← Table of contents
Uit Vlaanderen

DE BAANWACHTER.

Reading edition

Sinds een week was de baanwachter ziek....

Hij had niets,....geen enkel verschijnsel van een duidelijk te karakterizeeren ziekte; hij voelde slechts een duister, vreemd-kwellend gevoel, een groote moreele drukking gepaard met een overgroote lichamelijke vermoeidheid; een onverklaarbare en onoverwinbare neerslachtigheid, een pijnlijke depressie over gansch zijn wezen. Hij sliep weinig en onrustig, hij at haast niets....

Hij was ziek van onheilspellend voorgevoel. Ziek van iets dat komen zou, ziek van iets dat hij, smartvol, in zich voelde tot rijpheid worden. Hij voelde de nabijheid eener groote, triestige gebeurtenis met onzekeren afloop, een dier groote gebeurtenissen van ons leven, waarin wij telkens dreigen om te komen; een van die stormen, die, als ze voorbij zijn zonder ons te raken, lange poozen rust en vrede achterlaten, tot de nabijheid eener nieuwe groote gebeurtenis zich pijnlijk weer doet voelen.

Van lieverlede werd dat vaag en kwellend ongemak intenser, duidelijker. De geduchte gebeurtenis zweefde drukkender over zijn leven, drong door in zijn gewoonten, in zijn dagelijksche bezigheid. Hij kreeg een angst voor zijn dagelijksche bezigheid.

Sinds meer dan twintig jaar was hij baanwachter aan een spoorweg, langs een lijn met druk verkeer, op een plaats, waar een steenweg over de rails kruiste. Het was er een eenzaam, afgezonderd plekje, als verloren midden in de groene velden, dicht bij een bocht der baan. Op korten afstand, langs den steenweg, stond het armzalig hutteken van leem en stroo, waarin hij met zijn vrouw en kinderen woonde; vlak naast de spoorbaan was het houten blokhuisje, waarin hij, overdag, in de tusschenpoozen van zijn werk, somtijds een rust--of--schuilplaats zocht.

En hij die, meer dan twintig jaren lang, zonder de minste emotie, zooveel duizenden treinen had zien voorbijsnellen; hij die, zooveel duizenden keeren, zonder de minste vrees of onrust, de witgeverfde slagboomen welke de spoorbaan van den kruisenden steenweg afzonderden, had gesloten en geopend, somtijds zelfs, in de sleur der gewoonte, de voorschriften van een zeer streng reglement over het hoofd ziende, hij voelde zich nu sidderen van angst, telkenmale als een trein zou komen. Instinctmatig, zonder te weten waarom, nam hij nu overdreven-nauwkeurige voorzorgen. Hij peilde voortdurend met angstige oogen, den doorgaans eenzamen straatweg bezoomd met populieren, en de lange spoorlijn afgebakend met telegraafpalen; zoodra een trein uit een der naast gelegen stations werd aangekondigd liep hij ijlings de slagboomen sluiten; en, telkens als het reusachtig gevaarte donderend voorbij holde, gehuld in eene stoom- en stofwolk welke naar verbrand metaal rook, telkens vloog hij haast achterover tegen 't blokhuisje, doodsbleek en zwijmend, met verwrongen gezicht en oogen vol tranen, alsof hij telkens, in een toenemende, voortdurend weer herhaalde foltering, de Groote Schriklijke Gebeurtenis, waaronder hij vernield zou worden, op zich voelde neerstorten. Telkenmale bleef hij er, minuten lang, als bewusteloos onder. Dan ging hij, met bevende handen, de slagboomen weer openen, en uitgeput zakte hij neer op 't houten bankje vóór het blokhuis, het hoofd tusschen de handen en de ellebogen op de knieën, verzonken in een smartvolle bedwelming, onder het zangerig gesuis der telegraafdraden, tot het elektrisch belletje hem weer deed opschrikken, de komst van den volgenden trein aankondigend.

Dien avond, Pinksteravond, leed hij buitengewoon hevig onder zijn wondere kwaal....

De dag was brandend heet geweest, ontelbare treinen waren voorbijgesneld, menigten voerend naar de zeekust. En de baanwachter, van 's morgens vroeg reeds op zijn post, voelde zijn overspannen zenuwen trillen en schudden, als gemarteld onder foltertuigen. Zijn gelaat was lijkkleurig bleek onder de geelgebrande huid, zijn kleine zwarte oogen schitterden van koorts onder de verlakte klep van zijn uniformpet met rood bandje. Hij had den ganschen dag volstrekt niets gegeten, maar hij had enkele glazen bier gedronken, hem door zijn vrouw in eene kruik gebracht. Sinds vier uur 's morgens was hij daar, en zijn dienst zou dien dag duren tot 's avonds kwart na tien, tot na den doortocht van den laatsten sneltrein....

't Was negen uur. De nacht daalde, sereen en zacht, na de brandende daghitte. Uit het bedauwde gras steeg een verkwikkende frischheid; de korenvelden, hooger dan manslengte, dichter dan een ondoordringbaar woud, wasemden troeblante geuren uit. De laatste locaaltrein was voorbij; de spoorbaan, gestippeld met veelkleurige, pinkende lichtjes, strekte zich eenzaam en verlaten uit naar het nog rood-glanzend Westen, als naar een droom van goud.

En, van lieverlede, ondanks zijn koortsige gejaagdheid, door een overweldigende vermoeidheid neergedrukt, ging de baanwachter zijn slagboomen sluiten voor den nacht, en kwam hij, in de zachte schemering, op 't houten bankje vóór het blokhuisje zitten. Hij dacht in zichzelf, dat nu, zoo laat, zeker geen rijtuig langs den eenzamen steenweg meer zou komen, en dat, als het toch moest gebeuren, men hem wel roepen zou, om weer de slagboomen te openen. Het hoofd tusschen de handen en de ellebogen op de knieën, verzonken in zijn pijnlijke bedwelming onder 't mysterieus gezang der telegraafdraden die wegstraalden in het onzichtbare, dacht hij dat het toch beter was die uiterste voorzorg te nemen, ofschoon 't reglement dat niet eischte.

En, zachtjes aan, van de bedwelming zonk hij weg in sluimering, in bewusteloosheid...... Hij droomde.

Verwarde, onsamenhangende droomen, om de beurt triestig en vroolijk, duistere evocatie van diep-ontroerende dingen. Belofteland van vrede en geluk, gezien en haast bezeten in den droom; doodsangst van arme stumperd, gebukt onder een vloek. Mijsterieuze levenskracht der ziel in dien schijndood van het stoffelijk wezen.

Zachte vizioenen kwamen tot hem, doordrongen hem langzaam met levensheil en vreugd, gelijk de dauw die de verzengde bladeren laafde, in de bespiegeling der avondrust. Zwarte spoken zweefden, omgaven hem van nacht en lijden, dronken het leven van zijn ziel, wreedaardig-zwijgend, als het Onheil. In hem ontstond, onweerstaanbaar, de Groote Gebeurtenis die wezen moest.

En, in zijn lijdende prostratie, voelde hij de banden van het onvatbare en 't onbegrijpelijke met de wereldsche realiteit. Hij voelde de onzekere gebeurtenis, welke reeds zijn ziel bezat, in wezenlijke vormen komen, ontstaan uit de realiteit die hem omringde en die hij nochtans niet meer zag. Het kwam hem eensklaps voor of hij stemmen hoorde, dringende stemmen, die hem een bevel riepen. Maar hij werd niet wakker, hij gehoorzaamde niet. In hem nu, zegepraalde de almachtige Fataliteit, die niet heeft te gehoorzamen. In hem, in een uiterste hallucinatie, was reeds volbracht De Gebeurtenis, De Groote Onvermijdbare Gebeurtenis, die hij, dagen lang, ziek van angst, onwederroepelijk had voelen komen.

Vervaarlijke kreten schrikten hem plotseling wakker!.... Hij vloog op, slaakte zelf, instinctmatig, een gil van angst en gruwel, terwijl hij, als door een orkaan, tegen het blokhuisje werd omvergeslagen....

De sneltrein stormde voorbij, zwart, woest, met bliksemvlammen, in donderend gebulder. En midden op de baan, tusschen de wijd open slagboomen, tusschen de rails reeds, steigerde, blazend en snuivend, een wit paardje, wild vastgehouden bij het mondstuk door een man, een paardje dat was aangespannen aan een karretje met wit dekzeil, waar onder uit de schrikkelijke kreten kwamen.

Nog half bedwelmd, de oogen uitgepeuld van angst in den zacht-glanzenden nacht, was de rampzalige baanwachter toegesneld. De man, die met een woesten duw zijn paard weer achteruitgedrongen had, schreeuwde hem toe, met een van schrik en toorn schor-hijgende, hikkende stem:

- Sloeber!.... sloeber!.... 't es ou schuld! ge sliept!.... ge zijt zat[1]! 'k Hé ou zien sloapen,....ou heufd tusschen ou handen!.... mee ouwe rugge tegen 't huizeken!.... 'k Hê vruchteleus geroepen, geschrieuwd, mee mijn zwiepe geslegen!.... ge sliept,.... ge woart zat!.... ge 'n hêt mij nie geheurd!...."

Heel zijn lichaam beefde en schokte, zijn mond, wijd open, slikte droog van 't wilde hijgen, zijn oogen fonkelden als karbonkels in den nacht, terwijl de wachter, stom van angst en gruwel, smeekende handen vouwde.

- O sloeber! sloeber!.... g' en weet nie wat er hoast gebeurd es!.... Omdat het zeulang duurde,.... en dat er toch gienen trein en kwam,.... ben ek uit mijn kerreke gekomen, en hê 'k zelve de beumen ope gedoan!.... Moar mijn peird en was nog op de rails niet,.... of doar komt de trein!.... 't Es er compleet van wiggeslegen!.... 'n seconde, 'n halve seconde loater en we woaren allemoal verpletterd!... Doar, in 't kerreke, zitten mijn wijf en mijn drei kinders!.... We kwoame van 'n fieste!.... van 'n fieste!...."

Onder het dekzeil waren de angstkreten veranderd in huilend gekerm en geklaag, en ook de man, die eindelijk zijn karretje over de spoorbaan leidde, snikte nu hevig, terwijl de baanwachter, de oogen zwart in zijn doodsbleek gelaat, hem sprakeloos en werktuigelijk volgde, onder den overweldigenden indruk van een echte omwenteling die in hem ontstond. Een gevoel van oneindige, volzalige verlichting ontlastte eensklaps van hun vreeselijke knelling, de zoolang overspannen zenuwen en spieren van zijn gansche wezen. Hij voelde zich in eens verlost van zijn afgrijselijke nachtmerrie, hij voelde dat de Groote Geduchte Gebeurtenis voorbij was, dat zij langs hem heen was gestormd, vervaarlijk maar onmachtig, meegeslingerd met den ruischenden express naar andere bestemmingen....

Bevend en zwak, nadat hij nu voor goed de slagboomen der baan gesloten had, had hij langs den steenweg 't karretje achterhaald, waar de man, ietwat bedaard, zijn vrouw en kinderen was gaan terugvinden. Maar hij kon niet meer spreken, hij kon hun niets meer zeggen om zich te verontschuldigen of hen weer gerust te stellen. Op zijn beurt weende hij heete tranen, uitstortend zijn geleden folteringen in 't gevoel zijner oneindige verlichting, in de volzalige sensatie van den langen vrede en het zacht geluk welke nu zouden komen.

De man was weer in 't karretje gestegen, had weer de leidsels in de hand genomen. Toen deed de wachter zich geweld aan om hem toch te kunnen zeggen:

- O, neemt 'et mij nie kwoalijk, 'k was zeu ziek. Moar nou ben ik genezen, veur lang, veur lang genezen."

En hij stak een sidderende hand uit, welke de man, onder 't zeil, onweerstaanbaar in de zijne drukte, een schor "goên avend" murmelend. De vrouw en de kinderen, in een laatsten snik, gaven hem insgelijks een groet, zacht en triestig, vol verzoening. En, op een kort-gekandanseerde trippeldrafje, verwijderde zich het witte paardje met het witte karretje over den eenzamen steenweg, vaag-grijzig in de nachtschaduw der populieren,....

Terwijl de baanwachter, alleen nu in den zachten geuren-nacht, zijn breed-ademende longen als geopend van geluk, zijn gansche wezen als doordrongen van rust en vrede, van tijd tot tijd nog lange, diepe zuchten van bevrijding slaakte, met halfgesloten oogen en weifelende schreden naar zijn nederig hutteken terugkeerend....

1 Dronken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings