Note 1 — Aanteekeningen.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation · Edition 6
De Titus Andronicus moet dus vóór Febr. 1593 geschreven zijn. Een opmerking van Ben Jonson noopt ons verder, het stuk voor nog eenige jaren ouder te houden. Deze zegt in het voorspel van zijn blijspel “de Bartholomeüs-mis”, Bartholomew Fair, dat in 1614 werd opgevoerd: “He that will swear Jeronimo and Andronicus are the best plays yet, shall pass unexcepted at here, as a man, whose judgment shows it is constant, and hath stood still these five-and-twenty or thirty years.” Hier wordt dus Titus Andronicus in één adem genoemd met Thomas Kydʼs Jeronimo,—waarmede de Spaansche tragedie, the Spanish tragedy or Hieronymo is mad again, bedoeld is,—en gezegd, dat hij, die deze twee stukken nog voor de beste houdt, vijf en twintig of dertig jaren in smaak ten achteren is. Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten, dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren vroeger. Bedenken wij nu, dat Shakespeare in April 1564 geboren werd te Stratford aan den Avon, er in zijn 20ste jaar (Nov. 1582) trouwde, er in 1583 een dochter kreeg en in 1585 tweelingen, dan zal hij op zijn vroegst in laatstgenoemd jaar naar Londen gekomen zijn en zich aan het tooneel verbonden hebben. Dat hij het handschrift niet van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is, nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen twijfel. Op zijn allervroegst kan het stuk dus in 1586 geschreven zijn, doch waarschijnlijk is het eerst twee of drie jaar later gereed gekomen. Met het oog op andere stukken zal het echter niet veel later dan 1589 voltooid zijn, toen Shakespeare 25 jaar telde; veel vroeger kan men het ook niet stellen, daar de dichter zich tooneelkennis heeft moeten eigen maken. Men mag onderstellen, dat hij zich in het landstadje Stratford door opmerkzaamheid de uitgebreide en nauwkeurige kennis van dieren, planten en natuurverschijnselen heeft verworven, waarvan zijn werken blijk geven, en verder slechts uit enkele boeken, den bijbel b.v., Holinshedʼs kroniek, Ovidiusʼ Metamorphosen1, zijn kennis verrijkt heeft, maar dat hij zijn bedrevenheid in de letterkunde en in allerlei vakken van wetenschap, zijn inzicht in maatschappelijke toestanden, zijn diepe menschenkennis vooral in Londen heeft opgedaan. Daar, in de tooneelwereld verkeerende, kon hij eerst tot het schrijven van een tooneelwerk komen, en geen wonder, dat de jeugdige dichter een stof koos, die in overeenstemming was met den smaak van het publiek en van zijn tijd. De fabelachtige geschiedenis van Titus Andronicus was ongetwijfeld niet nieuw en waarschijnlijk uit een novelle aan het publiek welbekend, want zulke verhalen, in verzamelingen vereenigd, werden toen ter tijd vlijtig gelezen. Er is ons geen novelle van Titus Andronicus bewaard gebleven, maar dat zij bestaan moet hebben, blijkt uit de novellen-verzameling van Painter, The Palace of Pleasure geheeten; in het tweede deel er van, dat in 1567 het licht zag, wordt in het voorbijgaan van Titus en meer bepaald van Tamoraʼs wreedheid gewag gemaakt. Meer dan één voorbeeld kon aan Shakespeare de overtuiging geven, dat deze stof hem een dankbaar onderwerp zou wezen; met dergelijke toneelstukken was het publiek hooglijk ingenomen. Een voorbeeld leveren ons twee stukken van den boven reeds genoemden Thomas Kyd: deze trad in 1588 op met een stuk Hieronymo of Jeronimo, en eenigen tijd later met zijn Spaansche Tragedie, ook genaamd Hieronymo is mad again, waarin Hieronymo dol wordt om het verlies van zijn zoon. Dit laatste stuk vond toen ter tijd een buitengewonen bijval en bleef, evenals de Titus Andronicus, wel vijf en twintig of dertig jaar bij het publiek zeer geliefd, zooals onder andere uit de ergernis van Ben Jonson blijkt.—Er is een groote overeenkomst tusschen den Titus Andronicus en den Jeronimo; in beide is de held een eerbiedwaardig grijsaard, die voor de groote diensten, door hem bewezen, met de mishandeling en den moord der zijnen beloond wordt, en die, om wraak te nemen op zijn belagers, genoodzaakt is zich als een waanzinnige voor te doen. De slachting, die in beide stukken aangericht wordt, is even groot; in beide blijven er van de hoofdpersonen slechts weinigen in leven.—Wil men hier nader van overtuigd worden, dan leze men slechts het slot van den Jeronimo, een epiloog, die door een geest wordt uitgesproken: