DE BRIEVEN VAN JERUSHA ABBOTT AAN MIJNHEER VADERTJE LANGBEEN.
Reading edition
215 Fergussen Hall.
24 September.
Lieve, vriendelijke Regent-die-Vondelingen-naar-College-stuurt!
Hier ben ik nu! Gisteren heb ik vier heele uren in den trein gezeten. Een typisch gevoel is dat, hè? Ik was er vroeger nog nooit in geweest.
College is de grootste inrichting, die je je kunt voorstellen! Ik verdwaal gewoonweg als ik even mijn kamer uitga! Als ik me een beetje minder door elkaar gerammeld gevoel, zal ik u later een heel nauwkeurige beschrijving geven en dan zal ik u ook van alles over mijn lessen vertellen. Die beginnen pas Maandagmorgen en het is nu Zaterdagavond, maar ik wou u zoo graag dadelijk mijn eersten brief schrijven, alleen maar, om gauw met u bekend te raken.
't Is toch gek om brieven te schrijven aan iemand, die je heelemaal niet kent en voor mij is het toch al erg vreemd om te schrijven. Denk eens aan, ik heb er in mijn heele leventje pas drie of vier geschreven. Erger u er dus alsjeblieft maar niet over, wanneer dit niet precies een model-brief wordt!
Voordat ik gisteren eindelijk vertrok, heb ik nog een heel ernstig gesprek met Juffrouw Lippett gehad. Ze zei me voor de duizendste maal nog eens precies hoe ik me nu gedurende de rest van mijn leven moest gedragen en vooral schreef ze me nog eens uitdrukkelijk mijn gedrag voor, tegenover den vriendelijken heer die zooveel voor me doet. Ik moest er altijd aan denken, Heel Eerbiedig aan hem te schrijven!
Maar hoe kan ik nu in 's hemelsnaam heel eerbiedig zijn (eigenlijk weer met twee hoofdletters) tegenover een man, die zich John Smith wenscht te noemen! Hoe kwam u er eigenlijk toe, zoo'n alledaagschen naam uit te pikken? Ik zou net zoo goed brieven aan Mijnheer Hitching Post of Mijnheer Clothes-Prop kunnen schrijven.
Ik heb dezen zomer heel veel aan u gedacht. Nu ik eindelijk iemand heb gevonden, die werkelijk belang in me stelt, heb ik het gevoel, alsof ik zoo opeens een heele familie heb gekregen, het is net, alsof ik nu ook bij iemand hoor. O, het is een zalig gevoel! Toch moet ik eerlijk opbiechten, dat ik het erg vervelend vind dat ik zoo verschrikkelijk weinig van u weet. Kijk, daar zijn alleen maar drie dingen, waarop ik mijn verbeelding voortbouw:
I. U is groot.
II. U is rijk.
III. U hebt het land aan meisjes.
Ik zou u wel Lieve Mijnheer Meisjes-Hater kunnen noemen, maar dat is toch nogal beleedigend voor mij. Of Lieve Mijnheer Rijkaard, maar dat is weer beleedigend voor u, want dan lijkt het wel of uw geld het belangrijkste van u is. En daarbij is rijk zijn zoo iets wisselvalligs. Misschien blijft u niet eens uw heele leven rijk, een massa heel knappe menschen eindigen hun leven in Wall Street. Maar lang zult u wel uw heele leven blijven en daarom heb ik besloten U mijn Lieve Mijnheer Langbeen of wel Vadertje Langbeen te doopen. Ik hoop, dat u het niet erg zult vinden, het is een eigen naampje voor mij alleen. We zullen het niet aan Juffrouw Lippett vertellen.
Over twee minuten zal de tien uur bel geluid worden. Ons heele leven is hier door bellen ingedeeld: wij eten, slapen en studeeren volgens bellen. Vroolijk, hè? Ik voel me den heelen dag als een vurig, steigerend paard. Daar gaat het licht al uit! Goeden nacht!
Let u wel op, hoe netjes ik hier gehoorzaam? Dat komt door de training in het John Grier Home.
Met verschuldigden eerbied, Hoogachtend, Uw Jerusha Abbott.
Aan den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.
1 October.
Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Ik houd van College en houd van jou, omdat ik door jou hier gekomen ben. Ik ben heel, heel gelukkig en overdag zoo opgewonden, dat ik 's nachts bijna niet slapen kan. Je kunt je niet voorstellen, wat een verschil het leven hier is met dat in het John Grier Home. Zelfs in mijn droomen heb ik me zoo'n leventje niet kunnen voorstellen! Zeg Vadertje, ik heb medelijden met iedereen, die geen meisje is en die dus hier niet kan komen, want ik weet heel zeker, dat het op College, waar jij geweest bent toen je nog jong was, niet half zoo prettig kan geweest zijn als hier bij ons.
Mijn kamer is in een toren en toen het nieuwe ziekenhuis nog niet gebouwd was, werd ze voor de besmettelijke zieken gebruikt. Er slapen nog drie andere meisjes op dezelfde verdieping als ik: een Senior (studente van het vierde jaar), met een bril op, die ons vraagt, toch alsjeblieft wat kalmer te zijn, en dan nog twee groentjes, Sallie McBride en Julia Rutledge Pendleton. Sallie heeft rood haar en een wipneus en ze is heel aardig, Julia behoort tot een van de eerste families in New-York en heeft het tot nu toe beneden haar waardigheid gevonden, eenige notitie van mijn persoontje te nemen. Die twee wonen samen op éen kamer, en de oudere studente en ik hebben ieder een kamer voor ons alleen. Gewoonlijk krijgen nieuwelingen geen kamer alleen, er zijn er maar heel enkelen, die dat hebben, maar ik kreeg er dadelijk een, zonder dat ik er om gevraagd had. Ik denk, dat de registerbewaarder het niet over zich kon verkrijgen een fatsoenlijk grootgebracht meisje te verzoeken om samen met een vondeling op éen kamer te wonen. Dat is tenminste nog een voordeeltje!
Mijn kamer ligt op het Noordwesten en heeft twee ramen. Wanneer je 18 jaar lang met twintig anderen op éen zaal hebt geleefd, is het heerlijk rustig, eindelijk eens alleen te zijn. Ik geloof, dat dit het eerste gansje is, dat ik kreeg door de kennismaking met Jerusha Abbott en ik geloof heusch, dat ik nog eens van haar ga houden ook.
Hou jij ook een beetje van haar?
Dinsdag.
Ze zijn bezig het Korfbal-twaalftal van de Groentjes samen te stellen en ik geloof wel, dat ik kans heb er in te komen. Ik ben natuurlijk wel erg klein, maar toch verbazend vlug en lenig. Wanneer de anderen allemaal in de lucht springen om den bal te vangen, kan ik onder hun voeten grabbelen en den bal op rapen. O, het is éénig 's middags daar buiten op het veld! De bladeren zijn nu alle rood, bruin en geel, er is en heerlijke, frissche lucht en wij lachen en schateren en hebben eeuwig pret! Ik heb nog nooit zulke gelukkige meisjes gezien en ik ben nog de allergelukkigste van allemaal!
Ik wou je eigenlijk een heel langen brief schrijven en je over alles vertellen, wat ik nu leer (Juffrouw Lippett zei, dat je dat weten moest), maar het heeft net zeven uur geslagen en over 10 minuten moet ik in mijn sportpak op het korfbalveld zijn. Zeg, hoop jij ook zoo, dat ik in het twaalftal kom?
P.S. (9 uur). Sallie McBride stak net haar hoofd door de deur. Weet je, wat ze zei? „Ik heb zoo'n heimwee, dat ik het niet meer kan uithouden. Heb jij ook zoo'n verlangen naar huis?”
Ik lachte een beetje en zei, dat ik er niet zoo'n erge last van had. Ik dacht, dat ik er wel doorheen zou komen.
Heimwee is tenminste een kwaal, waar ik geen last van zal hebben. Ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die heimwee naar het Vondelingengesticht had, jij wel?
10 October.
Lieve Mijnheer Langbeen,
Heb jij ooit van Michael Angelo gehoord?
Hij was een beroemd schilder, die in de Middeleeuwen in Italië leefde. Iedereen in de Engelsche letterkunde-les scheen hem te kennen en zij lachten mij allemaal uit omdat ik dacht, dat het een aartsengel was. Maar het klinkt ook net als de naam van een aartsengel, nietwaar? Zieje, Vadertje, dat is heel lastig hier op College. Ze verwachten van me, dat ik een heele massa dingen weet, waarvan ik nog nooit gehoord heb. Ik ben er in het eerst vreeselijk verlegen mee geweest, maar nu luister ik goed wanneer de anderen over dingen spreken, waarvan ik niets weet, en dan zoek ik ze later in de encyclopaedie op.
Den eersten dag maakte ik een vreeselijke stomme fout. Iemand had het over Maurice Maeterlinck en toen vroeg ik of dat ook een nieuweling was. Die mop is nu in de heele universiteit bekend. Maar het doet er niets toe: in de klas ben ik even knap als de anderen en zelfs nog knapper dan sommigen.
Wil je weten hoe ik mijn kamer heb ingericht? Het is alles in bruin en geel gehouden. De muur was geel geverfd en nu heb ik geel linnen gordijnen en kussens gekocht en een mahoniehouten schrijftafel (tweede hands voor $ 3.—) en een rieten makkelijken stoel en een bruin karpet met een inktmop er midden in. Nu zet ik mijn stoel net op die mop.
De vensters zijn heel hoog van den grond en wanneer je gewoon op de stoel zit, kun je niet naar buiten kijken. Maar nu heb ik mijn lessenaar bij het raam gezet en ga ik daarop zitten. Dat gaat heel gemakkelijk. Ik schuif maar de la's uit en klim erop als bij een trap.
Sallie McBride hielp mij die dingen koopen op een veiling die de Seniors (vierde jaars studenten) hielden. Zij heeft haar heele leven in een huis gewoond en weet dus precies hoe je een kamer moet inrichten. O Vadertje Langbeen, je kunt je heusch niet voorstellen hoe leuk dat is, een winkel binnen te gaan en dan met een echt vijfdollars banknootje te betalen en dan nog geld terug te krijgen. Dat weet je alleen wanneer je je heele leven nooit meer dan een paar centen je eigendom hebt kunnen noemen. Ik stel je zakgeld erg op prijs.
Sallie is het aardigste meisje dat ik ken en Julia Rutledge Pendleton het vervelendste. Toch vreemd, dat de registerbewaarder zulke tegenstrijdige karakters op één kamer brengt. Sallie vindt alles even leuk en prettig, en Julia heeft aan alles even erg het land. Weet je waarom? Ze vindt dat alleen het feit dat ze een Pendleton is, haar het recht geeft zonder eenige moeite in den Hemel te komen. Zij en ik zijn geboren om vijandinnen te worden.
Je bent zeker erg ongeduldig, omdat ik je nog nooit verteld heb wat we hier allemaal leeren. Luister:
I. Latijn: Tweede Punische Oorlog. Hannibal overnachtte gisteravond met zijn leger aan het Trasimeensche meer. Zij gaan in een hinderlaag liggen en om 4 uur vanmorgen had het gevecht tusschen hen en de Romeinen plaats. De Romeinen delven het onderspit.
II. Fransch: 24 bladzij's uit „Les trois Mousquetaires” en de onregelmatige werkwoorden van de derde klas.
III. Meetkunde: Met de Cylinders zijn we klaar, nu komen de Kegels.
IV. Engelsch: Wij moeten de tentoonstelling beschrijven. Mijn stijl wordt van dag tot dag beter en ik schrijf nu veel pittiger.
V. Menschkunde: Het verteringsproces hebben we gehad. Den volgenden keer beginnen we aan de gal en de klieren.
Dag,
Je, met kennis volgepropte, Jerusha Abbott.
P.S. Ik hoop, dat je nooit alcohol drinkt, Vadertje Langbeen? Het zou vreeselijk slecht voor je lever zijn.
Woensdag.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Ik heb mijn naam veranderd!
In de lijst der studenten sta ik nog heel deftig als Jerusha aangegeven maar overal elders heet ik nu Judy. Het is toch eigenlijk naar dat je jezelf een lievelingsnaam moet geven, maar ik heb hem toch niet heelemaal zelf bedacht. Freddie Perkins noemde me zoo, toen hij nog niet goed kon praten.
Ik wou dat die Juffrouw Lippett zich een beetje meer moeite gaf om aardige namen voor ons uit te zoeken. De achternamen haalt ze uit het telefoonboek—als je het openslaat, zul je Abbott op de eerste bladzij vinden—en de voornamen pikt ze overal uit op. Jerusha heeft ze eens op een grafsteen gelezen. O, ik had toch altijd zoo het land aan dien afschuwelijken naam! Maar Judy vind ik wel aardig. Weet je, het past eigenlijk heelemaal niet bij mij; een lief klein kindje met zonnige, blauwe oogen moest zoo heeten, een, dat door de heele familie vertroeteld en geknuffeld wordt en zonder eenige moeite zijn weg in het leven vindt. Zou het niet heerlijk zijn ook zoo'n kind te wezen? Ik mag een heeleboel fouten hebben, maar dat kan niemand mij verwijten, dat ik door mijn familie bedorven ben. Ik vind het prettig om me voor te stellen, dat ze het wèl gedaan hebben! Doe me een plezier en noem me in het vervolg nooit anders dan Judy, wil je?
Wil je nog meer van me weten? Ik heb drie paar glacés. Ik heb wel eens met Kerstmis wollen wanten gekregen, maar nog nooit echte handschoenen met vijf vingers. En dan glacés! Is het geen rijkdom? Lach niet, ik moet je nog iets biechten. Ik trek ze elk oogenblik uit en aan en vind het alleen maar doodjammer, dat ik ze niet in de klas kan dragen!
(Daar luidt de etensbel. Dag!).
Vrijdag.
O Vadertje Langbeen, ik heb je zoo iets prettigs te vertellen! De Engelsche leerares zei, dat mijn laatste opstel veel oorspronkelijke gedachten inhoudt. Dat zei ze woordelijk, zeg! Je kunt het haast niet gelooven, hè, als je denkt aan het leven, dat ik achttien heele jaren heb moeten leiden. Zooals je wel weet (en zeker ook van harte goedkeurt) is het doel van het John Grier Home om 97 vondelingen in 97 gelijk- en gelijkvormige kinderen te herscheppen.
Ja, van mijn buitengewonen teekenaanleg gaf ik al in mijn prilste jeugd blijk, getuige de vele spotprentjes op Juffrouw Lippett op de deur van de loods.
Ik hoop dat ik je niet kwets, wanneer ik het instituut zoo bekritiseer. Je weet wel, dat jij de grootste macht in handen hebt, want als je me al te brutaal vindt, kun je altijd een eind aan mijn maandgeld maken. Het is niet erg beleefd dat ik dat zeg, hè Vadertje, maar hoe kun je ook van mij manieren verwachten: een vondelingengesticht is nu eenmaal geen jongedameskostschool.
Zeg, weet je, het is niet het werk dat me hier zwaar valt, het moeilijkste is voor mij onze vrije tijd. Ik weet haast nooit waar de meisjes het over hebben. Hun grappen schijnen op dingen betrekking te hebben, die iedereen behalve ik hier weet. Ik ben een vreemde eend in de bijt en versta hun taal niet. O, het is een ellendig gevoel en ik heb het mijn heele leven gehad. Op de middelbare school stonden de meisjes in groepjes bij elkaar en keken naar mij. Ik was altijd alleen en heel anders dan de anderen en iedereen vond me gek. Ik voelde „John Grier Home” op mijn voorhoofd branden. Een paar, die medelijden met me hadden, kwamen dan wel eens naar me toe en zeiden iets tegen me. O, ik had het land aan iedereen, maar nog het allermeest aan die medelijdende schapen.

VONDELINGEN TYPE van achteren van voren
Niemand weet hier, dat ik uit een vondelingengesticht kom. Ik vertelde Sallie McBride, dat mijn ouders gestorven waren en dat een lieve, oude heer mij naar College had gestuurd. En dat is tot zoover ook heelemaal waar. Denk nu alsjeblieft niet dat ik laf ben, maar begrijp dan toch, Vadertje, ik wou zoo graag net als de andere meisjes zijn en dat ellendige gesticht zou nog mijn heele leven kunnen bederven. Daardoor alleen ben ik anders dan gewone meisjes, maar als ik dit huis den rug toe draai en er nooit meer aan denk dan geloof ik, dat ik nog net zoo als de anderen kan worden. Want ik geloof toch niet dat er een werkelijk bestaand verschil tusschen ons is. Jij wel?
In elk geval houdt Sallie McBride toch van mij!
Dag Vadertje, hartelijke groeten van
Judy Abbott. (Née Jerusha).
Zaterdagmorgen.
Ik lees zoo net mijn brief van gisteren over. Hij is niet erg aardig, wel? Maar begrijp je dan ook niet, dat ik van morgen over een te voren opgegeven onderwerp moet spreken en repetitie meetkunde heb, terwijl het met dat al nog vreeselijk koud is bovendien?
Zondag.
Ik vergat mijn brief gisteren te posten en wil er nu nog even een verontwaardigd P.S. bijschrijven. Vanmorgen preekte een bisschop hier en waarover denk je wel dat hij het had?
„De schoonste belofte in den Bijbel is deze: „De armen zult gij altijd bij u hebben”. De armen zijn hier op aarde opdat wij barmhartigheid zullen leeren”.
Luister goed dan zul je begrijpen, dat de armen als zoo'n soort nuttig huisdier in de wereld dienst doen. Wanneer ik hier niet een volmaakte lady moest wezen zou ik na den dienst naar hem toegegaan zijn en hem eens flink hebben verteld, hoe ik daarover wel dacht.

Judy op het Korfbalveld
25 October.
Lieve Vadertje Langbeen,
Ik ben in het Korfbal twaalftal en ik wou dat je de rozet op mijn linkerschouder eens kon zien. Ze is blauw met bruin en binnen in een klein oranje knoopje. Julia Pendleton wilde ook in het twaalftal komen, maar ze kwam er lekker niet in. Hoera!
Nu zie je eens, wat een min schepseltje ik ben.
O, ik vind het hier hoe langer hoe prettiger. Ik houd van de meisjes en de leeraressen en de lessen en de openluchtspelen en ook van het eten, dat we hier krijgen. Zeg, we krijgen twee keer in de week roomijs en nooit meer maismeelpap. Je wou eigenlijk maar één keer in de maand van me hooren, is het niet, en ik overstroom je elk oogenblik met mijn brieven. Maar denk eens aan, Vadertje, wat heb ik niet veel nieuws beleefd in dien korten tijd! Ik ben zoo opgewonden, dat ik er wel met iemand over moet spreken en jij bent de eenige dien ik ken. Erger je dus maar niet als ik het je zoo erg vaak lastig maak. Ik zal wel gauw weer tot bedaren komen en als mijn geschrijf je verveelt, wel, dan kun je mijn brieven altijd verscheuren en ze in je papiermand gooien. Ik beloof je plechtig, je nu niet meer te schrijven voor midden November.
Dag, Je kleine babbelzieke Judy Abbott.
15 November.
Lieve Vadertje Langbeen,
Luister eens naar wat ik vandaag weer heb geleerd:
De ruimte van de bolle oppervlakte van de kegels van een regelmatige pyramide is het halve product van de som van den omtrek van zijn basis en de hoogte van elk van zijn trapeziums.
Het klinkt niet erg waarschijnlijk, maar het is tòch zoo en ik kan het bewijzen ook.
Ik heb nog nooit over mijn kleeren gesproken, wel Vadertje? Nu, hoor dan eens:
Ik heb zes japonnen, allemaal nieuw en mooi en extra voor mij gekocht en niet eerst voor een ander, die er nu uitgegroeid is. Misschien begrijp je niet eens, wat voor een punt van belang dat wel in het leven van een John Grier-Home-kind uitmaakt. Ik heb ze alle zes van jou gekregen en ik ben er je heel, heel dankbaar voor. Het is een zalig gevoel een goede opleiding te krijgen maar toch is het niets, vergeleken bij het overstelpend genot, de eigenares van zes nieuwe japonnen te zijn. Juffrouw Pritchard, die zooals je weet een geregelde bezoekster van het J. G. H. is, heeft ze voor me uitgezocht—gelukkig niet Juffrouw Lippett! Ik heb een avondjapon, zacht roze voile op roze zijde gewerkt (als ik die aan heb, ben ik heusch mooi) en een blauwe japon om naar de kerk te gaan en een japon voor 's avonds aan tafel, roode voile met een mooie Liberty rand (net een Zigeunermeisje is kleine Judy dan) en weer een andere met een roze zijden ceintuur en een grijs mantelcostuum en een daagsche japon om onder de les te dragen. Julia Rutledge Pendleton zou het niet veel bijzonders vinden, maar voor Jerusha Abbott is het een schat!
Nu denk je zeker: wat is ze toch een dom, frivool klein ding en waarvoor heb ik haar nu eigenlijk naar College gestuurd.
Maar kijk eens, Vadertje, als je, zooals ik, je heele leven lang geruite katoenen jurken hebt moeten dragen, zou je wel kunnen begrijpen wat ik nu voel. En toen ik naar de middelbare school ging, brak er voor mij een nog veel erger tijd aan dan die met de geruite jurken.
Toen kreeg ik de afleggers van de kinderen uit mijn klas.
O, je weet niet hoe vreeselijk ik het vond in die afleggertjes op school te komen! Ik was er zeker van, dat ik in de klas naast het meisje moest zitten, dat mijn kleeren eerst had opgedragen en ik voelde, dat ze zou gaan gichelen en fluisteren en ginnegappen met de anderen en er pret over zou maken. Het was zoo vernederend, de afgedragen kleeren van die nesten te moeten dragen, waaraan je zoo het land hebt, en het toch niet anders te kunnen! Al kon ik mijn heele verdere leven zijden kousen dragen, dan zou dat toch niet het verdriet uitwisschen, dat ik toen op school heb geleden!
Laatste oorlogsbulletin!! Nieuws van het slagveld!
Bij de vierde rondte op Donderdag 13 November dreef Hannibal de voorhoede der Romeinen op de vlucht en leidde de Carthagers over de bergen in de vlakte van Casilinum. Een krijgsbende van licht gewapende Numidiërs kwam in botsing met het voetvolk van Quintus Fabius Maximus. Twee veldslagen en een kleine schermutseling. Na zware verliezen trokken de Romeinen zich terug.
Met de meeste hoogachting, teeken ik
J. Abbott,
uw speciale correspondent van de voorhoede.
P.S. Ik weet, dat ik geen antwoord op mijn brieven mag verwachten en ze hebben me ook genoeg gewaarschuwd, dat ik je niet met vragen mag lastig vallen. Maar één ding zou ik toch zoo graag willen weten. Zeg Vadertje, ben je vreeselijk oud of maar een béétje oud. En ben je heelemaal kaal of heb je alleen maar een klein maantje? Het is zoo vreeselijk vervelend als ik aan jou als aan iets wezenloos moet denken, net zooals aan een theorieregel in de meetkunde.
Gegeven: Een groote, rijke man, die aan meisjes het land heeft maar heel edelmoedig is voor een brutaal klein ding.
Gevraagd: Hoe ziet hij er uit?
Antwoord s. v. p.

19 December.
Lieve Vadertje Langbeen,
Je hebt nog altijd niet op mijn vraag geantwoord en toch was die van groot belang.
Ben je kaal?
Ik heb bij me zelf nog eens overdacht, hoe je er wel uit moet zien en ik weet het nu precies. Maar als ik den kruin van je hoofd bereik, is mijn heele kennis uitgeput. Het maakt me radeloos! Ik kan maar niet uitmaken of je sneeuwwit haar hebt of wel ravenzwarte lokken of peper-en-zout of wel heelemaal niets.
Hier heb je je portret.
Maar nu de hoofdzaak: moet ik er nog wat haar opplakken?
Wil je weten wat voor kleur oogen je hebt? Ze zijn grijs en je wenkbrauwen steken als luifels naar voren (in romans spreken ze altijd van dreigende, zwarte wenkbrauwen maar ik vind dat niet leuk), je mond vormt een rechte, besliste lijn, bij de mondhoeken trekt die heel even spottend naar beneden. Zie je wel, dat ik je ken? Je bent een scherpe, oude heer, toch heel aardig, maar je hebt een lastig humeur.
(Daar gaat de bel. We moeten naar de kapel).
945 n. m.
Ik heb een vasten stelregel waarvan ik nooit wil afwijken: 's avonds studeer ik niet, onverschillig hoeveel opstellen we ook voor den volgenden dag hebben opgekregen. Dan lees ik alleen maar mooie boeken en ik heb een massa te lezen, want 18 lange jaren heb ik het niet kunnen doen. Je kunt je heusch niet voorstellen, wat een woestenij van onwetendheid er in mijn hersenen heerscht. Nu eerst krijg ik er zelf een flauw besef van. Van de dingen, die de meeste meisjes van een gewone familie met een eigen thuis en vrienden en een bibliotheek al van kind af aan weten, heb ik nog nooit gehoord.
Ik heb nog nooit „Moeder de Gans” gelezen of „David Copperfield” of „Ivanhoe” of „Asschepoes” of „Blauwbaard” of „Robinson Crusoe” of „Jane Eyre” of „Alice in Wonderland” of iets van Rudyard Kipling. Ik wist niet, dat Hendrik VIII meer dan eens getrouwd was en dat Shelley een dichter was. En nog veel minder, dat de menschen van de apen afstammen en dat het Paradijs maar een mooie mythe is. Ik wist niet, dat R.L.S. de afkorting van Robert Louis Stevenson is en dat George Eliot een vrouw was. Ik had nog nooit een afbeelding van de Mona Lisa gezien en (het is waar maar je zult het haast niet kunnen gelooven) ik had nog nooit van Sherlock Holmes gehoord.
Nu weet ik al die dingen en ook nog een heeleboel meer, maar nu zie je eens, hoe ik mijn best moet doen om dat alles in te halen. En is het niet grappig, ik verlang den heelen dag al naar den avond en dan hang ik een bordje met „Niet te spreken” op de deur en doe mijn mooie warm-roode kimono aan en mijn sandalen. Alle kussens worden op de sofa gegooid, de koperen studeerlamp bij mijn hoofd neergezet en dan ga ik lezen, lezen en nog eens lezen. Eén boek is nooit genoeg, ik heb er altijd vier tegelijk bij de hand. Op het oogenblik zijn dat Tennyson's gedichten, „Vanity Fair”, Kiplings „Plain Tales” en dan nog (lach niet) „Op eigen wieken” van Louise Alcott. Ik heb gemerkt, dat ik hier het eenige meisje ben, dat dat boek in zijn jeugd nog niet gelezen heeft. Ik heb het niemand verteld (dan zou ik dadelijk den naam krijgen van een vreemd kind) maar ik ging heel kalm de deur uit en kocht het boek voor $ 1.12 van mijn zakgeld van de laatste maand. En als er nu iemand een volgende keer over kleverige lemoenen spreekt, weet ik tenminste, wat ze er mee bedoelt.
(Daar heb je de 10-uur-bel. Deze brief is wel erg verward).
Zaterdag.
Mijnheer,
Hiermede heb ik de eer u mede te deelen, dat ik nieuwe ontdekkingen op het gebied van de meetkunde heb gedaan. Vrijdag l.l. hebben we ons werk over de parallelogrammen gestaakt en hetzelve bij de afgeknotte pyramides voortgezet. Wij vinden onzen studieweg hobbelig en zéér steil.
Zondag.
De volgende week begint de Kerstvacantie en wij hebben allen onze koffers voor den dag gehaald. De gangen staan er zoo propvol mee, dat je er haast niet door kunt en wij zijn allemaal zoo dol-opgewonden, dat we haast niet meer aan ons werk denken. Ik krijg beslist een heerlijken vacantietijd! Er is hier een andere nieuweling, die uit Texas komt en ook met de vacantie hier blijft en nu hebben wij afgesproken om samen lange wandelingen te maken en—als we ijs krijgen—te leeren schaatsenrijden! Dan is daar nog de heele bibliotheek en drie volle weken om te lezen!!
Dag, Vadertje, ik hoop dat jij je even blij voelt als ik me nu!
Altijd, Je Judy.
P.S. Vergeet vooral niet mijn vraag te beantwoorden! Als je het te lastig vindt om te schrijven, kun je je secretaris toch even laten telegrafeeren. B.v. Mijnheer Smith is heelemaal kaal, of: Mijnheer Smith is niet kaal, of: Mijnheer Smith heeft sneeuwwit haar, en het kwartje dat het telegram kost, mag je dan van mijn maandgeld afhouden.
Dàààg, tot Nieuwjaar! En prettige Kerstvacantie!
Aan het eind van de Kerstvacantie.
Datum weet ik niet.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Sneeuwt het ook zoo waar jij bent? Alles wat ik hier vanuit mijn toren zie, is wit, en groote sneeuwvlokken dwarrelen voortdurend naar beneden. Het is laat in den namiddag. De zon is juist ondergegaan en koud-gele strepen zijn achter de nog kouder lila heuvels zichtbaar. Ik zit hier in mijn raamzitje om bij het laatste daglicht nog aan jou te schrijven.
Je heerlijke vijf goudstukjes waren een verrassing! Ik ben er niet aan gewend met Kerstmis cadeaux te krijgen en jij hebt me al zóó veel gegeven—alles wat ik heb, komt van jou—dat ik zelf vind, dat ik eigenlijk niet nog iets extra's verdien. Maar het is toch heerlijk, dat je het me gestuurd hebt! Wil je weten, wat ik er voor gekocht heb?
I. Een zilveren horloge in een leeren riempje om aan mijn pols te dragen. Nu zal ik altijd wel op tijd op college komen.
II. De gedichten van Matthew Arnold.
III. Een nikkelen kruik.
IV. Een heerlijke warme reisdeken. (Het is vaak ijskoud in mijn toren).
V. 500 folio's geel papier. (Ik ben van plan nu gauw een schrijfster te worden, weet je).
VI. Een woordenboek van synoniemen. (Om de woordenschat van de schrijfster te vergrooten).
VII. (Eigenlijk heb ik niet veel lust om je ook dit laatste te bekennen, maar ik wil het toch niet voor je verzwijgen). Een paar zijden kousen.
En nu moet je nooit vertellen, dat ik niet alles, tot het laatste toe, opbiecht!
Het was een klein, flauw motief, dat me er toe bracht ook die zijden kousen te koopen. Luister maar! Julia Pendleton komt 's avonds in mijn kamer om met me meetkunde te doen en zit daar met gekruiste beenen op mijn sofa, opdat ik vooral toch maar haar zijden kousen zal zien. Maar nu komt de mop! Als zij nu weer terug komt, zal ik met gekruiste beenen op háár canapé gaan zitten en ook zijden kousen dragen! Nu zie je weer, Vadertje, wat Judy toch een kinderachtig schepseltje is, maar ik ben nu tenminste eerlijk geweest en je weet al door mijn John Grier Home rapport, dat dit vroeger niet altijd het geval was, herinner je je wel?
Om het in het kort nog eens samen te vatten (zoo begint onze Engelsche leerares ook elken nieuwen zin), ik ben heel, heel blij met mijn zeven cadeaux. Ik verbeeld me, dat alles in een groot pak van mijn familie in Canada is gekomen. Het horloge is van Vader, de reisdeken van Moeder (die is altijd bang, dat ik hier in dat kille klimaat kou zal vatten), de kruik van Grootmoeder, het gele papier van mijn kleine broertje Harry, Isabel, mijn zusje, gaf mij de zijden kousen en Tante Suze de gedichten van Matthew Arnold. Van Oom Harry (kleine Harry is zoo naar hem genoemd) komt het woordenboek. Eigenlijk wilde hij me chocolade sturen, maar ik vond het woordenboek veel nuttiger.
Je hebt er niets op tegen, is het wel, om zoo voor een heele familie te spelen?
Zal ik je nu eens iets over mijn vacantie vertellen, of kan alleen mijn werk je maar interesseeren?
Het meisje uit Texas heet Leonora Fenton, (haast net zoo'n gekke naam als Jerusha, vind je niet?) Ik houd wel van haar, maar niet zooveel als van Sallie McBride. En ik zal ook nooit zooveel van iemand gaan houden als van Sallie, behalve van jou natuurlijk. Van jou zal ik altijd het meeste houden, dat spreekt vanzelf, want jij bent mijn heele familie in één persoon.
Leonora en ik en twee tweede jaars studenten hebben elken mooien dag groote wandelingen gemaakt. Wij droegen voetvrije rokken, sweaters en gebreide mutsen en kleine wandelstokken voor de mop en hebben zoo den heelen omtrek doorkruist. Eens zijn we naar de stad gewandeld (dat was vier mijlen) en hebben daar gegeten in een restaurant, waar de studenten altijd heengaan. Eerst kreeft en vleesch (75 cent) en beschuit met bessensap toe (30 cent). Goedkoop en voedzaam!
Het was éénig leuk, vooral voor mij, omdat het zoo heel anders was dan in het gesticht. Vadertje, ik voel me nu nog elken keer weer als een vluchteling, wanneer ik Fergussen Hall verlaat. Voordat ik het zelf wist, had ik de anderen al over dat gevoel gesproken en ik kon me nog net bijtijds inhouden. Maar het valt me zoo vreeselijk moeilijk niet alles uit te flappen, wat me te binnenschiet. Ik ben van natuur een erg mededeelzaam zieltje en als ik jou niet had om alles te vertellen, mijn lieve Vadertje, dan geloof ik heusch, dat ik nog eens op een goeden dag zou barsten!
Verleden Vrijdag heeft de directie van Fergussen Hall aan alle achterblijfsters een caramelfuif aangeboden. Wij waren met ons tweeëntwintigen; groentjes en tweede-, derde- en vierdejaars, allen vreedzaam bijeen. De keuken is kolossaal groot met roodkoperen pannen en ketels op een rij aan den steenen muur. De kleinste ketel heeft nog veel van een stoomketel. Wij wonen hier met ons vierhonderden op Fergussen.
De chef-kok met een witte muts en schort kreeg nog 22 andere witte mutsen en schorten (ik begrijp niet waar hij die zoo vlug vandaan tooverde), en wij werden allen aan het werk gezet.
Het was éenig leuk, al hebben we wel eens betere caramels gegeten. Toen we klaar waren en wijzelf en de deurknoppen en alles in de keuken even vies en kleverig was, hebben we een processie georganiseerd en zijn we, met onze mutsen en schorten aan, elk met een groote vork, lepel of braadpan gewapend, door de gangen gemarcheerd naar de ontvangkamer, waar een half dozijn professoren en leeraressen rustig hun avond doorbrachten. Wij gaven een serenade met studentenliederen ten beste en boden hun verfrisschingen aan. Ze namen alles heel beleefd maar toch een beetje weifelend aan. Toen gingen wij weer naar onze kamers terug, en zwijgend en kleverig, op groote brokken caramel zuigend, bleven ze daar achter.

Nu zie je weer, Vadertje Langbeen, wat een welopgevoede dame ik hier nog eens zal worden.
Kijk eens naar deze penneschets. Geloof je niet werkelijk ook, dat ik een schilderes moest worden inplaats van een schrijfster?
Over twee dagen is de vacantie weer voorbij en dan zal ik alle meisjes weer hier zien. Nu is mijn toren wel een beetje eenzaam. Wanneer negen meisjes een huis bewonen, dat voor vierhonderd is gebouwd, kom je jezelf wel wat verlaten voor.
Elf bladzijden al! Arme lieveling, wat zul je moe zijn! Ik was eigenlijk van plan je alleen maar een kort bedankbriefje te schrijven, maar nu zie je, waartoe mijn schrijfsterstalent me niet al brengt!
Dag mijn oude, lieve Vadertje. Je bent een schat, dat je zoo aan me hebt gedacht. Ik zou volkomen gelukkig zijn, wanneer er niet een klein wolkje aan den hemel dreigde: in Februari beginnen de examens.
Dag lieveling, veel groeten van Judy.
P.S. Misschien vind je het niet erg comme il faut, dat ik je zoo maar „lieveling” noem. Neem het me niet kwalijk. Ik moet toch iemand op de wereld liefhebben en ik heb alleen maar Juffrouw Lippett en jou, dus snap je wel, Vadertje, dat ik wel van jou moet houden, want aan haar heb ik het land.
Even voor het examen.
Mijn lieve Vadertje Langbeen.
Je moest ons hier op College eens zien blokken! Wij hebben allemaal vergeten, dat er ook eens een vacantietijd bestond. In de laatste vier dagen alleen heb ik 75 onregelmatige werkwoorden in mijn arm hoofd gepompt—het is nu maar te hopen, dat die er tot na het examen in blijven!
Sommige meisjes verkoopen hunne leerboeken wanneer ze die niet meer noodig hebben, maar ik wil de mijne alle houden. Wanneer ik dan eindelijk heelemaal afgestudeerd ben, zal mijn heele opleiding in een rijtje in mijn boekenkast staan en als ik iets niet weet, kan ik het dadelijk opslaan. Dat is veel secuurder dan al die wijsheid te onthouden, (dat gaat toch niet!)
Julia Pendleton kwam vanavond even binnen om me een buurvisite te brengen. Ze bleef hier een flink uur plakken en had het natuurlijk over „Familie”. Ik kon maar niet van haar afkomen. Ze wilde met alle geweld weten, welke mijn Moeders meisjesnaam was. Heb je ooit zoo'n onmogelijke vraag gehoord aan iemand, die uit een vondelingengesticht komt? Ik dorst haar niet te bekennen, dat ik het niet wist en zei toen maar den eersten den besten naam, die me te binnen schoot en dat was Montgomery. Ze wilde toen weten of ik van de Montgomery's uit Massachusetts of wel van die uit Virginia afstamde.
Haar moeder was een Rutherford. Die familie is (dat spreekt van zelf) verbazend oud en nog door huwelijk aan Hendrik VIII verwant. Van haar Vaders kant stamt ze van nog vóór Adam's tijd. Op de bovenste takken van haar stamboom huist een superieur apengebroed met zacht, zijachtig haar en extra lange staarten.
Ik was van plan je vanavond een lieven, aardigen en geestigen brief te schrijven, maar ik ben werkelijk te slaperig en te dood op. Het lot van een eerstejaars studente is werkelijk niet op rozen gebed.
Je haast geëxamineerde Judy Abbott.
Zondag.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik heb allerafschuwelijkst nieuws voor je, maar ik zal niet dadelijk met de deur in huis vallen. Eerst moet ik probeeren je in een goed humeur te brengen.
Jerusha Abbott is haar schrijfstersloopbaan begonnen. Haar gedicht, getiteld „Uit mijn toren”, verschijnt in het tweede nummer van „De Maandelijksche” op de allereerste bladzij—een groote eer voor een eerste jaars. De Engelsche leerares hield me op weg naar de kapel even tegen en zei dat het een alleraardigst gedicht was. De zesde regel uitgezonderd, want die heeft te veel lettergrepen. Als je er iets om geeft, zal ik je er den volgenden keer een copie van sturen.
Wacht eens—heb ik niet nog iets aardigs om je te vertellen? O, ja, ik heb leeren schaatsenrijden en kan nu al heel alleen voortkrabbelen. En ik kan ook aan een touw van de zoldering van het gymnastieklokaal af naar beneden klauteren. En ik kan 1.50 M. hoog springen, misschien breng ik het nog wel tot twee Meter!
Van morgen preekte hier de bisschop van Alabama.
Prachtig! Zijn tekst was „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Hij wees er op, dat we niet zoo op gebreken van anderen moeten letten en ook de menschen niet mogen ontmoedigen met ons hard oordeel. Ik wou dat je er bij geweest was.
Vandaag is het de heerlijkste, zonnigste winterdag, die je je kunt voorstellen. IJskegels hangen aan de boomen en de heele wereld gaat onder een zware vracht sneeuw gebukt... behalve ik, want ik ga onder mijn groot verdriet gebukt.
Nu komt het nieuws! Vat moed, Judy, je moet het vertellen. Ben je nu heusch in een goed humeur?.... Ik ben voor Latijn en Meetkunde gezakt en moet nu de volgende maand herexamen doen. Ik vind het heel naar als je nu teleurgesteld bent, maar anders kan het me niet zooveel schelen, want ik heb een macht dingen geleerd, die niet op het programma staan. Hoor maar: ik heb 17 boeken gelezen en bundels gedichten, werkelijk heel goede boeken, zooals: „Vanity fair” en „Richard Feverel” en „Alice in Wonderland” en ook nog „Emerson's Essays” en het eerste deel van Gibbon's „Roman Empire” en de helft van Benvenuto Cellini's „Life”—interessant is dat, vind je ook niet? Hij had de gewoonte 's morgens rond te zwerven en bij gelegenheid eens een man te dooden, alles vóór zijn ontbijt.

NIEUWS van de MAAND
Judy leert schaatsen rijden en over een heele hoogte springen
Ook langs een touw naar beneden glijden
Rokken zijn lastig!
Ze krijgt twee herexamens en stort heete tranen
Maar ze gaat hard aan 't werk.
Dus nu zie je, dat ik nog knapper ben dan wanneer ik dat alles niet had gelezen en alleen maar door mijn Latijn was gekomen. Wil je het me dus dezen éénen keer vergeven wanneer ik je beloof nooit, nooit meer voor iets te zakken?
In zak en asch, Je Judy.
Lieve Vadertje Langbeen.
Vandaag krijg je een extra brief in het midden van de maand, want ik voel me zoo alleen en verlang er naar, je weer eens te schrijven. Het stormt buiten en het sneeuwt aanhoudend. Alle lichten in het gebouw zijn al uitgedraaid, maar ik heb sterke koffie gedronken en kan nu niet in slaap komen.
Ik heb vandaag Sallie en Julia en Leonora te soupeeren gevraagd. We hadden sardines en toast en sla, kaas en koffie. Julia zei, dat het heel gezellig geweest was, maar Sallie bleef nog hier om me te helpen opruimen.
Het zou heel geschikt zijn, als ik nu vannacht nog wat voor mijn Latijn ging werken, maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik daar heel weinig voor voel. We hebben Livius en De Senectute uit en ik ben nu met De Amicitia begonnen.
Vind je het goed als ik me (alleen maar voor een tijdje) voorstel, dat jij mijn grootmoeder bent? Sallie heeft er een en Julia en Leonora hebben er zelfs twee en ze spraken er vanavond alle drie over. Ik zou, geloof ik, niets zoo graag willen, als ook een eigen grootmoedertje te hebben. Dat is zoo'n lief, eerwaardig familielid. Dus, als je er werkelijk niets tegen hebt.... Toen ik gisteren in de stad was, zag ik er een met een allerdoddigst zwart kanten kapje met lila linten. Ik zal het jou dus geven met je 83sten verjaardag.
! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !
Dat is de klok van de kapel, die juist twaalf sloeg! Ik geloof, dat ik nu toch slaperig word.
Nacht Grootmoedertje! Ik houd heel veel van je.
Judy.
Midden Maart.
Lieve V.L.,
Ik ben druk bezig over mijn Latijn te blokken. Ik ben er mee bezig geweest, ik zal er mee bezig zijn, ik zal er gelukkig haast mee bezig geweest zijn. A.s. Dinsdag om 7 uur moet ik her-examen doen en ik zal er doorkomen of stralen. Je zult dus wel gauw weer van me hooren en als het eenmaal terecht is, zal ik je ook weer een behoorlijken brief kunnen schrijven. Vannacht moet ik me geheel aan den Ablativus Absolutus wijden.
In alle haast, je J. A.
26 Maart.
Den Heer V. L. Smith,
Mijnheer,
U hebt mij nog nooit op een enkelen vraag antwoord gegeven. U toont nooit de minste belangstelling in wat ik doe. U bent ongetwijfeld de allervervelendste van al die afschuwelijk-vervelende Regenten en dat U me hier een goede opleiding laat genieten, doet U niet, omdat U een steek om me geeft, maar vindt alleen zijn oorsprong in een zeker plichtsgevoel.
Ik weet absoluut niets omtrent u; ik ken zelfs uw naam niet. Ik twijfel er geen oogenblik aan of u gooit al mijn brieven in de prullemand zonder zelfs de moeite te nemen ze te openen. Van nu af aan zal ik u slechts over mijn werk schrijven.
Verleden week had ik her-examen voor Latijn en Meetkunde. Ik slaagde voor beide vakken.
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.
2 April.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Ik ben een Mispunt.
Vergeet alsjeblieft dien afschuwelijken brief, dien ik je verleden week zond. Ik voelde me dien nacht afschuwelijk verlaten en ellendig en ik had erge keelpijn. Ik wist het toen niet, maar mijne amandelen waren gezwollen en ik had influenza en nog een macht andere vervelende dingen.

Ik lig nu al zes dagen in het ziekenhuis en ik mag vandaag voor het eerst weer opzitten en aan jou schrijven. De hoofdverpleegster is heel, heel lief, maar ik heb den heelen tijd aan dien vervelenden brief moeten denken en ik zal niet beter worden, voordat ik er zeker van ben, dat je me vergeeft.
Hier zie je meteen hoe ik toegetakeld ben met dien dikken doek om mijn hoofd geknoopt! Heb je nu niet een beetje medelijden met me? Ik heb gezwollen amandelen. Ik heb nu al het heele jaar Menschkunde gehad en toch wist ik niets van die amandelen af. Wat is onze opvoeding toch oppervlakkig!
Ik kan nu niet verder schrijven, want ik word een beetje duizelig van het lange opzitten. Vergeef me, dat ik zoo ondankbaar en brutaal geweest ben. Ik ben èrg slecht opgevoed.
Je je liefhebbende
Judy Abbott.
In het Ziekenhuis.
4 April.
Liefste schat van een Vadertje Langbeen,
Toen ik gisteravond tegen donker in bed opzat, naar den regen keek en allerverschrikkelijkst het land had aan het leven hier in die groote inrichting, kwam de verpleegster met een lange witte doos, aan mij geadresseerd, die met de snoezigste rose rozenknopjes was gevuld. En wat nog veel aardiger was, er zat een kaartje binnen-in, waarop een paar vriendelijke zinnetjes met een grappig, stijl handje geschreven (maar toch toont je schrift veel karakter). Dank je lieveling, dank je heel, héél hartelijk. Dat is nu het eerste werkelijke cadeau, dat ik ooit in mijn leven heb gekregen. En zoo'n kleine baby ben ik nog, dat ik stil ging liggen en zachtjes huilde, omdat ik me zoo gelukkig voelde.
Nu ik zeker weet dat je mijn brieven wel leest, zal ik je in het vervolg nog veel meer vertellen en ze zoo interessant maken, dat je ze nog allemaal zult bewaren, met een rood zijden lintje er om heen gebonden. Maar neem alsjeblieft die ééne nare er uit en verbrand hem. Ik zou het ellendig vinden, als je die ooit weer eens te voorschijn haalde.
Dank je, Vadertje, dat je een zieke, knorrige en landerige eerste jaars zoo gelukkig hebt gemaakt. Je zult wel een groote familie hebben en een massa vrienden die van je houden, en je weet dus niet hoe ellendig het is, wanneer je je zoo vreeselijk verlaten voelt.
Dàg. Ik beloof je, nooit meer naar tegen je te zijn, omdat ik nu weet, dat je een werkelijk bestaand mensch bent en ik zal je ook nooit meer met vragen lastig vallen.
Altijd,
Je kleine Judy.
Maandag, 8 uur.
Lieve Vadertje Langbeen,
Je bent toch niet de regent geweest, die op die pad is gaan zitten? Ze vertelden me naderhand, dat die ongedeerd met een plof er onderuit sprong. Het zal dus wel bij een dikkeren regent gebeurd zijn, denk ik.
Herinner je je dat kleine holletje met tralies ervoor, bij het waschhuis van het John Grier Home? Elk voorjaar, wanneer de padden weer te voorschijn kwamen, maakten we jacht op ze en stopten dan heele benden in dat holletje. En af en toe sprongen ze er dan uit en kwamen ze ook in 't waschhuisje en brachten ons zoo wat afleiding op die vervelende waschdagen. We kregen dan natuurlijk allemaal erge straf maar toch konden we het nooit laten, die padden telkens en telkens weer te vangen.
En op een goeden dag (ik zal je maar niet met kleine bijzonderheden vervelen) maar in elk geval, toen kwam een van onze vetste padden in een van de groote leeren clubstoelen in de regentenkamer terecht. En dien middag op den Regentendag—maar ik hoef je niets verder te vertellen, want je bent er natuurlijk ook bij geweest en herinnert je nu zeker wel de rest.
Wanneer ik nu na langen tijd onpartijdig aan het geval terugdenk, moet ik eerlijk bekennen, dat onze straf verdiend was en—als ik me tenminste goed herinner—zelfs in evenredigheid met de zonde.
Ik weet niet, waarom ik juist vandaag zoo'n zin heb, al die oude herinneringen weer eens op te frisschen. Misschien roepen het voorjaar en de padden mijn ouden ondeugenden geest wakker. Alleen het feit, dat hier geen enkele regel ons verbiedt er een verzameling padden op na te houden, weerhoudt me, aan die lust toe te geven.
Na kerk, Donderdag.
Wat denk je wel, dat mijn lievelingsboek is? Op het oogenblik meen ik, want ik verander alle drie dagen. „Wuthering Heights!” Emily Brontë was nog heel jong toen ze het schreef, was zelfs nog nooit buiten het kerkhof van Haworth geweest. Ze had nog nooit in haar heele leven een man gekend. Hoe kon ze dan toch zoo'n man als Heathcliffe beschrijven?
Ik zou het niet kunnen. Soms ben ik op eens erg bang, dat ik heelemaal geen schrijfsterstalent heb. Zou je erg teleurgesteld zijn wanneer ik geen groote schrijfster werd? Nu het in het voorjaar zoo mooi wordt met al dat jonge groen en die zwellende knoppen, zou ik die boeken wel den rug willen toedraaien en naar buiten, in het veld, hollen. Daar kun je toch zoo'n macht avonturen beleven en het is veel leuker boeken te lezen dan ze te moeten schrijven!
O!!!!
Dat was een noodkreet, die Sallie en Julia en (o schrik!) zelfs de Senior vierde jaars, met den bril op, in mijn kamer deed stormen. Hij werd veroorzaakt door een ongedierte, dat er zoo uitzag:

Alleen nog wat griezeliger! Juist toen ik mijn laatsten zin af had en er over nadacht, wat ik je nu wel zou vertellen, viel dat dier, plof, op de bladzij naast me neer. Ik heb twee kopjes van de theetafel gegooid in mijn angst om weg te komen. Sallie smeet er met mijn haarborstel naar, (die zal ik nu nooit meer durven gebruiken) en doodde het kopstuk, maar het achtereind kronkelde over mijn schrijftafel weg en ontsnapte.
Door den klimop en omdat onze toren zoo oud is, wémelt het hier van duizendpooten. Ik vind het vreeselijke dieren, ik vond heusch nog liever een tijger onder mijn bed!
Vrijdag, 9.30 n.m.
Ik had vandaag toch zoo'n pechdag! Vanmorgen hoorde ik de bel niet en heb ik me verslapen. Ik trok mijn schoenveter stuk terwijl ik me in alle haast aankleedde en liet het knoopje van mijn boord in mijn hals glijden. Ik kwam te laat aan het ontbijt en ook op het eerste uur. Ik vergat mijn vloeipapier, en mijn vulpenhouder lekte. Onder de trigonometrie hadden de leerares en ik een klein meeningsverschil in verband met de logarithmen; ik heb de zaak nagegaan en zij had natuurlijk gelijk.
Bij de lunch hadden we gestoofd schapenvleesch en rijstenbrij. Ik heb aan alle twee het land—het ruikt naar het John Grier Home! Met de post kwamen er niets anders dan rekeningen voor me (hoewel ik moet bekennen, dat dit niets bijzonders is want er komt voor mij nooit iets anders: mijn familie houdt nu eenmaal niet van schrijven). Dan hadden we vandaag nog onverwachts een schrijfles. Kijk, dat moesten we overschrijven:
„I asked no other thing, No other was denied. I offered Being for it; The mighty Merchant smiled. Brazil? He twirled a button Without a glance my way: But, madam, is there nothing else That we can show to-day?”
Dat moet een gedicht voorstellen! Ik weet niet wie het in elkaar prutste en nog veel minder wat het beteekent! Toen we vanmorgen in de klas kwamen, stond het al op het bord en wij moesten het allemaal overschrijven. Na het eerste couplet dacht ik, dat ik het begreep. De machtige Koopman was een godheid, die zegeningen in ruil voor goede daden uitdeelde, maar toen ik bij het tweede couplet hoorde, dat hij een knoop ronddraaide, leek me dat wel een heel profane voorstelling en nu weet ik niet meer, wat ik er van denken moet. De anderen verkeerden in hetzelfde geval en zoo zaten we drie kwartier met een wit papier voor ons en een doezelig hoofd. Een goede opleiding te krijgen is toch soms een gruwelijk vervelend proces!
Maar daarmede was mijn pechdag nog niet teneinde. Er kwam nog iets veel ergers!
Het stortregende zoo, dat we geen golf konden spelen, maar naar het gymnastieklokaal moesten. Het meisje naast me sloeg me bij het schermen op mijn elleboog. Ik ging naar mijn kamer en zag daar, dat mijn nieuwe lichtblauwe voorjaarsjapon was gekomen. De rok is zoo verknipt, dat ik niet kan zitten. Vrijdags wordt hier schoongemaakt en de meid had alle papieren op mijn lessenaar door elkaar gesmeten. Voor dessert hadden we vanavond vanillevla, dat is melk en gelatine met wat vanillesuiker er bovenop. We moesten twintig minuten langer dan anders in de kerk blijven om er een preek over Vrouwelijke Vrouwen aan te hooren. En toen ik op mijn kamer eindelijk met een zucht van verlichting. „The Portrait of a Lady” van het rek haalde, kwam daar een kind, dat Ackerly heet, een dom schaapachtig wurm, dat met Latijn naast me zit omdat haar naam ook met A begint (Ik wou, dat Juffrouw Lippett me maar Zabriski had gedoopt). Ze vraagt me of de les voor Maandag bij Par. 69 of 70 begint en blijft me daar liefst een heel uur plakken. Nu net is ze weggegaan.
Heb je ooit zoo'n rits vervelende dingen bij elkaar gezien? Het zijn werkelijk niet de groote lasten in het leven, die veel van je karakter vergen. Iedereen kan een verpletterende tragedie met moed in de oogen zien, maar om de kleine onaangename dagelijksche ongelukjes met een glimlach over je heen te laten gaan—daar is heusch heel wat kracht voor noodig.
Zoo'n karakter zou ik wel willen hebben. Ik oefen me dagelijks. Dan stel ik me voor, dat het heele leven maar een spel is, dat je zoo handig en zoo mooi mogelijk moet spelen. Wanneer ik verlies, zal ik mijn schouders ophalen en lachen—en als ik win ook!
In elk geval wil ik me harden. Je zult me niet meer hooren klagen, hoor oude lieveling, wanneer Julia zijden kousen draagt en duizenden duizendpooten van den muur naar beneden vallen.
Altijd, Je Judy.
Antwoord me eens gauw.
27. Mei.
Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen.
WelEd. Heer,
Ik kwam in het bezit van een schrijven van Mejuffrouw Lippett, waarin deze den wensch uitspreekt, dat ik me goed gedraag en hard werk.
Daar ik dezen zomer hier niet blijven kan, mag ik gedurende dien tijd naar het gesticht terugkeeren en daar met werken mijn kost verdienen, totdat ik weer hier kan komen.
Ik haat het John Grier Home.
Ik ga liever dood dan nog eens daarin.
Met beleefde groeten,
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.
Cher Père-Jambes-Longues,
Vous êtes un éénige man!
Je suis très heureuse dat ik naar die boerderij mag, parce que je n'ai jamais geweest op een boerderij dans ma vie en ik zou het vreeselijk vinden om retourner chez John Grier en daar de vaten af te wasschen tout l'été. Ik ben heusch bang, dat er dan quelque chose affreuse zou gebeuren, parce que j'ai perdue ma humilité d'autrefois et j'ai peur dat ik op een goeden dag uit den band zou springen en alle borden en schotels dans la maison kapot zou smijten.
Pardon brièveté et papier. Je ne peux pas zenden des mes nouvelles, parce que je suis dans Fransche les et j'ai peur que Monsieur le Professeur me tout de suite een beurt zal geven.
Hij deed het werkelijk!
Au revoir.
Je vous aime beaucoup Judy.
30 Mei.
Lieve Vadertje Langbeen,
Ben je hier ooit vroeger wel eens geweest? (Dit is alleen maar een vraag om mijn brief in te leiden, je hoeft er niet op te antwoorden). Je kunt je in Mei niets mooiers voorstellen! Alle struiken dragen bloesems en alle boomen hebben satijnige groene blaadjes—zelfs de oude dennenboomen zien er nu nog jong en frisch uit. Het gras is met gele paardebloemen bezaaid en daartusschen loopen honderden meisjes in blauwe, witte en roze japonnetjes. Iedereen is even vroolijk en onbezorgd, want nu komt onze heerlijke vacantietijd en met dat vooruitzicht laten zelfs de examens ons koud.
Is het niet heerlijk, zoo tusschen allemaal vroolijke menschen te leven? En, o Vadertje, ik ben nog de vroolijkste en gelukkigste van allemaal, want ik hoef niet naar het gesticht en ik hoef ook niet in mijn vacantie de kindermeid of type-writester of boekhoudster van de een of andere rijke familie te zijn! (Ik had natuurlijk overal mijn kost dubbel en dwars moeten verdienen behalve bij jou).
Ik heb nu berouw over al mijn vroegere ondeugendheden.
Ik heb er berouw over, dat ik Freddie Perkins wel eens door elkaar rammelde.
Ik heb er berouw over, dat ik zoo vaak brutaal tegen Juffrouw Lippett was.
Ik heb er berouw over, dat ik het suikervaasje eens met zout heb gevuld.
Ik heb er berouw over, dat ik achter den rug van de regenten grimassen trok.
Ik wil nu tegenover iedereen vriendelijk en lief zijn, omdat ik zoo gelukkig ben. En dezen zomer zal ik gaan schrijven, om een beroemde schrijfster te worden. Heb ik nou geen prachtige plannen? O, je zult zien, dat ik nog eens een mooi karakter krijg, de thermometer daalt een beetje bij koud weer, maar bij zonneschijn stijgt hij voortdurend!
Dat is met iedereen zoo het geval. Ik ben het ook heelemaal niet eens met de menschen, die beweren, dat verdriet en teleurstellingen de zedelijke kracht sterken. Neen, het zijn de vroolijke menschen, die van zonnige vriendelijkheid overloopen. Ik heb geen vertrouwen in misanthropen. (Dat is netjes gezegd, hè?). Maar jij bent ook geen misanthroop, wel Vadertje?
O ja, dat is waar ook, ik wou je over College vertellen! Zeg, kan je niet eens hier komen? Ik zou je overal rond leiden en dan alles uitleggen: „Hier is de bibliotheek, daar ginds is het badhuis, dat Gothische gebouw aan je linkerhand is het gymnastieklokaal. Het Romaansche daarnaast is het nieuwe ziekenhuis”.
O, ik kan de menschen wàt goed rondleiden! Ik heb het mijn heele leven in het gesticht gedaan en ik doe het hier ook haast elken dag, werkelijk waar.

Laatst heb ik hier zelfs een Heer rondgeleid. Toen heb ik heel wat kunnen leeren, Vadertje, want ik heb nog nooit te voren zoo maar met een echten heer gesproken. (Behalve zoo af en toe met de Regenten en die tellen niet mee). O, pardon! 't Is niet mijn bedoeling je te beleedigen, wanneer ik zoo over de regenten spreek. Maar zie je, ik weet ook zeker, dat je daar ook eigenlijk niet tusschen hoort. Je bent er alleen maar toevallig tusschen verzeild geraakt. Want zie je, een echte regent is dik en opschepperig en welwillend en klopt je goedkeurend op je hoofd en draagt een zware horlogeketting.
Maar om nu op ons verhaal terug te komen:
Ik heb met een heer gewandeld en gepraat en thee gedronken en nog wel met een heel deftig heer uit een van de eerste families—met Mijnheer Jervis Pendleton uit de familie van Julia! Haar oom, in het kort (in het lang hoorde ik eigenlijk te zeggen, want hij is even groot als jij bent). Omdat hij toch voor zaken in onze buurt was, besloot hij ook even naar College over te wippen om zijn nichtjes daar te bezoeken. Hij is de jongste broer van Julia's vader, maar zij kent hem haast niet. Het schijnt, dat hij haar eens als baby heeft gezien, maar ik geloof niet, dat hij ooit van haar heeft gehouden of verder eenige notitie van haar heeft genomen.
In elk geval, hij zat daar heel correct in de ontvangkamer met zijn hoed en stok en handschoenen in de hand. En Julia en Sallie hadden om zeven uur les en konden zich daar niet van afmaken. Julia stormde dan ook mijn kamer binnen en vroeg me, om hem alles te laten zien en hem na zeven-uur-les weer bij haar af te leveren. Ik wilde het wel doen, hoewel ik er niet veel voor voelde, want ik geef niets om die Pendletons.
Maar bij nader inzien was het toch een geschikte baas. Hij is tenminste een menschelijk wezen—absoluut geen Pendleton. Wij hadden het erg prettig samen. Ik heb altijd naar een oom verlangd! Zeg, zou jij niet voor een tijdje mijn oom willen zijn? Ik geloof, dat ze nog aardiger zijn dan grootmoeders!
Mijnheer Pendleton deed mij wel een beetje aan jou denken, toen je nog twintig jaar jonger was. Je ziet, dat ik je heel intiem ken, al heb ik je ook nog nooit goed gezien!
Hij is lang en slank en heeft een bruin verbrand gezicht met besliste, scherp geteekende trekken. En dan kan hij zoo aardig lachen! Zijn mond lacht nooit heelemaal, de mondhoeken krullen alleen heel even naar boven! En hij heeft zoo iets over zich om je je dadelijk op je gemak te gevoelen. Het was net of ik hem al mijn heele leven had gekend en hij was ook erg kameraadschappelijk.
Ik heb hem alles laten zien, van den binnenhof af tot het sportveld toe. Toen zei hij, dat hij zich een beetje flauw ging voelen en wel graag thee wilde drinken. Hij zei, dat we maar naar het „College Café” moesten gaan—dat is vlak bij het dennenbosch. Ik vond, dat we eigenlijk terug moesten naar Julia en Sallie, maar hij zei, dat hij het beter vond, dat zijn nichtjes niet zooveel thee dronken. Daar zouden ze maar zenuwachtig van worden. Dus gingen we het Café binnen en gebruikten daar thee met toast en gelei en roomijs en cake aan een klein aardig tafeltje op het balcon. Het was er haast heelemaal leeg, want het loopt nu tegen het eind van de maand en dan is er nooit veel van ons maandgeld over.
O, we hebben toch zoo'n pret gehad! Hij moest naar den trein rennen om nog op tijd te komen en hij zag Julia haast heelemaal niet meer. Ze was woest, dat ik hem zoolang voor mezelf had gehouden! Het schijnt, dat hij een buitengewoon rijke oom is en heel lief kan zijn. Ik vind het heusch een verlichting, dat hij zoo rijk is, want onze thee heeft 60 cents per persoon gekost.
Van morgen (het is Maandag) kwamen er drie doozen chocola met de exprespost voor Julia, Sallie en mij. Hoe vind je dat? Leuk hè, om bonbons van een heer te krijgen!
Ik ga me nu heusch als een gewoon jong meisje voelen en niet meer als een vondeling.
Ik wou, dat je ook eens kwam en met me thee ging drinken. Dan kon ik zien of ik werkelijk zooveel van je kan houden. Maar het zou toch ook weer vreeselijk jammer zijn als ik dan niet meer van je hield! Nee, dat is onzin, ik weet heel zeker, dat ik dan nog veel meer van je ging houden.
Bien! Ik groet je heel hartelijk.
Jamais je ne t'oublierai, Judy.
P.S. Ik keek vanmorgen in den spiegel en ontdekte een heuschig kuiltje in mijn kin. Grappig hè? Waar zou dat zoo opeens vandaan komen?
9 Juni.
Mijn lieve, beste Vadertje Langbeen.
Het is vandaag een heerlijke dag. Ik ben juist door mijn laatste examen gekomen en wel in de physiologie. En nu:
Nu ga ik drie maanden naar een boerderij!
Ik weet heelemaal niet wat eigenlijk een boerderij voor een ding is. Ik ben er in mijn heele leven nog nooit in geweest. Ik heb er zelfs nog nooit een gezien (behalve uit het spoorraampje), maar ik weet zeker, dat het daar heerlijk is en ik er heel vrij zal zijn.
Ik ben er nog altijd niet aan gewend, dat ik nu van het John Grier Home verlost ben. Wanneer ik daar maar even aan terugdenk, voel ik koude rillingen over mijn rug loopen en dan zou ik wel hard willen weghollen en telkens omkijken, om te zien of Juffrouw Lippett nog niet vlak achter me is, om me met haar grijphanden mee te sleuren.
Ik hoef me dezen zomer gelukkig aan niemand te storen, niet waar?
Van jouw gezag heb ik niet de minste last, je bent veel te ver weg om me ook maar eenigszins in den weg te staan. Juffrouw Lippett is voor mij voor altijd dood en de Semples hoeven zeker geen toezicht over mijn zedelijk welzijn te houden. Neen, ik ben er zeker van, dat dat niet noodig is, want ik ben nu immers een groot jongmeisje. Hoera!
Ik moet je nu in den steek laten want ik moet mijn koffer pakken en nog drie kisten met theeketels en kopjes en schoteltjes en sofakussens en boeken vullen.
Altijd,
Je Judy.
P.S. Hier heb je mijn examenvragen voor Physiologie. Zou je denken dat jij er ook door was gekomen?
Lock Willow Farm.
Zaterdagnacht.
Liefste Vadertje Langbeen.

Ik ben juist hier aangekomen en ik heb mijn koffer nog niet uitgepakt, maar ik kan er toch niet mee wachten met je te schrijven. Ik moet je dadelijk vertellen hoe dolletjes ik het hier op de boerderij vind. Het is in één woord zalig. Kijk, het huis ziet er zoo uit: en het is oud, wel honderd jaar geloof ik! Het heeft een waranda aan den kant, dien ik niet kan teekenen en een aardige ingang van voren. Het is jammer, dat ik niet alles kan teekenen zooals het er werkelijk uitziet. Die dingen, die net speelgoedboompjes zijn, zijn eschdoorns en die prikkelige aan den oprijweg zijn poëtisch murmelende dennen en sparren. Het huis staat op den top van een heuvel en je kijkt mijlen ver weg over groene weilanden tot aan een andere heuvelrij.
De menschen, die hier wonen, zijn: de twee Semples, man en vrouw, en een boerenmeisje en twee boerenknechten. Die drie laatsten eten in de keuken en de twee Semples en Judy in de eetkamer. Wij hadden vanavond ham met eieren en honing en boterhammen met gelei en pudding en kaas en thee en we hebben een heeleboel samen afgepraat. Ik heb in mijn heele leven nog nooit zooveel gebabbeld! Alles, wat je hier ziet, is ook even grappig. Ik geloof dat ik dat alleen maar vind omdat ik nog nooit buiten geweest ben, en al mijn vragen komen uit een enorm groote onwetendheid voort.

De kamer met het kruisje is niet die, waar de moord is gepleegd, maar waar je kleine beschermeling slaapt. Zij (de kamer) is groot en vierkant en frisch en heeft eenige ouderwetsche meubels en langs het raam groeit een klimplant met gele bloemen, die er afvallen als je er even aan raakt. En in de kamer staat nog een groote vierkante mahoniehouten tafel. Daar zal ik dezen zomer met gefronst voorhoofd en mijn ellebogen onder mijn hoofd aan zitten en de eene novelle na de andere schrijven.
O lieveling, ik ben zoo opgewonden! Ik kan heelemaal niet wachten tot het eindelijk weer dag is! Het is nu half negen en ik zal dadelijk mijn kaars uitblazen en probeeren wat te slapen. Wij staan hier om vijf uur al op. Heb je ooit zoo iets grappigs gehoord? Ik kan werkelijk niet gelooven, dat ik nog dezelfde oude Judy ben. Jij en de goede God geven me veel meer dan me eigenlijk toekomt. Ik moet wel heel, heel goed zijn om het je ooit te vergelden. Maar ik ga mijn best doen. Je zult het zien.
Nacht Vadertje!
Je Judy.
P.S. Ik wou dat je die kikkers kon hooren kwaken en de varkens knorren. Je moet ook eens even naar de nieuwe maan kijken. Ik zag hem net van over mijn rechter schouder.
Lock Willow.
12 Juli.
Lieve Vadertje Langbeen.
Hoe wist je secretaris het adres van Lock Willow? (dit is geen rhetorische vraag, ik wil het vreeselijk graag weten). Luister eens, hoe grappig: de boerderij is het eigendom van mijnheer Jervis Pendleton, maar nu heeft hij haar aan de Semples gegeven, want Juffrouw Semple is zijn oude kindermeid. Heb je ooit van zoo'n typischen samenloop van omstandigheden gehoord? Ze noemen hem hier nog altijd „Jongeheer Jervie” en spreken over hem alsof hij nog altijd hetzelfde aardige jongetje van vroeger was gebleven. Zij hebben een van zijn babykrulletjes in een doosje bewaard en het is rood—tenminste een beetje roodblond.

Sedert ze weten dat ik hem ook ken, ben ik minstens 100% in hun achting gerezen, want een van de leden van de familie Pendleton te kennen, is de beste introductie voor Lock Willow en de beste van de heele familie is natuurlijk „Jongeheer Jervie”. Ik ben blij, dat Julia tot een van de minder geachte takken hoort!
Het leven wordt hier hoe langer hoe leuker. Gisteren heb ik op een hooiwagen gereden! Wij hebben hier drie groote, vette varkens en negen biggetjes en je moest ze eens zien slobberen! We hebben ook een macht baby-kuikentjes en eendjes en kalkoenen en paarlhoenders. De menschen die in de stad blijven, terwijl ze hier buiten konden wonen, zijn toch eigenlijk gek.
Mijn dagelijksche taak is, de eieren op te sporen. Ik viel gisteren van een balk in de schuur, toen ik probeerde naar een nest te kruipen, dat de zwarte hen had gestolen. En toen ik met een gekneusde knie in huis kwam, heeft juffrouw Semple er een verband met zalf om heen gedaan, en weet je, wat ze zei: „Ach lieve deugd, het lijkt wel gisteren, dat Jongeheer Jervie van dienzelfden balk viel en ook zijn rechterknie bezeerde!” Aardige oude vrouw, hé?
De omstreken zijn hier prachtig. Er is een vallei en een rivier en heel veel begroeide heuvels en heelemaal in de verte verrijst een éénig mooie berg. Ik zou die graag eens willen beklimmen.
Twee keer in de week karnen we, en de room bewaren we in de steenen schuur. Sommige boeren hier hebben een speciale separator voor het karnen, maar wij houden niet van die nieuwe ideeën. Het is misschien wel wat omslachtiger zooals wij het doen maar de boter is zooveel te beter. Wij hebben zes kalveren.
1. Sylvia. Omdat ze in het bosch geboren is. 2. Lesbia. Naar de Lesbia in Catullus. 3. Sallie. 4. Julia-a. Een gek, niet te beschrijven dier. 5. Judy. Naar mij. 6. Vadertje Langbeen. Je bent er niet boos om, wel lieveling? Het is een volbloed Jersey en hij ziet er heel lief uit. Kijk maar hierboven.
Zie je wel, dat de naam erg goed gekozen is?
Ik heb tot nog toe geen tijd gehad om aan mijn onsterfelijke novelle te beginnen. Wij hebben het daarvoor veel te druk.
Dàg, veel groeten van
Judy.
P.S. Ik heb pannekoeken-bakken geleerd.
P.S. (2) Wanneer je misschien van plan bent kuikens te koopen, moet je Buff Orpingtons nemen. Dat is een goed ras.
P.S. (3) Ik wou, dat ik je wat van die heerlijke versche boter kon sturen, die ik van morgen zelf heb gekarnd. Ik ben een uitstekende melkmeid.

Buttercup Daisy Birdie Bess Spotty
Koeien drijven kan ik niet
P.S. (4) Dit is het portret van Mejuffrouw Jerusha Abbott, de toekomstige groote schrijfster, bezig de koeien naar den stal te drijven.
Zondag.
Lieve Vadertje Langbeen.
Is dat niet leuk? Gisterenmiddag wou ik aan je schrijven, maar ik kwam niet verder dan tot het „Lieve Vadertje Langbeen” want het schoot me opeens te binnen, dat ik beloofd had, wat boschbessen voor het avondeten te plukken. En dus liep ik weg en liet mijn papier op tafel liggen. En wat denk je wel, dat ik op mijn brief vond toen ik terug kwam? Een echte Mijnheer Langbeen, een glazenwasscher!

Ik nam hem heel voorzichtig bij een poot en liet hem het raam uitvliegen. Ik zou voor geen geld van de wereld er een kwaad willen doen. Met hun lange pooten herinneren ze me altijd weer aan jou, toen ik je voor de eerste en eenige maal in mijn leven zag.
We namen vanmorgen het wagentje en reden naar de kerk. Het is een vriendelijk wit dorpskerkje met een spitsen toren en drie Dorische kolommen aan den voorkant (misschien zijn het wel Ionische, ik haal die twee altijd door elkaar).
Het was een alleraardigst, slaperig preekje en alle menschen schenen veel moeite te hebben om niet te gapen. Het eenige geluid, dat tot ons doordrong, was, behalve het lijmige orgaan van den predikant, het gezang van de sprinkhanen daar buiten in het veld. Ik werd niet wakker voordat ik mezelf op de knieën vond liggen, bezig een psalm te zingen. Toen speet het me toch, dat ik niet beter had geluisterd, want ik zou dolgraag wat meer van den man willen weten, die zulk een psalm uitzocht. Luister maar:
Come, leave your sports and earthly toys And join me in celestial joys. Or else, dear friend, a long farewell. I leave you now to sink to hell.
Ik heb al gemerkt, dat het niet goed is om met de Semples over godsdienst te spreken. Hun Gods-idee (die zij nog onveranderd van hun oude Puriteinsche voorvaderen hebben geërfd) is die van een kleinzielig, onredelijk, onrechtvaardig, min, wraakzuchtig, bigot Wezen. Gelukkig, dat ik me er niet zoo'n voorstelling van maak! Weet je, hoe ik me Hem denk? Hij is vriendelijk en vergevend en zacht en begrijpt alles—hij heeft gevoel voor humor.
Ik hou dolveel van de Semples. In het werkelijk leven zijn ze veel beter en liever dan je wel uit hun redeneeringen zoudt opmaken. Ze zijn veel beter dan hun eigen God. Ik zei hun dat ook en toen had je hun gezichten moeten zien! Ze waren ontsteld. Ze vonden, dat ik godslasterlijke taal sprak—en ik vind, dat zij het doen. Wij spreken nu maar nooit meer over godsdienst.
Het is nu Zondagmiddag.
Amasai, de eene knecht, is juist met een roode das en kanariegele handschoenen, hoogrood en geschoren, met Carrie (de meid) met een grooten hoed met roode rozen op en een lichtblauwe japon en stijf gekrulde haren, weg gereden. Amasai bleef den heelen morgen thuis om de sjees schoon te maken en Carrie gaf voor, dat zij het eten moest koken, maar in werkelijkheid heeft ze haar blauwe japon gestreken.
Wanneer ik mijn brief aan jou klaar heb, ga ik naar beneden om een boek te lezen, dat ik op de vliering heb gevonden. Het heet „Op het Indianenpad” en op de eerste bladzijde staat met een grappig jongenspootje geschreven:
Jervis Pendleton. Als je dit boek ooit vindt, Pak het dan in en stuur het me naar huis.
Hij was hier eens 's zomers, 11 jaar geleden, nadat hij lang ziek was geweest, en liet toen dit boek achter. Je kunt wel zien, dat hij het goed heeft gelezen, overal zie je vuile, kleine vingertjes. In een hoek van de vliering staat ook een windmolen. Verder vond ik er een paar tollen en knikkers. Juffrouw Semple spreekt zoo vaak over hem, dat ik werkelijk ga gelooven, dat hij nog leeft. Niet als een groot heer met een hoogen zijden en een wandelstok, maar als een aardige, vuile robbedoes, met een krullebol die altijd in de war zit, en groote laarzen, waarmee hij stampt als hij de trap opgaat. En de deuren laat hij allemaal open staan en hij bedelt om koekjes. (En krijgt ze ook altijd, ik ken Juffrouw Semple!) Het schijnt een avontuurlijk heertje geweest te zijn, flink en rond. Jammer dat het een Pendleton is! Hij verdient iets beters te zijn.
Morgen gaan we de haver dorschen. Er is al een stoommachine besteld en drie extra knechts hebben we gehuurd.
Tot mijn groot verdriet moet ik je vertellen, dat Eenhoorn (de gevlekte koe met één hoorn en moeder van Lesbia) iets heel onbehoorlijks heeft gedaan. Vrijdagavond is ze den boomgaard binnengeloopen en heeft er net zoolang de afgevallen appels gegeten, tot het haar naar het hoofd is gestegen. Nu is ze al twee dagen stomdronken. Het is heusch waar. Heb je ooit zoo iets schandelijks gehoord?
Dag lieveling.
Als altijd,
Je kleine Judy.
P.S. Het eerste hoofdstuk handelt over Indianen en het tweede over struikroovers. Wat zal er in het derde staan? „De Roode Arend sprong twintig voet hoog en stortte toen dood neer”. staat er met dikke letters boven. Zullen Judy en Jervie nu samen pret hebben?

15 September.
Lieve, oude Lieveling,
Ik ben gisteren op de groote weegschaal op den korenzolder gewogen. Denk eens aan, Judy is 9 pond aangekomen. Laat ik je Lock Willow als een uitstekend herstellingsoord aanbevelen.
Altijd,
Je Judy.
25 September.
Lieve Vadertje Langbeen.
Stel je eens voor, ik ben een tweede jaars studente! Ik kwam hier gisteravond aan, wel een beetje verdrietig dat ik van de lieve luidjes op Lock Willow weg moest, maar toch blij, dat ik alle meisjes hier weer terug zou zien. Want het is erg prettig, weer naar een bekende omgeving terug te keeren. Ik ga me hier zoo echt thuis voelen, over het algemeen voel ik me nu in de wereld thuis, net of ik er werkelijk in hoor en er niet maar bij ongeluk tusschen ben gekomen.
Ik geloof dat je eigenlijk heelemaal niet begrijpt, wat ik daarmee zeggen wil. Zoo'n gewichtig persoon als een regent kan ook moeilijk het gevoelsleven van een niets beteekenend persoontje als een vondeling begrijpen.

Sallie Judy Studeerkamer Julia gang.
Maar luister nu eens even, mijn oude lieveling. Weet je met wie ik samen woon? Met Sallie McBride en Julia Rutledge Pendleton. Werkelijk waar! We hebben samen een studeerkamer en drie kleine slaapkamertjes.—Voilà!
Sallie en ik vormden dit voorjaar het plan, samen te gaan huizen, en Julia wil met alle geweld weer bij Sallie wonen. Waarom weet ik niet, want die twee hebben geen snars gemeen. Maar de Pendletons zijn nu eenmaal van natuur erg conservatief en te laksch om van gedachte te veranderen. In elk geval zitten we hier nu bij elkaar. Denk eens aan: Jerusha Abbott uit het John Grier Home woont samen met een Pendleton! Het is hier toch een democratisch land.
Sallie is candidaat gesteld voor het Klasse-Presidentschap en als ik het niet heelemaal mis heb, zal ze het worden ook! Er heerscht hier toch zoo'n intrigeer-atmosfeer. Je moest eens weten wat een politieke vrouwen hier allemaal bij elkaar huizen! O manneke, als wij vrouwen eenmaal onze rechten krijgen, zullen de mannen al hun tijd noodig hebben, om de hunne te houden! Komende Zaterdag is onze verkiezingsdag en 's avonds zullen we een fakkeloptocht houden, onverschillig wie of er wint.
Ik ben nu bezig scheikunde te leeren, een onmogelijke studie! Ik had nog nooit van zoo iets gehoord. Op het oogenblik hebben we het over Moleculen en Atomen, maar de volgende maand zal ik je daar meer over kunnen vertellen.
Ik krijg nu ook les in de philosophie.
En in de Algemeene Geschiedenis.
En we behandelen de tooneelstukken van Shakespeare.
En ik heb les in Fransch.
Als dit nog lang zoo doorgaat, zal ik ten slotte nog heelemaal beschaafd worden.
Ik had veel liever les in Staathuishoudkunde dan in Fransch gehad, maar ik dorst het niet te zeggen, want ik was bang, dat de Prof. me zou laten zakken als ik geen Fransch koos. Ik kwam er voor Fransch net eventjes door met het Juni-examen. Maar ik geloof ook niet, dat de lessen op de Middelbare School veel waard waren.
Er is een meisje in onze klas, dat net zoo vlug in het Fransch als in het Engelsch babbelt. Als klein meisje stak ze met haar ouders naar Frankrijk over en ze heeft daar drie jaar in een kloosterschool geleefd. Je kunt je denken hoeveel knapper ze is dan de rest. Alle onregelmatige werkwoorden heeft ze onder den duim! Ik wou, dat mijn ouders me ook in een klooster hadden gestopt, toen ik klein was, inplaats van in een vondelingengesticht. Of neen, toch weer niet, want dan had ik jou niet gekend en ik vind het toch nog prettiger jou te hebben dan goed Fransch te spreken.
Dag Vadertje, ik moet nu even naar Harriet Martin om me een paar scheikunde-dingen te laten uitleggen. En dan moeten we nog eens de a.s. verkiezingen bespreken.
Je politieke
J. Abbott.
Lieve Vadertje Langbeen.
17 October.
Wanneer het heele zwembassin met citroenvla gevuld zou zijn, zou dan iemand die zwemmen kan, zich boven de vla kunnen houden of zou hij zinken?

McBride lang zal zij leven
Wij hadden vanavond aan tafel citroenvla als dessert en kwamen er zoo over te spreken. Wel een half uur lang hebben we er hevig over gedebatteerd en nog is het niet beslist. Sallie beweert, dat ze heel vast gelooft, dat je er doorheen zou kunnen zwemmen en ik ben er vast van overtuigd dat zelfs de beste zwemster zou zinken als een baksteen. Zou het niet grappig zijn zoo in de citroenvla onder te gaan?
Nog twee andere kwesties werden aan tafel besproken.
A. Hoe moeten de kamers in een achthoekig huis gebouwd zijn? Sommige meisjes beweerden dat ze vierkant moeten zijn, maar ik geloof dat ze den vorm van een stuk punttaart zullen hebben. Geloof je ook niet?
B. Neem eens voor een oogenblik aan, dat er een groote ruimte van spiegelglas is en iemand daar middenin zit. Tot hoever zal dan het gezicht weerspiegeld worden en waar zal het glas beginnen den rug te weerkaatsen?
Hoe meer je er over nadenkt, des te minder weet je het.
Nu zie je eens, wat een diepzinnige onderwerpen er bij ons bij net eten behandeld worden en dan zeggen ze nog: als de katjes muizen, mauwen ze niet.
Heb ik je al over de verkiezingen gesproken? Het is al drie weken geleden, maar we hebben hier zooveel te doen, dat het wel een eeuw geleden schijnt. Sallie werd gekozen en we hadden een fakkeloptocht met transparanten, waarop „McBRIDE, LANG ZAL ZIJ LEVEN!” geschilderd stond. En dan nog een muziekcorps dat uit 14 muzikanten bestond, waarvan er drie mondharmonica's bespeelden en elf ketelmuziek gaven.
Wij zijn nu heel gewichtige personages in No. „258”. Een groot deel van Sallie's glorie straalt ook op Julia's onwaardig hoofd en op het mijne: het is een heele eer met de Presidente samen te wonen!
Bonne nuit, cher ami!
Acceptez mes compliments.
Très respectueux
Je suis
Votre Judy.
12 November.
Lieve beste Vadertje Langbeen.
Met korfbal hebben we het gisteren van de Groentjes gewonnen. Natuurlijk vonden we het éénig, maar het zou toch nog heel wat leuker geweest zijn, wanneer het de juniores (derde jaars studenten) geweest waren. Ik zou 't er dan heusch voor over hebben gehad, heelemaal bont en blauw te zijn en een week met koude compressen in bed te moeten liggen.
Sallie heeft me uitgenoodigd, in de Kerstvacantie bij haar familie te komen logeeren. Ze komt uit Worcester in Massachusetts. Is het niet schattig van haar? Ik ben nog nooit in mijn heele leven in een echte familie geweest, behalve in Lock Willow, maar de Semples zijn beiden oud en dat noem ik eigenlijk geen familie. Maar bij de McBrides zijn er nog meer kinderen (wel twee of drie) en een moeder en een vader en een grootmoeder en een Angora kat. Het is een echte familie. Je koffer te pakken en op reis te gaan is veel leuker dan hier blijven. O, ik vind het toch zoo zalig om er heen te gaan!
7 uur! Ik moet naar de repetitie. We studeeren een comedie in. Ik ben een prins met een fluweelen mantel en blonde krullen. Eenig leuk hè?
Dàg!
Je J. A.
Zaterdag.
Wil je niet eens weten hoe ik er uitzie? Hier heb je een kiek van ons drietjes, die Leonora Fenton genomen heeft.
Dat meisje in het wit, dat lacht, is Sallie, en de lange met haar neus in de lucht is Julia en dat kleintje met hangend haar is Judy. Ze ziet er in werkelijkheid beter uit, maar de zon scheen net in haar gezicht.
„Stone Gate”
Worcester, Mass.
31 December.
Liefste Vadertje Langbeen.
Ik had je eigenlijk al lang willen schrijven en je voor je chèque met Kerstmis bedanken, maar het gaat hier in huis zoo druk toe, dat ik nauwelijks een paar minuten kan vinden om een beetje met je te babbelen.
Ik heb een nieuwe japon gekocht. Eigenlijk had ik hem niet bepaald noodig, maar ik wou hem zoo dolgraag hebben. Dit jaar kreeg ik mijn Kerstcadeau van mijn ouden vriend, Vadertje Langbeen. Mijn familie stuurde me niets, alleen maar een lieven brief.
Mijn vacantie is gewoonweg heerlijk hier bij Sallie's familie. Ze wonen in een groot, ouderwetsch baksteenen huis met wit gekalkte gevel. Het ziet er net zoo uit als het huis, waarnaar ik altijd tuurde toen ik nog in het John Grier Home was, en ik verlangde er toen altijd zoo naar om te weten hoe het er wel van binnen zou uitzien. Ik had nooit gedacht, dat ik het ooit te weten zou komen—en nu leef ik al een paar weken in zoo'n huis!
Alles is hier gezellig en huiselijk en smaakvol. Ik loop soms alle kamers achter elkaar door en geniet.
Het is het mooiste huis, dat je je voor je kinderen denken kunt. Er zijn heerlijke donkere hoekjes en gaatjes, waar je prachtig verstoppertje kunt spelen en er is een groote zolder om op regenachtige dagen pret te maken en heerlijke gladde trapleuningen met een knop aan het ondereind. En dan is er een groote, zonnige keuken met een aardige dikke keukenmeid, die hier al dertien jaar dient en altijd een stukje deeg voor de kinderen bewaart wanneer ze bakt. Hè, Vadertje, ik verlang er soms vreeselijk naar, om heel klein te zijn en dan hier op te groeien.
En dan de familie! Ik had nooit gedroomd dat die zóó lief kon zijn. Sallie heeft een vader en een moeder en een grootmoeder en een schat van een zusje van drie jaar met allemaal kleine, blonde krulletjes en een broer van een jaar of 14, die altijd vergeet zijn voeten te vegen, en een groote, knappe broer, die Jimmie heet, en al Junior op het Princeton College is.
Wij hebben altijd pret aan tafel. Iedereen lacht en praat en maakt gekheid en we hoeven gelukkig niet vóór het eten te bidden. Dat vind ik toch zoo'n verlichting, dat je hier niet voor iederen hap eten hoeft te danken. (Je vindt misschien, dat ik een godslasteraarster ben, maar jij zou dat ook worden, wanneer je, net zooals ik, zooveel gedwongen gebeden had moeten opzeggen).
We hebben al zoo'n macht dingen gedaan! Ik weet heusch niet, waar ik mee zal beginnen. Mijnheer McBride heeft een fabriek, en op Kerstmis hebben we een grooten boom voor de arbeiderskinderen versierd. Hij stond in een groote zaal van het pakhuis, dat voor dien dag heelemaal met hulst en mistletoe was versierd. Jimmie McBride was als St. Nicolaas verkleed en Sallie en ik hielpen hem om de pakjes uit te deelen.
O lieve deugd, wat was dat eenig! Ik voelde me dien avond welwillend als een regent van het John Grier Home. Een allerliefst klein jongetje heb ik gekust, maar ik geloof, dat ik ze geen van allen op hun hoofd heb getikt.
En twee dagen na Kerstmis hebben we hier in huis een bal gehad, ter eere van mij!!
Het was het eerste, echte bal, dat ik ooit heb bijgewoond—die op College tellen niet mee, want daar dansen we alleen onder elkaar. Ik droeg een nieuwe witte avondjapon (jouw Kerstcadeau, dank je nog hartelijk) en lange, witte handschoenen en wit satijnen schoentjes. Het eenige wat me speet, was, dat Juffrouw Lippett me niet zien kon, toen ik den cotillon met Jimmie danste. Spreek er haar alsjeblieft over, den eersten den besten keer dat je weer naar het John Grier Home gaat.
Als altijd,
Je Judy Abbott.
P.S. Zou je het heel, heel erg vinden, mijn liefste lieveling, wanneer ik geen Groote Schrijfster werd, maar alleen een heel gewoon meisje bleef?

6.30 Zaterdag.
Liefste Vadertje.
We waren eigenlijk vandaag van plan naar de stad te gaan, maar we hadden geen rekening met het weer gehouden: het stortregent nu. Ik houd van den winter wanneer hij ook werkelijk winter is met sneeuw en ijs, maar niet wanneer het regent. Julia's model-oom kwam haar vanmiddag opzoeken. Hij bracht vijf pond bonbons mee!! Je ziet, er is ook wel eens een voordeeltje aan verbonden, om met Julia samen te wonen. Ons gebabbel scheen hem te amuseeren en hij besloot een lateren trein te nemen en eerst met ons samen thee te drinken. Het was vreeselijk lastig voor ons om daartoe verlof te krijgen. Het is al heel moeilijk om een vader of grootvader bij ons te mogen hebben en een oom—nu, dat is weer een graadje erger. Broers en neven zijn heelemaal contrabande! Julia moest voor een notaris den eed afleggen, dat hij werkelijk haar oom was en toen heeft een klerk daarvan dadelijk een certificaat opgemaakt. (Weet ik niet een heeleboel van rechtsgeleerdheid af?) En dan betwijfel ik nog hard, of we Oom Jervie wel bij ons hadden mogen houden, als die lieve menschen gezien hadden, hoe jong en knap hij er uitziet.
Lieve deugd, wat regent het! Als we vanavond naar de kapel willen, zullen we er heen moeten zwemmen!
Dag lieveling,
Je Judy.
20 Januari.
Mijn lieve oude Vadertje Langbeen.
Heb je nooit over een allerdoddigste kleine baby hooren spreken, die door slechte menschen uit zijn wiegje werd geroofd?
Ik zou zoo graag het arme kind geweest zijn. Wanneer we in boeken leefden, zou dat het dénouement geweest zijn.
Het is heusch heel vreemd wanneer je zelf niet eens weet, wat je eigenlijk bent—echt opwindend en romantisch! Daar zijn zoo veel mogelijkheden. Misschien ben ik wel geen Amerikaansche—een heeleboel zijn het niet. Ik kan wel van de oude Romeinen afstammen of van de Vikingers of het kind zijn van een Russischen banneling en dus eigenlijk in Siberië thuis hooren. Of misschien ben ik wel een Zigeunermeisje—ja, dat is, geloof ik, eigenlijk nog het meest waarschijnlijk. Ik heb een zwerversnatuur, hoewel ik nog niet veel kans heb gehad om die te ontwikkelen.
Ken je de schandvlek in mijn leven? Weet je, dat ik eens stilletjes ben weggeloopen omdat ik gestraft was voor het snoepen van koekjes? Het staat in het groote boek beschreven en elke regent kan het lezen. Maar nu in ernst.—Wat kun je anders verwachten van zoo'n kind? Wanneer jij een hongerig kind van 9 jaar in de provisiekamer messen laat slijpen met een schaal koekjes vlak naast haar en je gaat weg en laat haar alleen. En je komt dan plotseling weer binnenstormen, zou jij dan ook niet verwachten, dat ze een paar kruimeltjes aan haar mond heeft? En wanneer je haar dan door elkaar rammelt en om haar ooren slaat en haar commandeert van tafel op te staan, wanneer de pudding binnengebracht wordt en je vertelt dan aan alle kinderen, dat dat gebeurt omdat zij een dievegge is—zou jij het dan ook niet heel begrijpelijk vinden, dat ze stilletjes weg loopt? Ik heb alleen maar vier mijlen geloopen. Toen hebben ze me achterhaald en weer teruggebracht. En een week lang werd ik toen elken dag aan een paal in den tuin vastgebonden, terwijl de anderen mochten spelen.
O, lieve deugd, daar heb je de bel van de kapel al! En na den dienst moet ik naar een bestuursvergadering. Het spijt me heusch, want ik was net van plan je vanavond een echt gezelligen brief te schrijven.
Auf Wiedersehen,
Cher oude vriend,
Pax tibi!
P.S. Iets weet ik toch heel beslist: ik kom niet uit China!
4 Februari.
Lieve Vadertje Langbeen.

We moeten er vroeg bij zijn om een badkuip te krijgen.
Jimmie McBride heeft me een Princeton banier gestuurd, zoo groot als de heele lengte van de kamer. Ik vind het verbazend aardig van hem dat hij aan me dacht, maar wat moet ik er in 's hemelsnaam mee doen? Sallie en Julia willen niet dat ik hem ophang. Onze kamer is dit jaar geheel in het rood gehouden en je begrijpt, hoe het oranje met zwart van die vlag er mee zou vloeken. Maar het is zulk heerlijk, dik warm goed, dat ik het zonde vind, het zoo maar te laten liggen. Wat dunkt je, zou ik het niet als badmantel kunnen gebruiken. Mijn oude kromp in de wasch.
Ik heb in den laatsten tijd heelemaal vergeten je over ons werk te schrijven. Je zou het werkelijk niet uit mijn brieven opmaken, maar toch is haast mijn heele tijd daarmee in beslag genomen.
„Een werkelijk ernstige studente moet met de grootste nauwkeurigheid haar studies beoefenen”, zegt de Prof. in de scheikunde.
„Zorgt ervoor, dat ge niet in kleine onderdeelen opgaat”, zegt de Prof. in de geschiedenis. „Houdt u op een afstand, zoodat ge het geheel kunt overzien”.
Nu zie je eens hoe aardig we moeten scharrelen, willen we ze allebei tevreden stellen. Ik houd meer van de methode van den laatsten geleerde. Wanneer ik zeg, dat Willem de Veroveraar in 1492 naar Engeland overstak en Columbus in 1100 of 1066, of weet ik wanneer, Amerika ontdekte, dan is dat natuurlijk een kleinigheid, die de Prof. negeert. Het geeft je zoo'n gevoel van zekerheid en rust dat ik bij de scheikunde geheel mis.
Daar gaat de zes-uur-bel! Ik moet naar het laboratorium om nog een scheikundig mengsel van zuren en zouten na te zien. Ik heb laatst met Waterstof een groot gat in mijn schort gebrand. Als de theorie opging, had ik het met een sterke oplossing van Ammoniak kunnen neutraliseeren, niet waar?
De volgende week hebben we weer examens, maar je gelooft toch niet, dat ik daar bang voor ben?
Veel liefs van
Je Judy.
5 Maart.
Lieve Vadertje Langbeen.
De Maartstorm loeit en de heele hemel is met zware wolken bedekt. De kraaien in de denneboomen maken een helsch lawaai. Het is een opwindend lokkend geluid. Ik zou mijn boeken wel willen dichtslaan en over de heuvels rennen, voortgejaagd door den wind.
Wij hebben verleden Zaterdag een snippenjacht gehouden over vijf mijlen land. De foks (voorgesteld door drie meisjes en een schepel confetti) kwam een half uur voor de 27 jagers aan. Ik was een van de 27; 8 konden er onderweg niet verder en met ons negentienen kwamen we op het eindpunt aan. Onze weg leidde over een heuvel, door een korenveld en over een drassig land, waar we heel voorzichtig van het eene droge plekje op het andere moesten springen. Natuurlijk is meer dan de helft er tot de enkels ingezakt. Wij verloren het confetti-spoor en hadden wel 25 minuten noodig om weer uit dat moeras te komen. Dan leidde het spoor weer over een heuvel, door struikgewas, en zelfs lag het bij het raam van een schuur. De deur van de schuur was gesloten, het raam was vrij hoog van den grond en nogal smal. Het was eigenlijk al te moeilijk, vind je ook niet?
Maar we zijn ook niet naar binnen geklommen! We hebben heel voorzichtig langs de schuur rondgespeurd en toen het spoor weer gevonden. Ze hadden haast alle confetti daar uitgestrooid. De foks dacht, dat hij ons leelijk voor den gek kon houden, maar we zijn verder door blijven zoeken en hebben twee mijlen over glooiend weiland moeten rennen. Het spoor was vreeselijk moeilijk te volgen, want de confettivoorraad bleek wel haast uitgeput. Volgens de regels van het spel moet je met een tusschenruimte van hoogstens 2 meter strooien, maar dit waren de langste twee meters, die ik ooit heb gezien. Eindelijk, na twee uur aanhoudend zoeken, vonden wij onzen foks in de keuken van Crystal Spring. (Dat is een boerderij, waar de meisjes in bobsleden en hooiwagens heengaan, om kuikens en wafels te eten). We vonden de drie hondjes vreedzaam bezig met melk en beschuit met honing te verorberen. Ze hadden nooit gedacht dat we ze nog zouden vinden. Ze hadden bepaald gehoopt, dat we daar in het raam van de schuur waren blijven steken.
Alle twee partijen beweerden, dat zij het hadden gewonnen. Ik vind, dat wij het gewonnen hebben, want we hadden ze toch maar gevonden voordat ze weer op den terugweg naar College waren. In elk geval waren wij alle 19 uitgehongerd en we vielen als wolven op den voorraad aan en moesten al maar meer honing hebben. Er was niet genoeg voor ons allemaal, maar Juffrouw Crystal Spring (zoo noemen wij haar, eigenlijk heet ze Johnson) bracht een groote pot aardbeienjam en een kan appelstroop en drie bruine brooden.
Wij stapten pas om half zeven op (we kwamen een half uur te laat voor het avondeten), en we liepen zoo maar naar binnen, zonder ons eerst te verkleeden, we hadden zoo'n honger! We zijn dien avond geen van allen meer naar de kapel gegaan, maar als je onze schoenen gezien had, had je begrepen dat dat ook niet meer kòn.
Ik heb je nog niets van de examens verteld. Ik ben door alles gemakkelijk heengerold. Ik weet nu hoe je dat moet aanleggen. Ik geloof ook niet, dat ik ooit weer zal zakken. Ik kan niet meer cum laude promoveeren door dat gemeene herexamen voor Latijn en Fransch, maar het komt er niets op aan. Er zonder zullen we ook nog wel gelukkig worden!
Heb je Hamlet al eens gelezen? Als je het nog niet gedaan hebt, moet je het beslist doen. Het is schitterend in één woord. Ik heb al mijn heele leven over Shakespeare hooren spreken, maar ik had toch geen flauw benul dat het zoo mooi zou zijn. Ik dacht altijd, dat de menschen het elkaar maar naspraken.