← Table of contents
Van strak gespannen snaren

Ds. ROELOF JAN WILLEM RUDOLPH. (continued 3)

Reading edition

Dit bekende vers van den vromen Paul Gerhardt was een der eerste verzen, die opgegeven werden, toen ik Zondag 4 October 1913 voor de eerste maal de Duitsche kerk te Heidelberg binnentrad. Ge begrijpt, dat ik moeite had, mijn tranen te bedwingen. Daar zag ik 't braambosch brandende. Daar hoorde ik de stem des Heeren, tot mij sprekende in het gemeentelijk gezang.

Sindsdien heb ik ook geluisterd naar den raad, die verder in dit lied van Gerhardt gegeven wordt:

Auf, auf, gib deinem Schmerze Und Sorgen gute Nacht! Lass fahren, was das Herze Betrübt und traurig macht! Bist du doch nich Regente, Der alles führen soll, Gott sitzt im Regimente Und führet alles wohl.

Dat is:

Schep moed, zeg aan uw smarten En zorgen goeden nacht! Laat varen, wat uw harte In onrust heeft gebracht. Gij wilt toch niet regeeren Als een, die alles weet. God blijft als Heer der Heeren Met 't hoogst gezag bekleed.

Ja, zoo is 't.

Hij maakt 't alles wel, hetzij Hij onze aardsche wenschen vervult of niet. Hij stelt nooit teleur. Geeft Hij niet, wat wij begeeren, zoo doet Hij dit om 't meerdere in de plaats te geven.

Hij maakt alles schoon op Zijn tijd.

Leef, geliefde gemeente, in dit geloof!

Werp steeds alle bekommeringen op Hem!

Het einde Zijner wegen is de glorie van Zijn Naam en de zaligheid van Zijn volk!

Weest allen tezamen dan dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 10 Maart 1914.

Geliefde gemeente!

Terwijl ik u dezen brief schrijf, maak ik mij gereed om wederom naar Heidelberg te gaan, om mij daar voor de vierde maal onder behandeling te stellen.

Was 't verloop van de derde kuur prachtig, de nawerking daarvan heeft niet beantwoord aan de verwachting, die ik ervan koesterde. De dikte in den mond blijft, nu en dan heb ik nog hevige pijn, en in de laatste veertien dagen heb ik 's nachts slecht geslapen.

Ik wil echter allerminst klagen. Integendeel, wanneer de vreeselijke pijn mijn mond doorsnijdt, buig ik mij vol aanbidding voor de heiligheid des Heeren Heeren. Ik beschouw dezen kanker als een vruchtgevolg der zonde. Maar hij is voor mij ook een vuur Gods, dat mij doorloutert. Hij is voor mij ook een middel in Gods Hand, waardoor Hij mij brengt op de aller-, allerliefste plek, op de vlakke velden, waar onze Koning en Borg Zich in al Zijn schoonheid aan de ziel vertoont.

Dan heb ik innerlijke vreugde in 't midden van de diepe smart, en stem ik in met wat de dichter zingt:

Maar, 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wensch verkrijgen; Hun blijdschap zal dan onbepaald, Door 't licht dat van Zijn Aanzicht straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft, Hem eeren! Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn Naam is Heer der Heeren.

In dien Naam ga ik dan ook vol goeden moed weer naar Heidelberg. En zou ik niet? Hij heeft mij derwaarts den weg gewezen en gebaand. Ik kan niet anders doen dan Zijn goedheid daarin bewonderen. Voor de vierde maal heeft Hij de beide lieve broeders, die zich zoo sterk voor mij interesseeren, in staat gesteld de noodige middelen te vinden. Van 't oogenblik af, dat ik in Heidelberg kwam, heeft de Heere de middelen als wonderdadig willen zegenen. Zoude ik dan geen moed houden, en voortgaan op hope tegen hope, mij vasthoudende aan den Heere als ziende den Onzienlijke?

Maar terwijl ik alzoo vol moed den geliefden vaderlandschen bodem weer voor eenige weken ga verlaten, is mijn hart vol van ernstige gedachten over de toekomst van ons volk, waaronder in de laatste jaren zulke gewichtige omkeeringen hebben plaats gegrepen, en inzonderheid over de toekomst van ons Gereformeerd volk.

Kort geleden sprak ik met een Duitsch predikant. Met grooten ophef sprak hij van den wederopbloei van 't Calvinisme in ons Vaderland. Ons land is anders voor het buitenland geen stad op een berg; maar dit weet men daar dan toch, vooral in Duitschland, dat „der Calvinismus” alhier zulk een grooten „Aufschwung” gemaakt heeft.

Later over dit gesprek nadenkende, vatte de vrees bij mij post, dat in de laatste jaren de machtige ontwikkeling van het Calvinisme eenigszins tot stilstand is gekomen.

Dit stemde mij droevig, vooral met het oog op de jongste evoluties op politiek gebied.

Wie had een jaar geleden ook maar eenigszins kunnen denken, dat geschieden zou, wat wij thans voor onze oogen zien afspelen?

Cort v. d. Linden is de eerste Minister, en schrijft algemeen kiesrecht als punt één op zijn program. Verbeeld u, Cort van der Linden! In zijn staatkundigen brief van December herinnert Van Houten nog aan 't volgende feit: „Tegenover Cort van der Linden stond ik een dertigtal jaren geleden in het politiek strijdperk te Groningen, waar hij toen hoogleeraar was. Het toenmalige comité voor algemeen kiesrecht had er een meeting belegd, die sterk was bezocht. Mr. W. Heineken trad als zijn woordvoerder op en werd hevig bestreden door B. D. H. Tellegen en Cort van der Linden. Ik schaarde mij aan de zijde van Heineken en verzocht den kiezers bij mijn aanstaande aftreding partij te kiezen. De uitdaging werd aangenomen door candidaatstelling van Cort van der Linden.” En dezelfde Cort van der Linden, overigens een man van een vast karakter, is thans opgetreden als Minister om algemeen kiesrecht daadwerkelijk in te voeren!

Daar is in de tweede plaats de heer Treub, evenals Cort van der Linden een man uit één stuk. Vóór de verkiezing van 't vorige jaar bedankte hij voor een hernieuwing van zijn mandaat als lid van de Kamer, omdat hij niet kon meegaan in de actie der linker-partijen voor staatspensionneering. Ook is dezelfde Minister zoo fel mogelijk gekant tegen de liefdadigheid. „De liefdadigheid,” zoo schrijft hij in zijn „Sociale Verzekering”, „is per slot van rekening niet voor den gever, maar voor den ontvanger; voor den gever moge zij zalig zijn, voor den ontvanger is zij, omdat hij er geen aanspraak op heeft, die hij met opgeheven hoofde kan doen gelden, maar er om bedelen moet en er door vernederd wordt, een pest.” Na de verkiezing wordt de heer Treub Minister, en wat is nu zijn eerste regeeringsdaad? Een voorstel van een staatspensioentje, een voorstel tot oefening van staatsliefdadigheid jegens behoeftige ouden van dagen.

O tuimeling der geesten!

En wanneer nu aan deze verantwoordelijke Ministers rekenschap van deze regeeringsdaden wordt gevraagd, wijzen zij eenvoudig naar den wil van 't souvereine volk. Zij huldigen de leer van koning Leopold I, die met een kniebuiging de kroon uit de hand van 't souvereine volk ontving. Zóó vragen ook deze Ministers niet: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten, maar: wat zegt de volkswil? En wat is die volkswil? Hoe wordt hij saamgesteld? Wie spreek hem uit?

Voor ons land is het antwoord daarop gemakkelijk te geven!

Van 't eerste optreden der sociaal-democratische partij heeft haar leider, Mr. P. J. Troelstra, het algemeen kiesrecht op den voorgrond geschoven. Met dien eisch heeft hij de linkerzijde eerst verdeeld, en daarna over haar geheerscht. Daarna is hij nog gekomen met den eisch van staatspensioen. Wilden de vrijzinnigen tegen de sociaal-democraten opbieden, en wilden ze bij de herstemmingen op hun hulp en steun rekenen, dan waren zij verplicht, deze beide, algemeen kiesrecht en staatspensionneering, in hun programma's te schrijven. Alzoo geschiedde. De vereenigde linkerzijde triumfeerde. Nu heet 't dat algemeen kiesrecht en staatspensionneering door den volkswil zijn uitgesproken. 't Is eigenlijk de wil van Troelstra. Feitelijk doen Cort van der Linden en Treub niet anders dan dat zij buigen voor Troelstra. Snorkend, maar niet zonder grond, noemde Troelstra dan ook dit Kabinet zijn zaakwaarnemer.

Kan 't erger?

Gelukkig is er in Nederland nog een volk, dat nooit ofte nimmer voor den schepter van Mr. Pieter Jelles' volkswil bukt. En dat is 't Calvinistische volk.

Maar tegen dit volk heeft zich zijn haat en die zijner partij dan ook 't felst gekeerd. Duidelijk kwam dit wederom uit bij de Kiesrechtmanifestatie op 1 Maart te Amsterdam in het Paleis voor Volksvlijt. Door de beide sprekers, Oudegeest en Troelstra, werd daar vooral op de lachspieren gewerkt. En wanneer brulde 't instemmingsgeroep? Wanneer er gespot werd! Zooals door Oudegeest: „Minister Rambonnet zendt niet den Bijbel, niet Bunyans Christenreize naar de eeuwigheid op de vloot, maar Treubs boek tegen 't Marxisme!” En door Troelstra, toen hij de Eerste-Kamerleden belachelijk maakte, en hen aanraadde, wat meer zorg te hebben voor het heil hunner onsterfelijke ziel.

In den grond is heel de strijd der sociaal-democratie evenals die der vrijzinnigheid niets anders dan een anti-christelijke strijd. Op den bodem van elke wetenschap ligt de Theologie, ook van de sociologische wetenschap. Het ongeloof is de wortel, waarop vrijzinnigheid en sociaal-democratie stoelen; revolutie, opstand tegen God en Zijn Gezalfde, is beider vrucht.

Daarom is de haat dan ook zoo fel van 't socialisme tegen den levenden God. Op treffende wijze is dit verklaard door Sertillanges in zijn werkje „Nos luttes”, „Onze worstelingen”. Hij spreekt daarin over den politieken strijd, den klassenstrijd en den Godsdienststrijd. Er is niets, zegt hij, wat de hartstochten zoo in beweging brengt als de politiek. De klassenstrijd kweekt daarbij haat. Nu zou men denken, dat de Godsdienst vrede zou brengen. Maar neen, zij brengt olie in 't vuur. Christus heeft gezegd, dat Hij gekomen is, om 't zwaard te brengen op de aarde, en de tegenpartij voelt in de partij van den levenden God de scherpte van Christus' zwaard. (Sertillanges, Nos luttes, bladz. 137 en 138).

Onwillekeurig komen de scherpste partijen 't meest tegenover elkander te staan. De middenpartijen vallen weg. Het scherp gekleurde komt op den voorgrond.

Alzoo is dan ook nu reeds vervuld, wat ik reeds voor jaren in mijn „Calvinisme en Socialisme” opperde, dat in Nederland de groote strijd om de leiding der geesten in de toekomst zou gestreden worden tusschen Calvinisme en Socialisme.

Wie zal in die worsteling triomfeeren? O zoo gemakkelijk kon 't Calvinisme overwinnen, wanneer 't één was!

Maar helaas, hoeveel soorten van gereformeerden zijn er niet! Er zijn Gereformeerden A en B, Christelijk-Gereformeerden, oud-Gereformeerden, de mannen van den Gereformeerden Bond, voorts die van de Confessioneele Vereeniging.

Welk een kracht zou er van 't Calvinisme in ons vaderland uitgaan, wanneer al deze Gereformeerden eens werkelijk één waren!

Maar dit worden ze toch nooit, hoor ik zeggen. Ziet maar eens, hoe scherp ze tegenover elkander staan! De één wil nog gereformeerder zijn dan de ander; dezen worden nooit één.

Wie durft dat beweren?

Gelooven wij dan niet meer in den Heiligen Geest?

Werkt Gods Geest niet meer in Gods volk?

Werkt Hij de gemeenschap der heiligen niet meer?

Wie dat wilde beweren, randde daarmede de eere en het werk des Heiligen Geestes aan!

Vereeniging van de partijen in de Ned. Herv. Kerk is een onmogelijkheid. Vereeniging van alle Gereformeerden is mogelijk, en noodzakelijk. Gods eere eischt, de nood der tijden vordert 't.

O wat zou 't Calvinisme ten onzent in ontwikkeling voortschrijden, wanneer deze vereeniging eens tot stand kwam! Dan werd ons land waarlijk als een stad op een berg!

Komt, Geliefden, sturen we dan daarop aan, in gebed, in omgang, in arbeid!

Maar ik moet eindigen. Mijn brief is reeds veel te lang. Het is ook een onderwerp, dat mij reeds lang bezighield. Ik verheug mij, dat ik, wat mij vervult, nog eens heb mogen uitspreken.

Weest tezamen den Heere bevolen. Gedenkt in uwe gebeden

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 17 Maart 1914.

Geliefde gemeente!

Zoo zijn wij dan Woensdag den 11en Maart wederom gegaan naar Heidelberg, de oude hoofdstad van 't oude keurvorstendom de Paltz; thans een stad van den tweeden rang in 't groothertogdom Baden, maar als universiteitsstad en als een der centra van de hedendaagsche cultuur geenszins de minste onder de dochteren van Duitschland.

Voor mij is Heidelberg de stad van Czerny en Werner, van 't Samariterhaus, van 't kankerinstituut.

Hoe gaarne ik anders steeds naar Heidelberg ga, ditmaal had ik zeer tegen de reis opgezien.

De laatste veertien dagen had ik thuis bijna niet geslapen, en ieder die weet wat slapelooze nachten zijn, kent ook hunne verschrikkingen, en weet hoe ze doen afnemen in krachten.

Toch waren niet alle slapelooze nachten even donker en bang. Wanneer de Heere 't mij gaf, mij in de stilte van den nacht diep onder Zijne kastijdende hand te verootmoedigen;—wanneer Hij 't mij gaf dan aldus in mijn binnenste te spreken:

„Heere, Gij zijt rechtvaardig en heilig, ik ben boos en onrein! Gij doet geen onrecht, Uwe zware kastijding is zoo volkomen rechtvaardig! Maar bij U, Heere, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt! Dit hebt Gij getoond in de overgave van Uwen lieven Zoon, opdat Hij onze zonden zou dragen, en onze krankheden op Zich zou nemen! Ach, Heere, neem dan om 't lijden en de gehoorzaamheid van Uwen lieven Zoon deze krankheid weg, en laat Uwe genade bij mij blijven. Ach Heere, ontferm U om Jezus' wille over mijn arme vrouw, over mijn arme kinderen, over mijn ouden vader, over allen, die mij lief en dierbaar zijn! Heere, wees mij genadig en genees mij! Gij hebt mij beloofd, voor mij te zullen zorgen. Gij hebt tot hiertoe deze belofte zoo lieflijk vervuld. Ach, wil Gij nu Uwe weldadigheid en trouw verheerlijken in de zorg voor mijn volkomen genezing! Ik vraag niet te veel, Heere! Gij zijt de Machtige, die spreekt en het is er. Gij hebt de middelen reeds geschonken. Nu hangt alles nog aan Uwen zegen. Ach Heere, spreekt het genadewoord, het wonderwoord, het machtwoord van zegen over de middelen, en ik zal genezen! Maar hebt Gij in Uw Raad vastgesteld, mij nu door den dood weg te nemen, ach geef mij dan genade, dat mijn wil lieflijk verslonden zij in Uwen wil, en geef mij dan door 't geloof een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Behaagt 't U nog jaren tot mijne levensdagen toe te voegen, geef mij dan in een Christelijk leven en in Christelijken arbeid hier op aarde reeds te blinken als een parel aan de Middelaarskroon van Jezus!”

Zie, wanneer ik zóó in de stilte van den nacht mijn gebed mag opheffen tot den Heere, dan rijst in den slapeloozen nacht de ééne ster der hope na de andere aan den hemel, de hope op de eeuwige goederen, de hope op aardsche zegeningen. De slapelooze nachten zijn dan niet lang en donker meer, maar nachten vol van sterren, die mij 't woord bij Jesaja in de herinnering roepen, 't machtige, 't aangrijpende, 't bezielende woord in Jesaja 40, waar de Heere tot Israël spreekt:

„Heft uwe oogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze allen bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.

„Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij?

„Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.

„De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;

„Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet moede, zij zullen wandelen en niet mat worden.”

Zulke nachtelijke bezoeken van den Heere vielen dan wel als een verkwikkende dauw op de ziel; maar mijn kracht is geen steenen kracht, en door de slapeloosheid verminderde ik zeer, zoodat ik meer dan anders tegen de lange reis opzag.

Hoe zwaar de Heere echter ook kastijdt, Hij doet 't altijd op een vaderlijke wijze, en doet in 't midden der beproeving Zijne trouwe goedheid aan de ziel merken. Zóó deed Hij ook aan mij. Wonder, den nacht vóór mijn vertrek, sliep ik bijna den geheelen nacht rustig door. Door dit blijk van Gods lieve goedheid verrast, ging ik nu vol moed op reis, en nooit heb ik haar zoo gemakkelijk volbracht als ditmaal. Zelfs 't eind tusschen Nijmegen en Keulen, dat lange eind zonder eenig natuur-décor, viel mij niet zoo lang als anders. Van Keulen gingen we weer voort, den Rijn langs. Ontslagen van zijn winterboei, stroomde de Rijn ditmaal niet langs, maar ver buiten zijn boorden. Overal stonden heele strooken land diep onder water, en vele villa's moesten met de schuit benaderd worden.

Schier even frisch als toen we op reis gingen, kwamen we 's avonds te acht ure behouden te Heidelberg aan.

Den volgenden morgen ging ik natuurlijk dadelijk weer naar 't Samariterhaus. Prof. Werner was met vacantie afwezig. Z.Exc. Czerny onderzocht mij derhalve alleen, en deed 't zeer nauwkeurig. Ook nu weer constateerde hij grooten uitwendigen vooruitgang, maar moest er helaas bijvoegen, dat de tong nog steeds dik blijft. Hij bepaalde, dat ik twee heele en twee halve dagen met radium moest worden bestraald. Zaterdag had de eerste bestraling plaats. Maar wie beschrijft onze teleurstelling, onmiddellijk na de eerste bestraling: in den nacht van Zaterdag op Zondag, werd mijn tong nog dikker. Dit was de pijnlijkste tegenslag, dien ik gedurende deze zware krankheid heb gehad. Mijn vrouw en ik hadden den ganschen nacht bijna niet geslapen. Hoe vermoeid we 's morgens ook waren, toch besloten we naar de kerk te gaan, en troost in Gods huis te gaan zoeken. En we deden 't niet tevergeefs!

Hoe heerlijk hebben we gekerkt!

Dat begon al met 't lieflijk gezang:

Lasset uns mit Jesu ziehen, Seinem Vorbild folgen nach, In der Welt, der Welt entfliehen, Auf der Bahn, die Er uns brach, Immerfort zum Himmel reisen, Irdisch noch, schon himmlisch sein. Glauben recht, und leben rein In der Lieb' den Glauben weisen! Treuer Jesu, bleib bei mir; Geh voran, ich folge dir! Lasset uns mit Jesu leiden, Seinem Vorbild werden gleich! Nach dem Leide folgen Freuden, Armut hier macht droben reich, Tränensaat die erntet Wonne, Hoffnung tröstet mit Geduld, Denn es scheint durch Gottes Huld Nach dem Regen bald die Sonne. Jesu, hier leid ich mit dir Dar teil deine Freud mit mir!

Dat is:

Laat ons met Jezus trekken, Zijn voorbeeld gelijkvormig worden, In de wereld, de wereld ontvluchten; Op de baan, die Hij ons brak, Altijd voort ten hemel reizen, Schoon aardsch, toch reeds hemelsch zijn. Recht gelooven, zuiver leven, In de liefde 't geloof bewijzen! Trouwe Jezus, blijf bij mij; Ga mij voor, opdat 'k U volg. Laat ons met Jezus lijden, Zijn voorbeeld gelijkvormig worden! Na het leed volgt de vreugde, Armoe hier, maakt boven rijk, Tranenzaad oogst hemelblijdschap, Hoop troost ons met geduld, Want door Gods goedheid Schijnt na den regen weêr de zon. Jezus, hier lijd ik met u, Deel boven mij Uw vreugde mede!

Daarna hoorden we een kostelijke preek over Jezus' verhoor bij Annas, uit Johannes 18: 12–24.

Wat hebben wij dien morgen gehoord? Zijn onze zinnen door een welsprekende rede betooverd? Neen! Is ons denken verdiept, onze kennis vermeerderd? Neen! Wij hoorden een eenvoudige Evangelieprediking; maar konden zeggen: „Wij hebben Jezus gezien!”

De prediker schetste eerst kort maar oordeelkundig 't lijden voor Annas. Daarna sprak hij over de kenosis of de zelfontlediging van den Heiland, die de legioenen engelen in den hemel liet, en deze bende niet wegvaagde; maar alles leed om onze zonde. Zoo baande hij zich den weg om Jezus in Zijn zoete beminnelijkheid als Heilborg van zondaren voor te stellen. Aan de enkele personen, die den Heere hier deden lijden, ontleende hij dan ook de stof om aan te wijzen, voor welke zonden Jezus hier betaalde.

Ten slotte zongen wij nog:

Eines wünsch' ich mir vor allem andern, Eine Speise früh und spät; Selig läszts im Tranental sich wandern, Wenn dies Eine mit uns geht: Unverrückt auf einen Mann zu schauen, Der mit blut'gem Schweisz und Todesgrauen Auf sein Antlitz niedersank Und den Kelch des Vaters trank.

Dat is:

Eén ding wensch ik mij boven alle andere, Eéne spijze vroeg en laat; Zalig kan men door 't tranendal wandelen, Wanneer dit ééne met ons gaat: Onverwrikt op éénen Man te zien, Die met bloedig zweet en doodsbenauwdheid Op Zijn aangezicht nederzonk, En den kelk des Vaders dronk.

Als geheel andere menschen verlieten we de kerk. We hadden den Heere ontmoet, en waren in Hem gesterkt.

Vol moed ging ik dan ook Maandagmorgen weer naar 't Samariterhaus, Dinsdag eveneens. Het is nu Dinsdagavond, terwijl ik dit schrijf, en ik heb nu twee dagen achtereen een bestraling gehad van negen uren daags. Zegene de Heere deze middelen! Geve Hij ons bovenal een hart, dat volkomen berust in Zijn heiligen wil. Hoe 't ook ga. Hij maakt 't immers met de Zijnen altijd goed.

Weest, geliefden, dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 30 Maart 1914.

Geliefde gemeente!

Sedert ik u de laatste maal uit Heidelberg schreef, is er zeer veel geschied. De Heere heeft mij van dag tot dag zwaarder beproefd, maar ook van dag tot dag krachtiger vertroost. Van slapen was in de laatste weken geen sprake meer; overdag kon ik soms een weinig soezen. Toch heb ik de radium-bestraling nog goed doorgemaakt. Daarna zouden de Röntgen-bestralingen beginnen. Daarvoor was ik echter te zwak. De doctoren raadden mij aan, naar huis te gaan. 21 Maart gingen we op reis. Behouden kwamen we 's avonds aan. Mijn vrouw waakte na de lange reis dienzelfden nacht nog bij mij. Dit kon echter zoo niet langer. Zondagavond 22 Maart ben ik naar het St. Elisabethsgasthuis alhier gegaan. Daar ben ik nu nog, en moet hier morgen een operatie ondergaan. Na dien tijd zal ik te bed moeten liggen. Ondanks groote lichaamszwakte poog ik u heden te schrijven, om u te doen weten, wat mijn hart vervult.

Ik heb telkens gedacht aan Job, tot wien ook bode na bode, ongeluk meldend, kwam. Ik heb gedacht aan 't groote doel van 't lijden der vromen, zooals dit in Job wordt voorgesteld. En ik ben zeer versterkt geworden.

Ook het boek Job behandelt het probleem van 't lijden der vromen, en beziet dit van een bepaalden kant. Het stelt als hoogste doeleinde van het lijden der godzaligen: de verheerlijking Gods en de beschaming des Satans.

Gaan we den inhoud van 't boek Job maar even na.

Satan verschijnt in de vergadering der kinderen Gods. Verwonderen we ons daarover niet. Hij komt ook in de samenkomsten van Gods volk, waar de gemeente met den Heere vergadert.

De Heere Zelf prijst Jobs godsvrucht, Satan dingt daarop af. Ook daarover behoeven we ons niet te verbazen. Satan is de verklager der broederen, de kritische geest, de geest, die graag zaken doet, en daarom den ander den voet licht. Zoo doet Satan tegenover Job. Hij stelt Job voor als iemand, die slechts uit loonzucht God dient. Natuurlijk. Satan kent niet de zaligheid van Azaf, die te midden der zwaarste beproevingen zingt: „Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!” Er moet dus wat achter zitten, wanneer Job zoo getrouw God dient, en dat is de zucht naar loon.

Hiermede beleedigt Satan Job. Bovenal tast Satan echter Gods eere aan. Satan bedoelt te zeggen: „Gij, o God, zijt niet zoo vol van majesteit en beminnelijkheid, dat Gij om Uzelven zoudt worden gediend. Kon ik, Satan, maar één gulden meer geven dan Gij, o God, dan had ik Job en allen aan mijn snoer. 't Blinkende goud, dat is de ware majesteit en beminnelijkheid.”

Nu volgt de ontwikkeling van 't ontzaglijkst drama.

Op één dag, van vee, van goed, van kinderen beroofd, zit Job op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Valt hij van God af? Neen! Hij spreekt de heerlijke woorden: „De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd.”

Satan heeft derhalve zijn doel niet bereikt. Nogmaals komt hij in de vergadering der kinderen Gods. Nogmaals randt hij Jobs eere en daarmede Gods eere aan. „Job is in zijn lichaam nog ongedeerd gebleven; anders zou hij Gods Naam wel hebben gevloekt”, meent Satan.

Nu geeft de Heere Job een wijle over aan Satan. Hij mag met hem doen, wat hij wil; alléén hij moet Jobs leven verschoonen.

Nu wordt Job met een vreeselijke melaatschheid geslagen. Hij heeft nacht noch dag rust.

Jobs huisvrouw, in plaats van hem te troosten, port hem aan, om nu maar een einde aan zijn leven te maken.

Voor Jobs vrouw heeft Job alléén beteekenis, zoolang hij groot en rijk is. Zij gelijkt de vrouw van een Indisch ambtenaar, van wie 't volgende wordt verhaald. Bij de landing te Priok, de havenplaats van Batavia, valt haar man te water. „O, mijn traktement, mijn traktement!” schreeuwt zij luid op den oever. Gelukkig werd de drenkeling weer op 't droge gebracht en was haar traktement behouden.

Zoolang Job goed en rijk was, kleeft Jobs vrouw hem aan. Thans, nu hij van de zonnige hoogten van 't geluk in de afgrondskolken der ellende is neergestort, wil zij liever van hem af. Zij is een dienares van de grootschheid des levens, de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches, een echt Satanskind. „Zegen God, en sterf!” zegt, zij tot Job. „Zouden wij het goede van God ontvangen, en zouden wij het kwade niet ontvangen?” zegt Job.

Wederom is Satan beschaamd.

Thans komt evenwel nog de zwaarste beproeving. Jobs drie vrienden, Elifaz, Bildad en Zofar komen uit 't verre Oosten om hem in zijn lijden te bezoeken. Ternauwernood hebben zij hem uit de verte gezien, of zij verstommen van verschrikking; zeven dagen en zeven nachten zitten zij neer om Jobs lijden te beweenen.

Niet één hunner staat echter op om hem de hand te gaan drukken. Het staat immers wel bij hen vast, dat een verborgen kwaad Job moet aankleven, en dat de Heere hem daarvoor nu komt ontmaskeren. Daarover zullen zij eerst met hem spreken. En dat zal wel goed uitkomen. Job vreest God, en zal wel in de schuld vallen. Maar dit moet dan ook geschieden, zal er van vergeving en genezing voor hem sprake kunnen zijn. En aangezien zij zijne vrienden zijn, zijn zij de aangewezen personen om hem daarover ernstig te onderhouden.

Welk een beproeving voor Job!

Hij erkent zijne zonde en schuld. Hij belijdt, dat hij een onreine is. Maar hij ontkent, dat eenig verborgen kwaad hem aankleeft, waardoor hij zich dezer zware straffe heeft waandig gemaakt.

Diep in zijn eer aangerand, vervloekt Job nu den dag zijner geboorte.

De volgende hoofdstukken bevatten dan de twistgesprekken tusschen Job en zijn vrienden, waarin hij zijn zakelijke gerechtigheid handhaaft.

In het 32e hoofdstuk treedt een ander spreker op. Elíhu, die een nieuw licht werpt op de rampen der vromen. Hij ontwikkelt de waarheid, dat de Heere zijn volk beproeft om hen te louteren.

Maar de eigenlijke oplossing van 't groote probleem van de rampen der godvruchtigen geeft de Heere Zèlf. In de hoofdstukken 38 en 41 treedt Hij Zelf op.*) Hij verschijnt in een onweder, in al de verhevenheid Zijner majesteit. Hij treedt met Job in gesprek over de wonderen der schepping. En nu zinkt Job neer voor des Heeren Majesteit en Beminnelijkheid. Nu spreekt Job de gedenkwaardige woorden: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog; daarom verfoei ik mij, en heb berouw in stof en asch.” Job begrijpt Gods wegen niet, maar ziet Gods heerlijkheid, en zinkt in aanbidding voor Zijn Majesteit neder.

Nu is God verheerlijkt.

Nu is de Satan geheel vernederd.

Ziehier één der gewichtigste doeleinden van de rampen der godzaligen: Tegenover heel de wereld moet blijken, dat de vromen vasthouden aan hun God, door welke diepe wegen die God hen ook leidt!

Dit is ook voor mij thans de oplossing van den raadselachtigen weg, dien de Heere met mij houdt.

Inderdaad, 't is een weg vol van vragen. Waarom dit? Waarom dat? Volgens de Schrift is 't leven van wie God vreest, als een boom, geplant aan waterbeken; maar de weg der goddeloozen als 't kaf, dat de wind henendrijft. In de werkelijkheid zien we 't vaak zoo gansch anders. David vlucht; Saul behoudt 't veld. Elia zwerft in de woestijn; Achab zit op den troon. Johannes sterft in den kerker; Herodes zwelgt in weelde. De één gaat arbeiden in 't Koninkrijk Gods, en onspoed is slechts zijn deel. De ander onderneemt slechts een tijdelijke zaak, en de zon van voorspoed beschijnt zijn weg. Hoevele vragen liggen in al deze verschillende feiten!

Ook ik gevoel dit diep in mijn geval. Maar met het licht, dat het boek van Job in mijne ziel doet vallen, is zij Gode niet alleen stil; neen, zij jubelt hoog in God over de genade en de eere, geroepen te worden tot de verheerlijking Gods in den weg des lijdens! Geroepen te worden tot beschaming van Satan; door het midden van de zware beproevingen des levens te jubelen in de zaligheid, die daar ligt in 't woord: „Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!”

En nu ten slotte, ik dank den Heere, dat Hij mij de krachten gaf, dit nog eens uit te spreken. Hij blijve mij de genade verleenen, Zijnen grooten Naam te prijzen, hoe alles verder ook ga! Hij geve mij, dat mijn wil lieflijk verslonden blijve in Zijn wil! Hij geve mij eindelijk, zij 't ook na veel lijden, om den wille van Christus' lijden en gehoorzaamheid, een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Welk een vergoeding zal dit zijn! In de eeuwigheid is alles vervulling zonder eenig gemis. Daar wordt de hoogste bestemming bereikt, en eerst recht gevoeld, wat leven is, en wat 't is, beelddrager Gods te zijn!

Mocht dit mijn laatste brief aan u zijn, geliefde gemeente, dan tot weerziens aan die zalige plaats!

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

P.S. Den dichter uit Sassenheim mijn diepgevoelden dank.

Amersfoort, 7 April 1914.

Geliefde gemeente!

Ook thans poog ik een schrijven aan u saam te stellen.

Het roemend, zoowel als 't klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Dit biedt ge mij steeds. Nooit behoef ik in mijn „Gethsémané” te zeggen: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken?” Uwe belangstelling is beschamend! Daarom span ik mij gaarne wat in om u, geliefde gemeente, te melden waarnaar gij verlangend uitziet.

31 Maart ben ik dan aan de keel geopereerd geworden.

De bedoeling dezer operatie was om een buis aan te leggen in de keel, den loop der adem daardoor vrij te maken tegenover de verdikking van de tong en tegenover de slijmvorming in den mond, en mij op deze wijze nachtrust te bezorgen. Het is dus wat de geneesheeren noemen, een palliatieve, een verlichtende operatie.

Met 't uitzicht daarop liet ik mij met vroolijken moed naar de operatiekamer voeren. In dezen ben ik mijzelven een raadsel. Evenals alle menschen ben ik steeds met operatievrees bezet geweest. De Heere heeft die vrees echter geheel weggenomen.

In de dagen vóór de operatie sterkte ik mij maar weer in den 91en psalm: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.”

Gelukkig, er is voor Gods volk een schuilplaats in allen nood. Zie 't in Noachs historie! In Davids leven! In 't leven van heel de kerk!

En wat is die schuilplaats veilig! Ze is de schuilplaats des Allerhoogsten! Gods gemeente is met Christus in den hemel gezet. In beginsel is zij met Paulus opgetrokken in den derden hemel.

O wat voelde ik mij daar volkomen veilig! Ik was volkomen verzekerd, dat geen kwaad mij kon overkomen.

En hoe was ik daar gekomen, in die schuilplaats!

O wonder, o wonder, o wonder van genade! De Heere heeft naar mij willen omzien, en mij in Jezus aangezien. Ach wie ben ik altijd geweest! De Heere is de eerste geweest om mij te trekken, om mij met 't geloof te begaven, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen, om mij te verlossen en mij een schuilplaats te geven. De overdenking daarvan vervulde mijn hart met aanbidding van Gods heerlijke, vrije genade.

„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.” Den nacht zijner beproeving zal hij doorbrengen in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den Almachtige, Die kan en wil helpen.

Dit heb ik bij deze operatie weer ondervonden.

's Middags te drie uur werd ik naar de operatiekamer gebracht, waar vier doctoren en drie pleegzusters mij wachtten. Ik werd gelukkig niet weggemaakt. Dit geschiedt bij deze operatie, geloof ik, nooit. Het is ook niet noodig. Het gevoel, dat men aan uw keel kerft, nu en dan wat weeë pijn, dit moge u wat aangrijpen; maar dat is ook alles. Ongelukkig was de buis wat groot, en 't gat te klein gemaakt. Daardoor moest men opnieuw aan 't snijden en knippen. Ik maakte mij echter allerminst onrustig. Ik nam gedurende de heele operatie de toevlucht tot Jezus' lijden, en stelde mij voor oogen, wat Hij heeft geleden om onze zonden. O onvergetelijke ure! Hij sterkte mij krachtig. Vroolijk had ik mij neergelegd. Vroolijk mocht ik oprijzen, nadat de operatie, die ruim een half uur duurde, was afgeloopen.

Het doel, dat er mee beoogd werd, is volkomen bereikt.

De verlichting is groot.

O, heerlijke nachten van verkwikkenden slaap, die ik nu mag genieten!

Soli Deo Gloria! Gode alleen zij de eere!

Meer schrijf ik thans niet.

Ik moet vanmiddag weer verbonden worden. Ook dit is zeer pijnlijk, en ik moet daarvoor mijn krachten sparen.

Hartelijk gegroet, geliefde gemeente! Weest allen den Heere bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 15 April 1914.

Geliefde gemeente!

Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van 31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel lijden. Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.

Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de heerlijke Paaschdagen.

In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den Heiland.

Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht aan 't eerste kruiswoord: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden, door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods. Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden: „Het is volbracht!” Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't, wat Paulus schreef:

„Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!”

Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.

Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.

Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der Schrift:

„Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af.”

Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt. Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw, treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haar heerlijkheid heeft haar waarde voor haar verloren.

Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.

Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.

Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.

Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke wereld?

Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.

Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.

Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.

Zij bracht mij rijke vertroosting.

Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.

Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.

O, hoe goed is de Heere voor mij!

Hier eindig ik. Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 22 April 1914.

Geliefde gemeente!

Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen? Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en—goed bestel.

Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des Heeren souvereinen wil.

De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste aller gedachten. Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.

Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten. „Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen,” is 't woord, dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog!” Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. „Hij is de pottebakker, en wij zijn het leem,” is de grondgedachte van zijn geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond heeft gesteld.

Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.

O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:

„De Heere is mijn Herder, Mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen In grazige weiden; Hij voert mij zachtkens Aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziele; Hij leidt mij In 't spoor der gerechtigheid Om Zijns Naams wil. Al ging ik ook In een dal der schaduwe des doods, Ik zoude geen kwaad vreezen; Want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, Die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe Voor mijn aangezicht, Gij maakt mijn hoofd vet met olie, Tegenover mijn tegenpartijders; Mijn beker is overvloeiende! Immers zullen mij Het goede en de weldadigheid volgen Alle dagen mijns levens; En ik zal in het Huis des Heeren blijven Tot in lengte van dagen.”

O, wonder van vertroosting!

Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.

Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat uitgedrukt.

Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk! Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen, Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk, Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen; Ik telde ze af, en heb met eigen hand, Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen. Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge, Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn; Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijn Zal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen. Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft, Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofd Aan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen. Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt, Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt? Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schoot De smart vertrouwt van uwer zorgen nood, Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen: „Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen”.

Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.

Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 29 April 1914.

Geliefde gemeente!

Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga. Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.

Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart. Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheid mij in de stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de angsten van het geweten mij achtervolgen?

Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.

Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer. Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die komen zou, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die gekomen is.

In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den Vader.

En hier houd ik even stil!

Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?

Was ik een Obadja, een Jozef?

Helaas neen.

De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.

Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.

Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de verzenen tegen de prikkelen.

Het was een kruisweg op mijn leven.

Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.

Ik koos den anderen.

De Heere kwam voor mij staan: „Wilt ook gij niet heengaan?”

Ik antwoordde: „Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens.” Dit was de eerste besliste keuze.

Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien dominé hebben!

De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.

Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.

Hij teekende den tollenaar.

Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.

Daarna sprak Hij van den Voorspraak.

„De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit het vuur gerukt?”

Ja, zoo was 't.

Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit het vuur gerukt!

Die tekst is mij altijd bijgebleven.

Ik lag in de zonde.

De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: „Nu zal ik voor u zorgen!”

Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.

O, wonderdoende Zaligmaker!

O, wonderzoete Jezus!

Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.

Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.

Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!

En komt de ure aan des doods:

Jezus, Uw verzoenend sterven Blijft het rustpunt van mijn hart, Als wij alles, alles derven, Blijft Uw liefd' ons bij in smart. Och, wanneer mijn oog eens breekt, 't Angstig doodzweet van mij leekt, Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke, En mijn schuld voor God bedekke.

Dien heerlijken Naam bevolen door

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings