, 't braambosch brandt ook nu nog voort. Als bij de Emmausgangers, is Hij ook nu met de Zijnen op hun weg, op hun beproevingsweg, en maakt hunne harten brandende.
De Heere spreekt ook nu nog tot Zijn volk, door Zijn Woord en Zijn Geest, innerlijk en inniglijk in de ziel.
Hij noemt ook nu nog Zijn Naam voor 't oor van Zijn volk.
Indien één ding, dan heb ik dit duidelijk ervaren. Daarom, jubel op, o mijn ziel, in den Naam van Uwen getrouwen God! Jubel hoog op, en verlaat u geheel op Hem!
Befiehl du deine Wege Und was dein Herze kränkt, Der allertreusten Pflege Des, der den Himmel lenkt! Der Wolken, Luft und Winden Gibt Wege, Lauf und Bahn, Der wird auch Wege finden Da dein Fusz gehen kann.
Dat is:
Beveel gerust uw wegen, Al wat u 't harte deert, Der trouwe hoede en zegen Van Hem, die 't al regeert! Die wolken, lucht en winden Wijst spoor en loop en baan, Zal ook wel wegen vinden, Waarlangs uw voet kan gaan.