DE DOOP.
Reading edition
Met hun drieën, in de verblindende namiddagzon, hebben zij 't hoevetje verlaten....
Zij volgen den bochtigen, blonden landweg tusschen het gelende koren, schitterend van roode en blauwe bloemen.
De peter, lang en mager, zakkende schouders en steltige beenen, frisch geschoren, bruingebrand beenderig gezicht onder een zwart-zijden pet, stapt in het midden. Aan zijne rechterhand loopt de meter,--de zuster der kraamvrouw--een prachtige meid met langen, zwart-glimmende kapmantel en bont-gekleurde kanten muts; aan zijne linkerhand loopt de baker, gezet en klein, met korte, vlugge stapjes, ook in langen zwarten kapmantel, 't gelaat zoo effen geel als rijpe haver, met twee ronde, wakkere, lichtblauwe oogjes, onder een witte, gepijpte kap, die heelemaal het haar, en een groot deel van 't voorhoofd bedekt. Beider armen, onder de lange slippen van de kapmantels verborgen, zijn onzichtbaar. Slechts door een reet, als de beweging van haar gang de slippen eventjes doet opwaaien, komt iets wits te voorschijn. Zij dragen, naar de dorpskerk, de 's ochtends pas geboren tweelingen van zeven maanden, ten doop.
Langs den weg, begrensd door bouwakkers, door boomgaarden en hoeven, komen mannen en vrouwen op den voorbijtocht van den kleinen stoet nieuwsgierig aansnellen.
't Is dan toch waar, tweelingen van zeven maanden, en die leven! Men ondervraagt, men gilt het van verbazing uit, men slaat de handen van verwondering in elkaar. En telkens houden de twee vrouwen even stil, keeren zich met den rug naar de zon, halen de mantels om, en laten de wichtjes even zien, zoo nietig klein onder hun witte windsels, de oogen dicht en de gezichtjes popperig, tusschen de langzaam bewegende handjes. Dan halen zij, met een mysterieusen glimlach, de slippen der mantels er weer over, en verder schitterende korenvelden, den peter langs den landweg, zich haastend om te komen aan het kerkje, welks spitse torentje, vrij verre nog, over de hooge boomen uitpunt.
Eensklaps vaart er, door het lichaam van de baker, als een korte schok....
Een wondere trilling, mysterieus-inwendig, gevolgd als van een stilstand, van iets dat plotseling ophoudt te bewegen....
Gedurende den tijd van een weerlicht houdt zij zelve even stil, bleek, met verwilderde oogen, en een mond die zich opent, als om een kreet te slaken. Doch ze bedwingt zich instinctmatig, zegt niets, loopt zwijgend verder, naast den peter en de meter, die ook niets hebben gemerkt.
Met hun drieën loopen ze zoo zwijgend een tijd door. Zonder reden is het gesprek eensklaps gestaakt; zonder reden, als in geheim accoord, verhaasten zij den stap onder de blakerende zon, tusschen de schitterende korenvelden. De zwarte mantel van de meter klappert af en toe onder haar flinken stap van kloeke, knappe deerne; de peter, met zijn lange, schrale beenen, jaagt nu en dan een wolkje zand op; de baker huppelt door, met korte, vlugge pasjes, 't gezicht zeer bleek, de oogen angstig vóór zich starend, de zenuwachtig-trillende lippen half open, in 't hijgend jagen van haar hartslag.
Zij zijn niet verre meer van 't dorpje, over vijf minuten zullen zij aan 't kerkje zijn....
Maar,.... ziedaar weer menschen vóór hun deur, die ze bij zich wenken en roepen, die de tweelingen willen zien. En reeds opent de meter, welwillend en ontroerd, haar mantel, toen de baker koortsachtig-gejaagd in 't midden treedt:
-Nie, nie, en doe da nie mier; 't es nou genoeg, we 'n hên nou gienen tijd mier."
De nieuwsgierigen protesteeren, dringen aan. De jonge meter eindigt met haar zuigeling te laten zien, heel fluksjes. De baker, ondanks alle smeekingen, weigert hardnekkig het hare te toonen. Zij siddert en stampvoet, hare verwilderde oogen zijn vol schrik en toorn, ze snelt vooruit, de anderen moeten haast hollen om haar in te halen.
Eindelijk komen zij in 't dorp. De koster, die ze verwacht en ze voorbij heeft zien gaan, voegt zich bij hen, gaat zijn pastoor verwittigen. Zij klimmen de twee arduinsteenen treden van het kerkhof op, ze staan vóór de gesloten deur van het witgekalkt kerkje.
Zij hoeven slechts een oogenblik te wachten. Dadelijk is de koster daar terug, met den pastoor, en de deur van het kerkportaal wordt geopend. In groep treden zij binnen, en blijven achteraan staan, onder 't orgel, bij de doopvont, in 't frisch, haast kil halfduister van den hoogen middenbeuk, terwijl de pastoor in de sacristie zijn koorhemd gaat aantrekken. Ziezoo, ze zijn klaar. Zij verschijnen met de noodige toebereidsels, de doopvont wordt geopend, men kan beginnen. Wie eerst?
- Gij, zegt met schorre stem de baker tot de meter. Heel haar lichaam beeft van ontsteltenis, en 't zweet parelt in dikke droppels op haar wangen. Haar aangezicht is lijkwit geworden, zoo wit als 't gepijpte ruusje van haar muts; het kind, het nietig kleine wichtje weegt op haar armen, weegt op haar lijf als lood.
De plechtigheid begint. De meter heeft haar kapmantel geopend, de koster neemt het kind, en houdt het over de doopvont. Het wordt gebet met lauw water, het schreeuwt heel even, en kwijlt van afkeer, als de pastoor hem het traditioneel snuifje zout op de tong legt. Het krijgt zijn christelijke voornaam, terwijl de peter en de meter om dezelfde brandende waskaars hunne rechterhand houden.
De tweede nu....
Met een trillende hand heeft de baker haar mantel half geopend. Zij ontbloot even 't kind, reikt het aan den koster, haar hoofd als in schrik op zij wendend. Die enkele beweging doet haar, als van flauwte, waggelen. Door een vlug grijpen naar haar arm, houdt de peter haar recht.
Reeds houdt de koster het kind boven de doopvont, en de plechtigheid is begonnen, toen de pastoor, plotseling ophoudend, zich buigt, om, bij het schijnsel van de waskaars, het kind van dichter bij te aanschouwen.
Hij blijft zoo enkele seconden, als geschrikt. Toen richt hij zich op, kijkt de baker verontwaardigd aan, murmelt halfluid, met strenge stem:
- Da kind es deud! Wilde mij dan 'n afgrijselijke heiligschennis doen begoan?"
Allen schrikken zij verwilderd op. De meter buigt zich over 't wichtje met een schorren kreet; de baker, als in onmacht tegen 't ijzeren traliehek van de doopvont geleund, antwoordt, zonder naar het kind te durven kijken:
- Nie, nie, hij 'n es nie deud, hij 'n sloap moar, hij es onderwig in sloap gevallen, 'k hêt gevoeld."
Twijfelend buigt de geestelijke nog eens over 't kindje, kijkt het aandachtig aan, raakt even, met het averechtste van zijn hand, het kleine hoofdje. Dan richt hij zich weer op, vertoornd en plechtig, en zonder een woord verlaat hij de doopvont, met een gebaar bevelend dat men hem heeft te volgen.
Allen gehoorzamen. De meter, haar zuigelingje op den arm, weent heete tranen; de koster wil het doode kind teruggeven aan de baker, die zich verschrikt achteruittrekt, de heilige plek door haar geweldig snikken en gejammer profaneerend:
- Nie, nie, 'k en wille nie! 'k en durve nie! 'k Ben schouw[1]! 'k ben schouw! 'k Hê em in m'n oarems voelen stierven! 'k Goa euk stirven as ik 'en nog moe droagen! Hij es verdoemd! hij es in d' Helle. Hij es gestorve zonder gedeupt te zijn!"
- Geef 'em mij, 'k zal ik em droagen, zegt de peter."
Hij neemt het kleine lijkje in zijn groote onbehendige handen en zij verlaten de kerk.
En, onder de glinsterende Julizon, langs de blonde wegen, tusschen de blonde korenvelden, als voor een feest getooid met roode en blauwe bloemen, keeren zij weer terug naar 't verre hoevetje: de jonge, mooie meter in tranen 't levend kindje dragend, de peter, lang en beenderig, onhandig dragend 't kleine lijkje; en de baker op enkele passen afstands volgend, wanhopig en vernederd, verwilderd van angst, omdat zij in haar armen heeft den Dood gedragen die nog niet ontsmet was van de Erfzonde.