DE BROODVERVOERDER.
Reading edition
I.
Dien morgen, evenals elken dag, was Mercié klokslag zes met zijn vrachtwagen vertrokken.
Het was een man van omtrent vijf en veertig jaar, met zachte bruine oogen in een beenderig gezicht, bruingebrand van buitenlucht en zon, en omlijst van nog donker krulhaar en zwartgekroesde bakkebaarden. Hij droeg een zwart verlakte uniformpet met blauw bandje; op zijne linkerheup, vastgemaakt aan een blauw koordje, hing schuins de tinnen horen, waarmede hij zijne komst in de dorpen aankondigde. En onder zijn buis, gehecht aan een riem die om zijn lendenen gegespt was, hing een zwart-lederen tasch, waarin hij het op zijn weg ontvangen geld vergaarde. Elken morgen, zijn wagen geladen tot aan het dekzeil, verliet hij aldus de groote broodfabriek De Veldbloem, om, in een rondreis welke den ganschen dag duurde, de omliggende dorpen van brood te voorzien. Een ieder, langs den weg, kende hem van aanzien, doch weinigen wisten zijn naam; men noemde hem eenvoudig: "de Broodvervoerder."
Hij had de reeds woelige voorstad verlaten, zijn paard, een zwart Brabantsch merrietje van een zeldzame sterkte, draafde zwaar, in de regelmatig klinkende kadans der hoefijzers, langs den smallen, vaak bochtigen, met slooten en boomen bezoomden steenweg, die van de stad naar het dorp Baevel loopt. Enkele villa's, de vensterluiken nog gesloten, doken poëtisch half op uit de omringende loovermassa's harer tuinen; langs den op dit vroege uur nog weinig bezochten straatweg ontmoette hij niets dan stadwaartsrijdende, groene melkkarretjes, hun glimmende koperen kannen en potten half verborgen onder versch stroo, hun lichte paardjes gevoerd door jonge boerenknapen of meisjes, met welke hij glimlachend, in 't voorbijgaan, den gewonen goeden morgen wisselde. Het was de tijd der rijpe oogsten: bij plaatsen rees, als een schetterende symphonie van kleuren, een overweldigende woekering van blauwe, roode en witte bloemen uit de blonde, neergestreken aren; de klavervelden, grijs van paarlendauw, geurden honigzoet; de zon, reeds warm, steeg in een vlekkeloos, bijna hard azuur, een brandend-heeten dag voorspellend.
En Mercié, op den bok van zijn wagen gezeten, voelde zich, in het lichtschommelend geratel der wielen, door een zacht gevoel van welzijn streelen. Zijn gedachten en gewaarwordingen waren vaag en verwijderd, van een zachte en eentonige gelijkheid, van een gelukkige rust, vrij van kommer en van zorgen. Hij voelde zijn leven nu veel aangenamer dan toen hij eenvoudig fabriekwerker was; hij dacht dat zijn tegenwoordig loon van drie frank vijftig daags nu toch voldoende was om netjes te voorzien in het onderhoud zijner vrouw en vier kinderen.... zijner vijf kinderen weldra......; en hij benijdde niemands lot meer, hij volbracht gaarne zijn zindelijk en niet te lastig werk, hij was gelukkig en opgeruimd van gemoed, er was in hem een sensatie van zeer kalme, zeer sereene toekomst, van een nog zeer lang en vreedzaam leven, dat zich tot het einde zou ontrollen gelijk nu, in een stille middelmatigheid, in een bevredigende nederigheid, zonder eerzucht noch kwellingen.
Hij was gekomen in een klein gehucht welk eene nog niet lang geopende stoomtramlijn doorkruiste. Terstond, uit dagelijksche gewoonte, veranderde 't paardje van zelf zijn draven in stapvoets gaan, terwijl Mercié, uit zijn zoete mijmeringen gerukt, van den bok sprong en in zijn horen blies.
Deuren werden geopend, vrouwen kwamen geloopen, haar dagelijkschen voorraad versch brood bestellend. Zonder een enkel oogenblik zijn paardje stil te houden, dat met zijn tragen, zwaren tred langs de lage huisjes vorderde, had Mercié de beide achtervleugels van den wagen wijd geopend, en, na een opgeruimden "goên morgen" bediende hij zijn klanten, nam, met een bedreven gebaar, van den goudgelen, goed-geurende, scheef staanden stapel, één brood, twee brooden, drie brooden, die hij haar op de palm der rechterhand toereikte, terwijl hij in de linkerhand de koperen of nikkel munt ontving, waarvan hij met een vluggen blik het bedrag controleerde, alvorens de stukken in de lederen tasch te laten vallen. Soms maakte hij even een kort praatje, wisselde een kwinkslag of een schalks geknipoog, maar altijd al gaande, zijn klanten dienende, zuinig lettend op den tijd waarvan elk oogenblik zijne bestemming had.
Eerst aan het uiteinde der straat, op een twintigtal meters afstands van de stoomtramlijn, hield het ros, nogmaals uit eigene beweging, stil.
Dáár was, rechts, tusschen de twee laatste huizen, een bochtig slopje, waar de wagen niet door kon rijden, en waar, in een klein huisje, twee oude, kreupele vrouwtjes woonden, aan wie Mercié, driemaal in de week, zelf een brood ging brengen. Telkens werd hij er onthaald op een borreltje jenever; telkens, terwijl men hem zijn centen op een hoek der tafel telde, namen zij, met een lekkerbekkend glimlachje, een snuifje uit de doos die hij haar toestak. Het brood brengen, het borreltje binnenslaan, het snuifje aanbieden, het geld nemen en naar den wagen terugkeeren, dat alles samen duurde misschien drie minuutjes: drie minuutjes waarin het verstandig en goed afgerichte merrietje alleen bleef.
Mercié dan, vóór den ingang van het straatje zijn paard een oogenblik alleen latend, had een brood onder den arm genomen en liep haastig in de richting van het huisje. Hij ontmoette onderweg twee knapen, die, hoepelend, de straat op stoven. Aan den hoek van 't laatste huis hielden zij stil en keken belangstellend naar den wagen en het paard, roerloos op hun zwiepende hoepels geleund. Beiden, witblond van haar, met heldere, blauwe oogen, hadden een bizonder wakker snuitje onder de onreinheid hunner huid. Hun naakte voetjes waren aardkleurig, en voor alle kleeding droegen zij een grauw bezoedeld en gescheurd hemd, en een te kort geworden, overal met lappen en stukken verstelde broek, waarvan de pijpen onderaan als in touwtjes uitgerafeld hingen.
Roerloos en stom, als het ware gehypnotiseerd, bleven zij aldus enkele seconden aandachtig den wagen aanstaren. Toen maakte een van hen, als in een plotseling besluit, een stap voorwaarts, en riep:
- Hue!"
Het ros bleef staan. Maar, net of het verstandig beest wou zeggen dat het 't bevel wel gehoord had doch dit niet begreep, stampte het even met het linker voorbeen en schudde zijn twee ooren, van voren naar achteren en van achteren naar voren, in een gebaar van verveling, als om een plagende vlieg te verjagen.
De bengels, verlustigd en geprikkeld, uitten een lachje, keken elkaar ondeugend aan; en de eerste riep opnieuw, hardop nu, met uitgerekten hals:
- Hue!.... hue!"
Ditmaal spande het paard lendenen en kniebogen, plantte zijn ijzers scherp tusschen de steenen, trok. Langzaam, in zwaar hossebossen, raakte de wagen in beweging, rolde voorbij het laatste huis der straat, kwam op de rails der spoorbaan uit.
- Ouw! ouw!"[1] riepen de knapen, eensklaps verschrikt het dier zoo gedwee te zien gehoorzamen.
Juist op dit oogenblik, achter de huizen, scheurde de krijschende gil eener stoomfluit als een noodkreet de reine morgenlucht. Met een schok keerden de bengels zich om, ontwaarden, op een honderdtal meters afstands, de zware, vierkante karkas eener tram-locomotief, die scheefhellend, uit een bocht op hen af kwam, in bruisend geroffel van stoom en metaal. Met een scherpen angstkreet sprongen zij op zijde en vluchtten ijlings weg, hun hoepels in de hand.
Op dat zelfde oogenblik verliet Mercié het huisje der twee oudjes. Het was in hem als een weerlicht gevolgd van een donderslag, toen hij zijn wagen aan het uiteinde van 't straatje niet meer zag en tegelijkertijd den scherp-trillenden gil van de locomotief vernam. Het sloeg hem in de beenen. Hij snelde zwak vooruit met een instinctmatig angstgehuil, hij kwam, om zoo te zeggen, op het vreeselijk schouwspel vallen: zijn paard en wagen als door een storm omvergezweept en verbrijzeld, het zwaar stalen monster uit de rails geschokt en nog een eind ver door de mulle aarde ploegend, in een afgrijselijk gekraak, alarmgefluit en wild schreeuwende menschenstemmen.
Het waren enkele minuten van woeste verwarring.
De trein had twintig meters verder in een klaverveld gestopt, enkele reizigers kwamen er gillend uitgevlucht en holden in het veld, anderen keerden naar de plaats der ramp terug, omringden, met wilde gebaren en kreten, het verbrijzelde gespan. In een oogwenk was ook de helft van het gehucht daar aangesneld en twee mannen hielden met geweld den rampzaligen Mercié in bedwang, die zich de haren uit het hoofd rukte en luidkeels schreide dat hij zich om 't leven wou brengen. Het paard, op slag door de locomotief gedood, lag op de rechterzijde uitgestrekt, tusschen de witte splinters der verbrijzelde draagboomen, de huid boven den linkerschouder van het rauwe vleesch gerukt, den mond, waaruit langzaam een straaltje bloed liep, dat zich een stap verder tot een donkeren plas uitbreidde, half geopend in een wreeden grijnslach, die de groote gele tanden en de bleeke tong liet zien. De glasachtige oogen stonden vervaarlijk wijd open; en uit den gedeeltelijk vernielden wagen waren de brooden gerold tot over de spoorbaan, de gouden korsten blinkend in de zon, enkelen vertrapt reeds, bezoedeld met bloed en modder: een ontroerend symbool van verbrijzelde vrede en zachtheid in 't midden van dat jammerlijk moordtafereel.
Mercié was weggevlucht. Hij had zich in een herberg laten leiden, hij had er, als onbewust, een glas jenever, dat men hem dringend voorhield, uitgedronken, en in 't geharrewar was hij gevlucht, als een bezetene door een afgrijselijke nachtmerrie vervolgd, in de richting van de stad. Hij wist niet meer wat hij deed, hij dacht niet meer, hij voelde niet meer; er was niets meer in hem, benevens de wilde inpulsie die hem instinctmatig, onweerstaanbaar vooruitstuwde, dan een ontzettende duizeling van smart, een afschuwelijk, physiek-onuitstaanbaar gedruisch, dat in zijn ooren, in zijn hoofd, door gansch zijn lichaam gonsde, als werden al zijn zintuigen en krachten er in opgelost en overweldigd. Dat bromde in zijn binnenste gelijk een vloed die stroomt, gelijk een storm die huilt in naakte boomen; dat stuwde hem vooruit, zinneloos, blindelings vooruit, vooruit om er den adem bij te verliezen, vooruit naar een doel, dat hij zelfs niet vermoedde.
Hij werd het zich eerst bewust, dat onbestemde doel, toen hij 't bereikt had. Werktuigelijk hadden hem zijn wilde stappen naar de stad terug gebracht. Werktuigelijk, langs een doolhof van kleine straten, was hij tot de groote broodfabriek "De Veldbloem" weer teruggekeerd.
Met den onzekeren stap van een slaapwandelaar trad hij onder de hooge wagenpoort, klom rechts eenige treden op, volgde een smallen, duisteren gang, kwam vóór een glazen binnendeur die uitzicht had op eene lage, ruime zaal, waar, over hooge lessenaars gebogen, talrijke bedienden, onder brandende gasbekken met groengeverfde lichtweerkaatsers, zaten te schrijven. Zachtjes, als in een droom, klopte Mercié op een der ruiten, vernam het korte "binnen" eener onverschillige stem, opende de deur, stond voor een lage houten balustrade, bleek als een lijk, zijn pet in de bevende hand.
- Eiwel?"
Hij zag een kleinen commies, in linnen werkbuisje en de pen achter het oor, met deze vraag tot hem naderen. Hij antwoordde werktuigelijk, met een schorre stem, bijna den klank van zijn eigen woorden niet vernemend:
- Er es 'n ongeluk gebeurd: de stoomtram hê mijn peird deud gerêjn en mijn waogen kapot geslegen, ginder op de stienwig van Baovel."
Al de bedienden, geschokt, hadden het schrijven gestaakt, en keken roerloos, in scheeve houding over hun lessenaars gebogen, naar het ontdane gezicht van den broodvervoerder, die zich met zijn beide handen als in onmacht op de balustrade had geleund, terwijl hij nog eens, in gehorte, afgebroken zinnen, de onheilspellende tijding herhaalde. Gedurende ettelijke oogenblikken heerschte een volkomen stilte als van verslagenheid in de ruime zaal.
Toen stond in den versten hoek een man op, die plechtig, tusschen de lessenaars, tot Mercié naderde.
Hij was hooggekleurd van gelaat en gespikkeld van haren, met een zwaren, grijzenden knevel, die een stuursche lijn door zijn gezicht trok. In het knoopsgat van zijn lange zwarte jas prijkte een veelkleurig ordelint. Twee passen vóór de balustrade hield hij stil, nam den rampzaligen Mercié in een barschen blik als van rechtmatige verontwaardiging van het hoofd tot de voeten op, vroeg hem, brutaal, in de bange stilte der scheef over hun lessenaars gebukte commiezen:
- Woa zegde doar? Woa hêtte gedoan?"
- 'K en hêje'k ik niets gedoan, menier den directeur, moar 'n ongeluk, 'n schrikkelijk ongeluk es mij veurgevallen: de stoomtram van Baovel hê mijne woagen kapot geslegen en mijn peird deud gerêjn."
Een vlam van toorn schoot uit de harde grijze oogen van den chef en zijn hooggekleurd gelaat werd purper. Een oogenblik scheen hij op 't punt in overweldigende woede uit te barsten. Doch hij bedwong zichzelf met een brusk gebaar en begon zijn enquête, onverbiddelijk, woord na woord, aan de weerlooze ontdaanheid van den ellendigen Mercié de bekentenis van al de omstandigheden en bijzonderheden van het ongeluk afpersend. Zoo vernam hij 't gewone bezoek aan de twee oudjes, het brood ten huize gebracht en het traditioneele borreltje, allen streng strafbare overtredingen van 't reglement.
Hij keerde zich om tot zijn commiezen, zette ze met een blik weer aan 't werk, schelde om een anderen voerman, beval hem ter hulp naar de plaats der ramp te rijden. En dan, na enkele seconden ingespannen denken zich weer tot Mercié wendend, sprak hij met een trage, heldere, in de benauwde stilte der zaal hoogmoedig-streng galmende stem, als nam hij de gelegenheid te baat om aan allen een geduchte les te geven:
- Mercié, al wa dat er gebeurd es, es ou schuld, en doarom zilt g' euk al de schoa betaolen. Ge zilt 't verongelukte peird betaolen, de reparoatie aan de waogen, de verloren en beschoadigde woare. Doarom zal er oa ieder weeke den helft van ouw leun achtergehoûen worden. En as er in dien tusschentijd nog ne kier wa gebeurt da nie zjuust en es, eiwel, me zillen ou wigjoagen. Hé je 't verstaan? Goa nui.
De directeur strekte de hand uit en Mercié verdween.
II.
Nu waren 't vreeselijke maanden.
Daar zijn loon van drie frank vijftig daags maar juist toereikend was om hem en zijne vrouw en zijne vier, nu zijne vijf kinderen het bestaan te verzekeren, was het, na de vermindering tot op de helft, de schielijke, onverwachte en afgrijselijke armoede. Het was, maanden en maanden lang, een nooit volbrachte strijd, een onzeggelijke gruwel aan zijn lieve, door haar laatste kraam zoo zeer verzwakte vrouw, aan zijn teere, door de ongezonde stadslucht reeds verkwijnende kinderen, gedurende dien ruwen, eindeloozen winter het zóó noodige versterkend voedsel, kleederen en verwarming te moeten beperken. Hem zelf kon 't weinig schelen: 't was voor de anderen, voor hen die leden door zijn schuld, dat hij de marteling uitstond.
Hij rookte graag een pijpje op zijn lange tochten: hij brak met die gewoonte af. Hij dronk graag een glas bier, 's zondags, onder het kaart- of biljartspelen: hij, zag er insgelijks van af. Hij hield voor zijn genoegen enkele postduiven, die hij soms, o, zoo zelden toch, in prijsvluchten liet mededingen: hij verkocht ze. En ook het mooi bruin hondje, dat zij allen toch zoo liefhadden, werd aan een vriend gegeven, om er niet langer de tien frank jaarlijksche belasting voor te moeten betalen. Hij zei vaarwel aan alle vermaak en genot dat,--hoe weinig ook--geld moest kosten, hij kende niets meer dan den harden, wrangen plicht, dan de wrange, halsstarige bekommering zich zoo spoedig mogelijk vrij te maken van die wreede schuld, die, op den dag der ramp, als een mokerslag op hem gevallen was.
Experten hadden de schadevergoeding berekend. Het paard, dat een waarde van achthonderd frank had, was voor honderd vijftig aan het slachthuis verkocht: dus zeshonderd vijftig frank vergoeding voor het paard. De reparatie aan den wagen had honderd vijf en twintig gekost, en de beschadigde of verloren ware werd geschat op vijf en zeventig. Want men had brood gestolen: meer dan honderd brooden waren verdwenen, in het gewoel en de verwarring welke op de ramp gevolgd waren. Dat was te zamen achthonderd vijftig frank: voor hem en zijn gezin ruim een jaar lijden en ellende.
In De Veldbloem had Mercié met een anderen wagen en een ander paard zijn dienst hernomen. En dat was hem een nieuwe oorzaak tot droefheid: men had hem een oud en triestig afgereden beest gegeven, dat hem niet kende, dat niemand meer kende, dat nooit voor hem een makker wezen zou, gelijk het lief, verstandig, zoo ellendig verongelukte Brabantsch merrietje eenmaal geweest was. Ook in De Veldbloem voelde hij wel, ondanks zijn verdubbelde vlijt, ondanks al zijn pogingen om zijn verleden misstap te doen vergeven en vergeten, om zich heen een zonderlinge koelheid, een onoverwinnelijk wantrouwen in plaats van de gulhartige vriendelijkheid die men er hem placht te betuigen. Hij voelde dat hij er niet meer bemind werd en dat maakte hem diep ongelukkig. De strenge directeur boezemde hem soms een echten schrik in. Hij had soms het onheilspellend voorgevoel dat alles nog niet volbracht was, dat nog een andere, ergere ramp hem wachtte, dat gansch dat jaar van lijden en ontberingen nog geen voldoende boetedoening zou wezen van zijn schuld.
Op zulke oogenblikken, als die sombere gedachten hem bestormden, kroop hij in zichzelf terug. Hij zat, afgesloofd van droefheid, de wangen bleek en den blik somber, in een hoek van zijn huisje--zijn eertijds zoo gezellig, nu akelig en ellendig huisje--en bleef er urenlang roer- en sprakeloos op de spoken zijner verbeelding staren, vermijdend de blikken, de troostwoorden, de streelingen van vrouw en kinderen. Dan kwam er soms een overweldigend gevoel van gruwel, van banvloek over hem; dan peilden zijn brandende oogen wanhopig de berookte balken van zijn woninkje, als die van een gevangen beest, dat nog en nog het niet te vinden hol zoekt, waardoor het zal ontsnappen.
En toch, naarmate de tijd verstreek, aanbrengend den dageraad der naderende verlossing, werd het helderder en lichter in Mercié's hard beproefde ziel. De langdurige, bange nachtmerrie verzwond, verdween in stillende vergetelheid. De illusie, het geloof aan een herschapen geluk herleefde in hem, doordrong hem langzamerhand met een verzoenende sensatie van vrede en vergiffenis. 't Was als een zachte weergeboorte tot het leven, als een zich steeds verbreedende gezichtseinder van hoop en kalmte, stilrijzend uit weg-nevelenden schijndood. Het was in hem, met een nog schuwe aarzeling, een vrijere ontboezeming met zijne vrouw, een minder beklemde teederheid in de liefkoozingen aan zijn kinderen. Op een avond, eindelijk, een zachten zomeravond, den laatsten zaterdag van Juli, sloeg het uur der volkomene verlossing. De gansche schade was betaald, den volgenden zaterdag zou hij opnieuw zijn volle loon krijgen, als vroeger. En om deze gelukkige gebeurtenis te vieren had hij besloten zijne vrouw en kinderen op een aangename verrassing te onthalen. 's Anderendaags, na den eten, zouden zij allen samen een uitstapje naar buiten maken. Zij zouden een naburig dorp bezoeken, waar er kermis was, en, bij het terugkeeren, ham en paling eten, in het priëeltje van een buitenherberg, aan den oever van het water. Misschien zelfs zouden zij een schuitje huren en een roeitochtje maken op de rivier; en 's avonds, voor de eerste maal sinds meer dan een jaar, zou vader kaart gaan spelen met zijn makkers, in de naast zijn huis gelegen herberg, die hij vroeger soms bezocht.
O, hoe gretig-verlangend zag hij er naar uit, naar dien volgenden dag van herleving, terwijl hij, in de avondschemering, onder het loom draven van zijn oud versleten ros, naar de groote stad terugreed. Hij scheen gerezen van gestalte, zijn oogen blonken met eene geestdriftige strakheid, als aangetrokken, als verlicht door dien schitterenden dageraad van herboren geluk; en uit de diepten van zijn wezen stegen zachte emoties, gewaarwordingen, vizioenen van een eindelooze zachtheid, zóó zoet, zóó zacht-ontroerend, dat hij er een weinig door benauwd werd in de zwoele lucht en dat hem tranen in de oogen kwamen. Reeds in de verte, gehuld in grauwen damp, teekende de reusachtige handelsstad op het purperen westen de ontelbare schoorsteenen harer fabrieken en de hooge donkere torens harer ouderwetsche kerken af.
- 'N beetse wachten, Mercié, loat mij iest kloar zijn mee d' andere."
Mercié had zijn paard uitgespannen en stond op de binnenplaats, vóór het loket waar men betaalde, met nog twee andere, te gelijkertijd met hem binnengekomen voerlui van De Veldbloem, toen Médard, de kassier, met iets als een toon van verlegenheid in de stem, zoo tot hem sprak, tevens zijn verflenst oud-bureaucraten-gezichtje een weinig naar de kleine, boogvormige opening van het betraliede loket buigend.
Mercié ging eventjes op zij, deed enkele passen heen en weer over de geplaveide binnenplaats, terwijl de commies de twee andere voerlui betaalde.
Het verzoek van Médard kwam hem zeer billijk en natuurlijk voor. Hij begreep dat 't goedig mannetje hem iets te zeggen had: wellicht, alvoor hem weer in zijn volle loon te herstellen, een laatste,--hoewel thans zoo overbodige--vermaning uit naam van den directeur. En inwendig was hij ontroerd en dankbaar, dat men hem niet zou vernederen in tegenwoordigheid der kameraden.
Hij liep tot aan 't einde van den koer, die rook naar den ammoniak der paardenstallen, ging tot aan de gesloten deur der bakkerij, waar alles reeds stil en verlaten was. Dan, zich omdraaiend op het geluid der stappen zijner vertrekkende makkers, keerde hij naar het loket terug.
Reeds stak Médard het hoofd uit, turend door het boogvormig gat, om hem te roepen. En zoodra hij Mercié ontwaarde, wenkte hij bescheiden, hem even verzoekend langs den binnengang in het kantoor te willen komen.
Mercié, de pet in de hand, trad binnen. Hij bleef stilstaan vóór de houten balustrade, op dezelfde plaats waar hij een jaar te voren verschenen was, toen hij, bleek en ontdaan, aan den gestrengen directeur en de verbaasde commiezen het verschrikkelijk ongeluk was komen aankondigen.
Maar ditmaal was er niemand: niemand dan Médard en hij alleen in de ruime, galmende zaal met haar verlaten zwarte lessenaars.
En in de reeds vallende duisternis zag hij den kleinen bediende, die een weinig hinkte, op en af, gelijk een schip dat door klippen laveert, tusschen de hooge lessenaars tot hem naderen. In zijn gesloten rechterhand hield hij iets onzichtbaars verborgen; in zijn linker droeg hij een soort van boekje met gelen band.
- Kijk, Mercié, hier es de week oarbeidsleun die de moatschappij ou verschuldigd es: zes doagen tegen iene frank vijf en zeventig daogs; saomen tien frank vijftig, nie woar?"
Met een licht-bevende hand en eenigszins trillende stem telde het mannetje de tien frank vijftig op den platten rand der balustrade.
- Nie woar, Mercié, 't es wel zjuust?" herhaalde hij nog eens, nutteloos, als in een aanstellerij van overdreven eerlijkheid en nauwgezetheid, terwijl Mercié, ontroerd en bedeesd, met een goedkeurend hoofdgeknik, langzaam het geld opnam.
En dan, de stem gedempt en als het ware toonloos, terwijl hij het gesloten boekje naast de laatste centen legde:
- En hier es ouw wirkmansboekske, dat de moatschappij ou in dank weeromme geeft, mee de spijt, da z' ou veurtaon nie mier en kan gebruiken...."
De slag viel zóó plotseling, zóó onverwacht, zóó wreed, dat Mercié er ter plaats van opsprong, de oogen stom-verwilderd op den kleinen bediende gevestigd, den mond wijd open, als om te schreeuwen van ellende. Een sou viel klinkend uit zijn bevende hand, ging rollen vóór de voeten van Médard, die hem opraapte, hem weder op den platten rand der balustrade legde, heel verdrietig en meewarig zeggend:
- 't Es spijtig, 't is heel spijtig en doar en es niets da 'k zeu neude doe dan zuilke dingen, moar 't en es het toch mijn schuld niet, nie woar? 'K en kan ek doar niets aan doen; 't es den directeur die da gewild hêt."
In het geschokte brein van Mercié daagde een licht, een gedachte. De oogen rond, de ademhaling hijgend zei hij:
- Z' hen mij in dienst g'hoûen zeulang of da de schoa nie betaold en was. Van as da gedoan es, zende ze mij wig. Da was dus van 't begin af aon azeu geschikt. Al mier of 'n joar dus woaren ze van gedacht mij wig te zenden?"
- Mijn oarme vriend, het spijt me mier of da 'k 't zegge kan, moar ik en kan 't toch nie helpen," herhaalde de kleine commies met een treurig gezicht.
Mercié gaf geen antwoord meer. Hij wenschte Médard een doffen "goên avond", zette, met bevende hand, zijn pet weer op en verliet het kantoor. De beenen zwak, zoo lam en zwak als die van een ziek kind, ging hij door de hooge wagenpoort naar buiten, verloor zich in 't gewoel der straat, in de zaterdagavonddrukte der arbeiders die overal uit de fabrieken kwamen.
Opnieuw, gelijk den dag der ramp, gonsde het hem aanhoudend, afgrijselijk, onuitstaanbaar in het hoofd; opnieuw liep hij verwilderd vóór zich heen, bewusteloos, zonder doel, dáár waar een blind instinct hem stuwde. En wat nu bovenal in hem heerschte, wat hem overweldigde en vernielde was een gevoel van schrik, van wilden, onberedeneerden, onoverwinnelijken schrik. Eén enkele gedachte, één enkele, duizelingwekkende, ongelooflijke gewaarwording vervulde heel zijn wezen: het hem daar even als een knotsslag treffende bewustzijn, het verpletterende, steeds nog en nog en nog in hem terugkomende schrikbeeld, dat zijn afdanking reeds een gansch jaar besloten was, dat hij meer dan een jaar, onbewust van het gevaar dat hem bedreigde, in vermetele gerustheid en onwetendheid geleefd had. Dát was het wat hem dien afgrijselijken schrik inboezemde. Hij voelde zich als een weerloos slachtoffer tegenover een kwaadaardige geheime almacht, als een stroohalmpje in een orkaan, als een verloren levend atoom welks nietig bestaan elk oogenblik door een toeval, door een gril, door een eenvoudige onachtzaamheid van 't noodlot kon verbrijzeld worden.
Nu was hij weêr buiten de stad. In den reeds duisteren nacht begon hij plotseling wild te rennen. De vreeselijke gedachte zat hem na, boog zijn rug, drukte hem op de schouders als een razend beest dat met hem mede stormde, dat hem zijn klauwen in het vleesch sloeg, dat brullend den muil opende om hem te verscheuren. Och God! was het toch mogelijk! Was het toch mogelijk dat zoo iets sinds meer dan een jaar beslist was, zonder dat hij er iets van wist, zonder dat hij er iets van geraden of gevoeld had!... Hij rende harder, hij vluchtte, zijn ademhaling was gehort en reutelend, het zweet brak hem ten allen kante uit, hij snikte in den zwoelen zomernacht, hij verjoeg, met wilde angstgebaren, de schrikkelijke rampvizioenen, die onverpoosd zijn geest bestormden. Het hooggekleurd, gestreng gelaat van den directeur rees in verbeelding voor hem op. Met een gebaar en een gil weerde hij het af, vluchtte verder. Hij zag zijn vrouw, zijn kinderen, het voor den volgenden dag bepaalde uitstapje: en hij vluchtte, hij vluchtte, met smeekingen en tranen, met van afschuw uitgepeulde oogen, met bevende gebaren van bezwering en verwijdering. Neen, neen, niets meer, niets meer! hij was bang, hij was bang! hij leefde niet meer van schrik omdat iets zoo monsterachtigs had kunnen gebeuren.
Hij had de bevolkte wegen verlaten; hij kwam, dwars door landouwen en oogsten, aan den oever eener breede, donkere rivier terecht. En het was een impulsie, snel als een weerlicht; het waren zijn schrik en zijn gruwel zelven die hem werkelijk stuwden: impulsie, gedachte en daad waren één: zonder een oogenblik aarzelens sprong hij van den oever in het somber, opgulpende water, slaakte een schorren kreet: kreet van woede, van wanhoop en van foltering, ploeterde een oogenblik, ging onder....
Na enkele oogenblikken kwam zijn hoofd weer boven den somber-ziedenden waterspiegel. Hij brulde tweemaal "heu! heu!" en spuwde water, wijdklauwend zijn armen uitslaande. Toen zonk hij weer, in een laatste geborrel.
Vaal-glinsterende concentrische kringen verdwenen in rimpels over de donkere rivier, en uit een populier aan den overkant, steeg in den stillen nacht de gil van een nachtuil, klagend en zacht, valsch-krassend als de snaartrilling eener ontstemde viool.....
1 Halt.