← Table of contents
Vadertje Langbeen

DE BRIEVEN VAN JERUSHA ABBOTT AAN MIJNHEER VADERTJE LANGBEEN. (continued 2)

Reading edition

Ik heb een heerlijk tijdverdrijf, dat ik al bedacht heb, toen ik mijn eerste boek las. Elke nacht droom ik, dat ik de persoon ben (natuurlijk de hoofdpersoon) van het boek dat ik juist lees.

Nu ben ik Ophelia en een heel gevoelige Ophelia ook. Ik leid Hamlet af en vertroetel hem en knor op hem en zorg dat hij zijn mantel omslaat wanneer hij het koud heeft. Ik heb hem al heelemaal van zijn melancholie genezen. De Koning en de Koningin zijn alle twee dood—door een ongeluk op zee. Er is dus geen begrafenis bij noodig. Nu kunnen Hamlet en ik zonder eenige dwarsboomerij in Denemarken regeeren. O, ons koninkrijk bloeit! Hij zorgt voor de regeeringszaken en ik voor de liefdadigheidsinstellingen. Ik heb zoo juist een Model-Vondelingeninrichting gesticht (het heeft niets van het John Grier Home!) Als jij of een van de andere regenten het misschien willen bezichtigen, zal ik je met alle plezier persoonlijk rondleiden. Het zal leerrijk zijn!

Ik verblijf, Mijnheer, Uwe U welwillend gezinde Ophelia, Koningin van Denemarken.

24 Maart (misschien is het wel de 25ste).

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik geloof niet, dat ik ooit in den hemel zal komen. Ik geniet hier op aarde zóó, dat ik het niet fair zou vinden, als ik hiernamaals nog eens aan de beurt kwam. Luister eens, wat er gebeurd is!

Jerusha Abbott heeft den eersten prijs ($ 25!) gewonnen voor de schets die „De Maandelijksche” elk jaar uitlooft. En ze is een tweede jaars! De mededingsters zijn haast allen derde jaars. Toen ik mijn naam las, kon ik het haast niet gelooven. Misschien wordt ik dus toch nog een schrijfster! Ik wou dat Juffrouw Lippett me niet zoo'n vervelende naam had gegeven; is me dat nu een naam voor een Schrijfster?

Ik ben ook al gekozen om in het tooneelstuk in de open lucht „Elck wat Wils”, dat we dit jaar zullen opvoeren, mee te spelen. Ik zal Celia zijn, het nichtje van Rosalinde.

En, last not least: Julia, Sallie en ik gaan komenden Vrijdag naar New-York om onze inkoopen voor het voorjaar te doen en we blijven er den heelen nacht over en gaan den volgenden dag met „Jongeheer Jervie” naar den schouwburg. Hij heeft ons uitgenoodigd. Julia gaat bij haar ouders logeeren, maar Sallie en ik gaan dien nacht naar het Maria Washington Hotel. Heb je ooit van zoo iets heerlijks gehoord! Ik ben nog nooit in een hotel geweest en ook nog niet in een theater. Alleen eens, toen de Katholieke kerk een feest gaf en alle vondelingen vrijkaarten kregen, maar dat was geen echt tooneelstuk en telt dus eigenlijk niet mee.

En wat denk je wel, dat er gegeven wordt? Hamlet! Stel je voor hoe zalig! We hebben het juist vier weken geleden behandeld en ik ken heele stukken uit mijn hoofd.

Ik ben nu zoo opgewonden door al die heerlijke vooruitzichten, dat ik haast niet kan slapen.

Nacht Lieveling!

Het leven is toch heerlijk!

Veel groeten van

Je Judy.

P.S. Ik keek net op de kalender. Het is de 28ste.

Nog eens P.S. Ik zag vandaag een tramconducteur met één blauw en één bruin oog. Zou dat geen prachtig kenteeken zijn voor een schurk in een detective roman?

7 April.

Liefste Vadertje Langbeen.

Lieve deugd, wat is New-York groot! Worcester is er niets bij. Woon jij heusch in al dat geroezemoes? Ik geloof, dat ik in geen maanden van al die verwarring door die twee enkele dagen zal bekomen. Ik kan je ook nu nog niet geregeld over al die wonderlijke dingen schrijven, die ik daar gezien heb. Het is ook niet noodig, want je woont er immers zelf en je kent zeker alles.

Vind je het ook op straat en in de winkels zoo leuk? En wat zijn de menschen er aardig! Ik heb nog nooit zulke mooie dingen gezien als daar in de winkelkasten zijn uitgestald. Ik ga nu heusch begrijpen, dat sommige menschen zulke schatten voor hun kleeding over hebben.

Sallie, Julia en ik gingen Zaterdagmorgen winkelen. Julia liep het prachtigste gebouw binnen, dat ik ooit zag. De muren waren wit met goud, blauwe kleeden lagen op den grond en er waren blauw zijden gordijnen en vergulde stoeltjes. Een mooie, blonde dame in een prachtige zijden sleepjapon verwelkomde ons met een vriendelijk lachje. Ik dacht dat we hier een bezoek gingen brengen en wilde al juist mijn hand gaan uitsteken, toen het bleek, dat we alleen maar hoeden gingen uitzoeken. Tenminste, dat deed Julia. Ze nam tegenover een spiegel plaats en paste toen wel een stuk of twaalf hoedjes, het eene al mooier en eleganter dan het andere, en toen kocht ze de twee allermooiste.

Ik geloof, dat ik niets zaligers zou vinden dan me ook zoo tegenover een spiegel bewonderen en alle hoeden te koopen, die ik mooi vond, zonder eerst naar den prijs te vragen. Daar is geen twijfel aan of het eenvoudige vondelingetje uit het John Grier Home zou in New-York wel gauw veranderen!

En toen we alle boodschappen gedaan hadden, ontmoetten we Jongeheer Jervie bij Sherry. Je bent daar zeker wel eens geweest. Denk dan eens aan de eetzaal in het John Grier Home met zijn met zeil bedekte wit houten tafels en grof aardewerk, dat je onmogelijk zou kunnen breken en tinnen vorken en messen met zwart houten handgrepen. Dan zul je begrijpen hoe ik me daar in Sherry te moede voelde.

Ik at mijn visch met de verkeerde vork, maar de kellner gaf me heel vriendelijk een andere, dus heeft niemand het gemerkt.

En na de lunch zijn wij naar het theater gegaan. Het was duizelingwekkend, tooverachtig, onbeschrijfelijk—ik droom er nog elken nacht van.

Is Shakespeare niet heerlijk?

Hamlet komt zooveel beter op het tooneel uit, dan wanneer wij het in de klas behandelen. Te voren vond ik het al heel mooi, maar nu—laat ik daar niet over beginnen!

Als je het goed vindt, word ik, geloof ik, liever tooneelspeelster dan schrijfster. Heb je er bezwaar tegen dat ik nu maar van College af ga en me op een tooneelschool laat inschrijven? Later zal ik dan je ook telkens, wanneer ik optreed, een vrijkaart voor een loge geven en je van voor het voetlicht toelachen. Maar draag dan alsjeblieft een roode roos in je knoopsgat, want anders zou ik zeker een verkeerden man toelachen en dat zou toch erg vervelend voor me kunnen worden.

Zaterdagnacht keerden we terug. We aten in den trein aan kleine tafeltjes met schemerlampjes met roode kapjes en werden door negers bediend. Ik had er nog nooit van gehoord, dat je in den trein kon eten en ik was zoo dom, het er uit te flappen ook.

„Waar ben jij in 's hemelsnaam toch opgegroeid?” vroeg Julia.

„In een dorp”, antwoordde ik schuchter.

„Maar heb je dan nooit gereisd?” zette ze het onderzoek voort.

„Neen, niet totdat ik naar College moest en dat was maar een 150 mijlen en we hebben toen niet gegeten”.

Ze gaat nu bepaald veel belang in me stellen, omdat ik zulke gekke dingen zeg. Ik probeer ze telkens te onderdrukken, maar wanneer ik verbaasd over iets ben, denk ik daar niet aan. En ik ben haast altijd verbaasd. Ja, mijn oude, beste vriend, je kunt heel vreemde gewaarwordingen hebben, wanneer je 18 jaar lang in het John Grier Home bent opgesloten geweest en dan opeens midden in de wereld wordt geplaatst.

Maar nu voel ik me daar al meer op mijn gemak en ik maak ook niet meer zulke vreeselijke blunders als in het begin. En ik voel me ook niet meer vreemd tegenover de andere meisjes. Vroeger bloosde ik geregeld, wanneer de menschen naar me keken. Ik dacht dat ze dan, door mijn nieuwe kleeren heen, het geruite John Grier Home jurkje zouden ontdekken. Maar nu laat ik me zelfs door geen honderd geruite jurkjes van streek maken.

Ik vergat je nog over onze bloemen te spreken. Jongeheer Jervie gaf ons alle drie een groote bos viooltjes met lelietjes van dalen. Lief van hem, hè? Vroeger voelde ik niets voor mannen, omdat ik alleen maar de regenten kende—maar nu ga ik er anders over denken.

Elf bladzijden! Is me dat een brief! Kom, mijn oud, best Vadertje Langbeen, ik schei er mee uit!

Veel liefs van

Judy.

10 April.

Waarde Mijnheer Rijkaard.

Ik stuur je inliggend je chèque voor $ 30. terug.

Ik ben je dankbaar, maar voel dat ik dat geld niet kan aannemen. Mijn zakgeld is groot genoeg om er alle hoeden voor te koopen, die ik noodig heb, en het spijt me wel, dat ik je al dien onzin over die modiste schreef. Het komt alleen maar, omdat ik nooit te voren zoo iets had gezien.

In elk geval deed ik het niet, om geld van je te ontvangen. Ik maak liever niet meer gebruik van je weldadigheid dan ik toch al doen moet.

Vriendelijke groeten van

Judy.

11 April.

Liefste lieveling.

Zeg, wil je me vergeven, dat ik je gisteren zoo'n naren brief schreef? Toen ik hem op de bus had gedaan, had ik er al weer spijt van en ik vroeg hem terug, maar die vervelende brievenbesteller wilde hem er niet meer uithalen.

Het is nu middernacht. Ik lig uren lang wakker door die ellendige gedachte, dat ik zoo'n wurm, zoo'n duizendpootig wurm ben. (Dat is het ergste scheldwoord, dat ik voor me zelf bedenken kan). Ik heb heel voorzichtig de deur van onze werkkamer dicht gemaakt om Sallie en Julia niet te wekken en zit nu op een vel papier, dat ik uit mijn geschiedenis-dictaatcahier heb gescheurd, aan jou te schrijven.

Ik wou je zeggen dat ik het zoo naar vind, dat ik je dien chèque zoo plompweg heb teruggestuurd. Ik weet dat je het heel lief hebt bedoeld en je bent een schat, dat je je zoo'n moeite geeft voor zoo'n dom kind als ik ben. Ik had hem je natuurlijk wel terug moeten sturen, maar heel anders dan ik het deed.

Maar in elk geval moest ik hem terugsturen. Het is bij mij zoo iets heel anders dan bij de andere meisjes. Die hebben vaders en moeders en tantes en ooms, maar ik heb heelemaal geen familie, ik heb niemand, niets. Ik stel me wel graag voor, dat jij zoo'n beetje familie van me bent, omdat ik dat zoo'n prettig gevoel vind, maar ik weet natuurlijk heel goed, dat dat maar onzin is. Ik sta heelemaal alleen op de wereld, en ik moet me schrap zetten, om den strijd met het leven te aanvaarden. O, ik word koud als ik daaraan denk. Ik durf er dikwijls niet aan denken en daarom fantaseer ik zooveel, maar je begrijpt ook wel, dat ik niet meer mag aannemen dan ik al doe, omdat ik je later alles wil terugbetalen en zelfs als ik werkelijk nog eens een groote schrijfster word, zal het toch moeilijk zijn om zoo'n vreeselijk groote schuld af te lossen.

Ik hou heel veel van mooie kleeren en hoeden, maar ik mag mijn toekomst niet verpanden door ze nu te koopen.

Wees er niet boos over, dat ik daar zoo ruw over spreek. Ik heb de afschuwelijke gewoonte om alles impulsief neer te schrijven, wanneer ik het denk, om er dan later berouw over te hebben als de brief al weg is en ik hem niet meer kan verscheuren. Maar al lijk ik soms ook ruw en ondankbaar, ik meen het toch nooit. In mijn hart dank ik je altijd voor het vrije leven, waarin je me geplaatst hebt en de onafhankelijkheid, die ik door jou zal verkrijgen. Mijn jeugd was één lange sleur, die ik met al mijn oproerige gedachten niet kon verbreken en nu voel ik me elken dag zoo gelukkig, dat ik nu, na dat heele jaar op College, soms nog niet kan gelooven dat ik niet droom. Ik voel me als een heldin in een verhaaltje!

Het is nu kwart over twee. Ik ga op mijn teenen naar de bus om dezen brief nog even te posten. Je zult hem dus precies een post na dien anderen krijgen en je kan dus gelukkig niet lang boos op me zijn.

Nacht lieveling!

Ik hou heel veel van je.

Judy.

4 Mei.

Verleden Zaterdag hadden we velddienst. Het was vreeselijk leuk. Eerst hadden we groote parade gehouden. We waren allen in het wit gekleed. De Seniores droegen kleine Japansche parasolletjes, blauw met goud en de Juniores wit met gele vlaggen. Wij hadden roode luchtballons. Dat was vreeselijk aardig, want elk oogenblik verloor een van ons er eentje en die vloog dan de lucht in. De eerste jaars hadden groote groen papieren mutsen met lange, afhangende linten. We hadden ook een muziekcorps in blauwe uniform voor dien dag uit de stad laten overkomen en ook een stuk of twaalf hansworsten, die de menschen tusschen de wedstrijden door bezig moesten houden.

Julia had zich als een dikken buitenman in een wit linnen pak verkleed, met bakkebaarden en een geweldig groote parasol. Patsy Moriarty (eigenlijk heet ze Patricia maar heb je ooit zoo'n onmogelijken naam gehoord, Juffrouw Lippett zou er werkelijk geen ergere kunnen bedenken), een lang, mager kind, was Julia's vrouw en droeg een hardgroene muts op één oor. De menschen hebben den heelen weg langs geproest wanneer die twee voorbijkwamen. Ik had nooit gedacht, dat een Pendleton nog zooveel spirit zou bezitten. (Hierbij denk ik natuurlijk niet aan Jongeheer Jervie, want die beschouw ik evenmin als een echten Pendleton als jou als een echten regent).

Sallie en ik deden niet aan den optocht mee, omdat we ons beiden voor de wedstrijden hadden laten inschrijven. En stel je voor, we hebben alle twee gewonnen! Tenminste bij één spel. Bij het ver-springen verloren we alle twee, maar Sallie won bij polsstok springen en ik bij het hardloopen (30 M. in 8 seconden).

Ik kreeg op het laatst wel erg hartkloppingen, maar het was toch eenig, toen de heele klas daar met zijn ballons stond te wuiven en te schreeuwen en zong:

Wat is er aan de hand met Judy Abbott? Ze heeft gewonnen! Wie heeft er gewonnen? Judy Abbott!

Dat is eerst eens roem! Toen ben ik naar het tentje gegaan en heb me daar heelemaal met spiritus afgewreven en een citroenkwast gedronken. Je ziet, dat we altijd aan onze gezondheid denken. Het is heel verdienstelijk, als je een spel voor je klas wint, want de klas, die de meeste spelen wint, krijgt dat jaar den wisselbeker. Dit jaar kregen de Juniores hem met zeven spelen in hun voordeel. Het comité bood alle winners in het gymnastieklokaal een diner aan. We kregen kreeft, en chocolade-ijs in den vorm van korfballen.

Judy wint bij het hardloopen
Judy wint bij het hardloopen

Judy wint bij het hardloopen

Ik heb gisteren den halven nacht opgezeten om in Jane Eyre te lezen. Ben jij oud genoeg om je te herinneren hoe het voor 60 jaar was en als dat zoo is, kun je me dan ook zeggen of de menschen toen zóó spraken?

De hooghartige Lady Blanche zegt tot haar knecht: „Staak uw gepraat, man, en verricht, wat ik u gebied”. Mijnheer Rochester spreekt over „het metalen hemelgewelf” wanneer hij het over de lucht heeft, en als je dan aan de krankzinnige vrouw denkt, die als een hyena lacht en de bedgordijnen in brand steekt, tranen stort over een bruidssluier en bijt... nu ja, dan is het een melodrama van het reinste water, maar toch lees je en lees je, uren achter elkaar. Ik kan me niet begrijpen, dat een meisje zoo'n boek geschreven heeft, vooral niet een meisje, dat op een kerkhof werd grootgebracht. Daar is iets in de Bronte's, dat me sterk tot ze aantrekt. Hun boeken leven, er is geest in. Maar hoe kwamen ze aan die gave! Toen ik over het ellendige leven las, dat de kleine Jane in die weldadigheidsinrichting had, ergerde ik me zoo, dat ik de kamer uitging en een flinke wandeling maakte. Ik kan me heelemaal in haar toestand verplaatsen. Als je Juffrouw Lippett kent, begrijp je ook, hoe Mijnheer Brocklehurst geweest moet zijn.

Frons je wenkbrauwen nu maar niet. Ik weet heel goed, dat het John Grier Home heel anders is ingericht dan het Lowood instituut. We kregen genoeg te eten en hadden voldoende kleeren en genoeg water om ons te wasschen en zelfs de kelder was verwarmd, maar toch is er een groote overeenkomst. Ons leven was onbeschrijflijk eentonig. Er gebeurde nooit eens iets bijzonders. De eenige afleiding was het roomijs, waarop we Zondags werden getracteerd en dat werd zelfs tot een geregeld terugkomende verrassing, dus eigenlijk geen verrassing meer. In al die 18 jaar, dat ik er was gebeurde er alleen maar één keer iets bijzonders, n.l. toen de houten schuur afbrandde. We moesten midden in den nacht opstaan en ons aankleeden, voor het geval dat het huis ook in brand zou raken. Maar het vatte geen vlam en we moesten allen weer naar bed.

Iedereen houdt wel eens van een verandering, dat is zoo'n gewoon menschelijke behoefte. Maar ik had nog geen verrassing beleefd tot op het oogenblik, dat Juffrouw Lippett me in haar kamer riep om daar te vertellen, dat Mijnheer John Smith me naar College wilde sturen. En toen ging ze daar zoo vervelend over uitweiden, dat ze weer een heeleboel van mijn plezier bedierf.

Je weet, dat ik het van het grootste belang voor iemand vind, dat hij verbeeldingskracht heeft. Daardoor voel je je in staat, je ook in de plaats van een ander in te denken. Het stemt je vriendelijk en vergevensgezind. Bij kinderen moest de fantasie al vroeg ontwikkeld worden. Maar in het John Grier Home wordt de flauwste flikkering van je verbeeldingskracht dadelijk uitgedoofd. Plicht is het eenige, wat je telkens voor oogen wordt gehouden. Ik vind dat kinderen eigenlijk de beteekenis van dat woord niet moesten kennen. Het is iets kouds, verfoeilijks. Een kind moest alles uit liefde doen, niet uit plichtsgevoel, bah!

Wacht maar, totdat je het vondelingengesticht hebt gezien, waarvan ik de directrice word. Dat is nu mijn lievelingsdroom vóór ik ga slapen. Ik werk het tot in de kleinste bijzonderheden uit, het eten en de kleeren en het werk en de spelen en de straffen... Want zelfs mijn uitstekend opgevoede pleegkinderen zijn wel eens een enkele keer ondeugend.

Maar in elk geval zijn ze gelukkig. Volgens mijn meening moet iedereen, al komen er naderhand ook nog zooveel zorgen, een echt gelukkige, zonnige jeugd hebben, waaraan hij altijd de heerlijkste herinnering houdt. En als ik ooit zelf eens kinderen krijg, dan zal ik er voor strijden, dat ze een onbezorgd gelukkig leven hebben, zoolang ze nog jong zijn, onverschillig onder hoeveel verdriet ik zelf misschien gebukt ga.

Daar luidt de klok van de kapel al. Een andere keer zal ik je hierover nog wel eens schrijven.

Donderdag.

Toen ik vanmiddag na mijn practisch werk in het laboratorium weer in onze werkkamer kwam, zat daar een eekhoorntje juist genoegelijk op mijn theetafel amandelen te knabbelen.

Dat zijn de soort bezoekers die bij dit warme weer geregeld bij ons komen wanneer de vensters open staan.

„Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee klontjes”
„Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee klontjes”

„Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee klontjes”

Zaterdagmorgen.

Misschien denk je wel, dat ik, omdat het vandaag Zaterdag is en we dan geen lessen hebben, gisteravond eens heerlijk rustig in de boeken van Stevenson heb kunnen lezen, die ik van het geld van mijn prijs kocht. Maar als je dat heusch denkt, weet je niets van het leven op een meisjes-universiteit af, mijn oude, beste Vadertje! Zes vriendinnen stormden naar binnen, om een bowl te maken en één heeft een groote plas op ons mooiste vloerkleedje gemorst. We zullen er die vlek wel nooit uitkrijgen.

Ik heb je in den laatsten tijd heelemaal niet over ons werk gesproken. We hebben een heeleboel te doen, en ik vind het daarom juist prettig om iemand te hebben met wien ik over iets anders dan over het eeuwige werk kan spreken. We moeten dus maar lange discussies over de wereld en het leven in het algemeen houden. Ik vind het wel wat erg dat ik daarbij altijd maar alleen aan het woord ben, maar dat is je eigen schuld. Je mag me altijd antwoorden wanneer je maar wilt.

Ik heb nu al drie dagen lang telkens een paar regels aan dezen brief geschreven en ik ben nu heusch bang dat ik je een beetje verveel.

Dag, mijn lieve oude vriend. Je Judy.

Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.

WelEd. Heer.

Daar ik mijn studies over argumentatie en de verdeeling van een stelling in onderdeelen heb voltooid, heb ik besloten den volgenden briefvorm aan te nemen. Mijn brieven zullen op deze wijze alle noodzakelijke feiten bevatten zonder eenig overbodig woordenverbruik.

I. We hadden deze week schriftelijk examen in: A. Scheikunde. B. Geschiedenis.

II. We krijgen een nieuw gebouw met slaapkamers. A. Het materiaal bestaat uit: a. rooden baksteen. b. grijze steenen. B. Er in verblijf houden zullen: a. een directrice, vijf leeraressen, b. 200 meisjes-studenten, c. een huishoudster, drie koks, 20 werkmeisjes, 20 kamermeisjes.

III. We hadden vanavond zure room als dessert.

IV. Ik schrijf een studie over de bronnen van Shakespeare's tooneelstukken.

V. Lou McMahon gleed vanmiddag bij 't korfballen uit. Ze viel en A. ontwrichtte haar schouder en B. kneusde haar knie.

VI. Ik kocht een nieuwen hoed, gegarneerd met: A. een blauw fluweelen band, B. twee blauwe vlerken, C. drie roode pompoenen.

VII. Het is half tien.

VIII. Goeden nacht.

Judy.

2 Juni.

Lieve Vadertje Langbeen.

Je kunt je heelemaal niet voorstellen, wat voor heerlijks er vandaag weer gebeurd is. De McBrides hebben me uitgenoodigd den heelen zomer in hun kamp te Adirondacks te komen logeeren. Ze zijn leden van een club, die 's zomers buiten gaat wonen aan een klein meer, midden in het bosch. De verschillende leden hebben daar houten huisjes en ze gaan roeien op het meer en maken lange wandelingen naar de kampen van andere clubs en één keer in de week wordt er in het clublokaal gedanst.

Jimmie McBride komt er ook met een van zijn vrienden, ook een student, dus hebben we genoeg heeren om mee te dansen.

Vind je het niet verbazend lief van Mevrouw McBride, om me ook uit te noodigen? Het schijnt, dat ze van me is gaan houden toen ik er met Kerstmis was.

Neem het me niet kwalijk, dat ik vandaag zoo kort ben. Het is ook eigenlijk geen echte brief. Ik schrijf je alleen maar om je te zeggen, dat mijn zomerplannen al gemaakt zijn.

Je in gelukzaligheid zwemmende Judy.

5 Juni.

Lieve Vadertje Langbeen.

Van je secretaris ontving ik zoo juist een briefje waarin hij me vertelt, dat Mijnheer Smith liever heeft dat ik de uitnoodiging van Mevrouw McBride niet aanneem, maar net als den vorigen zomer naar Lock Willow ga.

Maar waarom... Waarom dan toch, Vadertje Langbeen?

Het schijnt, dat je heelemaal niet begrijpt hoe de zaak in elkaar zit. Mevrouw McBride vindt het heusch heel prettig dat ik kom, ik sta haar absoluut niet in den weg. Integendeel, ik help haar. Er gaan niet veel dienstboden mee naar buiten en Sallie en ik zullen een heeleboel in huis werken. Het is juist een prachtige gelegenheid ook het huishouden te leeren. Elke vrouw moet toch een goede huishoudster zijn en ik weet eigenlijk alleen maar hoe een huishouden in een gesticht er uitziet.

Er zijn geen andere meisjes van onzen leeftijd in het kamp en Mevrouw McBride vindt het daarom veel prettiger voor Sallie, dat ze een vriendin bij zich heeft. We zullen een heeleboel samen doorlezen, alle boeken, die we het volgende jaar voor Engelsch en Staathuishoudkunde moeten kennen. De prof. zei, dat het voor ons zooveel gemakkelijker was, als we dat alles van te voren deden en je kunt het veel beter onthouden als je alles samen leert.

En dan zou het ook voor mij zoo goed zijn om een tijdlang met Sallie's moeder samen te wonen. Ze is de interessantste, verstandigste en liefste vrouw van de wereld. Ze weet alles. Denk eens aan, hoeveel zomers en winters, hoeveel lange jaren ik met juffrouw Lippett heb geleefd en hoe scherp dat contrast me nu opvalt. Je hoeft niet bang te zijn, dat ze geen plaats voor me hebben: hun huis is van elastiek. Wanneer ze een heeleboel gasten hebben, slaan ze tentjes in het bosch op en gaan de jongens daarin slapen. Het zal een heerlijke zomer zijn en zoo gezond, altijd in de buitenlucht. Jimmie McBride wil me leeren paardrijden en roeien en schieten en o, nog een heeleboel andere dingen, die ik niet ken. Het wordt een zalig, vrij leventje en ik heb dat nooit gekend en alle meisjes moesten toch wel eens zoo'n tijd in haar leven hebben. Natuurlijk zal ik precies doen, wat jij wilt, maar, ... och toe, lieveling, laat me gaan.

Vandaag is het niet Jerusha Abbott, de toekomstige groote schrijfster, die je dezen brief stuurt, het is alleen maar Judy—een jong meisje.

9 Juni.

Den WelEd. Heer John Smith.

WelEd. Heer.

Ik kwam in het bezit van Uwe letteren van 7 dezer en deel U naar aanleiding van de instructies, door tusschenkomst van Uwen secretaris ontvangen, mede, dat ik Vrijdag a.s. van hier vertrek om den zomer op Lock Willow door te brengen.

Hoogachtend,

Jerusha Abbott.

Lock Willow Farm.

3 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik heb je nu al bijna twee maanden lang niet geschreven en ik moet eerlijk bekennen, dat dat alles behalve aardig van me was. Maar zie je, ik heb dezen zomer een klein beetje het land aan je gehad. Je ziet, dat ik alles ronduit zeg.

Je weet heusch niet hoe teleurgesteld ik was, dat ik niet naar de McBride's mocht gaan. Natuurlijk weet ik dat je heel veel over me te zeggen hebt en dat ik met al je wenschen rekening moet houden, maar ik begrijp heelemaal de reden niet, waarom ik er niet zou mogen heengaan. Het was zoo duidelijk als iets, dat het juist heel goed voor me zou zijn, er een paar maanden te logeeren. En als ik nu Vadertje Langbeen was geweest en jij Judy, dan zou ik hebben gezegd: „Wel, lieve meid, ik ben heel blij voor je, dat je die uitnoodiging hebt gekregen. Natuurlijk moet je het aannemen. Maak maar van je zomer, wat je er van maken kunt. Je zult nieuwe menschen leeren kennen en een massa nieuwe dingen. Ga maar heel veel in de open lucht en zorg dat je gezond en sterk en uitgerust bent, want je zult na dezen zomer weer een jaar hard aan het werk moeten.”

Maar niets van dat al. Alleen een kort briefje van je secretaris, waarin hij me zegt, dat ik naar Lock Willow moet.

Het ergst van je bevelen vind ik nog, dat ze zoo onpersoonlijk zijn. Ik vind, dat je me toch zelf wel eens een regeltje kon schrijven, inplaats van me die vervelende, getikte briefjes te sturen, al geef je misschien ook nog zoo weinig om me. Als je dan ook maar de kleinste zinspeling maakte, dat je iets liever niet had, zou ik natuurlijk alles doen om je tevreden te stellen.

Ik weet, dat ik je aardige, lange, uitvoerige brieven moet schrijven zonder ooit een antwoord te mogen verwachten. Jij houdt je aan je belofte (ik krijg een uitstekende opleiding) maar ik voel, dat je me verwijt, dat ik van mijn kant me niet heelemaal aan onze overeenkomst houd.

Maar begrijp dan ook, dat het zoo'n moeilijk geval voor me is. Heusch, vreeselijk moeilijk. Ik voel me zoo verschrikkelijk alleen. Jij bent de eenige van wien ik kan houden en jij bent voor mij zoo'n wazig iemand. Je bent eigenlijk alleen maar een denkbeeldige man, die voor mij alleen door mijn fantasie leeft en het kan heel goed zijn, dat je in werkelijkheid heel anders bent dan ik je me voorstel. Maar eens, toen ik in het ziekenhuis lag, heb je me een kaartje gestuurd en nu ik me zoo afschuwelijk verlaten en alleen voel, haal ik dat weer te voorschijn en lees het nog eens.

Ik geloof dat ik je heelemaal niet zeg, wat ik je eigenlijk had willen zeggen en dat is:

Ofschoon ik me nog altijd een beetje gekrenkt voel—want het is beleedigend om zoo maar weggestuurd te worden door een heerschzuchtig, onredelijk, almachtig en onzichtbaar Iemand, ook als die Iemand even vriendelijk en edelmoedig en bezorgd was als jij dat tot nog toe voor me bent geweest, vermoed ik, dat diezelfde Iemand het recht heeft de rol van een heerschzuchtige, onredelijke, almachtige en onzichtbare Voorzienigheid te spelen wanneer hij dat wil en daarom ... daarom zal ik je vergeven en weer lief tegen je zijn. Maar toch voel ik me nog altijd verdrietig wanneer ik een brief van Sallie krijg en hoor, hoe prettig het bij hen in het kamp is.

Maar—we zullen nu een sluier over het verleden hangen en weer met frisschen moed opnieuw beginnen.

Ik heb dezen heelen zomer geschreven. Vier kleine schetsjes zijn nu naar verschillende weekbladen gestuurd. Dus zie je, dat ik mijn best doe om een schrijfster te worden. Ik heb hier mijn werkkamer in een hoek van den zolder, waar Jongeheer Jervie vroeger op regenachtige dagen zijn speelhoekje had. Het is een koele, frissche plaats met twee dakvensters en beschaduwd door een grooten eschdoorn, waarin een heele familie eekhoorntjes huist.

Over een paar dagen zal ik je weer een aardigen brief schrijven en je al ons nieuws van de boerderij vertellen.

Op het oogenblik hebben we regen hard noodig.

Altijd,

Je Judy.

10 Augustus.

Den Heer Vadertje Langbeen.

Mijnheer.

Ik schrijf aan je, gezeten op den tweeden tak van den wilgenboom bij de poel in de wei. Onder mijn voeten kwaken de kikkers, een sprinkhaan maakt muziek boven mijn hoofd en twee kleine roodvinkjes springen in mijn boom van tak tot tak. Ik zit hier al een heel uur. Het is een heerlijk plaatsje, vooral nu ik eerst twee kussens op mijn tak heb gelegd. Ik kwam hier met een vulpenhouder en een blocnote, in de hoop een onsterfelijk verhaal op papier te doen ontstaan, maar ik heb een zwaren strijd met mijn heldin gestreden. Ik kan haar maar niet laten spreken en handelen zooals ik het graag zou willen en daarom laat ik dat verhaal maar een oogenblik rusten en schrijf aan jou. (Voor mij eigenlijk geen verlichting, want ook jij handelt niet zooals ik het graag zou willen, en spreken doe je heelemaal niet). Wanneer je nu in dat drukke New-York bent, zou ik je wel wat van onze heerlijke, frissche lucht hier en het mooie uitzicht willen sturen. Het is hier hemelsch na een week regen!

O ja, van den Hemel gesproken! Herinner je je Ds. Kellog, den predikant van de kleine, witte kerk in Corner, waarover ik je verleden jaar al schreef? Nu, die arme ziel is gestorven. Verleden winter aan longontsteking. Ik ben nog wel een keer of zes naar zijn preeken gaan luisteren en ik raakte zoo tenslotte geheel vertrouwd met zijn ideeën. Tot aan zijn dood toe geloofde hij precies hetzelfde als wat hij als kind al had geloofd. Ik vind, dat een mensch, die 74 jaar lang precies dezelfde gedachten kan behouden zonder ook maar in een enkele kleinigheid te veranderen, als een merkwaardigheid tentoongesteld moest worden. Ik hoop, dat hij nu gelukkig is met zijn harp en zijn gouden kroon. Hij was er zoo vast van overtuigd dat hij ze zou krijgen. Er is nu een andere, jonge predikant. Een erg verwaand heerschap. De broederschap is vrij oproerig, vooral de aanhangers van den diaken Cunnings. Het lijkt wel of we hier gauw een groote verdeeldheid in de kerk zullen krijgen. Wij op Lock Willow bemoeien ons niet met die twisten.

Gedurende de regenweken heb ik aanhoudend op zolder gelezen. Hoofdzakelijk Stevenson. Hij zelf is boeiender dan een van de personen in zijn boeken. Ik zou haast zeggen, dat hij van zich zelf den held maakt, waarvan je graag zou willen lezen. Vindt je het niet eenig van hem, dat hij de erfenis van $ 10.000 van zijn vader heelemaal voor een jacht besteedde en daarmede naar de Zuidzee zeilde? Hij voldeed aan zijn avontuurlijke neigingen. Als mijn vader me $ 10.000 had achtergelaten, deed ik het ook. De gedachte aan Vailima maakt me wild. Ik wil ook de tropen zien, ik wil de heele wereld zien. En ik zal ook op een goeden dag een wereldreis gaan maken. Ja heusch, lieveling, wacht maar tot ik een groote schrijfster ben of een beroemde artiste of wat voor een beroemdheid ik ook worden moge. Ik heb een vreeselijke zwerversnatuur. Ik zou dolgraag willen reizen. Als ik een landkaart zie, heb ik grooten lust om mijn hoed op te zetten en mijn parasol mee te nemen en op stap te gaan. „Voordat ik sterf, zal ik de palmen en tempels van het Zuiden zien”.

Donderdagavond in den schemer.

(Gezeten op den drempel).

Het is erg moeilijk, je in dezen brief een paar nieuwtjes te vertellen. Judy is in den laatsten tijd zoo philosophisch aangelegd, dat ze alleen maar over het leven in het algemeen wil spreken en niet tot de onbeduidende alledaagsche kleine gebeurtenissen wil afdalen. Maar als je met alle geweld nieuwtjes wil hooren welnu, luister dan:

Illustration from Vadertje Langbeen

Onze negen biggetjes zijn verleden Dinsdag door het moeras gewaad en weggeloopen. Acht kwamen er maar van de reis terug. Wij willen niemand ten onrechte beschuldigen maar wij vermoeden, dat vrouw Dowd nu een biggetje rijker is dan haar rechtens toekomt.

Boer Weaver heeft zijn schuur hardgeel laten verven. Het is een verschrikkelijke kleur, maar hij zegt, dat ze goed tegen weer en wind bestand is.

Illustration from Vadertje Langbeen

De Brewers hebben deze week bezoek over; juffrouw Brewer's zuster en twee nichtjes uit Ohio.

Illustration from Vadertje Langbeen

Een van onze Rhode Island Reds kippen heeft van vijftien eieren er maar drie uitgebroed. Ik begrijp niet, waarin het hem ligt. Ik vind de Rhode Island Reds geen goed ras om te fokken. De Buff Orpingtons zijn veel en veel beter.

De nieuwe klerk in het postkantoor te Bonnyrigg Four Corners heeft den rhum, dien ze daar hadden staan, tot den laatsten druppel toe opgedronken. Het was wel voor $ 7.— en ze merkten het pas toen alles op was.

De oude Ira Hatch heeft erge last van zijn rheumatiek en kan nu niet meer werken. Hij heeft nooit een cent gespaard toen hij nog goed verdiende. Nu is het armoe lijden.

Zaterdagavond is er bijeenkomst in het schoollokaal. We worden op roomijs getracteerd. Als je zin hebt, kom dan ook en breng je vrienden en familie mee.

Ik heb hier voor een kwartje een nieuwen hoed gekocht. Hiernevens heb je mijn laatste portret. Ik ben net bezig den weg langs de heg netjes op te harken.

Het wordt nu te donker om nog meer te schrijven. Bovendien is mijn voorraad nieuwtjes ook uitgeput.

Goeden nacht, mijn oud vadertje!

Judy.

Vrijdag.

Goeden morgen, nu heb ik gelukkig een echt nieuwtje en wat een heerlijk ook. Wat denk je wel, dat het is? Och, je zult het toch nooit en nooit kunnen raden. Vanmorgen kreeg Juffrouw Semple een brief van Mijnheer Pendleton, waarin hij haar schrijft, dat hij een autotocht door de Berkshires heeft gemaakt. Hij is nu moe en zou graag op een gezellige, vriendelijke boerderij een tijdje uitrusten. Of ze, als hij nu op een goeden dag voor haar deur staat, dan een kamer voor hem klaar heeft. Hij blijft misschien één, misschien twee, misschien ook wel drie weken. Als hij hier is, ziet hij vanzelf, hoe moe of hij is en hoe lang hij moet blijven.

Wij hebben nu de handen vol werk, dat snap je. Het heele huis moet geboend worden en alle gordijnen gewasschen. Vanmorgen reed ik nog even naar Corners om nieuw zeil voor den ingang te koopen en twee groote blikken bruine verf om de hal en de trappen nog wat op te knappen. Vrouw Dowd hebben we voor morgen aangenomen om de ramen een goede beurt te geven. (In de opgewondenheid van het oogenblik vergaten we onze achterdocht betreffende het biggetjes-geval geheel en al.) Je zult bij het hooren van al die voorbereidselen wel denken, dat het huis niet goed onderhouden wordt, maar ik verzeker je plechtig, dat alles er keurig uitziet. Wat ze ook van Juffrouw Semple zeggen mogen, ze is een huishoudster van top tot teen.

Oude Grover is geen vurig Paard
Oude Grover is geen vurig Paard

Oude Grover is geen vurig Paard

Maar vind je dat niet ook net iets voor een man? Hij schrijft absoluut niet of hij er over denkt, vandaag of morgen of misschien wel eerst over twee weken te zullen komen opdagen. Wij zullen nu in een voortdurende opgewondenheid leven, totdat hij eindelijk voor ons staat. En als hij niet voortmaakt, zullen wij nog eens van voren af aan moeten gaan schoonmaken.

Beneden wacht Amasai al met het mandenwagentje met Grover. Ik men zelf, maar als je Grover zag, zou je je heusch niet over me bezorgd maken.

Met mijn hand op mijn hart roep ik je een hartelijk vaarwel toe.

Je Judy.

P.S. Is dat geen aardig slot? Ik nam het over uit een van Stevenson's brieven.

Zaterdag.

Nogeens goeden morgen, Vadertje Langbeen! Ik had gisteravond je brief nog niet dichtgemaakt, toen de postbode al kwam, dus zal ik er nu nog maar wat bijschrijven. We hebben elken dag één keer buslichting—om 12 uur. Die dagelijksche brievenuitdeeling heeft heel wat voor de boeren te beteekenen, want onze brievenbesteller deelt niet alleen de post uit, maar hij doet ook boodschappen naar de stad voor 12½ cent per boodschap. Gisteren bracht hij schoenveters voor me mee, en een groote pot coldcream (mijn heele gezicht vervelt, ik heb mijn nieuwe hoed iets te laat gekocht) en een blauwe stropdas en een potje schoensmeer. Alles voor 25 cent, maar dat was een buitengewone reductie, omdat ik hem zooveel tegelijk opgaf.

Hij vertelt ons ook wat er buiten in de groote wereld voorvalt. Sommige menschen hier zijn op een krant geabonneerd en hij leest ze terwijl hij ze rondbrengt en vertelt de nieuwtjes weer aan de anderen, die er geen krant op nahouden. Dus als er nu een oorlog tusschen de Vereenigde Staten en Japan uitbreekt of de President wordt vermoord of Rockefeller vermaakt een millioen aan het John Grier Home, behoef je het me heusch niet te schrijven. Ik hoor het toch in elk geval.

Nog altijd geen levensteeken van Jongeheer Jervie. Maar je moest eens zien hoe kraakhelder het huis er uitziet en hoe angstvallig we onze voeten vegen vóór we naar binnen gaan.

Ik hoop, dat hij maar gauw komt. Ik verlang er zoo naar, weer eens met iemand te spreken. Om je de waarheid te zeggen, Juffrouw Semple wordt op den duur wel wat vervelend. Wanneer ze eenmaal aan het babbelen is, kan niets haar woordenvloed stuiten en het blijft babbelen, niet spreken. Het is grappig met de menschen hier. Hun wereld bestaat alleen maar uit den heuvel, waarop ze zich toevallig bevinden. Ze zijn heelemaal niet voor algemeene gesprekken. Je begrijpt wel, wat ik meen. Het is precies als in het John Grier Home. Die ideeën daar bleven ook heelemaal binnen het ijzeren hek bepaald, maar toen merkte ik het zoo niet, omdat ik nog jong was en den heelen dag zoo vreeselijk hard moest werken. Tusschen twee haakjes; weet je wel, dat ik alle bedden op Kamer F. moest opmaken, en mijn pleegkinderen wasschen en dan naar school gaan en dan, als ik thuiskwam, weer hun gezichten moest wasschen en hun kousen stoppen en Freddie Perkins' broeken ook. (Die scheurde hij elken dag weer opnieuw stuk). En daar tusschendoor moest ik mijn schoolwerk maken. Wanneer ik dan naar bed ging, was ik niet tot het besef gekomen, dat er een geestelijke leegte in onze gesprekken was. Maar nu, nadat ik twee jaar het gezellige universiteitsleven heb meegemaakt, mis ik dat vreeselijk en ik zal dolblij zijn, als er iemand hier komt, met wien ik eindelijk weer eens spreken kan.

Nu geloof ik heusch, dat ik klaar ben. Er is geen ander nieuws om je te vertellen. Een volgenden keer zal ik probeeren je een langeren brief te schrijven.

Je Judy.

P.S. De sla staat dit jaar heelemaal niet mooi. We hebben in Juli en Augustus te weinig regen gehad.

25 Augustus.

Zeg oude vriend, Jongeheer Jervie is hier en we hebben toch zoo'n pret samen! Tenminste ik heb verbazend veel pret en ik geloof, hij ook wel. Hij is al tien dagen hier en spreekt gelukkig nog niet over weggaan. Als je ziet, hoe hij door Juffrouw Semple vertroeteld wordt, rijzen je haren te berge. Als ze het net zoo heeft gedaan, toen hij nog een baby was, begrijp je niet, dat er zoo'n flinke man uit gegroeid is.

Hij en ik eten aan een klein tafeltje in de waranda of soms onder de boomen voor het huis of, wanneer het regent of koud is, in de allermooiste kamer van het huis. Hij zoekt altijd de plekjes uit, waar hij wil eten, en Carrie loopt met het tafeltje achter hem aan. Wanneer het dan erg lastig is en zij de schotels heel ver heeft moeten dragen, vindt ze den volgenden morgen altijd een dollar in het suikervaasje.

Illustration from Vadertje Langbeen

Hij is een verbazend gezellige baas. Toch zou je het nooit zeggen wanneer je hem zag. Op het eerste gezicht is hij een echte Pendleton, maar dat is hij juist héélemaal niet. Hij is zoo eenvoudig en natuurlijk en lief, als een man maar zijn kan. Het is misschien wel gek om het karakter van een man zóó te beschrijven, maar het is nu eenmaal zoo en niet anders. Hij gaat verbazend leuk met de boeren hier om. In het begin waren ze nogal stug en achterdochtig en beweerden ze, dat ze niks niemandal om zijn fijne kleeren gaven. En die zijn juist nogal typisch. Hij draagt kuitbroeken en een fluweelen jacket en daaronder een wit flanellen overhemd of een rijcostuum met een pofbroek. Wanneer hij in een nieuw pak beneden komt, draait Juffrouw Semple als een pauw om hem heen en bekijkt hem van alle kanten en vermaant hem, toch vooral voorzichtig te zijn en niet overal te gaan zitten. Ze is doodsbang, dat hij zijn goed stoffig zal maken. Het hangt hem natuurlijk vreeselijk de keel uit en hij zegt altijd maar: „Kom Lizzy, ga nu weg. Je hebt nog zooveel te doen. Je kunt toch niet langer den baas over me spelen. Ik ben nu volwassen!”

Het is eenig leuk als je denkt, dat die groote, breedgeschouderde man met zijn lange armen en beenen (haast net zoo lang als die van jou, zeg, Vadertje Langbeen) ooit op Juffrouw Semple's schoot heeft gezeten en door haar is afgewasschen. Maar hij beweert, dat ze eens slank en gespierd en vlug is geweest en harder kon loopen dan hij nu.

O, we hebben zooveel avonturen beleefd! We hebben den omtrek mijlen ver verkend en hij heeft me leeren visschen en ook schieten, met een geweer en met een revolver. Ik kan nu ook rijden. Er is nu verbazend veel vuur in den ouden Grover ontwaakt. We hebben hem drie dagen lang met haver gevoed en hij vloog plots tegen een kalf aan en rende er haast met mij van door.

Woensdag.

Maandagmiddag hebben we den Sky Hill beklommen. Dat is een berg hier dicht bij. Geen vreeselijk hooge berg met sneeuw op den top, maar toch hoog genoeg om buiten adem te zijn wanneer je boven bent. De hellingen zijn met bosschen begroeid, maar de top is een opeenstapeling van rotsblokken en verder kale hei. We bleven tot zonsondergang en staken een vuur aan en kookten ons avondeten. Jongeheer Jervie deed als kok dienst. Hij zei, dat hij het wel beter zou kunnen dan ik, en dat was ook zoo, want hij is aan het kampeeren gewend. Toen zijn we bij maneschijn afgedaald en toen we bij het bosch kwamen, waar het erg donker was, heeft hij met zijn electrische zaklantaarn voorgelicht. O, het was eenig! Hij heeft den heelen weg gepraat en gelachen en over allemaal prettige onderwerpen gesproken. Hij kent alle boeken, die ik gelezen heb en nog een macht andere daarbij. Het is verbazend, zooveel dingen als die man weet.

Vanmorgen wilden we een stevige voetreis maken, maar een stortregen heeft ons overvallen en onze kleeren waren doorweekt, toen we eindelijk thuiskwamen. Maar toch voelden we ons heerlijk frisch en opgewekt. O, je had Juffrouw Semple's gezicht moeten zien, toen we daar zoo aankwamen!

„O, Jongeheer Jervie, o, Juffrouw Judy! U bent alle twee druipnat! Wat moeten we nu toch doen. Die mooie nieuwe jas is heelemaal bedorven!”

Het was eeuwig leuk. Je zou denken, dat we kinderen van een jaar of tien waren en zij een wanhopige moeder! Ik was heusch een oogenblik bang, dat we geen thee en toast met jam zouden krijgen.

Zaterdag.

Ik ben een eeuw geleden midden in dezen brief blijven steken, maar ik had heusch geen tijd om hem af te maken.

Is dit geen mooie gedachte van Stevenson:

„The world is so full of a number of things, I am sure we should all be as happy as kings”.

En het is beslist waar ook. Er is zooveel geluk op aarde en je kunt ook gelukkig worden als je je alleen maar met het geluk tevreden stelt, dat je op je weg tegenkomt. Het heele geheim bestaat hierin, dat je er een beetje oog voor moet hebben. Vooral buiten zijn zoo verbazend veel prettige dingen. Ik kan over een ieders land loopen en van elk mooi vergezicht genieten en ik mag in alle beekjes plassen en ik kan van dat alles net zoo genieten alsof het van me zelf hoorde, zonder dat ik er iets voor hoef te betalen.

Het is nu Zondagavond, zoowat 11 uur en iedereen veronderstelt dus, dat ik rustig in Morpheus' armen lig. Maar ik heb vanavond sterke koffie gedronken, dus voor mij is er geen rustige slaap weggelegd.

Vanmorgen zei Juffrouw Semple tot Mijnheer Pendleton op een heel beslist toontje: „We moeten om kwart over 10 hier weg om tegen 11 uur in de kerk te zijn”.

„Heel goed, Lizzy”, zei Jongeheer Jervie, „de sjees zal wel voor je klaar slaan en als ik niet op tijd ben aangekleed, moet je maar niet op me wachten”.

„We zullen wel wachten”, antwoordde ze.

„Ga je gang”, zei hij, „maar laat alleen de paarden niet te lang staan”.

Toen zij zich nu ging kleeden, liet hij Carrie de lunch inpakken en tegen mij zei hij, dat ik mijn sportkleeren aan moest doen, en door de achterdeur slopen we stilletjes weg en gingen visschen.

Het heele huishouden liep daardoor natuurlijk in de war, want op Zondag dineeren we op Lock Willow om twee uur, maar hij bestelde het diner tegen 7 uur. Hij geeft hier alles aan zooals hij dat verkiest. Je zou heusch gaan denken dat 't hier een restaurant is. En zoo konden dan Carrie en Amasai vandaag ook niet samen uit rijden gaan, maar hij zei, dat hij dat heel goed vond, want het was niet netjes om zoo zonder chaperonne uit te gaan. En in elk geval had hij toch de paarden noodig, want hij wou met mij gaan rijden. Heb je ooit zoo'n onzin gehoord!

En die arme Juffrouw Semple gelooft vast en heilig, dat menschen, die 's Zondags gaan visschen, in de hel komen. Zij heeft nu nog altijd berouw, dat zij hem niet beter heeft opgevoed, toen hij nog klein en handelbaar was en ze veel meer over hem te zeggen had. En dan—ze zou toch zoo dolgraag in de kerk een beetje met hem willen pronken.

Illustration from Vadertje Langbeen

In elk geval, we zijn uit visschen gegaan. Hij heeft vier kleine vischjes gevangen en we hebben ze gekookt ook. Ze smaakten wel wat verbrand, want we hebben ze in het vuur laten vallen toen we ze met stokjes uit het water wilden halen, maar we hebben ze toch opgegeten. Om 4 uur kwamen we thuis en om 5 uur gingen we uit rijden en om 7 uur eten en om 10 uur werd ik naar bed gestuurd en nu zit ik hier aan jou te schrijven.

Maar nu word ik toch een beetje slaperig.

Nacht lieveling!

Hier heb je het portret van den eenigen visch, dien ik ving!

Hola, Kap'tein Langbeen.

Ho, stop r's even! Jawel, geef me maar een vat rum!

Raad eens, wat ik lees? Onze gesprekken hebben in de laatste dagen een zeemansachtigen vorm aangenomen. Is „Treasure Island” geen leuk boek? Heb je het ook gelezen, of was het nog niet geschreven in den tijd toen je nog een jongen was? Stevenson kreeg maar £ 30.— voor het auteursrecht. Ik geloof niet, dat je met schrijven rijk wordt. Misschien word ik wel onderwijzeres.

Hindert het je, dat mijn brieven in den laatsten tijd telkens zoo vol zijn van Stevenson? In gedachten ben ik altijd met hem bezig. Die boeken beslaan de heele bibliotheek op Lock Willow.

Illustration from Vadertje Langbeen

Ik ben nu al twee weken met dezen brief bezig. Dat is, me dunkt, lang genoeg. Zeg maar nooit, dat ik je niet alles en alles tot in de kleinste kleinigheden vertel. Ik wou, dat jij hier ook was. We zouden het zoo gezellig samen hebben en het zou voor mij zoo prettig zijn als mijn verschillende vrienden elkaar kenden. Ik wou mijnheer Pendleton vragen, of hij je ook kende; ik zou het toch wel denken. Je zult wel in dezelfde kringen komen en je behoort alle twee tot dezelfde politieke partij en zoo. Maar ik kon het hem natuurlijk niet vragen want ik ken je waren naam niet eens.

Ik vind het toch zoo vervelend, en ik heb ook nog nooit zoo iets geks gehoord. Juffrouw Lippett waarschuwde me van te voren, dat je exentriek bent. En ik vind dat ze groot gelijk heeft.

Veel groeten van je

Judy.

P.S. Terwijl ik mijn brief overlees, zie ik, dat hij heelemaal niet alleen over Stevenson handelt. Een of twee keer wordt er ook vluchtig over Jongeheer Jervie gesproken.

10 September.

Liefste oude Lieveling.

Hij is weg en we missen hem vreeselijk. Wanneer je aan iemand of iets gewend raakt en dat wordt je dan plotseling weggenomen, laat het een akelig leeg knagend gevoel achter. Ik vind Juffrouw Semple's gesprekken nu tamelijk onverteerbaar.

Over twee weken opent College weer en ik zal blij zijn, wanneer ik weer aan het werk kan gaan. Toch heb ik dezen zomer nog betrekkelijk veel gedaan: zes verhaaltjes geschreven en zeven gedichten! Die, welke ik aan verschillende tijdschriften heb gestuurd, kwamen alle, vergezeld van beleefd-onbarmhartige briefjes, terug. Maar dat kan me niets schelen. Het is een goede oefening. Jongeheer Jervie las ze allemaal door. Hij bracht de post binnen, dus het kon niet anders of hij moest het zien wanneer ze terugkwamen. En hij zei ook dat hij ze afschuwelijk vond. Er bleek duidelijk uit, dat ik niet in het minst verstand had van de dingen waarover ik schreef. (Jongeheer Jervie stelt eerlijkheid boven beleefdheid). Maar het laatste, wat ik schreef, een kleine schets over ons leven van meisjes-studenten, beviel hem niet slecht. Hij liet het typen en stuurde het aan een weekblad. Ze hebben het daar nu al twee weken, misschien denken ze er nog eens over of ze het zullen aannemen, ja of neen.

Je moest eens naar de lucht kijken. Er is een vreemd oranjekleurig licht. We krijgen vast en zeker storm.

Juist op dat oogenblik begon het te gieten en alle luiken rammelden. Ik vloog weg om overal de ramen te sluiten en Carrie liep met haar armen vol melkpannen naar zolder om die overal neer te zetten, waar het lekt.

En toen ik juist weer verder wilde schrijven, bedacht ik me daar opeens dat ik een kussen en een kleedje en een hoed en Matthew Arnolds gedichten onder een linde in den boomgaard had laten liggen. Dus stormde ik weer weg om dat alles te gaan halen, maar het was natuurlijk al drijfnat. Het rood van den band van de gedichten is doorgeloopen en heeft overal op de bladzijden roode strepen achtergelaten. „Dover Beach”, het strand van Dover, zal voortaan door roze golfjes bespoeld worden.

Een regenbui brengt buiten verbazend veel opschudding te weeg. Je moet aldoor aan dingen denken die buitenshuis zijn en door het water bedorven kunnen worden.

Donderdag.

Zeg Vadertje, lieveling, wat denk je wel dat er vandaag gebeurd is!! Stel je voor de post brengt me zoo juist twee brieven:

I. Mijn verhaal is aangenomen! $ 50.! Ik ben dus een Schrijfster!

II. Een brief van College! Ik krijg het scholarship voor twee jaar, dus twee jaar hoef ik nu niets meer voor de colleges en het pension te betalen. Het fonds is gesticht voor „Buitengewone bekwaamheid in Engelsch, gepaard met goede vorderingen in de andere vakken”. En ik heb het gewonnen! Ik heb er wel naar gedongen vóór ik met vacantie naar Lock Willow ging, maar ik had geen idee, dat ik het zou krijgen, want ik had het eerste jaar immers herexamen voor Meetkunde en Latijn. Maar het schijnt, dat ik dat alweer heb opgehaald. O, ik ben toch zoo blij, zoo dolblij, want nu behoef ik niet meer zoo vreeselijk veel geld van je te krijgen. Alleen maar het zakgeld. En het is best mogelijk, dat ik dat later met schrijven of lesgeven ook zelf kan bij verdienen.

Ik verlang nu toch zoo, om weer naar Fergussen Hall te gaan en dadelijk aan het werk te kunnen.

Altijd,

Je Jerusha Abbott,

schrijfster van „Hoe de Sophomores den wedstrijd wonnen”.

Aan alle kiosken verkrijgbaar. Prijs 25 cent.

26 September.

Lieve Vadertje Langbeen.

Eindelijk zit ik weer op College en wel als Junior! (derde jaars studente). Onze werkkamer is nog mooier dan het vorig jaar. Hij ligt op het Zuiden en heeft twee openslaande ramen. En o, hij is zoo prachtig gemeubeld. Julia kwam hier twee dagen vóór ons aan. Haar vader gaf haar onbeperkt crediet en je hebt geen idee, wat ze in die twee dagen al niet voor de kamer heeft gekocht.

We hebben nieuw behang en Oostersche kleedjes en mahoniehouten stoelen,—echte, geen geschilderde, wat we verleden jaar toch al zoo mooi vonden. Het is heel mooi, maar toch heb ik altijd het gevoel alsof het niet werkelijk van ons is. En ik ben altijd bang, dat ik ergens op een in het oog loopende plaats een inktmop zal maken.

O ja, ik vond ook je brief,—o pardon, den brief van je secretaris—bij mijn komst hier voor me gereed liggen.

Zeg, wees zoo goed en geef me een grondige reden op, waarom je nu wil, dat ik voor het scholarship zal bedanken. Ik begrijp heelemaal niet, waarom je dat van me vraagt, maar in elk geval helpt het je nu toch niets meer dat je er bezwaren tegen maakt, want ik heb het al aangenomen en ik ben ook niet van plan nu nog van gedachten te veranderen. Dat klinkt wel wat brutaal, hè Vadertje, maar ik meen het niet zoo erg.

Het schijnt dat je mijn heele opleiding zelf wilt bekostigen nu je er eenmaal ook mee begonnen bent. Maar bekijk het zaakje nu eens van mijn standpunt. Ik heb toch alles door jou gekregen, ook al betaal je niet tot het laatste toe alles voor me, want ik had nooit het scholarship gekregen als jij me niet hierheen had gestuurd. Het eenige verschil is, dat ik nu niet zoo heel veel schuld aan je heb. Ik weet wel, dat je het geld niet terug wilt hebben, maar ik wil het toch voor mijn eigen gevoel terugbetalen en ik zal het doen ook, zoodra ik maar eventjes kan. En door dat scholarship wordt nu alles zooveel makkelijker. Ik dacht dat ik de heele rest van mijn leven noodig had om mijn schulden af te doen, maar nu zal ik er alleen maar de halve rest voor hoeven te gebruiken.

Ik hoop dat je me goed begrijpt en niet boos bent. Ik zal altijd erg blij met je maandgeld zijn. Je hebt heusch heel wat noodig om, bij Julia's installatie-ideeën, samen te wonen. Ik wou dat ze een eenvoudiger smaak had of dat ze anders niet met me samen huisde.

Dit is een erg verwarde brief. Ik dacht nogal dat ik je zooveel had geschreven. Maar ik heb intusschen vier gordijnen en drie portières gezoomd (goed, dat je mijn naaikunst niet kunt beoordeelen) en dan heb ik een koperen schrijfgarnituur met tandpoeder gepoetst (een zwaar werk, hoor!) en ik heb koperdraad met mijn nagelschaar doorgezaagd om een schilderij op te hangen en ik heb vier kisten met boeken uitgepakt en twee koffers met kleeren (het schijnt haast ongeloofelijk, dat J. A. twee koffers met haar kleeren kan vullen, maar toch is het zoo) en daar tusschendoor heb ik een stuk of vijftig vriendinnen gesproken.

Den eersten dag na onze vacantie gaat het hier altijd erg vroolijk toe.

Nacht Vadertje, laat het je nu niet hinderen, dat het kuiken zijn eigen voedsel wil zoeken. Het groeit nu op tot een energieke, kleine kip met een macht mooie veeren (die ze allemaal aan jou te danken heeft).

Je je liefhebbende

Judy.

30 September.

Lieve lieveling.

Denk je nog altijd aan dat scholarship? Ik heb nog nooit een man gekend, die zoo koppig en taaivolhardend en hardnekkig en onredelijk en dwingerig en niet-in-staat-iets-ook-van-een-andermans-standpunt-te-bekijken is, als jij bent.

Je ziet liever dat ik geen gunsten van vreemden aanneem.

Vreemden—maar zeg, wat ben jij dan voor me?

Is er iemand in de wereld, dien ik minder ken dan jou? Ik zou je niet eens herkennen als ik je op straat tegenkwam. Zie je, als jij nou een redelijk, verstandig mensch was geweest en lieve vaderlijke brieven aan je Judy hadt geschreven en zoo af en toe was overgekomen en haar een stevige hand hadt gegeven en haar gezegd hadt, dat je zoo blij was, dat ze zoo haar best deed en dat je van haar hield—ja zie je, dan was ik misschien op je ouden dag niet zoo weerspannig geweest, maar ik had je je wenschen van je oogen afgelezen als een gehoorzaam dochtertje—waarvoor ik toch eigenlijk ook in de wieg gelegd ben.

Vreemden ... Die is werkelijk goed! Je woont in een glazen huis, Mijnheer Smith!

En daarbij is het heelemaal geen gunst. Het is zoo iets als een prijs en ik heb hem door hard werken gewonnen. Als niemand goed genoeg in Engelsch was geweest, zou het Comité het scholarship niet hebben uitgereikt. Een paar jaar geleden hebben ze het ook niet gedaan. Dus—maar och, wat geeft het je, met een man te redeneeren. Je behoort nu eenmaal tot een sekse, die geen begrip van logica heeft, Mijnheer Smith! Er zijn twee methodes, om een man iets aan het verstand te brengen: je moet hem vleien, of je moet hem flink de waarheid zeggen. Ik houd er niet van met vleien mijn zin te krijgen, daarom moet ik het je dus maar even flink zeggen:

Mijnheer, ik denk er niet aan, om het scholarship te weigeren en als je er nu nog meer over spreekt, wil ik je zakgeld ook niet meer aannemen, maar zal ik mezelf zwak en zenuwachtig moeten maken door lessen te geven aan domme groentjes.

Dit is mijn laatste woord.

En luister eens. Ik heb er nog verder over nagedacht. Jij bent bang, dat ik iemand anders benadeel, wanneer ik het scholarship aanneem, zoodat een arm meisje nu misschien niet kan studeeren. Maar dan kan je toch het geld, dat je voor mij hadt willen uitgeven, gebruiken voor de opleiding van een ander meisje van het John Grier Home? is dat geen prachtidee? Alleen, lieveling, geef dat andere meisje de beste opleiding, die je haar bij mogelijkheid geven kunt, maar ga alsjeblieft niet meer van haar houden dan van mij.

Ik hoop dat je secretaris zich niet gekrenkt voelt, nu ik zoo weinig op de voorstellen let, die hij me doet. Maar ik kan het werkelijk niet helpen als hij beleedigd is. Hij is heusch een verwend kind, oudje. Ik heb vroeger altijd aan zijn grillen toegegeven, maar nu ben ik besloten standvastig te blijven.

Je onherroepelijk voor eeuwig vastbesloten

Jerusha Abbott.

9 November.

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik ging vandaag naar de stad om een potje schoencrème, een paar boorden en stof voor een nieuwe blouse, een tubetje violetglycerine en een doos geparfumeerde zeep te koopen—alles even noodzakelijk, ik kon er werkelijk geen dag mee wachten. En toen ik mijn tramkaartje wilde betalen, ontdekte ik daar, dat ik mijn beursje in den zak van mijn anderen mantel had gelaten. Dus moest ik weer uitstappen en weer terug en een andere tram nemen en kwam zoodoende te laat in het gymnastieklokaal.

Het is afschuwelijk als je vergeetachtig bent en er daarbij twee mantels op nahoudt.

Julia Pendleton heeft me uitgenoodigd, met Kerstmis bij haar ouders te komen logeeren. Hoe vindt je dat wel, Mijnheer Smith? Denk eens aan, Jerusha Abbott uit het John Grier Home zal aan de tafel van de rijken mee aanzitten. Ik snap zelf niet waarom Julia me heeft uitgenoodigd, maar het schijnt, dat ze zich in den laatsten tijd nogal aan me heeft gehecht. Om je de waarheid te zeggen, ik zou veel en veel liever naar Sallie's familie gaan, maar Julia heeft me het eerst gevraagd, dus zal ik wel naar New-York inplaats van naar Worcester reizen. Ik krijg kippevel als ik er aan denk de Pendletons en masse te ontmoeten, en ik zal ook aardig wat voor mijn toilet moeten uitgeven. Dus, oude heer, als je me nu schrijft dat je liever ziet dat ik deze vacantie rustig hier blijf, zal ik met mijn welbekende gehoorzaamheid aan je wensch gedwee gevolg geven.

In mijn vrijen tijd lees ik zoo nu en dan „Life and Letters of Thomas Huxley”. Het is een aardig boek om er een half uurtje mee zoek te brengen. Weet je wat een archaeopteryx is? Het is een vogel. En een stereognathus? Ik stel me dat voor als overgang, een schakel in de natuur b.v. een vogel met tanden of een hagedis met vleugels. O jé, het is geen van tweeën! Ik heb het net opgezocht. Het is een mesozoïsch zoogdier.

zoo zal denk ik een Stereognathus er uit zien —— Hij heeft de kop van een slang en ooren van een hond en pooten van een koe en een staart van een hagedis en vleugels van een zwaan en is heelemaal met nesthaartjes bedekt als een pasgeboren katje.
zoo zal denk ik een Stereognathus er uit zien —— Hij heeft de kop van een slang en ooren van een hond en pooten van een koe en een staart van een hagedis en vleugels van een zwaan en is heelemaal met nesthaartjes bedekt als een pasgeboren katje.

zoo zal denk ik een Stereognathus er uit zien

Hij heeft de kop van een slang en ooren van een hond en pooten van een koe en een staart van een hagedis en vleugels van een zwaan en is heelemaal met nesthaartjes bedekt als een pasgeboren katje.

Ik heb er dit jaar staathuishoudkunde bij gekozen. Als ik daarmee klaar ben, wil ik voor maatschappelijk werk studeeren. En dan, Mijnheer de Regent, dan weet ik precies, hoe een vondelingengesticht moet worden geleid.

Geloof je ook niet, dat ik een uitstekende kiezeres zou zijn, als ik stemrecht had? Ik ben verleden week 21 geworden. Het is toch een vreeselijk land, waar ze zoo'n edele goed onderlegde nauwgezette verstandige burgeres niet eens naar waarde weten te schatten.

Altijd,

Je Judy.

7 December.

Mijn lief, oud Vadertje Langbeen.

Dank je wel voor je verlof om bij Julia's familie te gaan logeeren. Ik neem tenminste aan, dat je stilzwijgen je toestemming beduidt.

We hebben toch weer zoo'n pret gehad! De vorige week was het feest van de Stichting van de Universiteit. Het was voor het eerst, dat een van ons er aan kon deelnemen, want alleen de Juniors en Seniors worden toegelaten.

Ik noodigde Jimmie McBride uit, en Sallie zijn vriend, die met hem in Princeton samen slaapt en die den vorigen zomer ook in het kamp logeerde. Het is een erg aardige jongen met rood haar. En Julia noodigde iemand uit New-York uit—géén erg aardige heer maar onberispelijk en van zeer goeden huize. Hij is verwant aan De la Mater Cichester's. Misschien ken jij die lui, mij zegt dat natuurlijk niets.

In elk geval, onze gasten kwamen Vrijdag aan, en we dronken thee in de ontvangkamers van de Seniors en toen moesten ze weer weg naar het hotel om te dineeren. Het hotel was zoo stamp en stampvol, dat ze zelfs beweerden, dat ze op matrassen op de billardtafels sliepen, maar dat zal wel niet heelemaal zoo geweest zijn. Jimmie zegt, dat, als hij weer voor het een of andere feest wordt uitgenoodigd, hij een van de Adirondack tentjes zal meebrengen en die dan op een sportveld zal opslaan.

Om half acht kwamen ze alweer terug voor de ontvangst bij den President en voor het bal. We moesten dus gauw voortmaken. We hadden alle dansboekjes voor de heeren van te voren klaar gemaakt en na elken dans lieten we ze onder de voorletter van hun achternaam in groepjes bijeenstaan, zoodat ze gemakkelijk door hun dames voor den volgenden dans gevonden konden worden. Zoo moest Jimmie McBride geduldig onder de „M” blijven staan totdat hij werd opgeëischt. (Tenminste dat behoorde hij te doen, maar hij liep telkens weg en mengde zich tusschen de R's en S's en andere letters). Ik vond hem een erg lastigen gast. Hij was een beetje brommig omdat hij maar drie dansen met me had en hij beweerde, dat hij te bleu was om met meisjes te dansen, die hij niet kende.

Den volgenden dag hadden wij een groot concert met zang. En raad eens wie het welkomslied voor die gelegenheid heeft gedicht? Het is heusch waar, zij is het. O ja, Vadertje, je zult nog eens zien wat voor een beroemd persoontje je kleine vondeling wordt!

Onze twee Princetons vonden het verbazend gezellig, tenminste, ze waren zoo beleefd dat bij het afscheid te zeggen, en ze hebben ons meteen voor hun feest van het volgend voorjaar uitgenoodigd. We hebben het alle drie aangenomen; stribbel dus maar niet tegen, lieve engel!

Julia en Sallie en ik hadden alle drie nieuwe japonnen. Wil ik ze eens beschrijven? Die van Julia was van ivoorkleurig satijn met goud geborduurd en ze droeg daarbij purperen orchideën. Het was sprookjesachtig mooi en het kwam regelrecht uit Parijs. Het heeft een schat gekost.

Sallie's japon was van teer blauw satijn met Perzisch handborduursel afgezet. Het kleurde prachtig bij haar rood haar, het kostte niet zooveel als Julia's gewaad, maar ze zag er minstens net zoo mooi uit.

Mijn japon was van zacht roze crêpe de chine met écru kant en roze satijn afgewerkt en ik had er roze anjelieren bij (Van Jimmie McBride, Sallie had hem gezegd welke kleur ik zou dragen). En we droegen alle drie satijnen schoentjes en zijden kousen en shawls in de tint van onze japonnen.

Je zult nu wel diep onder den indruk van al die kleine toiletbijzonderheden zijn.

't Is misschien gek, maar heusch, ik vind dat een man toch een erg eentonig leven heeft als je alleen maar bedenkt, dat b.v. crêpe de chine en Venetiaansche kant en handborduursel en Iersche kant enkel maar woorden voor hem zijn, terwijl een vrouw—al stelt ze nog zooveel belang in babies en microscopen of in haar man of een gedicht of dienstboden of parallelogrammen of bloemen of Plato of bridge of weet ik wat—toch altijd opleeft, als ze over kleeren hoort spreken.

Eén trek in de natuur maakt, dat de menschen zich verwant voelen. (Dit is geen oorspronkelijke gedachte, ik las het in een van Shakespeare's tooneelstukken).

Maar laten we nu weer op ons verhaal terugkomen. Wil ik je een geheim toevertrouwen, dat ik laatst ontdekt heb? En beloof je me, dat je me dan niet ijdel zult vinden?

Luister dan.

Ik zie er aardig uit.

Werkelijk waar, ik zou wel heel erg dom zijn als ik dat niet zag met twee spiegels in mijn kamer.

Een Vriendin.

P.S. Dit is een van die ondeugende, anonieme brieven, waarover je in novellen leest.

20 December.

Liefste Vadertje Langbeen.

Ik heb maar een oogenblik om je te schrijven. Ik moest nog twee colleges bijwonen, een koffer pakken en een hoedendoos, en met dat al moet ik nog den trein van vier uur halen. Maar ik kon toch niet weg zonder je nog even te schrijven hoe gelukkig je me met je Kerstcadeaux hebt gemaakt.

Ik hou van dat prachtige bont en de kant en de Liberty shawl en de handschoenen en de zakdoekjes en de boeken en het zilveren taschje—maar boven alles hou ik van jou, Vadertje. Maar lieveling, toch moest je me eigenlijk niet zoo verwennen. Ik ben maar een mensch en daarbij een jong meisje. Hoe kan ik een ernstige studente blijven als je me met zooveel mooie, wereldsche dingen overstroomt.

Ik heb nu een sterk vermoeden, wie van de John Grier Home regenten altijd voor den Kerstboom zorgde en voor het Zondagsche roomijs. Hij deed alles anoniem maar door zijn daden herken ik hem. Lieveling, jij verdient zeker gelukkig te zijn na al het goede, dat je stil voor anderen deedt.

Dag! Gelukkig Kerstfeest!

Je je liefhebbende

Judy.

P.S. Hier heb je het portret van kleine Judy. Geloof je, dat je van haar zou gaan houden als je haar kende?

11 Januari.

Ik wou je eigenlijk uit New-York schrijven, maar ach heden, ik kwam er werkelijk niet toe.

Het was een interessante, een schitterende tijd, maar ik ben toch blij, dat ik niet zoo'n familie bezit. Ik zie heusch nog liever het John Grier Home op den achtergrond. Ik weet nu, wat de menschen bedoelen wanneer ze zeggen, dat ze door vormen en plichtplegingen naar beneden worden getrokken. De atmosfeer in dat huis was al zoo drukkend. Ik heb diep adem gehaald toen ik weer in den express naar Fergussen Hall terugreisde. Alle stoelen waren gebeeldhouwd en overal lagen kostbare kleeden, alles was even schitterend en verpletterend rijk. De menschen, die ik daar ontmoette, waren prachtig gekleed en spraken op zachten, beschaafden toon, maar werkelijk, ik heb geen enkel verstandig idee gehoord, zoo lang ik daar in huis was. Ik geloof dat bij hen nog nooit een denkbeeld hun hersenkast is binnengeslopen.

Mevrouw Pendleton denkt aan niets anders dan aan juweelen en kleermakers en costumières en plichtplegingen. Ze is een heel andere moeder dan Mevrouw McBride, maar als ik trouw en een eigen familie krijg, dan zal ik er zooveel mogelijk McBrides van maken. Voor geen geld van de wereld zou ik uit mijn kinderen Pendletonnetjes willen zien groeien. Het is misschien niet beleefd, de menschen bij wie je een tijd gelogeerd hebt, te critiseeren. Neem het me maar niet kwalijk, ik moet mijn hart even luchten en jij spreekt er toch niet verder over.

Ik zag Jongeheer Jervie maar één keer, toen hij kwam tea-en en toen had ik niet eens gelegenheid om hem te spreken. Erg jammer; na dien gezelligen zomer, dien we samen gehad hebben, zou ik hem zoo graag van alles verteld hebben. Ik geloof niet dat hij veel om zijn familie geeft en ik weet zeker, dat zij ook niet veel van hem houden. Julia's moeder zegt dat hij zijn evenwicht niet kan bewaren. Hij is een socialist, maar gelukkig draagt hij geen lange haren en roode dassen. Ze begrijpen maar niet, waar hij toch die vreemde ideeën vandaan heeft. De familie is sedert eeuwen conservatief geweest. Hij schenkt groote sommen geld aan allerlei vooruitstrevende vereenigingen inplaats van het voor zulke aardige dingen als yachten, auto's en paarden uit te geven. Maar hij koopt met dat al toch ook bonbons—hij stuurde Julia en mij ieder een mooie bonbonnière met Kerstmis.

Weet je, ik geloof, dat ik ook een socialiste ben. Dat hindert je zeker niet, hè? Je moet ze vooral niet verwarren met anarchisten. Het is hun bedoeling heelemaal niet om menschen te dooden. Ik hoor bij het volk. Ik ben nog niet besloten bij welke richting ik me zal aansluiten. Ik zal daar Zondag nog eens ernstig over nadenken en dan schrijf ik het je in mijn volgenden brief.

Ik heb een macht theaters en hotels en prachtige huizen gezien. In mijn hersenen is een vreeselijk warbeeld van onyxen en verguldsels en mozaïekvloeren en palmen. Ik ben nog altijd een beetje buiten adem en ik geloof heusch, dat ik een echte studente ben. Deze academische kalmte lijkt me veel gezonder dan de atmosfeer te New-York. Het universiteitsleven geeft heel veel voldoening. De boeken en de studie en de geregelde colleges houden je geestelijk leven bezig en wanneer je wat overwerkt en afgemat bent, zijn er nog altijd het gymnastiek gebouw en de openluchtspelen. En er zijn altijd een heeleboel aardige vriendinnen, met wie je veel bespreken kunt. Wij hebben laatst een heelen avond niet anders gedaan dan praten—praten en nog eens praten en ik ben toen heelemaal opgelucht naar bed gegaan alsof we een massa moeilijke problemen hadden opgelost. En dan kunnen we zoo'n heerlijken onzin uithalen, allemaal kleine onschuldige dingen, maar toch erg leuk, en we stellen onze moppen altijd zelf erg op prijs.

Het is niet het groote plezier, dat je leven aangenaam maakt, juist die kleine dingen dragen er zooveel toe bij. Ik heb het ware geheim van het geluk ontdekt, Vadertje, en dat is: In het Heden te leven. Je moet niet altijd het Verleden betreuren of bang zijn voor de Toekomst, maar je moet van het oogenblik zooveel maken als je maar kunt. Het is net als buiten op de boerderij. En nu ik dit weet, leef ik dubbel, want ik geniet van elke seconde en ik weet, dat ik ze geniet terwijl ik ze geniet. De meeste menschen leven niet. Ze rennen altijd maar rusteloos door, ze trachten altijd een doel ergens ver weg aan den horizont te bereiken en door de inspanning van dat jagen raken ze buiten adem en beginnen ze te hijgen, zoodat ze heelemaal niet naar het mooie, kalme landschap kijken, waar ze doordraven. En het eerste, wat ze dan weten, is, dat ze oud en afgeleefd zijn en dan is het voor hen hetzelfde, of ze hun doel wel of niet hebben bereikt. Ik wil aan den rand van den weg blijven zitten en een heeleboel kleine gelukjes verzamelen, ook al word ik nooit een Beroemde Schrijfster. Wist je, dat ik zooveel aanleg had om een philosophe te worden?

Als altijd

Je je liefhebbende Judy.

P.S. Het schijnt, dat het van nacht katten en honden heeft geregend. Ik vond van morgen twee kleine hondjes en een katje op mijn vensterkozijn.

5 Maart.

Lieve Vadertje Langbeen.

President Cuyler hield vanavond een rede over de moderne jeugd, die hij oppervlakkig en zwak vindt. Hij zegt, dat wij de oude idealen van ernstig streven en ware studie uit het oog verliezen en deze achteruitgang in ons geslacht is vooral merkbaar in een minder eerbiedige houding tegenover onze professoren. We schijnen den afstand tusschen ons en onze meerderen niet meer te kennen.

Zeer deemoedig verliet ik de kapel.

Ik ben tegen jou misschien ook te familiaar, Vadertje. Behoorde ik je eigenlijk niet eerbiediger en meer op een afstand te behandelen? Ja, ik ben er nu van doordrongen, dat ik dat eigenlijk doen moest. Ik wil van voren af aan beginnen.

Zeer geachte Heer Smith.

Het zal u genoegen doen te vernemen, dat ik voor mijn halfjaarlijksch examen geslaagd ben en in een nieuw semester begin te werken. Ik zet mijn studie in de scheikunde niet langer voort doch neem de studie in de biologie op, weliswaar eenigszins aarzelend, want ik verneem, dat we regenwormen en kikkers zullen moeten ontleden.

Ik heb laatst een zeer interessante lezing over „Overblijfselen uit den Romeinschen tijd in Z. Frankrijk” aangehoord en nog nooit beter over dit onderwerp hooren spreken.

Ik lees op het oogenblik Wordsworth's „Tintern Abbey” in verband met onze colleges over de Engelsche letterkunde. Wat is dit een buitengewoon mooi werk en hoe mooi spreekt Wordsworth hier zijn gedachten over het pantheïsme uit! De romantische beweging in het begin van de vorige eeuw, uitgedrukt in de gedichten van Shelly, Byron, Keats en Wordsworth maakt op mij meer indruk dan de klassieke periode, die daaraan voorafgaat. Van gedichten gesproken, hebt U ooit dat fijne, kleine gedicht van Tennyson gelezen, de „Locksley Hall”?

Ik ga in den laatsten tijd heel geregeld naar het gymnastieklokaal. Dit is nu voorgeschreven en het zou mij zeer veel onaangenaamheden berokkenen, indien ik deze verplichting niet zou nakomen. Wij hebben nu in het gymnastieklokaal een prachtig zwembassin van cement en marmer, een geschenk van een vroegere studente. Mijn kamergenoot, Juffrouw McBride, heeft me haar zwempak geschonken (dat was zoo gekrompen, dat zij zelve het niet langer kon dragen), en nu ga ik zwemles nemen.

Wij hadden gisteravond heerlijk rose ijs voor dessert. Er worden bij ons alleen maar plantaardige bestanddeelen gebruikt om het eten te kleuren. Tegen het gebruik van andere kleurstoffen verzetten wij ons met alle macht, zoowel uit aesthetisch als uit hygiënisch oogpunt.

Het weer was in den laatsten tijd prachtig, heldere zonneschijn afgewisseld door enkele welkome sneeuwstormen. Mijn vriendinnen en ik hebben veel genoten op onze wandelingen voor en na de colleges—vooral van die er na.

Terwijl ik de hoop uitspreek, dat gij, geachte Heer Smith, zooals gewoonlijk een goede gezondheid geniet, teeken ik

met verschuldigde hoogachting,

Jerusha Abbott.

Illustration from Vadertje Langbeen

24 April.

Lieve Lieveling.

Eindelijk is het lente. Je moest eens zien, hoe mooi het er nu bij ons uitziet! Hè ja, je moest toch zelf eens komen om je daarvan te overtuigen. Jongeheer Jervie kwam verleden Vrijdag ook even aanwaaien maar ongelukkigerwijs op een erg ongelegen oogenblik, want Sallie en Julia en ik moesten juist weg om den trein te pakken. En waarheen denk je wel, dat we reisden? Naar Princeton om aan het bal en de feesten deel te nemen! Ik vroeg je niet van te voren of ik wel mocht, want ik had een voorgevoel, dat je secretaris dan weer zijn onverbiddelijk veto zou uitspreken. Maar het ging alles heel ordelijk toe. We hadden verlof aangevraagd en Mevrouw McBride chaperonneerde ons. Wij hadden het 'er dol, maar ik zal maar niet op bijzonderheden ingaan, dan ben ik heusch bang, dat mijn brief veel te lang wordt.

Zaterdag.

We zijn vanmorgen voor dag en dauw opgestaan! De nachtwaker heeft ons gewekt. We waren met ons zessen meisjes en we hebben op een komfoor koffie gezet. (Je hebt nog nooit koffie met zooveel zaksel geproefd!) En toen hebben we twee mijlen geloopen om op den top van One Tree Hill den zonsopgang te bewonderen.

Dit is Prexy's katje. Je kunt aan mijn teekening wel zien wat een echte Angora het is.
Dit is Prexy's katje. Je kunt aan mijn teekening wel zien wat een echte Angora het is.

Dit is Prexy's katje. Je kunt aan mijn teekening wel zien wat een echte Angora het is.

Je hadt ons dat laatste stuk naar boven moeten zien krabbelen! De zon brandde ons in het gezicht! Je kunt je voorstellen hoe uitgehongerd we bij het ontbijt waren!

Lieve deugd, ik schijn vandaag wel een erg uitroeperigen stijl te hebben! Kijk eens naar al die uitroepteekens op die eene bladzij.

Ik wou je eigenlijk eens heel veel vertellen over de uitbottende boomen en het nieuwe sintelpad dat nu naar het sportveld leidt en over de afschuwelijke les, die wij voor morgen voor ontleedkunde moeten leeren en over de nieuwe bootjes op het meer en over Catharina Prentiss, die longontsteking heeft en over Prexy's Angora-katje, dat van huis is weggeloopen en twee weken hier op Fergussen Hall heeft gelogeerd, totdat een van de kamermeisjes het weer heeft teruggebracht. En dan over mijn drie japonnen, wit en roze en blauw mousseline met een daarbij passenden hoed—maar, Vadertje, ik ben heusch moe, een meisjes-universiteit is een heel drukke plaats en wij zijn dikwijls erg moe tegen den avond, vooral als onze dag al voor zonsopgang begint.

Je je liefhebbende kleine Judy.

15 Mei.

Lieve Vadertje Langbeen.

Hoort het tot de goede manieren, om recht voor je uit te staren, wanneer je in de tram zit, en dus niet rond te kijken?

Illustration from Vadertje Langbeen

Een heel mooie dame in een prachtigen fluweelen mantel stapte vandaag in de tram en zat wel 15 minuten lang met een wezenloos gezicht naar een reclameplaat van bretels te staren. Ik vind het niet erg beleefd als je iedereen negeert, het lijkt wel of je jezelf de eenige gewichtige persoon in den tramwagen vindt. In elk geval gaat er dan een heeleboel voor je verloren als je aldoor naar zoo'n vervelende plaat moet kijken. Ik heb ondertusschen een heele tram vol interessante menschentypes bestudeerd.

Deze brief is alweer geïllustreerd, zooals je ziet.

Het heeft wel veel van een spin die aan een touw spartelt, maar in werkelijkheid is het een afbeelding van Judy, die in het bassin in het gymnastieklokaal zwemmen leert.

De zwemjuffrouw haakt een touw aan een ring aan mijn zwemgordel vast en laat dat touw over een katrol aan de zoldering loopen. Het zou een prachtig systeem zijn als je vertrouwen in de juffrouw hadt, maar ik ben altijd bang dat ze het touw zal laten glippen, dus houd ik één angstig oog op haar gericht, terwijl ik met het andere mijn zwembewegingen volg en door dit verdeelen van mijn opmerkzaamheid tusschen haar en het water maak ik geen reusachtige vorderingen.

Het weer is erg veranderlijk in den laatsten tijd. Het regende toen ik begon te schrijven en nu schijnt de zon weer. Sallie en ik gaan tennissen en ik heb daardoor meteen een excuus om voor de gymnastiekoefeningen te spijbelen.

Een week later.

Ik had dezen brief eigenlijk al lang moeten afschrijven, maar ik kwam er niet toe. Je vindt het niet zoo heel erg, hè Vadertje, al schrijf ik je ook erg ongeregeld. Ik vind het heusch heerlijk om aan je te schrijven, het geeft me zoo'n heerlijk gevoel, net alsof ik ook familie heb. Wil ik je eens iets vertellen? Je bent niet meer de eenige man, aan wien ik schrijf. Er zijn er nog twee andere. Ik heb dezen winter heerlijk uitvoerige brieven gekregen van Jongeheer Jervie (met getikte enveloppes, dus weet Julia er gelukkig niets van). Heb je ooit zoo iets shockings gehoord? En haast elke week komt er een erg verward epistel, meestal op geel blocnote-papier, uit Princeton. En dat alles beantwoord ik met de promptheid van een zakenman. Dus zie je, dat er niet meer zoo'n groot verschil tusschen mij en andere meisjes bestaat. Ik krijg ook brieven.

Heb ik je verteld dat ik gekozen ben tot lid van de dramatische club van de Seniors? De organisatie is erg deftig: maar 75 leden worden uit de 1000 meisjes gekozen. Vind je, dat ik als consequent socialiste daarvan deel kan uitmaken?

Waarmee denk je wel dat ik op het oogenblik voor sociologie bezig ben? Figurez-vous, ik schrijf een proefschrift over „De zorg voor minvermogende kinderen”! De Prof. heeft de papiertjes met de onderwerpen eerst alle door elkaar geschud en heeft er ons toen elk eentje laten trekken. En ik trok dit. C'est drôle ça, n'est-ce pas?

Daar gaat de gong voor het eten. Als ik nu langs de bus ga, kan ik je brief posten.

Veel liefs van

J.

4 Juni.

Lieve Vadertje,

We hebben het vreeselijk druk. Over 10 dagen promotiedag! Morgen beginnen de examens. We hebben nog een macht er voor te werken en daarbij is het zoo heerlijk mooi buiten, dat het me aan mijn hart gaat, er niet uit te mogen.

Maar kom, het is haast vacantie. Julia gaat dezen zomer naar Europa, voor de vierde keer al. Zeg, het gaat hier op aarde toch niet eerlijk toe. Sallie gaat als gewoonlijk weer naar Adirondacks en wat denk je wel, dat ik ga doen? Je mag drie keer raden. „Lock Willow”. Mis! „Naar Adirondacks met Sallie?” Mis! (Dat probeer ik niet nog eens, de teleurstelling van het vorig jaar zit er nog te versch in). Kun je nu niets anders raden? Zeg, jij hebt toch ook niet veel verbeeldingskracht. Ik zal het je dan maar zeggen, tenminste, als je me belooft nu niet weer een macht bezwaren te maken. Ik waarschuw je secretaris van te voren, dat ik vast besloten ben mijn plan door te zetten.

Ik ga dezen zomer naar zee met Mevrouw Charles Paterson en haar dochter. De oudste moet komend najaar naar College, en nu ga ik haar een beetje bijwerken. Ik ontmoette Mevrouw Paterson bij de McBrides. Ze is een erg lieve dame. Haar jongste dochtertje geef ik les in Engelsch en Latijn, maar ik zal toch ook nog een beetje tijd voor mezelf overhouden en elke maand verdien ik daar nog $ 50.— mee. Vind je dat niet ontzaggelijk veel geld? Ze bood het me zelf aan, ik had heusch niet meer dan $ 25.— durven vragen.

Ik blijf in Magnolia (daar gaan ze heen) tot 1 September en dan zal ik nog een week of drie naar Lock Willow kunnen. Ik vind het erg leuk om de Semples en alle dieren daar eens weer te zien.

Wat zeg je nu van mijn programma? Je ziet, dat ik al heelemaal onafhankelijk begin te worden. Jij hebt me leeren staan en nu kan ik haast ook loopen.

De promotiedag in Princeton en onze examens vallen juist samen. Vreeselijk jammer, hè? Sallie en ik waren er zoo dolgraag op den promotiedag heengegaan, maar dat is nu natuurlijk onmogelijk.

Dag Vadertje, geniet maar van den zomer en kom in het najaar maar goed uitgerust terug. (Dat zeg ik je nu maar voor, je moet dat natuurlijk tegen mij zeggen). Ik heb er geen flauw benul van, wat jij wel in den zomer doet en hoe je jezelf amuseert. Ik kan me je omgeving ook heelemaal niet voorstellen. Speel je golf of ga je op de jacht of rijd je paard of lig je languit in de zon te droomen?

In elk geval, hoe je den zomer doorbrengt, geniet ervan en vergeet Judy niet.

10 Juni.

Liefste Vadertje,

Dit is de moeilijkste brief, dien ik je ooit heb geschreven, maar ik heb bij mezelf ernstig overlegd, wat me te doen staat en nu kan ik niet meer van mijn plan afwijken. Het is allerliefst en heel edelmoedig van je, dat je me dezen zomer naar Europa wilt sturen. Toen ik je brief pas kreeg, was ik half dronken van geluk. Maar daarna.... daarna wist ik ook, dat ik het niet mocht aannemen. Het zou al te onlogisch van me zijn, om je geld voor de Universiteit te weigeren, maar het wel voor mijn plezier aan te nemen. Je moet me niet te veel een weeldeleventje willen geven. Als je iets nooit hebt gekend, mis je het ook niet, maar het is vreeselijk hard en moeilijk je later dingen te ontwennen, waarvan je al dacht, dat ze je gewoonweg toekwamen. Het is al moeilijk om in het samenleven met Sallie en Julia mijn stoïcijnsche onverschilligheid te bewaren. Zij hebben van kind af aan alles gekregen en aanvaarden het geluk als iets wat hun toekomt. Zij denken dat het Leven hun alles verschuldigd is, wat ze maar wenschen. Misschien is dat ook wel zoo. In elk geval schijnt het Leven zijn schuld te kennen en geeft het hun alles. Maar mij is het niets verschuldigd en het heeft mij dat ook al van jongs af aan duidelijk gemaakt. Ik heb hoegenaamd geen recht op crediet, want er zal een tijd komen, waarin het Leven mijn aanspraken zal verwerpen.

Ik praat er nu eigenlijk zoo'n beetje om heen, maar toch begrijp je zeker wel, wat ik ermee wil zeggen. In elk geval voel ik duidelijk, dat het voor mij het beste is om dezen zomer lessen te geven en te beginnen, voor mijn eigen onderhoud te zorgen.

Magnolia.

4 dagen later.

Ik had dat alles juist geschreven toen—ja, wat denk je wel, dat er toen gebeurde?—De meid kwam binnen met een kaartje van Jongeheer Jervie. Hij gaat dezen zomer naar Europa, niet met Julia en haar familie, maar heelemaal alleen. En ik zei hem, dat je me hadt uitgenoodigd om onder de hoede van een oudere dame met een heele troep jonge meisjes ook naar Europa te gaan. Ik heb hem al eens over jou gesproken, lieveling, d.w.z., hij weet, dat mijn Vader en Moeder gestorven zijn en dat een lieve, oude heer me naar College heeft gestuurd. Maar ik had niet den moed hem over het John Grier Home en de rest te spreken. Hij denkt, dat jij mijn voogd bent en een goede huisvriend. Ik heb hem nooit verteld, dat ik je niet eens ken. Dat zou al te gek zijn.

In elk geval raadde hij me erg aan om naar Europa te gaan. Hij zei, dat het bepaald noodzakelijk voor mijn opleiding was en dat ik het niet mocht weigeren en ook, dat hij zoowat gelijk met mij in Parijs zou zijn en dat ik dan wel eens onder de hoede van de chaperonne weg kon vluchten en met hem in een aardig buitenlandsch restaurant kon dineeren.

Om je de waarheid te bekennen, het was erg verleidelijk, Vadertje. Ik bezweek haast, en als hij niet zoo'n dictators-air had aangenomen, was ik heel en al bezweken. Ik geef dikwijls toe wanneer iemand vriendelijk, geduldig met me spreekt, maar ik kan het niet hebben, dat ze mij willen dwingen. Hij zei, dat ik een dom, dwaas-romantisch, onredelijk, idioot, onhandelbaar kind was (dit zijn een paar van zijn lieflijke benamingen, de rest ontging me) en dat ik niet wist, wat goed voor me was. Dat moest ik maar aan het oordeel van oudere menschen overlaten. We hebben haast gekibbeld. Misschien deden we dat ook wel.

In elk geval, ik heb toen in alle haast mijn koffers gepakt en ben hierheen gereisd. Ik dacht, dat het beter was, dat mijn schepen achter mij verbrand waren wanneer ik je weer zou schrijven. En ik kan nu mijn brief ook afmaken.

Ik zit hier nu in Cliff Top (de naam van Mevrouw Paterson's buitenhuisje). Mijn koffers zijn uitgepakt en ik heb ook samen met Florence—de jongste—den strijd tegen de verbuigingen opgenomen. En dat is me een zware strijd! Zij is een buitengewoon verwend kind. Ik zal haar eerst moeten leeren hoe ze werken moet. Ze heeft haar heele leventje nog nooit over iets gewichtigers gedacht dan over roomijs en spuitwater.

Wij gebruiken een rustig hoekje, op een van de rotsen, voor leerkamer (Mevrouw Paterson wenscht, dat ik haar buiten les geef) en ik wil je wel bekennen, dat het mij ook moeilijk valt om mijn gedachten bij het werk te houden met de blauwe zee en de schepen voor oogen. En als ik dan denk, dat ik ook op zoo'n schip had kunnen zijn en vreemde landen had kunnen zien..... Maar ik wil aan niets anders dan aan Latijnsche grammatica denken.

De voorzetsels a of ab, absque, coram, cum, de, e of ex, prae, pro, sine, tenus, subter, sub en super regeeren den ablativus.

Zoo zie je, dat ik hard kan werken, zelfs met de meest verleidelijke beelden voor oogen. Toe, wees niet boos op me en denk nu niet, dat ik je goedheid niet op prijs stel. Want dat doe ik wel. Altijd, altijd. De eenige manier, waarop ik je ooit mijn dankbaarheid kan bewijzen is door een Zeer Nuttig Burger te worden. (Zijn vrouwen ook burgers, ik geloof het eigenlijk niet). En als je dan naar me kijkt, kun je bij jezelf zeggen: ik schonk de wereld deze Zeer Nuttige Vrouw.

Dat klinkt als een klok, hè Vadertje, maar laat ik je niet misleiden. Ik denk dikwijls, dat ik heelemaal niets bijzonders heb. Het is gek, nu al zoo ver vooruit te spreken, maar toch geloof ik heusch niet, dat ik ooit iets anders dan een heel gewone middelmatige vrouw zal worden. Misschien zal ik een ondernemend man trouwen, en hem bij zijn werk inspireeren.

Altijd,

Je Judy.

19 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen,

Van uit mijn venster heb ik een prachtig vergezicht op de zee, niets dan water en rotsen.

De zomer spoedt ten einde. Ik breng mijn tijd door met Latijn en Engelsch en Algebra bij mijn uiterst domme leerlingen in te pompen. Ik begrijp niet, hoe Marion ooit tot College toegang zal krijgen of hoe ze er zal blijven, als ze er eenmaal zit. En wat Florence betreft, nu, dat is een erg hopeloos geval. Maar het is een schoonheidje en ik geloof, dat het er in het minst niet op aankomt of een meisje dom is of niet, als ze er maar mooi uitziet. Ik kan het niet helpen, ik moet er aldoor aan denken, hoe ze later haar man wel met praten zal vervelen, tenminste als die niet zoo dom is als zij. En ach dat zal hij wel zijn.

De wereld schijnt wel stampvol met domme menschen. Ik heb er ten minste van den zomer weer een paar ontmoet! 's Middags maken we een wandeling over de rotsen of we zwemmen. Je ziet, hoe nuttig mijn opleiding blijkt te zijn.

Ik kreeg een brief van Mijnheer Jervie Pendleton uit Parijs, nogal een korte, stugge brief. Hij heeft me nog niet heelemaal vergeven, dat ik zijn raad niet wilde opvolgen. Maar toch komt hij nog een paar dagen naar Lock Willow, voordat College weer opent en we zullen elkaar daar zien. En als ik erg aardig en lief en gedwee ben, dan (dat lees ik tusschen de regels door) wordt Judy weer in genade aangenomen.

Er kwam vanmorgen ook een brief van Sallie. Ze vraagt of ik met September nog twee weken in het kamp kom. Moet ik je nog verlof vragen, of is de tijd nu gekomen, dat ik zulke uitnoodigingen op eigen houtje mag aannemen? Ja, ik weet zeker, dat ik je er nu niet meer om behoef te vragen. Ik ben nu een senior, weet je. En nu ik den heelen zomer zoo hard heb gewerkt, voel ik, dat ik ook behoefte aan ontspanning heb en ik verlang er zoo naar, om Adirondacks te zien! Ik verlang naar Sallie, naar haar moeder, naar haar broer. Hij zal me leeren roeien en (dat geeft eigenlijk den doorslag, weet je) ik vind het prettig, dat Jongeheer Jervie op Lock Willow komt en me er dan niet vindt. Ik moet hem eens toonen, dat ik me niet laat dwingen. Niemand kan me dwingen, Vadertje, alleen jij, en jij kunt het ook niet eens altijd.

Dag! Ik ga weg naar de bosschen, naar Adirondacks!

Judy.

Kamp McBride

6 September.

Lieve Vadertje.

Je brief ontving ik net een paar dagen te laat. (En dat is gelukkig ook). Als je wilt, dat je bevelen worden opgevolgd, moet je je secretaris zeggen, dat hij geen twee weken met het antwoord moet wachten. Zooals je ziet, zit ik nu hier en dat al vijf heele dagen.

Het bosch is heerlijk en het kamp en het weer ook en de McBrides zijn schatten en de heele wereld is lief en goed. O, ik ben zoo gelukkig!

Daar roept Jimmie me al om te gaan roeien. Dag! Het spijt me dat ik je niet heb gehoorzaamd, maar waarom verzet je je er toch met alle geweld tegen, dat ik ook eens een beetje pleizier heb? Nu ik zoo'n heelen, langen zomer heb gezwoegd, verdien ik toch deze twee heerlijke weken. Je kunt niet zien, dat de zon in het water schijnt. Mijnheer Smith!

Toch hou ik van je, Vadertje, ondanks al je fouten.

Judy.

3 October.

Lieve Vadertje Langbeen,

Nu ben ik weer hier op Fergussen Hall en wel in mijn waardigheid van Senior, daarbij nog redactrice van „De Maandelijksche”. Het is haast niet te gelooven hè, dat zoo'n gewichtig personage nog pas vier jaren geleden in het John Grier Home thuis hoorde. We kunnen hier in Amerika onzen weg vinden als we maar willen!

Zeg, hoe vind je dat? Ik kreeg vanmorgen een briefje van Jongeheer Jervie, dat hij naar Lock Willow adresseerde en dat me naar hier opgestuurd werd. Hij zegt, dat hij tot zijn spijt in den herfst niet op Lock Willow kan komen. Hij heeft een uitnoodiging van een vriend aangenomen om met hem op de jacht te gaan. Hij hoopt, dat ik dezen zomer veel plezier heb gehad en dat de buitenlucht me goed heeft gedaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings