Aanteekeningen.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation · Edition 6
De oudste uitgave van Titus Andronicus, die tot ons gekomen is, dagteekent van het jaar 1600. De titel dezer quarto-uitgave luidt als volgt: The most lamentable Romaine Tragedie of Titus Andronicus. As it hath Sundry times beene playde by the Right Honourable the Earle of Pembrooke, the Earle of Darbie, the Earle of Sussex, and the Lorde Chamberlaine theyr Seruants. At London, Printed by J. R. for Edward White, 1600. Van de vier genoemde tooneelgezelschappen is het laatste dat, waar Shakespeare zelf deel van uitmaakte. De tekst is vrij nauwkeurig te noemen.
Een tweede uitgave in quarto verscheen in 1611; zij noemt op den titel alleen het tooneelgezelschap van Shakespeare: As it hath sundrie times beene playde by the Kings Maiesties Seruants, en wijkt overigens niet noemenswaard van de vorige af. Deze uitgave schijnt ten grondslag gelegd te zijn aan den druk, toen het stuk in de folio-uitgave der gezamenlijke tooneelwerken van Shakespeare, van 1623, werd opgenomen. Bij laatstgenoemden afdruk vindt men echter afwijkingen, waarschijnlijk door vergelijking met het handschrift, dat bij het tooneelgezelschap berustte, en zelfs een geheel tooneel, het tweede van het derde bedrijf, dat in geen der beide quarto-uitgaven voorkomt. Dit tooneel, dat de handeling niet vooruitbrengt, werd waarschijnlijk bij de vertooning weggelaten en daarom niet in de quarto-uitgaven opgenomen; dat het niet later bijgevoegd werd, maar reeds dadelijk een deel uitmaakte van het stuk, is onbetwijfelbaar.
Op den titel der quarto-uitgaven wordt de naam des dichters niet genoemd, maar dit is niets vreemds in dien tijd; in de eerste uitgaven van den Richard II, Richard III, Hendrik IV (eerste deel), Hendrik V, Romeo en Julia is evenzoo de naam van Shakespeare weggelaten. Dat de vrienden en kunstgenooten des dichters, Heminge en Condell, die de folio-uitgave van 1623 bezorgden, dit stuk, onder den titel van The lamentable Tragedie of Titus Andronicus, onder de treurspelen van Shakespeare opnamen, mag een bewijs gerekend worden, dat Sh. en geen ander de schrijver is.
Hier is ondertusschen nog een ander en opmerkelijk bewijs voor aan te halen. Een tijdgenoot, en waarschijnlijk een goede bekende van Shakespeare, een man, met de letterkunde van zijn tijd welvertrouwd, Francis Meres, schreef,—en niet in een later tijdperk van Sh.ʼs leven, maar reeds in 1598,—dat Sh. uitblonk in het schrijven van tragedies en haalde als bewijzen daarvan aan: “zijn Richard II, Richard III, Hendrik IV, Koning Jan, Titus Andronicus, en zijn Romeo en Julia”. Francis Meres noemt dus zeer bepaald Shakespeare als schrijver van den Titus Andronicus.
Daar de woorden van Meres van veel belang zijn voor de dagteekening van eenige der oudste stukken van Sh., moge hier, in de aanteekeningen van Sh.ʼs oudste stuk, zijn getuigenis woordelijk aangehaald worden. Het is te vinden in zijn: Palladis Tamia, Wits Treasury: being the Second Part of Wits Commonwealth. London 1598.
“As the soule of Euphorbus was thought to live in Pythagoras, so the sweet worthie soule of Ovid lives in mellifluous and honey tongued Shakespeare; witnes his Venus and Adonis, his Lucrece, his sugred sonnets among his private friends.
As Plautus and Seneca are accounted the best for comedy and tragedy among the Latines, so Shakespeare among the English is the most excellent in both kinds for the stage; for comedy witnes his Gentlemen of Verona, his Errors, his Loue Labours Lost, his Loue Labours Wonne,—waarmee “Eind goed, Al goed” moet bedoeld zijn,—his Midsummer Night Dreame, and his Merchant of Venice; for tragedy, his Richard the 2, Richard the 3, Henry the 4, King John, Titus Andronicus, and his Romeo and Juliet.
As Epius Stolo said that the muses would speake with Plautus tongue, if they would speake Latin, so I say that the muses would speake with Shakespeare fine filed phrase, if they would speake English.”
Hieruit blijkt tevens, dat de Titus Andronicus reeds in 1598 geschreven en ten tooneele gebracht was. Maar het stuk is zeker ouder. In 1691 werd door zekeren Gerald Langbaine uitgegeven een Account of the English Dramatick Poets; daarin wordt gewag gemaakt van een uitgave van Titus Andronicus in quarto, van 1594, waarvan thans geen exemplaar meer bekend is. Dat zijn mededeeling juist kan zijn, en hij zulk een exemplaar kan gezien hebben, blijkt uit het register van het boekhandelaarsgilde, waarin, op den datum van 6 Februari 1593, ten behoeve van John Danter is ingeschreven: “A booke entitled a noble Roman Historye of Titus Andronicus.” Op deze inschrijving volgt: “Entered also unto him, by warrant from Mr. Woodcock, the ballad thereof.” De ballade, die, volgens deze inschrijving, van het tooneelstuk of de geschiedenis gedrukt werd, is hoogstwaarschijnlijk dezelfde, die door Percy in zijn Reliques of Ancient English Poetry onder den titel van “The Lamentable and Tragical History of Titus Andronicus” is medegedeeld en ontleend is uit een oude gedichtenverzameling zonder datum. (Ook in Delius Sh.-uitgaaf is zij afgedrukt.) Dat zij na het tooneelstuk gedicht is, kan uit de eenvoudige lezing blijken; er wordt bij voorbeeld in gesproken van het pijlen-schieten door Titus Andronicus, wat zonder de kennis van het populaire tooneelstuk geheel onverstaanbaar zou zijn.
“Ay, now my hopes have end in their effects, When blood and sorrow finish my desires. Horatio murdered in his fatherʼs bower; Vile Serberine by Pedringano slain; False Pedringano hangʼd by quaint device; Fair Isabella by herself misdone; Prince Balthasar by Belimperia stabbʼd; The duke of Castille, and his wicked son, Both done to death by old Hieronymo; Then Belimperia fallen, as Dido fell; And good Hieronymo slain by himself: Ay, these were spectacles to please my soul.”
Zulk een stuk geeft den Titus Andronicus niets toe in bloederigheid. Het wordt bovendien nog opgeluisterd door een stomme vertooning, een pantomime, dumb show, een vreemde toevoeging aan een tooneelwerk, die toen zeer in zwang was; men vindt er gebruik van gemaakt in den Pericles, en in het tooneelstuk, dat Hamlet ten hove vertoonen laat.
Met de zoo even genoemde Spaansche tragedie van Kyd hadden vele toenmalige stukken overeenkomst, en Shakespeare schikte zich, bij het schrijven van zijn eersteling, naar den geest van zijn tijd; en niet alleen in de keuze van het onderwerp, maar ook in meerdere opzichten treedt hij in de voetstappen zijner voorgangers. Reeds hieruit zou kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf verreweg het zwakste van alle is. Na den Titus Andronicus begaf zich de dichter aan het schrijven van zijn Koning Hendrik VI, van welks drie deelen ook weder het eerste zwakker is dan de beide volgende. Wel volgde hij meer en meer zijn eigen weg en overtreffen zijn stukken die zijner tijdgenooten verre, maar bij alle verschil is er toch genoeg overeenkomst met de laatste op te merken, dat de in ellende wegstervende dichter Robert Greene, die zijn eigen tooneelwerken en die zijner vrienden reeds zag tanen voor Shakespeareʼs luister, hem in 1592 niet geheel en al ten onrechte een “opkomeling” noemde, “gesierd met onze vederen.” Een nieuweling, die geen academische opleiding genoten had, stond in kennis niet bij hen ten achteren, behandelde dergelijke stoffen als zij, wist die met mythologische bloempjes op te sieren, schreef verzen, die niet minder goed klonken dan de hunne! Men zie hierover de aanteekeningen in het derde deel op Koning Hendrik VI. Met Koning Richard III kan men rekenen, dat deze eerste periode van Shakespeareʼs leven gesloten wordt, die, behalve de genoemde stukken, nog enkele blijspelen, verscheidene sonnetten en Venus en Adonis heeft opgeleverd.
De overeenkomst, die zoo even werd toegegeven, is echter meer schijnbaar dan wezenlijk, en bij nauwkeuriger toezien blijken de verschillen zeer belangrijk te zijn. Dit gezegde vereischt een nadere toelichting. Wanneer men den statigen gang der verzen, waarmede het eerste bedrijf begint, nagaat, dan zou men meenen, dat de versbouw van Marlowe wordt nagebootst, maar lezen wij verder, dan bemerken wij weldra, dat de dichter zich geen boeien laat aanleggen, dat het hem niet te doen is om de ooren zijner toehoorders met prachtig rollende verzen te vullen, maar dat hij verscheidenheid brengt in de rusten, het slepende einde der regels en zelfs afwijkingen van den gewonen versbouw niet schuwt, kortom zijn stijl naar omstandigheden wijzigt. In dit opzicht gaat hij niet alleen verder dan Marlowe, maar ook verder dan Kyd, die wel is waar het majestueuze van Marlowe niet bereikt, maar meer verscheidenheid in zijn regels wist te brengen. Er moge nog aanmerkelijk verschil bestaan tusschen den versbouw van den Titus Andronicus en van Shakespeareʼs latere stukken, wij kunnen toch reeds hier het streven naar eenvoudigheid en natuurlijkheid in de verzen ontdekken.
Dit zelfde geldt, wanneer men op de geheele uiting der gedachten let. Bij een stuk met een inhoud als Titus Andronicus moet de verleiding voor een jong dichter, om de personen in matelooze jammerklachten, in afgrijselijke wraakkreten te doen uitbarsten, zeer sterk geweest zijn, vooral in een tijd, dat zulk een taal door anderen gebezigd werd en blijkbaar in den smaak van het publiek viel. En toch, de jeugdige Shakespeare nam een zekere matiging in acht. Men oordeele: in een stuk, Lustʼs dominion geheeten, dat wel eens, schoon ten onrechte, aan Marlowe is toegeschreven, komt ook een Moor voor, daar Eleazar geheeten; van dezen kan men zeggen, dat hij spreekt op de manier van Koning Cambyses (I K. Hendrik IV, II. 4. 425). Eleazar zegt:
“Now, Tragedy, thou minion of the night, Rhamnusia, play-fellow, to thee Iʼll sing Upon a harp made of dead Spanish bones,— The proudest instrument the world affords— When thou in crimson jollity shall bathe Thy limbs as black as mine, in springs of blood Still gushing from the conduit-head of Spain. To thee that never blushest, though thy cheeks Are full of blood, O Saint Revenge, to thee I consecrate my murders, all my stabs, My bloody labours, tortures, stratagems, The volume of all wounds that wound from me,— Mine is the stage, thine the tragedy.”
Men vergelijke hiermede de uitingen van den Moor Aaron en men zal Sh.ʼs streven naar eenvoud en natuurlijkheid erkennen.
De matiging, waarvan Shakespeare blijk geeft, mag inderdaad op prijs gesteld worden. Als Tamoraʼs zoon Alerbus ter slachting wordt weggeleid, hooren wij slechts een enkelen uitroep van Tamora (I. 1. 130); als Titus zijn zoon Mucius in drift doorstoken heeft, zijn de woorden van Lucius (I. 1. 292) zeer eenvoudig en gematigd; hetzelfde moet gezegd worden van Laviniaʼs woorden tot Tamora (II. 3. 136), van Marcusʼ klacht bij het ontmoeten van de geschonden Lavinia (II. 4. 11. en volgg.). Als Titusʼ zoons ter dood geleid zijn en zijn verminkte dochter Lavinia tot hem gebracht wordt, barst hij uit in roerende jammerklachten, maar geen stroom van vloeken en verwenschingen komt er uit zijn mond (III. 1. 91); ja dit gebeurt zelfs niet, als hij zijn hand heeft opgeofferd om zijn zonen te redden; dan roept hij uit (III. 1. 207): “O, hier hef ik deze eene hand ten hemel” en zijn klacht is niet eens bovenmatig, maar wordt toch, als te overdreven, door zijn broeder gegispt. Als dan zijn zonen toch geslacht zijn en zijn jammer ten top is gevoerd, zegt hij (III. 1. 267) eenvoudig: “Ik heb geen tranen meer te storten over” en denkt eerst daarna aan wraak. Als Titus aan Tamora heeft medegedeeld, aan welk een gruwelijk maal zij zich te goed heeft gedaan (V. 3. 60), spaart de dichter ons de jammerkreten der rampzalige moeder; haar dood volgt oogenblikkelijk, evenals die van Titus en van Saturninus; een matiging, die men bij weinige dichters van zijn tijd zal aantreffen.
Dat wij in Titus Andronicus het werk bezitten van een echten dichter, blijkt bij het aandachtig lezen van het stuk telkens meer. De personen, die er in optreden, zijn geen tooneelpoppen, aan welke woorden in den mond worden gelegd, maar menschen van vleesch en bloed. Tamora is door de vereeniging van een doordringend en vlug verstand, door zelfbeheersching, heftige hartstochten en zedelijke verdorvenheid, een opmerkelijke schepping; haar levendige verbeelding leent haar bekoorlijkheid en uit haar mond vernemen wij echt dichterlijke taal; men zie slechts II. 3. 10–29, en in hetzelfde tooneel reg. 93–104; IV. 4. 81 en vlgg.; V. 1. 30 enz. Men ga verder het karakter en de handelingen van den ouden Titus na; men overwege, hoe de dichter den onmenschelijken duivel Aaron door een enkelen trek, de liefde voor zijn basterdkind (zie IV. 2. 175), tot een mensch gemaakt heeft, zoodat zijn straf er des te rechtvaardiger door wordt en belang stelling inboezemt; men herleze de woorden, waarmede Lucius zijn zoon aanmaant, om de nagedachtenis van den ouden Titus, van den beminnenden grootvader, in eere te houden, V. 3. 160 enz.;—en men zal tot de overtuiging komen, dat er geen redenen bestaan, om de meening te verdedigen, dat dit stuk al te onvolkomen is om een werk van den jeugdigen Shakespeare te kunnen wezen. Integendeel, een nauwkeurig onderzoek bevestigt veeleer de juistheid der verklaring van Francis Meres. Het blijkt dan tevens, dat dit treurspel een werk is uit één stuk, dat er geen enkele grond bestaat om er twee handen in aan te nemen; het is niet een ouder arbeid van een ander, waar Shakespeare eenige veranderingen in gemaakt heeft, maar wel degelijk zijn eigen stuk, dat door geen ander dichter zoo zou gemaakt zijn en waarin men den jeugdigen leeuw reeds aan zijn klauw herkent; de onvolkomenheden, die men er in opmerkt, zijn geen andere, dan men verwachten kan in het eerste werk van een jongen dichter, die, hoezeer hij later alle andere moge overschaduwd hebben, toch ook een kind van zijn tijd geweest is.
Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. “In November 1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond, dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: Aran en Titus, of Wraak en Weerwraak. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker, zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam, toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien: hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan, dat aldus eindigt:
Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest,
De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest.
Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier?
Of maekt Euripides dit ongewoon getier?
Neen, ʼt is een Ambachtsman, een ongelettert gast,
Die nu de gantsche rey van Helicon verrast,
Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch,
Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is.
Athenen las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer;
Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam 1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.ʼs Titus Andronicus. Men zou hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk is geen vertaling van Shakespeareʼs treurspel, maar toch heeft Jan Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn, dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden, valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er van bevindt zich in een bundel: “Englischen Komödien und Tragödien” (die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: “Eine sehr klägliche Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen denkwürdige actiones zu befinden”; zij is in Tieckʼs “Deutsches Theater” (1817) en in Albert Cohnʼs “Shakspeare in Germany” (1865) overgedrukt.—Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde, die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden, zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren om al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk, echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af.
I. 1. 77. Gij groote schutsheer van dit kapitool. Jupiter.
I. 1. 88. Aan den oever van den Styx. Zoolang de lijken onbegraven zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden; zie Homerusʼ Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, ad manes fratrum, aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste.
I. 1. 136. Die aan Hecuba. In het Engelsch staat: de Koningin van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen treurspeldichter Euripides had Priamus, Trojeʼs val voorziende, zijn jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde na Trojeʼs val den jongeling en het lijk werd door Priamusʼ weduwe, die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter zal zij aan Sh. bekend zijn geworden.
I. 1. 177. Daar zij ʼt geluk van Solon heeft erlangd. Solon zeide tot koning Crœsus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te noemen was.
I. 1. 380. Laërtesʼ wijze zoon. Ulysses.
I. 1. 494. Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid. In ʼt Engelsch: With horn and hound weʼll give your grace bonjour. Het bonjour is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal hunts-up geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.—Een dag van verzoening, wat voorafgaat, is in ʼt Engelsch a loveday, waarmee een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald; geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik: “In lovedays there coude he mochel help.”
II. 1. 7. Haar baan doorrent. In het Engelsch wordt als baan de Dierenriem, Zodiak, genoemd.
II. 1. 37. Nu kalm wat, kalm! In het Engelsch staat “Clubs, clubs!” de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er bij te roepen. Een paar regels later staat dansrapier; in Sh.ʼs tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk Eind goed, Al goed, II. 1. 32.
II. 1. 47. Nabij des keizers slot. Het was in de middeleeuwen streng verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken.
II. 1. 67. Zoo de keizerin dien wanklank hoort. In ʼt Engelsch: An should the empress know This discordʼs ground; een woordspeling, die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; ground beteekent zoowel “grond”, “oorzaak”, als “muzikaal thema”; bovendien beteekent discord zoowel “dissonant” als “tweedracht.” Evenals hier vindt men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida, I. 3. 110 en in Lucretia 1124.
II. 1. 89. Vulcanusʼ tooi. Shakespeare maakt ook elders van Venus en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en Adonis, 97.
II. 1. 133. Sit fas aut nefas, “Zij het recht of onrecht”, hij wil en zal zijn doel bereiken, “al moest hij over den Styx en door de schimmen heen.” Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de treurspelen van Seneca ontleend zijn.
II. 3. 22. De vorst, die zwierf. Natuurlijk wordt Æneas bedoeld, die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld.
II. 3. 30. Besture Venus uw begeerten enz. Aan de planeet Venus werd een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven op wie onder haar gesternte geboren waren.
II. 3. 43. Waarop zijn Philomela tongloos wordt. Lavinia wordt om de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht, in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht hij het valsche bericht van Philomelaʼs dood. Na een jaar ongeveer gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne, door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itysʼ bloedig hoofd toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw; Tereus zelf werd een hop.—Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.—Shakespeare gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela.
II. 3. 62. Actæon. Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn vijftig honden verscheurd. Ovidiusʼ Metamorph. III. 131 en vgg.
II. 3. 72. Uw donkere Kimmeriër. De Kimmeriërs der fabel bewoonden een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet om zijn afkomst.
II. 3. 107. Een giftige ief. De Ief of Taxisboom, vaak op kerkhoven geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald; men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27.
II. 3. 118. Semiramis. Semiramis, de koningin van het oude Assyrische rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald.
II. 3. 231. Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan. De geschiedenis van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidiusʼ Metamorphosen, IV. 55 vgg. te vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren, wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij ʼs nachts onder een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin, die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom, welks vruchten, overeenkomstig Thisbeʼs wensch, voortaan een donkere bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten.
II. 4. 51. Gelijk voor Orpheusʼ voeten Cerberus. In ʼt Engelsch As Cerberus at the Thracian poetʼs feet. Ook in den Midzomernachtdroom, V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als the Thracian singer aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidiusʼ Metamorph. X. 1. vgg.
III. 1. 212. Of wij ontglansen ʼt hemelwelf met zuchten. De gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139.
III. 1. 241. De tooneelaanwijzing “Titus bezwijmt” is door mij ingevoegd, vgl. reg. 253.
IV. 1. 12. Cornelia las niet vlijtiger. Cornelia, de moeder der Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat (zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Ciceroʼs boek over de welsprekendheid, De oratore, bedoeld.
IV. 1. 20. Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd. Zoo wordt Hecuba ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld; zie ook Cymbeline, IV. 2. 313.
IV. 1. 28. Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst. Om zijn vroeger wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens Lavinia. In ʼt Engelsch: I will most willingly attend your ladyship.
IV. 1. 81. Magni enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is, eenigszins gewijzigd, uit Senecaʼs treurspel Hippolytus ontleend.
IV. 1. 88. Romeʼs Hector. De Romeinsche Hector is de verbannen Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was van den Trojaanschen Hector.—De gade der onteerde kuische vrouw was Lucretiaʼs echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius.
IV. 2. 20. Integer vitae enz. Daar de regels uit Horatius (Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen “Mauretaanschen” pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamoraʼs zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond toelachen. Men merke op, dat het adjectivische Mauris van Horatius hier in Mauri, “van den Moor”, veranderd is.
IV. 2. 52. Waar Aaron is, de Moor, doch ras! Men kan ʼt laatste ook lezen: “Moord! och ras!” waarop dan Aarons zeggen: “moord en brand” slaat. In ʼt Engelsch is de woordspeling tusschen Moor en more.
IV. 2. 93. Niet Enceladus. Een der Giganten, die met rotsblokken den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules.
IV. 2. 126. Van den zeekʼren kant. Van moeders zij.
IV. 3. 4. Terras Astræa reliquit. Aanhaling uit Ovidiusʼ Metamorphosen I. 150. De Godin der Gerechtigheid, als hemelbewoonster Astrœa genoemd, woonde in de gouden eeuw op aarde, maar “verliet de aarde” in de koperen eeuw, het laatst van alle hemellingen.—Men denke zich het plein, waar dit derde tooneel speelt, in de nabijheid van het keizerlijk paleis.
IV. 3. 80. De galgemaker? In het Engelsch verstaat de Boer den naam van Jupiter “Gibbeter”, en vraagt daarom, of de “Gibbetmaker” bedoeld is; een natuurlijk niet terug te geven woordspeling.
IV. 3. 90. Met eenige gratie. In het Engelsch is hier een woordspeling tusschen grace, “gratie”, en grace, “gebed bij ʼt eten”. De boer zegt, dat hij ʼt laatste nooit heeft kunnen leeren.
V. 1. 122. Naar ʼt spreekwoord zegt. Het spreekwoord is: to blush like a black dog.
V. 1. 145. Omlaag weer met dien duivel. Aaron heeft dus gesproken van de ladder af, die hij reeds bestegen had om gehangen te worden.
V. 2. 56. Hyperion. Helios, de Zonnegod.
V. 2. 204. En bloediger dan der Centauren feest. In Ovidius Metamorph. XII. 210 kon Shakespeare de beschrijving vinden van den gruwelijken strijd, die, op de bruiloft van Pirithous tusschen de Lapithen, tot wier volk de bruid behoorde, en de mede-uitgenoodigde Centauren ontstond, en met de nederlaag der laatsten eindigde.
V. 3. 36. Virginius. De vergelijking gaat eigenlijk niet door, want Virginius doodde zijn dochter om haar onteering te voorkomen.
V. 3. 80. Als onze stamheer eens. Ook in Julius Cæsar noemt Shakespeare Æneas den stamheer der Romeinen.—In de Æneis van Vergilius (IIde Boek) verhaalt Æneas aan Dido de overrompeling van Troje door de Grieken, en vermeldt, hoe de Griek Sinon (Ald. reg. 79) de Trojanen overhaalde het verderfelijke paard binnen hun muren te halen. Ook in 3 Hendrik VI, III. 2. 190. en in Cymbeline III. 4. 61 wordt Sinon vermeld; evenzoo in Lucretia 1521.