← Table of contents
Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 2 van 2

DE HERLEVING DER WIJSBEGEERTE.

Reading edition

§ 42. Inleidende Opmerkingen.

Het midden der 19de eeuw had een afkeer van diepe bespiegeling. Dit bleef niet. Tegen het laatst der eeuw kwam er een eind aan. Niet langer was wijsbegeerte en metafysica een schrikbeeld, waarvoor de echte onderzoeker uit den weg ging. Lotze, de bekwame geneesheer, was bespot, omdat hij aan filosofie deed. Men verhaalt de anecdote, dat een paar collega’s, die hem op straat zagen aankomen, tegen elkaar zeiden: “Laat ons afslaan, want anders moeten wij met Lotze loopen en die doet tegenwoordig aan filosofie.” Eén onzer hoogleeraren in de wijsbegeerte vertelde eens in ’t openbaar, dat in zijn studententijd hij alleen, soms nog met een ander, op de collegebanken zat in het college voor wijsbegeerte. Op dezen tijd van ijverige detailstudie en specialiseering paste zoo juist de treffende schildering van Da Costa, die wel den vooruitgang roemde, maar klaagde over de eenzijdigheid door miskenning van den zusterband.

“Wie zich in ’t midden der eeuw ten taak gesteld zou hebben, in het publiek over wijsbegeerte te spreken, zou ongetwijfeld niet in zijn voornemen geslaagd zijn. Ook onder de meest ontwikkelden zijner tijdgenooten zou hij de toehoorders voor zijn rede niet gevonden hebben. Bovendien zou hij aanleiding gegeven hebben tot het vermoeden, dat hij in de eeuw der natuurwetenschappen zoo iets als de kunst om goud te maken zou willen aanprijzen.

“Maar … niemand heeft zich toen die taak opgelegd—niemand had het ook kunnen doen. Naar de algemeen heerschende overtuiging der wetenschap van dien tijd, had de wijsbegeerte zich zelf overleefd. Zij scheen een gestorven levensuiting, die tot een voorbijgegaan tijdvak van geestesontwikkeling behoorde en nu slechts kon beschouwd worden als een zaak van zuivere geleerdheid, als voorwerp van historisch onderzoek. In dien tijd ook kon het woord gesproken worden, dat de geschiedenis der filosofie hetzelfde was als de wetenschap der wijsbegeerte—een woord dat wel paste bij den toenmaligen stand der wijsgeerige wetenschap, maar dat haar in den grond alle toekomst en leven ontzei.

“Zich bezighouden met vragen naar den aard onzer kennis, met een wereldbeschouwing, gold niet voor “vol” uit wetenschappelijk oogpunt.

“Ieder specialist in een tak of takje van de exacte wetenschap, van de taalkunde of van de geschiedenis meende met geringschatting neer te kunnen zien op de wetenschap van Plato en Kant.

“Te vergeefs was het, dat uit de rijen der natuuronderzoekers zelf enkele stemmen werden vernomen, die er voor waarschuwden, dat men de wijsbegeerte niet moest verwarren met de jongste bespiegelende stelsels, en die vorderden, dat men, waar de ongeldige aanspraken der filosofie werden teruggewezen, ook niet hare geldige zou negeeren ….

“’t Is waar, men had eene wijsbegeerte, maar sprak niet van haar als zoodanig, want men hield haar heelemaal niet voor filosofie. En toch was die leer van Kracht en Stof evengoed wijsbegeerte; alleen, zij was slechter dan eenig stelsel, door de wijsgeerige bespiegeling opgebouwd.

“Sedert is de toestand geheel veranderd.

“In ruimen kring is de deelneming in het begrijpen van wijsgeerige vragen en onderzoekingen ontwaakt en niet het minst bij de natuurkundigen.”

Het is duidelijk, dat wij nog te dicht bij deze periode staan, om er een goed overzicht over te hebben. Welke oorzaken waren er voor die verandering? Met welke andere verschijnselen hing zij samen?

Wie zijn, onder de thans levende en werkende denkers, de belangrijkste? Zullen zij, die nu druk van zich doen spreken, misschien weldra vergeten zijn? En zal ons nageslacht het werk waardeeren van denkers, op wie ons oog nauwelijks valt?

Zoo biedt dit gedeelte schier onoverkomelijke moeilijkheden aan den geschiedschrijver. Nog moeilijker wordt het voor den populairen geschiedenisschrijver, die meest uit de tweede hand werkt. De groote geschiedenissen der wijsbegeerte zijn uiterst kort over dezen tijd. Zoo blijft dus hier de keuze in hooge mate subjectief en aanvechtbaar.

Geven we althans enkele hoofdpunten aan van den geheelen ommekeer op wetenschappelijk gebied.

Er kwam in ’t algemeen belangstelling voor den mensch en voor het geestelijke en voor ’t algemeene. Dit bleek op allerlei terrein. De taalwetenschap veranderde; zij koos zich een nieuwe taak. Niet langer wilde de philologie uitsluitend poetsen en wrijven aan een tekst, om een mogelijk onjuiste lezing te herstellen, en niet langer was het opsporen van varianten, afwijkende lezingen, de voorname taak van hem, die een dichter uitgaf. Achter den tekst wilde men een levende persoonlijkheid, door de woorden heen wilde men de ziel van den schrijver. En met die ziel wilde men meeleven. De geschriften der ouden spraken ons van hun leven, hun bestaan, en dat leven, dat bestaan werd het voorwerp van studie. De cultuur te leeren kennen, ziedaar de taak der philologie. Uitbreiding, uitzetting van grenzen, tot verflauwing der grenzen toe. Verwerpen van scheidslijnen en grensmuren: het algemeene en het persoonlijke werd gezocht.

Enkele feiten uit de letterkundige geschiedenis van ons land wijzen die kentering aan, spreken van terugkeer naar het persoonlijk element.

Er ontstaat in ons land een dichterschool, die begint met Perk, den fieren individualist, die zegt:

De duizend die zich zelf niet wezen konden,

Bezitten saam een waarheid, die hen bindt.

Hun is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden.

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint,

Voelt zich aan zich door zich alleen gebonden

Ziedaar de fiere leuze: de waarheid voor zichzelf.

In de Nieuwe Gids vindt die school haar orgaan, en ze spreekt—zij ’t nog aarzelend—in haar eersten jaargang uit, dat, wat de jongeren willen, metafysica is.

Haar verwante dichters: Van Eeden en Gorter toonen in hunne verzen wijsgeerige belangstelling. In de uit den kring der Nieuwe Gids later voortgekomen tijdschriften: De Twintigste Eeuw en de Beweging, vinden wijsgeerige artikelen een gul onthaal.

In de waardeering van dichters en schrijvers werd meer gezocht naar het directe, trad het schoonheidselement op den voorgrond. Leerzaam zijn bijv. in dat opzicht Albert Verwey’s bloemlezingen uit oudere dichters. In de jongste geschiedenis der Nederlandsche letteren van Kalff wordt dat persoonlijk element in de behandeling der geschiedenis aangetroffen.

In de romans der jongste tijden treft nauwkeurige karakterontleding, scherpe zielkundige blik. Dikwijls wendt de aandacht zich tot het ziekelijke, het afwijkende.

Ook de geschiedkundige wetenschap kenterde. De tijden zijn voorbij, dat iemand het als zijn levenstaak kon beschouwen, de Duitsche geschiedenis van 1525–1530 te bestudeeren. Onze geschiedkundigen gaan weer geheelen geven, trachten te komen tot een geheele ontwikkelingsgeschiedenis, van ons volk bijv., een taak, waaraan Blok 20 jaar werkte. En ook over methode en aard van geschiedenis schrijven wordt nagedacht.

De geneeskunde toonde veel belangstelling in het geestesleven van den mensch. De psychiatrie, voor enige jaren nog het stiefkind aan onze Nederlandsche Universiteiten, heeft haar hoogleeraar aan elke Academie en zelfs de Vrije Universiteit, die nog geen medische faculteit heeft, bezit althans een professor in zielsziekten.

Van de hand van Winkler, Jelgersma en Wiersma bezitten wij een aantal belangrijke onderzoekingen. We wezen reeds op de samenwerking die in den laatsten tijd gekomen is tusschen geneesheer en rechtsgeleerde.

Trouwens, ook in den staat zag men een meer op den voorgrond treden van het persoonlijkheidselement. Het Manchestersysteem, het stelsel van Adam Smith, had heftige aanvallen te verduren. Het ging niet aan, om den mensch bloot als leverancier van een bepaalde hoeveelheid arbeid te beschouwen. Er werd daartegen opgemerkt, dat de staathuishoudkunde van de veronderstelling uitgaat, dat de mensch zijn eigen belang zoekt en kent, en dat dit de groote drijfveer is, waarmee men rekening houden moet in ’t productieproces. Maar geenszins ontkent de economie, dat andere factoren meewerken, dat zich andere invloeden doen gelden. De natuurkundige, die zijn slingerwetten berekent, weet, dat hij een denkbeeldigen slinger beschouwt: hij ziet bijv. af van den tegenstand, dien de slinger van de lucht ondervindt. Zoo doet de staathuishoudkundige alsof alleen bepaalde factoren meewerkten voor de voortbrenging en verdeeling der goederen: maar hij wéét dat er meer zijn. Het was Heymans die dat in zijn proefschrift verdedigde, en wel de oude oeconomie verdedigde, maar erkende dat zij niet het geheele maatschappelijke proces omvatte, en dat zij zich dus uitbreiden zou tot sociologie.

De tijd van het utopische socialisme was voorbij. Marx had een meer systematisch verkondigd. De arbeiders begonnen zich op solieden grondslag te organiseeren.

De regeeringen betraden den weg der sociale wetgeving. In Duitschland ging Bismarck voor. In ons land werden de eerste schuchtere schreden gezet ook omstreeks het jaar ’80. Het begon met een drankwet, die beoogde beperking van het aantal drinkgelegenheden, en met een wet tegen overmatigen arbeid van kinderen. Het zette zich na een tiental jaren voort in een leerplichtwet, een woningwet, een wet op de verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. De socialisten zelf aanvaardden sommige dezer wetten, als kleine afbetalingen op groote schuld, als middelen, om de arbeidersklasse iets weerbaarder te maken in den strijd om macht en recht, die komen zou.

Het socialisme werd meer en meer een levensbeschouwing, voor velen een geloof, waarin zij rust en bevrediging vonden.

Aanvankelijk stelde het zich tegenover de heerschende machten in staat en kerk: het was over ’t geheel anti-godsdienstig; zijn wijsbegeerte was het materialisme.

Maar het Erfurter congres, in 1895 gehouden, verklaarde den godsdienst uitdrukkelijk voor ieders eigen zaak (privatsache). Het socialisme als zoodanig was er noch voor, noch tegen. In ons land ook bleef het socialisme niet kerk- of godsdienstvijandig gezind. Er kwam een groep van predikanten, behoorende tot de verschillende schakeeringen van de moderne protestanten, die in hun orgaan “de Blijde Wereld” een verzoening van christendom en socialisme bepleitten. Het socialisme was zeer goed vereenigbaar met de grondstellingen van het christendom. Een voor ’t groote publiek onbekende, schrijvende onder het pseudoniem van H. van Treslong, gaf een zeer merkwaardig boek: “Civitas, inleiding tot de metafysica der gemeenschap,” waarin in wondermooi Hollandsch op de wijsbegeerte van het psychisch monisme een collectivistisch gemeenschapsleven gebouwd werd. En reeds organiseerden zich enkele protestantsch-orthodoxe christenen tot een Socialistische partij. Misschien zijn dit de teekenen, dat men steeds minder in het socialisme een de geheele werkelijkheid omvattende levensbeschouwing zal gaan zien.

Ook het kerkelijk leven veranderde in ons land. In het midden der eeuw was de bijbelcritiek doorgedrongen tot breede kringen. Het moderne protestantisme had critisch, rationalistisch gewerkt. De huidige modernen keeren gedeeltelijk terug. Van sommigen hunner mag men vragen: “Zijt gij nog wel modernen?” Het voldoen aan gemoedsbehoeften treedt sterker op den voorgrond. Het vroomheidselement wordt meer zichtbaar.

Het orthodox protestantisme verscherpt tegelijkertijd zijn beginselen, verdiept zijn levensbeginselen en de Vrije Universiteit tracht Gereformeerde religie te verzoenen met huidige wetenschap, en dient een richting, die tracht ook in de politiek de religie tot leidend beginsel te maken.

Het katholicisme bleef niet achter in deze algemeene beweging. In de politiek eerst bondgenooten der liberalen, scheidden de katholieken zich later van dezen af, sedert Paus Leo (1864) gewaarschuwd heeft tegen moderne dwalingen. De wijsbegeerte van Thomas van Aquino komt weer in eere. Hare studie wordt door den paus aanbevolen. (Encycliek Aeterni Patris 1879). In Duitschland komen wijsgeerige tijdschriften in deze richting. België krijgt te Leuven hare katholieke universiteit en zijn “Institut de philosophie”, dat Thomistisch is, maar zich niet alleen handhaven, maar ook verrijken, maar ook verwijderen van het gebrekkige ten doel stelt.

“St. Thomas moet beschouwd worden als een lichttoren en niet als een grenssteen.”

Het laatst der 19de eeuw ziet een dieper religieus leven dan het midden. Of juister, terwijl de propaganda van het midden der eeuw doorwerkt, komen al weer andere pogingen op.

Ook de OPVOEDKUNDIGE ideeën worden gewijzigd. Het opvoedingsideaal uit den tijd van het positivisme, zeer veel feitenkennis, wordt verlaten. Gevolgen van dat onderwijsideaal waren voor het lager onderwijs de wet van 1857 en die van 1878; voor het middelbaar onderwijs de wet van 1863 met hare Hoogere Burgerscholen, met eene onmogelijke hoeveelheid leerstof in vijf jaren door te werken; voor het hooger onderwijs de wet van 1878, die een menigte afzonderlijke doctoraten instelde en bijna voor geen studie eenige filosofische propadeusis eischte. Een treurig besluit. “De wijsbegeerte als geheel genomen kan de hoogescholen missen, maar hoogescholen, die probeeren het zonder de wijsbegeerte te doen, zullen op den langen duur blijken aan den hoofdoorsprong te tornen van hun eigen inzetting.” (Land.)

Van allerwege nu komt verzet. Luide wordt geprotesteerd tegen onze eenzijdige intellectueele ontwikkeling en wordt meer handigheid, practischheid, geschiktheid voor ’t werkelijke leven geëischt. Aan de andere zijde wordt aangedrongen op ethische en aesthetische opvoeding. Op ’t laatste terrein ging Duitschland voor. Sedert het geruchtmakende boek: “Rembrandt als opvoeder” verscheen, dat het fiasco der intellectueele opvoeding verkondigde en nu den kunstenaar tot wegwijzer wilde, werden allerlei energieke pogingen gedaan, het aesthetisch element meer tot zijn recht te laten komen. Engeland zag zijn League voor zedelijk onderricht. Ons land, getrouw aan zijn rol, volgde, het nieuwe voorzichtig overnemend. Het vroeg van Zweden en Denemarken zijn handenarbeid, van Duitschland zijn aesthetica, en sommigen pogen een stekje van Engeland’s League op Nederland’s bodem over te planten, dat intusschen niet zoo spoedig schijnt te gedijen als de van Engeland herwaarts gekomen sport.

Terwijl de middenstand zijn behoefte aan onderwijs gevoelt en het aantal burgerscholen toeneemt, worden toch ernstige pogingen gedaan om uit de verwarrende en overladende hoeveelheid feitenkennis weg te komen. Voor het Hooger onderwijs gevoelt men weer meer voor het algemééne: wordt gesproken van een algemeen doctoraat in de letteren bijvoorbeeld. De wijsbegeerte aan onze hoogescholen verheugt zich in belangstelling, gedeeltelijk zeker het gevolg der algemeene tijdsstrooming, gedeeltelijk ook van den grooten invloed, uitgaand van twee harer bekendste vertegenwoordigers aan onze universiteiten, Bolland en Heymans. Invoering van eenig voorbereidend wijsgeerig onderricht op de gymnasia wordt bepleit.

Er is dan ook in ons land evenals in geheel beschaafd Europa, een sterke belangstelling in wijsgeerige vragen. Deze richt zich gedeeltelijk op een levensbeschouwing. Men zoekt te komen tot een theorie der waarden. Is het leven op zichzelf waard, geleefd te worden? En welke zijn de waarden die men in het leven zoeken moet? Langs welke wegen moet men ze zoeken? Deze vragen worden gesteld door verschillende denkers.

Ik wijs hier b.v. op de nieuwste poging in die richting van den bekenden zielkundige Munsterberg en op den Amerikaanschen psycholoog James, met zijn leer van het pragmatisme, dat leert, dat wij er zijn om elkaar te behouden, dat het ware het nuttige is, een leer, die in Nederland bij de theologen veel belangstelling ontmoette (de Bussy).

Wezen we er reeds op, dat er een nieuwe belangstelling in Hegel was waar te nemen, over ’t geheel keeren velen in Duitschland tot ’t idealisme terug.

Een klein bewijs. Van Falckenberg’s geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte kwam de eerste druk in ’85, de tweede in 1892, de derde in ’98, de vierde in 1901. Het sneller op elkaar volgen der latere drukken wordt toegeschreven aan vermeerderde belangstelling en meer sympathie voor de richting. Falckenberg wil, onder aansluiting aan de ervaring en met meer belangstelling voor de resultaten der natuurwetenschappen, een hernieuwing van het idealisme, vooral ook van het ethisch idealisme.

“Wij moeten het ethisch idealisme in het leven zoowel als in de wetenschap immer weder verwerven om het te bezitten.”

In ’t bizonder is in deze richting werkzaam de Jenaer hoogleeraar Eucken, die onder de moderne denkers Fichte het naast staat, en in zijn: “Levensbeschouwingen der groote denkers” een rijk en diep werk gegeven heeft.

In sommige kringen valt belangstelling waar te nemen voor oostersche godsdiensten. De staatsman Van Houten introduceerde hier vroeger reeds een kort overzicht van het Boeddhisme “als leerstof,” en thans is er veel belangstelling.

Weer anderen schijnen het mysticisme van Swedenborg te gaan hernieuwen: ook ’t spiritisme vindt zijn aanhangers en beoefenaars.

Maar ook op THEORETISCH gebied is er verandering en kentering. Hier valt vooral te constateeren de verandering van de houding der natuurwetenschap en het herleven der Kantstudie.

De natuurkundigen stellen hypothesen op. Dat zijn voortbrengselen van het denken. En zoo worden ze tot de vraag gebracht: Welke geldigheid bezitten die onderstellingen? Welke waarde komt er aan toe? Ze worden er toe geleid, om ook te letten op het aandeel, dat de mensch zelf heeft in den opbouw der natuurwetenschappen.

Ze bestudeeren de zintuigen en de hersenen van den mensch. Maar … dit leidt alweer tot de bestudeering der zielkunde.

Er komt de vraag op: Omvat de kennis der natuur de geheele werkelijkheid? Voor het materialisme was ’t antwoord ja geweest. Voor menig modern natuurkundige is dat niet meer zoo. We kunnen hier enkele namen noemen, we kunnen hier op mannen wijzen, die in hun leven zelfs den overgang van natuurwetenschap tot wijsbegeerte aantoonen. Ernst Mach (geboren 1838) was eerst in Praag hoogleeraar in de natuurkunde, bekleedde later een leerstoel voor wijsbegeerte te Weenen.

Wilhelm Wundt (geb. 1832) begon met medicijnen te studeeren, werd later een op den voorgrond tredend zielkundige en stichtte het belangrijke laboratorium voor proefondervindelijke zielkunde.

Maar niet alleen in de Duitsche landen merken we deze stemming.

Engeland is hier eveneens te noemen, waar de beroemde natuurkundige Maxwell zich bezighield met onderzoekingen op het gebied der kennisleer. Hij wilde de eerste beginselen zijner wetenschap klaar en duidelijk leeren kennen.

Dat de natuurkundige beseft dat zijn wetenschap slechts een deel der werkelijkheid omvat, komt zoo duidelijk uit in het slot van een lezing, gehouden door onzen beroemden landgenoot Lorentz.

“Maar ik zou gevaar loopen, de grenzen der physica te overschrijden, wat niet in mijne bedoeling ligt en door u niet kan worden gewenscht. De natuurkundige, en dit geldt voor ons allen, moet er zich toe beperken, op zijne wijze in het boek der wereld te lezen. Zonder zich te laten terneerdrukken door het besef, dat de diepe zin hem verborgen blijft, gevoelt hij zich in zijne pogingen gesterkt door de overtuiging, dat zich binnen de grenzen van het bereikbare, naarmate hij verder gaat, uitgestrekte en onverwachte vergezichten voor hem zullen openen.”

Stellen wij tegenover deze rede van een der grootmeesters der huidige Natuurwetenschap een zin van Büchner:

“Het bewustzijn is, even als het denken, slechts eene verrichting, eene werking, eene arbeidsverloop van bepaalde hersendeelen,” dan is het wel duidelijk hoezeer de natuurkunde van thans verwijderd is van het materialisme.

Eindelijk wijzen wij op de herleving der Kantstudie. In 1865 verscheen een boek van Otto Liebmann: Kant und die Epigonen. Het refrein van elk hoofdstuk was: “Derhalve moet men tot Kant teruggaan.”

In ’t bijzonder moet ook genoemd worden Friedrich Albert Lange, de schrijver van een der uitnemendste wijsgeerige werken: Geschiedenis van het Materialisme.

Het materialisme is echter niet volledig. Het vraagt niet naar aard en grenzen onzer kennis. Het kan nooit het kenmerkend eigenaardige der bewustzijnsverschijnselen verklaren. Aan Kant wordt daarom een belangrijke plaats in de wijsbegeerte toegekend. Zijn groote verdienste is voor Lange de ontdekking, dat wij ons niet naar de dingen richten, maar deze zich naar ons. Minder waarde hechtte hij aan Kants practische filosofie: “De geheele practische filosofie is het veranderlijke en vergankelijke deel der Kantiaansche wijsbegeerte.”

Alleen haar plaats is onvergankelijk.

Met warm gevoel pleit Lange voor een ethisch idealisme. Hij is niet vijandig aan kerk en godsdienst. Zooals het christendom de psalmen en zijn kerkdienst heeft overgenomen, zou hij in den toekomstigen godsdienst bijv. het lied willen behouden: “O hoofd vol bloed en wonden.”

In een schitterend slothoofdstuk spreekt Lange over het standpunt van het idealisme. Hier vallen godsdienst en zedeleer en schoonheid samen. De religie geeft waarde aan de wereld van het zijnde.

Ook het sociale vraagstuk is een van zedelijke orde. Het komt er op aan, dat er een streven ontstaat naar menschelijke volkomenheid in de menschelijke samenleving in plaats van het zoeken naar eigen persoonlijk voordeel.

Sedert Langes dagen is de studie van Kant levendig. De opgave der boeken en artikelen over Kant geschreven is reeds enorm. Een afzonderlijk tijdschrift is verschenen onder redactie van Vaihinger. Zorgvuldige uitgaven van zijn gezamenlijke werken komen uit.

Ook ons land deelde in de hernieuwde Kantstudie. Bellaar Spruyt, in leven hoogleeraar te A’dam hing zijn kennistheorie aan. Zijn college over de geschiedenis der wijsbegeerte werd, voornamelijk door de zorgen van Prof. Kohnstamm uitgegeven en kan eigenlijk beschouwd worden als een historische inleiding tot Kantstudie.

Het besluit: “dat de moeielijke weg van Kant de eenige is, die overblijft om èn de wetenschap te vrijwaren voor de aanmatiging der metafysica, en het goed recht van een wereldbeschouwing, die de verbindende kracht van idealen erkent, voor de critiek van het empirisme.”

Ook van der Wyck, Opzoomers leerling, verliet het empirisme voor Kants criticisme.

De jong gestorven Marchie van Voorthuysen wijdde ernstige studies aan Kant.

De belangstelling was wakker, de nieuw-Kantianen, op meer of minder punten van elkaar en hun meester verschillend, vormen een belangrijke groep. Liebmann’s roep is gehoord. Men is op Kant teruggegaan.

Uit het tegenwoordige kiezen wij allereerst de groote tegenstelling: individualisme en socialisme, die op ons leven zoo sterken stempel drukt.

En dan knoopen wij de bespreking van het psychisch monisme en eenige belangrijke bijzondere wijsgeerige wetenschappen vast aan Fechner en eenige met hem verwante moderne denkers.

Opmerking. Gebrek aan plaatsruimte noodzaakt, om hier de behandeling van twee moderne stelsels uit te schakelen.

Allereerst moet gezwegen worden van het belangrijke stelsel van Eduard von Hartmann, die de grondvester werd van de filosofie van het onbewuste. Een korte bespreking van het werk van v. Hartmann als pessimist geeft Dr. Scheffer in zijn werk: “Het wijsgeerig pessimisme van den jongsten tijd.” In “Mannen van Beteekenis” wordt hij door Dr. den Hartogh behandeld.

Verder ontbreekt de behandeling der Immanente Wijsbegeerte, die vooral onder de natuurkundigen haar vertegenwoordigers heeft. (Mach, Ostwald Avenarius). Zij wil een wetenschap die zich alleen aan de feiten houdt en geen hypothesen opstelt. Ook de bekende hoogleeraar Ziehen behoort tot deze richting.

Als met haar verwant te beschouwen is Dr. der Mouw, de schrijver van het werk over: “Absoluut Idealisme.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings