Front matter
Reading edition
[Illustratie: kaft, met tekst: RHANDENSCHE JONGENS DOOR J. LENS 's GRAVENHAGE. D.A. DAAMEN]
RHANDENSCHE JONGENS.

[Illustratie: VERHUIZINGEN EN TRANSPORTEN]
RHANDENSCHE JONGENS
DOOR
J. LENS.
MET VELE ILLUSTRATIES VAN TJEERD BOTTEMA.

D. A. DAAMEN — 's-GRAVENHAGE.
Inhoudsopgave
I. We maken kennis met Rhandensche Jongens en met Rhanden.
II. Hoe Jan zijn glorieuzer intocht in Rhanden deed, en wie er in 't huis van Ter Hoek kwam wonen.
III. Cor leert Rhanden en wij leeren Cor kennen.
IV. Cor krijgt vechtneigingen en loopt gevaar de oud-Rhandenaars tegen zich in 't harnas te jagen.
V. Cor wordt bij de oud-Rhandenaars ingelijfd en verjaagt het spook.
VI. De Rhandensche verkenners komen voor den dag, en Gert zakt door een kist.
VII. Cor vindt het thuis niet prettig en verdrinkt bijna.
VIII. Van een onweer, een brand en een bluschpartij.
IX. Cor en Theo gaan bij den Burgemeester op bezoek, en hoe de Verkenners aan het bedelen slaan.
X. Ze gaan kampeeren.
XI. Het einde van een korte vreugd.
XII. Ze probeeren het opnieuw, en wat ze beloven.
XIII. Van een feest, en donkere dagen die dreigen.
XIV. Veilig in Jezus' armen.
XV. Veranderingen.
I. We maken kennis met Rhandensche Jongens en met Rhanden.
Hè, wat was het nu echt in de school!
't Zonnetje zette buiten alles in gloed, en door de ruiten zag je, hoe de boomen in de lekkere lentelucht stonden te trillen van genot. De kastanje-knoppen zwollen en spreidden hun teere groen voorzichtig uit. Door de beuken ritselde het; 't oude loover viel nu af en de gladde stammen blonken.

Daar hoorde je den lijster alweer; die zat zeker in zijn eentje te zingen! Van den weeromstuit begon de kanarie, die in zijn kooi voor 't middelste raam van het lokaal zat, ook te kweelen; zijn snaveltje schuin omhoog, zong hij zijn lente-verlangen zachtkens uit.
"Meneer, mag het raam open?" vroeg Koos Venema.
"Best, Koos, doe het maar even!"
Het middelste raam werd opengezet, en de heerlijke lentegeuren drongen binnen, tot de uiterste hoeken van het lokaal.
Ze keken op, de kinderen, en wachtten even.
"Meneer, 'k heb alweer zwaluwen gezien! Bij Theunissen, onder het dak van den stal", zei Jan Arps.

"Zoo? Nu, ik ben benieuwd, of we ze hier ook weer tegen de goot krijgen. 'k Hoop het, want we hebben ze nu al twee jaar achtereen gehad, en 't geeft een heele gezelligheid..."
"Maar je moet voorzichtig zijn, als er jongen in 't nest zitten!" De opmerking kwam van Theo Maalders, een gezelligen dikkop, die de wereld vroolijk inkeek van achter zijn brilleglazen.
'n Paar jongens begonnen te lachen. Ze herinnerden zich de historie nog, van verleden jaar. Ze hadden staan knikkeren. Theo leunde tegen den muur. Hij wou zuinig wezen op zijn nieuwe pak, dat hij voor 't eerst aanhad. Boven zijn hoofd waren de jonge zwaluwen aan het babbelen. En toen hij opkeek, daalde er juist wat van boven neer, dat hem een mooie medaille gaf op zijn linkerborst. Ze zagen hem nog staan kijken; eerst onbeholpen. Toen had hij ineens dien sulligen Henk Staden aangeklampt.
"Toe, jô, haal eens af! 'k Hoef daar niet te zaaien!"
"Waarmee?"
"Wel natuurlijk met je zakdoek!"
En die goeie lobbes van een Henk had z'n eigen zakdoek uit den zak gehaald en Theo zijn eereteeken ontnomen.
De geschiedenis werd opgehaald, en meneer moest er om lachen.
"Jij spreekt dus uit ervaring? Nou, ondervinding is de beste leermeesteres, zei mijn moeder altijd; en die wist het! Jou zal 't niet makkelijk voor de tweede maal gebeuren, dat je vlak onder een zwaluwen-nest gaat staan!"

Een vroolijk gelach klonk op, ten koste van Theo nu, die met het nuchterste gezicht van de wereld zat te kijken, net alsof het hem niet aanging. "Kom, jongens, de sommen roepen! Pakt aan en..."
"Sta vast, meneer!" vulde ineens Jan Arps aan. "Allo, hurt bok! Daar gaat hij weer!"
En met een gemaakt-armzalig gezicht zette hij zich aan zijn sommen. Wie 't niet beter wist, zou denken dat hij een bloedje in rekenen was!
"Hoeveel àf, Jan?" vroeg meneer.
"Vijf van de zes, meneer."
"Allo, hurt bok, de zesde!" kreeg Jan zijn eigen woorden terug.
"Tot uw dienst, majoor! In vijf minuten."
En Jan begon met een ijver, of zijn leven er van af hing. Zijn kameraads wisten allemaal, dat het hem wel gelukken zou. De werkstemming was er dadelijk weer, behalve bij Koos. Die zat te draaien, op zijn pennehouder te bijten, in zijn boek te bladeren.
't Lukte vanmorgen niet. Die vervelende sommen! En dat het nu net zulk heerlijk weer moest wezen! Hij zou nu veel liever op zijn kar zitten, midden in het bosch. Of langs de smalle heipaadjes trappen, waar je al je rij-kunst noodig had om 't pad te houden. Als er een boer aankwam, die niet wijken wou, kon je nog afstappen ook!
't Was gek: den heelen winter had hij er best tegen gekund. Maar nu de zon zoo heerlijk deed, en er lente-geruchten in de lucht zweefden, kòn hij er niet bijblijven, hoe hij er zich ook toe dwong.
"Meneer, gaat u Woensdag mee fietsen?" vroeg hij ineens.
"Lukt het niet vanmorgen, Koos?"
"Och meneer, die vervelende sommen en dat mooie weer!"

"Ja maat, die komen niet bij mekaar, vind je? Toch zal 't moeten. Over dat fietsen praten we om twaalf uur wel."
Met een zucht begon Koos weer. Maar zijn gedachten waren buiten. Zouden er al kieviten in de Plassen zitten? En zijn meezenfamilie? Hoe of die het maakte?
Dat was zijn geheim, van hem en van zijn broertje Dirk. Diep in het bosch hadden ze een zelfgefabriceerd nestkastje opgehangen: een stuk berketak, dat ze met veel moeite hadden uitgehold. Ze hadden er een verscholen hoekje voor opgezocht; waren, om het te bevestigen, een heel eind een beuk ingeklommen. Dezen winter waren ze een paar malen gaan kijken: eindelijk was het door een meezenpaar bewoond! Koos had zonder daar Mops meening over te vragen, van Mop een vleezig beentje afgenomen, dat die uit de keuken had opgediept. Mop stelde het schijnbaar niet eens op prijs, dat hij mee mocht om het te brengen, en kon toezien, toen het werd opgehangen! Maar de meezen hadden de bedoeling des te beter begrepen.
Zouden er nu al jongen zijn? Nee — 't was nog veel te vroeg in 't jaar. Maar zeker waren ze reeds met de nestdrukte begonnen, vooral nu 't weer zoo mooi werd.

Woensdag moest hij er op uit — als meneer dan eens weinig werk opgaf — en dan met z'n drieën of vieren op de kar er van door! Ja, de hei was nog wel zwart. Hoe heerlijk moeten nu de berken met hun ragfijne loover staan te droomen in de zon! Hij zou vast zijn schetsboek meenemen, even een paar krabbeltjes er van maken.
Onwillekeurig ging zijn potlood aan den gang — hij vergat sommen en klas, en voelde alleen lentelucht, zag alleen lenteleven, hoorde meezen-gesjilp en 't zacht ruischen van den voorjaarswind door het ijle berkenloover.....
Een luid gelach wekte hem uit zijn gedroom.
Hij keek op, en bemerkte, dat hij de een of andere dwaasheid moest uitgehaald hebben. De boeken en schriften waren overal weggeruimd; alleen op zijn plaats lag alles nog in wanorde op de bank. Haastig greep hij naar zijn schrift, waar nu, inplaats van sommen, een teekeningetje was ontstaan.
"Dat wil ik graag van je hebben, Koos! Anders zou ik moeten denken, dat je je heelen morgen verdroomd hebt."
Koos, wat onwillig, wat verlegen, bracht het schrift.
"Wat moet er boven dat opstel-in-lijnen staan, Venema?" vroeg meneer een beetje strak.
"'t Hindert niet. Maar ik kàn die sommen ook niet maken!"
"Dus 'Lentestemming' b.v.?" vervolgde meneer.
"Ja, als u er bijzet: Van een tot sommen-maken veroordeelde", spotte Theo. Z'n oogen, achter zijn bril, zochten het onafgewerkte schetsje af. En gul, met een gemakkelijke bewondering, voegde hij er aan toe: "Toch mooi! nou! kon ik het maar zoo!"
"'k Wou het voor jou, Theo", plaagde meneer Theo, wiens beste vak teekenen nu eenmaal niet was. "En weet je, wat ik nog meer wou? Dat jullie die sommen allemaal goed maakten. Gerust er moet beter aangepakt worden."
Koos vond het toch vervelend.
"Toe, meneer, geef me dat ding liever terug. Als u Woensdag mee gaat fietsen, zal ik wel een mooier voor u teekenen....."
"Zou je nu niet liever eerst je bulletjes opruimen? Dat heb ik je al tweemaal gevraagd, maar Koos luisterde niet."
O, hadden ze daar zoo om zitten lachen? Ze konden ook nergens tegen.
Haastig bergde hij alles weg, en toen waren ze klaar. Een kort, hartelijk dankgebed, en ze konden gaan.
"Wacht jij even, Venema?" vroeg meneer aan Koos.
"Ook al goed", bromde die, weinig vriendelijk, en lusteloos ging hij weer naar zijn plaats.
Meneer kwam dadelijk bij hem.
"Zeg, chef, waar zaten je gedachten vanmorgen?"
"Overal, behalve bij mijn sommen, meneer", biechtte Koos eerlijk op.
"'k Heb het gemerkt; je was er heelemaal niet bij."
"Ik kòn niet, meneer! Met zulk weer kom je er niet aan toe om te werken", antwoordde Koos met eenigszins koddig aandoende berusting.
"Tut-tut-tut man! Jij bent toch zelf de baas? Je zegt toch zèlf, of je er aan toe bent om te werken of niet?"
Koos zweeg. Als hijzèlf het voor 't zeggen had, dan zat hij nu op de hei, of in 't bosch bij zijn meezen.
"'k Zal zien, of ik 't er Woensdagmiddag kan uitbreken. Dan gaan we een paar uurtjes zwerven in den Del. 'k Vind het heusch óók heerlijk, maar plicht gaat boven alles."
"Als je zoo oud bent als u mogelijk wel, meneer", bekende Koos. Maar hij stelde in de beloofde wandeling meer belang.
"Mogen we ècht weer met u mee?"
"Ja, ècht, als 't eenigszins kan. Maar dan doe je mij hetzelfde pleizier als de andere jongens: dan ploeter je er vanmiddag en morgenochtend op los, dat het een aard heeft. Begrepen?"
"Begrepen, mijnheer."
Koos' oogen straalden.
"Dan, ingerukt marsch!" commandeerde meneer, en hij trachtte een harde stem op te zetten en boos te doen.
In een wip was Koos er van door, naar huis toe, eten, en dan nog even zwerven op de fiets, eer ze vanmiddag weer zouden beginnen.
't Was een klein stadje, Rhanden, maar het had een eeuwenoude geschiedenis. Al lang waren de muren afgebroken, de muren, die maar een kleine oppervlakte grond hadden ingesloten. In een goed kwartier liep je het stadje in de lengte door, en 't was niet veel breeder ook. Maar buiten die eigenlijke kom had zich een dorpsgedeelte ontwikkeld, waar de arbeiders woonden en de keuterboertjes, en waar nog een paar groote boerderijen met niet meer gebruikte tabaksschuren de herinnering levendig hielden aan een vroegeren tijd van bloei. 't Was er gewoonlijk stil, behalve in de zomermaanden. Dan zwermden stadsmenschen op het stille plaatsje neer, en vulden de straten, de wegen, de lanen met hun vaak luidruchtig gedoe; dan toeterden de auto's langs den breeden straatweg, die zich als Hoofdstraat door het stadje voortzette, en het aan de andere zijde weer verliet. 's Zomers, vooral op de zonnige dagen, lag alles langs dien weg dik onder het hoogopgeworpen stof. Rustig lag, midden in de kom van Rhanden, de oude, grauw-begroeide kerk. Stond je op de Hucht, op een half uurtje van de kom vandaan, dan zag je die kerk liggen als een kloek tusschen haar kuikentjes. Want Rhanden zelf lag in een dal, dat alleen langs den rivierkant niet afgesloten was door hoogere gronden.
Het was een paradijs voor de jongens. Behalve markt en kerkplein, bood de stad zelf weinig ruimte om te spelen. Maar de eerste lag vlak bij het politie-bureau, en het tweede was bevloerd met kleine, puntige, gedolven keitjes. Als je daar kwam te vallen, had je meteen een buil of een gat in je hoofd. Aan die scherpe keitjes was het zeker te danken, dat het Kerkplein, behalve 's winters, als er sneeuw lag, altijd een aanblik van evengroote rust vertoonde. Met de markt was het, ondanks het politie-bureau, nog anders. Alleen als Sterkhouwer er de wacht had, konden zij er niet veel uitvoeren. Want Sterkhouwer vonden ze een "kwaaien". Hij was hoofdagent en had vroeger in Amsterdam gediend. Wat kon hij daarover opsnijden! "Dáár had je nog 's mooi werk; minstens elke week een paar dieven of zoo.... maar hier.... hier is 't een dooie boel; nooit wat te doen, dan met die kwajongens!" En als hij dat zei, dan keek hij die "kwajongens", die hij op den Bergweg of midden in het bouwland van den Enk ontmoette, aan met een paar oogen, dat ze er bijna bang van werden, ook al hadden ze juist nu niets op hun geweten.

Wanneer ze hem zoo, gewoon op de wandeling, tegenkwamen, dan was er in heel Rhanden geen beter mensch te vinden dan Sterkhouwer.
Maar o wee! als ze wat uitgehaald hadden! Hij kwam gemoedereerd bij ze thuis zeggen "dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan zat er een standje voor ze op! En Sterkhouwer, als hij ze de kamer van "meneer" binnenbracht, keek zoo nijdig, alsof hij wel voor beul wou spelen.
Koos Venema en Theo Maalders hadden het ervaren, en ze wisten ervan te vertellen!
Op een van hun tochten waren ze in de Lichterbosschen aan 't zwerven geraakt. Ze kregen geweldigen dorst. Daarvoor waren twee redenen: vooreerst was hun veldflesch leeg en dan waren ze vlak bij de buitenplaats Boschlust, waar prachtige appelboomen stonden. Nergens, in heel Rhanden en omgeving, vond je er zulke. Ze liepen 't openstaande hek door. Er was geen tuinman te bekennen. Toen maar verder. Misschien was er wel een vijver met lekker frisch water, maakten ze zichzelven wijs. Doch in plaats van bij den vijver, dien ze zochten, belandden ze in den boomgaard, dien ze niet gezocht hadden. Theo keek eens omhoog, mat den afstand, die hem van een paar heerlijke appelen scheidde. Ze praatten er niet veel over, maar in een minimum van tijd stond Koos op Theo's schouders en de appels verdwenen... tot ze opeens den tuinman zagen. Zij àf, door den tuinman gevolgd. Maar... op den Boschweg liepen ze Sterkhouwer in de armen, die juist buitendienst had.
't Gaf een bekeuring natuurlijk, en van Sterkhouwers kant een beklagen van ouders, die zulke "apen van jongens" hadden. Of het er voor allebei had opgezeten! 't Liep bij "meneer" op "'t bero" met een geweldig standje af, maar thuis kregen ze er meer over te hooren! En toen ze hadden ingezien, dat appels-kapen óók stelen is, ja, toen vonden ze zich, tegenover hun vader, niet zulke helden! Maar tegenover hun kameraden sneden ze héél wat op over Sterkhouwer en "meneer" en "'t bero". Sedert dien probeerden de jongens, vooral hun klassegenooten, zooveel mogelijk uit Sterkhouwers handen te blijven.

Den burgemeester kenden ze allemaal. Zijn middelmatige, stevige lichaamsbouw, zijn pittige oogen, die hij zoo geweldig in zijn hoofd kon laten rollen, en vooral zijn groote snor, gaven hem het voorkomen van een oud-officier. Hij boezemde den jongens respect in, en toch... ze mochten hem zoo graag nog eens nadoen!
Vooral Theo, wiens vader in den gemeenteraad zat, kon dat prachtig. Hij draaide zijn denkbeeldige, geweldige snorren op, liet zijn oogballen enkele malen naar alle ooghoeken rollen, en begon dan, met een geweldig brouwend geluid: "Inderrrdèd, mijne heerrren, het belang van de gemeente vrègt...."
Toch, hoe weinig ze hem persoonlijk ontmoetten, hielden de jongens wel van hem. In ieder geval was hij hun burgemeester, de burgemeester van het oude Rhanden aan den Rijn, en daar was niet zoo gering over te denken. In de waardigheid van zijn gang, in de deftigheid zijner manieren, in het gemaakte van zijn spreken, vertegenwoordigde hij het geslacht van oud-Rhandensche ingezetenen. Want voor den oud-Rhandenaar, was er eigenlijk maar één soort menschen: dàt waar hij toe behoorde. De anderen, nu ja, die mochten er wezen, maar het èchte, dat was het niet!
II. Hoe Jan zijn glorieuzer intocht in Rhanden deed, en wie er in 't huis van Ter Hoek kwam wonen.
't Bleef mooi weer, al weken aaneen. Er was bestendigheid in de lucht, alsof er nooit ander weer zou komen. In de tuinen was het dag aan dag bloemenfeest. Als reusachtige boeketten stonden de vruchtboomen in hun rijken bloei: wit met teer-rose. En 't blad ontplooide zich uit den knop en gaf een wazig lichtgroenen achtergrond aan al dat bloesem-mooi.
't Was prachtig zaai-weer geweest.
In den Enk, aan den Boschkant, in de Weerdes, overal was het druk, één en al beweging. De lijsters hadden het druk in de omgewerkte akkers, en in 't bosch was het één en al getjilp en gefiet en gekwetter, één vogeldrukte van belang....
Zwaar knarsend in de wielen, kwam een door twee logge, sterke paarden getrokken verhuiswagen den Hucht opsukkelen. 't Ging langzaam en met groote bezwaren. De vracht was te zwaar, zelfs voor de reusachtige dieren, die haar trokken. De koetsier schreeuwde en vuurde de dieren aan, zooveel hij kon. Om den wagen liepen een paar verhuisknechts; nu eens hadden ze de paarden bij den teugel, dan weer zetten ze zich tot duwen; bij oogenblikken hadden ze de met ijzer beslagen houten noodig, die, onder de wielen geschoven, het achteruit rijden van den wagen moesten beletten.
't Was nog vroeg, en dus stil langs den weg. Toch werd hier en daar een raam van een der villa's opgeschoven en kwam een nieuwsgierig hoofd naar buiten.
"Zoo gaat het niet", schreeuwde de koetsier, toen ze tot vlak bij het vriendelijk gelegen huisje genaderd waren, waar Jan Arps woonde.

't Lag achter zwaar geboomte verscholen, een eindje van den weg af. Maar Jan had al lang het lawaai gehoord en stond aan het hek.
"We schieten op als slakken", schreeuwde de koetsier weer.
"'t Is te zwaar voor die beesten", zei Jan, die 't hekje uitkwam. "Ze boomen het niet."
"'k Geloof het ook", pruttelde de koetsier, die van den bok afklom, en zijn beesten, die stonden te hijgen van inspanning, op den nek klopte.
"Ze kunnen niet meer. Ze zijn haast buiten adem. 't Is ook zoo'n steile hoogte hier!"
"Reinders rijdt altijd met drie paarden zijn verhuiswagens tegen den berg op", zei ongevraagd Jan, "en zóó'n kar, daar zet hij wel eens vier voor. Die zijn zoon Driekus moet je zien mennen! Die kan het!"
"Kunnen we hier wat water krijgen voor de beesten? Want dat zie je ook nergens."
"Best hoor, ik zal 't wel halen", en in een ommezien kwam Jan aandragen met een emmer water.
De dieren dronken, of hun dorst nooit gelescht zou worden, en een tweede emmer water was noodig.

Onderwijl overlegde de voerman met zijn kameraads, wat ze doen zouden.
"Zoo gaat het niet, zóó beul ik m'n jongens te veel af, en daar dank ik voor", zei de voerman, en weer klopte hij de dieren goedig tegen den vleezigen nek. Ze kwamen wat tot rust, maar stonden toch nog te rillen op hun pooten.
"Weet je wat, ga jij vragen of die Reinders ons met een span paarden wil komen helpen", richtte hij zich tot een van de knechts.
"Waar woont die, weet jij dat ook?" vroeg deze aan Jan.
"O, aan den dijk. Je loopt dezen weg maar op, recht door Rhanden heen, en dan nog een minuut of vijf; dan sla je een dwarsweg in, en dan zie je het wel: hun huis staat vlak tegen den dijk aan. Maar wacht, ik zal mijn boterham opeten, dan kom ik je na op de fiets en zal het je wijzen."
"Asjeblieft, want van je recht door en links af snap ik niet veel", pruttelde de knecht, die in de wandeling blijkbaar weinig zin had.
Jan ging naar binnen.
"Moeder, mag ik alvast wat eten? Dan fiets ik die lui even achterop, om ze te wijzen waar Reinders woont, want zóó komen ze niet tegen den berg op."
"Kom je voor schooltijd nog terug?"
"Natuurlijk, Moe, 't is nog vroeg."
Jan kreeg verlof, en een kwartier later fietste hij den Bergweg af.

Hij reed, zoo snel hij kon, en onderhaalde den knecht nog vóór in de Hoofdstraat.
Zoodra hij den man zag, remde hij, natuurlijk met zijn voet op 't voorwiel, en sprong van de fiets.
"Oók een gat hier!" Met die vriendelijke begroeting werd hij ontvangen. Net wat voor Jan! Van ouder tot ouder was hij Rhandenaar, en dan zoo iets te moeten hooren van zoo'n kerel!
"Waarom kom je dan hier, als je 't zoo'n gat vindt", beet hij nijdig terug.
"Nou jô, 'n mensch moet wat doen voor zijn broodje", zuchtte de ander. "Voor je pleizier hoef je den ganschen nacht niet op zoo'n wagen te liggen."
Ja, dat was waar, dat verzachtte, vond Jan, en hij gaf zijn plan op, om, uit wraak over de minachting, aan Rhanden betoond, den knecht niet verder te helpen. Bovendien vond hij het wel interessant; 't was een avontuurtje, waarover hij tegen zijn kameraads kon opsnijden.
"Moet je nog verder?" vroeg hij, naast de fiets voort stappend.
"'k Weet het niet, we moeten in de Hoofdstraat zijn, in 'n grooten ijzerwinkel."
"O, bij ter Hoek? Dien zijn we al voorbij. 'k Zal hem strakjes aanwijzen. Hier zijn we aan den zijweg."
Ze sloegen een pad in met diep ingezakte karsporen, en kwamen bij Reinders, die, na eenig onderhandelen, bereid bleek de gevraagde hulp te verleenen.
"Driekus", riep hij zijn zoon toe, een reus van 'n kerel.
"Ja, vader, hier!"
"Ga eres met een span paarden naar den Berg!"
"Goed, vader. Is 't weer zoo?"
"Ja, 't is zoo."
De laatste woorden werden met al het zelf-bewustzijn van den oud-Rhandenaar uitgesproken. En Jan vond het best, dat die knecht, die zoo'n slechten dunk had van Rhanden, ze lekker te hooren kreeg.

"Nou Driekus er bij is, ga ik maar terug. Mag ik straks meerijden?"
"Voor mijn part, ja, hoor!"
Jan sprong op de kar, en peddelde, nu bergop, naar huis. De koetsier zat met den anderen knecht aan den berm te eten. Juffrouw Arps had ze een kop thee gebracht, die ze graag hadden aangenomen.
"Ze komen, hoor!" riep Jan hun al tegen. "En ik mag meerijden, heeft hij gezegd."
"Meerijden? Dat zal moeilijk gaan. Waar moet je zitten?"
"Voor mijn part in den wagen", antwoordde Jan. "Of er boven op. Maar hij heeft het beloofd."
"Dan zullen we zien, wat we doen."
Jan verdween, om zijn ontbijt voort te zetten. Hij vertelde, dat 't voor den winkel van Ter Hoek was, en haastte zich, toen hij Driekus' harde stem hoorde, weer naar buiten. Driekus had zijn tweetal al aangespannen. Hij wilde beslist op den bok, en na wat tegenstribbelen van den voerman kreeg Driekus zijn zin. De koetsier nam naast hem plaats, en Jan kon achter op het trapje staan en zich vasthouden aan de handvatten van de deur. Dat gaf 't voordeel, dat hij er eens af kon springen, kijken hoe het ging, om dan zijn plaatsje weer in te nemen.
Nu ging het best. Nu knarsten de kettingen, en bleven strak-gespannen staan. Zonder hapering, gelijkmatig, kwam de wagen tegen den berg op, en al heel gauw hadden ze 't hoogste punt van den weg bereikt. Daar hielden ze stil, want Driekus wilde zijn paarden afspannen. De koetsier kon het nu verder zelf wel, maar Driekus waarschuwde hem, eerst de remmen op te zetten.
Voor Jan was er daardoor een plaatsje op den bok vrijgekomen. Hij klom er op; maar 't viel niet mee, want de zitting was niet breed, zijn beenen waren wat kort, en, ondanks alle remmen schoof de kar aardig snel den berg af, ratelend en schommelend.
"Nog sterker remmen! Anders hou je 'm niet", schreeuwde Driekus den koetsier toe.
Deze draaide aan, met uiterste krachtsinspanning tot... knap... de veer op één der remmen het opgaf en afbrak. Nu was de vaart niet te stuiten, en schommelend reed het logge gevaarte in snelle vaart over den steil-hellenden weg.
't Ging Jan nu wel wat erg hard. Hij klemde zich krampachtig vast aan één der ijzers terzijde van den bok, en keek vol angst naar de paarden. Als er nu een viel, of ze werden wat dampig, dan gingen de voerman en hij kopje-over van den bok.
Maar de koetsier hield de teugels. Geen oogenblik aarzelde hij; ze blèven buiten de tramrails, en de paarden blèven kalm.
Bovendien had Driekus zijn eigen paarden aan één van de knechts overgegeven, en stond hij zelf op een der opstappen, om bij een mogelijk ongeluk bij de hand te zijn. Dat hij zèlf daarbij gevaar liep, daaraan dacht hij niet. Hij zou zich als oud-Rhandenaar geschaamd hebben, indien hij niet geholpen had, waar hij meende, dat hulp noodig was.
Zoo deed Jan dien morgen zijn glorieuzen intocht binnen Rhanden, en trok hij van zijn verheven zitplaats de aandacht van zijn kameraden; vooral, toen na een laatste bocht in den weg, de wagen, door den koetsier weer geheel in bedwang gehouden, stopte voor den winkel van Ter Hoek.
Dadelijk was hij omgeven door tal van schooljongens, die den opstap probeerden op het nog steeds omlaag-geslagen achtertrapje. Jan klom er af, en hij was niet weinig gestreeld, toen de voerman hem toeriep: "Dank je wel, maat! Jij hebt je goed gehouden op den bok!"
"Is 't anders niet?" antwoordde Jan, schijnbaar onverschillig, maar toch zóó luid; dat de jongens het hoorden.
"Wat was er?" "Hoe kwam jij d'r bij?" "Wie komt er wonen?"
Neen maar, óók dom van hem! Dat had hij heelemaal vergeten te vragen. Maar om twaalf uur kwam hij het wel te weten. Vast! Hij ontweek daarom het antwoord op die laatste vraag, en vertelde daartoe breedvoerig zijn ervaringen van dien morgen, en het gevaar van den rit berg-af.
Met open mond luisterden de jongens, vooral toen Koos Venema bevestigde, dat de kar zoo snel reed.
"'k Kon hem haast niet voorbijkomen met de fiets", zeide hij.
De intocht van Jan werd er te meer glorieus om, en het speet hem niets, dat hij den voerman zijn diensten had aangeboden.
Maar nu nog de eerste zijn, die wist, wie er kwam te wonen!
Om twaalf uur, zoodra de school uit was, haastte hij zich naar de Hoofdstraat. De meubelwagen stond er nog, en al gauw ontdekte hij den koetsier.
"Zoo, baas, schiet je op?"
De koetsier keek op.
"Zoo, kameraad, jij alweer present? D'r is nou niks voor je te verdienen hoor, of je moet een sjouwtje willen aannemen! We kunnen er nog best een paar man bij opzetten, vooral als ze zoo vief zijn als jij!"
"Bah! Wat stuift het", zei Theo ineens. Hij was Jan gevolgd, en knipoogde tegen hem.
"Jij wordt er ook eventjes tusschengenomen, zeg! Of hij kent je nog niet."
"'k Zou dien jongen niet kennen! Vanmorgen heeft hij al voor m'n paarden gezorgd en naast me op den bok gezeten, toen m'n beesten haast op hol sloegen. Nou jij, maat!"
Theo's oogen draaiden guitig achter zijn bril heen en weer.
"Waar kom jullie vandaan, zeg?" vroeg hij.
Leukweg antwoordde de koetsier: "Wel, den berg af."
"Nou ja, dat weet ik. Maar eerst?"
"Ja, als ik je dat moet gaan vertellen, heb ik nog wel een dag werk", antwoordde de koetsier, die schik had in Theo's gezellig gezicht.
Jan was intusschen bij de knechts gaan staan, die achter in den meubelwagen hun boterham zaten te eten.
"'t Ging fijn, hè, vanmorgen?"
"Wat je fijn noemt", antwoordde de een, met wien Jan er op uit was geweest.
"Nou, ik dacht, dat ik door mekaar rammelde. Is er niets gebroken?"

De veronderstelling alléén, dat er iets gebroken zou wezen, was de eer der verhuizers te na.
"Als jij den boel had ingepakt, of andere Rhandenaars, dan zou het mogelijk wezen. Maar wij doen het vanzelf goed!"
"Nou, maar je moet onzen Reinders anders ook niet weggooien! Die verhuist naar alle oorden van de wereld!"
"Wij dan!" pochte den ander. "Voor een paar jaar hebben we den keizer van Japan verhuisd. Als ik er nog aan denk, wat een werk dat was! Met al dat Japansche porcelein, weet je? Zoo dun als water alles; je kon er doorheen kijken, en toch geen kopje gebroken!"
Dat werd Jan te machtig.
"En in welke stad woonde die keizer van Japan?" vroeg hij parmantig.
"In Amsterdam", was het nuchtere antwoord.
"Als je nog eens wat weet, zeg! In Amsterdam!" schaterde Jan het uit.
"Dat komt, omdat jij d'r niks van weet. Hier, in zoo'n gat, weet natuurlijk niemand iets van dien grooten Amsterdamschen porceleinwinkel", en meewarig schouderophalend draaide de verhuizer zich om.
Dat was de tweede al, die met zoo'n geringschatting over Rhanden sprak. Wat verbeeldden die lui uit de groote stad zich wel? Jan werd weer nijdig.
"'k Begrijp niet, wat jullie in zoo'n gat komen doen!"
"Ik bèst. 'n Ander hier brengen en zelf zoo gauw mogelijk weer weggaan", plaagde de knecht, die schik had in Jan. En vergoelijkende voegde hij er aan toe: "Maar 't is mooi hier, ècht mooi; veel mooier dan bij ons in stad."
Dat stelde Jan tevreden.
"Waar kom jullie eigenlijk vandaan?"
"Uit Haarlem."
"Zoo ver? Anders gaan de wagens toch per spoor?"
"D'r was zeker geen ruimte voor dezen."
"Komen de menschen gauw?"
"Die zijn gisteren al gekomen."
"Zijn ze aardig?" Nu wilde Jan alles weten.
"Vraag dat maar in Haarlem; wéét ik niet."
Zooveel wist Jan dus nu. Nu nog meer te weten zien te komen.
"Hoe heeten die menschen ook al weer?" zette hij zijn onderzoek voort.
"Poorters, geloof ik."
"Zijn d'r jongens?"
"'n Stuk of dertien, denk ik."
Nu hield de knecht hem weer voor den gek.
"Heb je nog meer te vragen? Anders ga 'k een half uurtje slapen", zei hij, keerde Jan den rug toe, kroop in den openstaanden wagen, en legde zich op de pakkleeden neer.
Jan wist genoeg. Hij stoof op Theo af, en vertelde dadelijk al wat hij wist, tot van die "stuk of dertien jongens" incluis. 't Was wel wat moeilijk te gelooven, maar 'n pààr jongens zouden er licht wezen en misschien was er wel een bij voor hun klas. Met dat nieuwtje haastten ze zich naar huis.
De middag bracht hun de oplossing van al wat ze zoo graag weten wilden. Meneer vertelde, dat er een nieuwe jongen en een nieuw meisje in hun klas zouden komen.
"En ik weet van wie!" Jan kwam er triomfantelijk mee voor den dag.
"Ik ook", zei Koos Venema, heel gewoontjes, "natuurlijk van Poorters, die in de zaak van Ter Hoek komt."
Jan keek sip. Nu zei Koos 't nog eer dan hij, en hij had Koos niet eens bij den wagen gezien...
"Is 't een aardige jongen, meneer?"
"Dat zullen we moeten ondervinden."
"En 't meisje?" vroeg Bets Craats.
"O, die zijn immers altijd aardig?" plaagde meneer.


"Je zult het gauw genoeg ondervinden, want Maandag komen ze. 'k Hoop, dat jullie gauw vriendschap zult sluiten."
Zoo was die nieuwsgierigheid gedeeltelijk bevredigd, maar werd het geduld langer op de proef gesteld, langer, dan hun belangstelling het uithield. 't Nieuwe was er al bijna af, toen de nieuwelingen op school kwamen; ze werden met zekere terughouding ontvangen.
Maar de meisjes 't eerst openden haar kringetje voor Nel, het tengere popje met levendige oogen en gitzwart haar, een gezellig praatstertje, dat zich heel spoedig in haar nieuwe omgeving thuis gevoelde.
Vanzelf volgden de jongens toen met Cor, een robuste, bazige jongen, zoo op 't eerste gezicht te oordeelen. En op 't eerste gevoel ook, want al heel gauw had Theo ervaren, hoe hard Cor's "knuisten" waren. Op zijn gewone manier probeerde Theo, Cor er tusschen te nemen. Maar Cor liet er zich niet tusschen nemen; hij scheen wat beweeglijk in zijn vuisten te zijn, althans ze trommelden onverwacht snel op Theo's rug en... dat beviel hem blijkbaar nog niet eens half; maar Cor had zich zijn plaats bevochten in den kameradenkring, en vóór de eerste schoolweek nog heelemaal òm was, wisten de jongens goed, wat ze aan elkaar hadden.
III. Cor leert Rhanden en wij leeren Cor kennen.
Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.
Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan, voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.
"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"
"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.
Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.
"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig diertje, en dan zoo valsch doen!"

"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er niet van!"
"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te plagen, hoor!"
Nel ging op den man af, en vroeg:
"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"
"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."
Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke snuitje tastend.
"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze 'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en loopen ze de vrouw na as keinders."
Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk. Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar. Hij zou zich daarom bedwingen.
"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook zoo'n varkentje mogen."
"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."
"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan. Ik vraag het aan Vader!"
"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien, hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"
Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede plooien over rug en schouders afhing.

Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de geheele week inkoopen gedaan.
Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht worden, liep ze ineens op haar vader toe.
"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"
"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even wachten?"
De boeren hadden er schik van.
"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt niet."
"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld. Vader zou dat niet weigeren.
"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan ziede-ge het wel!"
"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo graag eens een boerderij bekijken.
"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."
"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze, en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog wel tot een volgende week kon wachten.
Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze meer tevreden gesteld dan op schik waren.
Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor hem!
Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.

Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal, dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog weleens terug te komen... in den vruchtentijd!
"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten marktdag aan tafel zaten, "wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig' beestje hebben?"
"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet! Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."
Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij, of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn hoede wilde nemen.
Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen, die ook in de zaken werden genoten.
Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog altijd werd genoemd.
En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis, vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".
Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat het verboden wàs.
Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan, Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de wandelaars te voet.
De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden. De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.
Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op; hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem groote lichtplekken tooverde.
Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen aan.
"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier, telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."
"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"
"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."
"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"
"Had je die?"
"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn grooten broer. Een fijn beestje!"
Cor begon te hijgen.
Van terzijde keek Theo hem aan.
"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"
"Niet noodig, hoor."
Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.
"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te trappen", drong Theo nog eens.
Maar Cor wilde er niet van hooren.
"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.
Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.
"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't hoogste punt."
Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter. Hij zou wel volgen, meende Theo.
"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."

Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.
"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets, legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.
"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"

"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"
"We moeten toch op hem wachten."
"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen bijhouden aan was."
Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken, zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte, aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de lichte streep van den dijk.
Koos keek, en hij was er haast niet bij.
Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging in was te bespeuren.
"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.
Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat kon geen kwaad.
"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.
"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen geweest..." zei Koos.
"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.
"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken alleen!"
"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem leefde..." Jan Arps stond op.
"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"
"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."
Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer Van Waalwijk deden evenzoo.
Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.
Plots schoot Cor achter een boom vandaan.
"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"
"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.
"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel niet."
"Heb je 'm al opgepompt?"
"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb jullie d'r een voor me?"
Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich. 't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.
"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.
"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu lekker uitgerust ook!"
Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de band weer hard.
Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.
Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast hem gekomen en hield hem aan de praat.
Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone inspanning, op de hoogte aan.
"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.
De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen uitroepen:
"Wat is het hier mooi!"
Doch onmiddellijk volgde er op:
"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"
De jongens schoten in den lach.
"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders wezen?"
"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een rechte streep? En hier is het één en al bocht!"
Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer. Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed opgemerkt hadden.
Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die bochten aan te geven.
"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor. En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een groote boot!"

't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.
Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile helling, waar beneden een weg liep.
"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.
"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is verbazend moeilijk dalen."
Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan, en ze begrepen mekaar.
"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.
"Vijftig meter boven de rivier zoowat."
"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"
Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de struiken.
De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.
"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een oogenblik waren ze alle vier verdwenen.
Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...
Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe stekels in 't lijf prikten.
Ze kwamen beneden, verhit en wel.
't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling opklimmen.
"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.
Dat vond bijval.
Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan, voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.
Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat 't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden, en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen nemen, en zetten kalm hun tocht voort.
Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam hij aanzetten.
"Hoera! Nummer één!" riep hij al.
Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij meneer Van Waalwijk zat.

Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de hoogere takken wegbuigend.
Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was, vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.
"Je lijkt wel een moriaan! Hoe zie jij d'r zoo uit?"
Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei hij:
"Wat gezien, jô, voor jou!"
"Wat dan?"
"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.
"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze weer in d'r nest. Maar van jou had ik dat niet gedacht, dat kan ik je wèl zeggen!"
Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.
"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.
Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.
Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:
"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."
"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."
't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.
Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het achterblijven te zijn.
"Hallo! hallo!" schetterde Theo.
"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.
Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar weer op te zoeken.
"Waar zit je?" riep hij.
"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze 't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo voorop, de anderen vlak achter hem aan.
"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet, van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten, toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot, hoe harder hij er aan trok.

Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit zijn ongemakkelijke houding verlost.
't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat ze terug kwamen.
Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken, broek en kousen waren grijs van de stof.
Theo nam hem bij den arm.
"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met een meewarig gezicht.
Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.
Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk vaartje reed.
"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.

"Welke das? Wat voor das?"...
Cor wist er natuurlijk niets van.
"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood. Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild had."
"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.
"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem morgen wijzen."
Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.
De hei!
Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen; hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen, naar eenzame ontginningen leidden.
Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien, hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.
Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te luisteren.
"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er een zweem van angst in zijn stem klonk.
"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.
Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...

"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu plotseling in de reden.
"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"
De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij het nog wel.
"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder iemand bij u?" vroeg hij.
Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem: "Dan — ga — ik — mee!"
"Als de spoken jou zien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg hij nu van Koos te hooren.
Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.
"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet, dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."
Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen — de geleerden spreken van den ijstijd — uit het hooge Noorden was komen afdalen. Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in volmaakte rust midden op de hei.
Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp: hij zag verder en juister dan iemand.
Hij wist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven. Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat bijenkorven.
Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen, als het wat gauw ging.
Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat bijzonders zou te zien krijgen.
Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom op zijn hoofd te krijgen.
Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit te gaan.
IV. Cor krijgt vechtneigingen en loopt gevaar de oud-Rhandenaars tegen zich in 't harnas te jagen.
"Wat saaie kerels zijn jullie toch! Echte Rhandenaars! Je durft niets!"

Theo keek, door zijn brilleglazen heen, Cor aan, die op het plein voor de school aan het "opsnijden" was.
Hij was er nu al een poosje, en 't beviel er hem eigenlijk maar half. Ja, meneer Van Waalwijk was een aardige man. Met genoegen dacht Cor aan den heerlijken tocht terug van Woensdagmiddag.
Maar er was toch iets, dat hem niet voldeed. Hij gevoelde, dat hij door zijn druk- en dwaasheden zich van een minder gunstigen kant had laten zien. Hij moest zelf erkennen: Theo, Jan, Koos, konden best meedoen, maar toch waren ze zoo heel anders dan hij. Bij al hun schikmaken zorgden ze er voor, het niet al te bont te maken, en hun werk was meestal in orde.
En Cor? Ja, wat was er van hem te zeggen? Hij voelde zich in kennis bij de andere jongens achterstaan.
Hij wist, dat hij meneer Van Waalwijk door zijn druk-doen niet van de wijs kon brengen. Hij twijfelde er niet aan, dat meneer hem doorzag. En dat maakte, dat hij wat verlegen was met zijn eigen figuur, en nu lust gevoelde, om weer eens op voor hem ouderwetsche manier "pan te schoppen". Hij wou wat anders dan wat hij de "braafheid" van de jongens noemde.
Vandaar zijn vriendelijke uitroep tegen de jongens.
Theo raapte die vriendelijkheid op. Er was een ondeugende flikkering in zijn oogen, en om zijn mond lag een trek van "Wat wil je?"
Spottend zei hij:
"Wat je zegt, jô! Weet je dat van je zelven of heeft een ander het je wijs gemaakt?"
"Dat hoeft niemand me wijs te maken."
Met een plechtig gezicht keerde Theo zich nu naar de anderen, en, op Cor wijzend, plaagde hij:
"Inderdèd, mijne heeren, het grootste wonder van Rhanden: Cor Poorters, pas ingevoerd uit Hèr em, weet iets van zelf, zonder hulp!"
Een schaterlach klonk op, en Cor stond er nijdig bij, een oogenblik uit 't veld, geslagen. Hij had er niet zoo dadelijk van terug.
Maar die lach prikkelde hem. Zou hij zich door die Rhandensche knullen op den kop laten zitten? Dat nooit. En woedend, bitste hij Theo toe:
"Ik kan wel meer ook! Zonder hulp jou op je kop geven!"
En eer Theo er op verdacht was, stormde Cor woedend op hem los; één flinke stoot, en Theo raakte van de beenen op den grond. Cor zat bovenop hem, de vuist omhoog, om Theo's hoofd te gaan bewerken. Deze, door den plotselinger aanval 'n oogenblik verbluft, spartelde doelloos tegen.

"Genàde zul je roepen", schreeuwde Cor, hijgend van woede, hem toe.
De andere jongens stonden er in een kring om heen. Graag hadden ze Theo geholpen, maar 't mocht niet. 't Moest eerlijk spel blijven.
Theo zweeg.
"Genàde zeg ik je!" brulde Cor nu. Hij wond zich hoe langer hoe meer op.
"Die wil jij wel geven", zuchtte Theo benauwd. Hij kwam weer tot zich zelven.
Met een hoeraatje werden die woorden door de jongens ontvangen.
"Niet doen, hoor!" "Hou je taai!" "Geef hem terug!", schreeuwden ze Theo toe.
Nu werd Cor nog nijdiger. Hij wist nu, dat al de jongens tegen hem partij trokken. En, zonder nadenken, alleen zijn woede volgend, hief hij zijn voet op, om Theo een trap in den rug te geven.
"Laat staan", schreeuwde Jan Arps plotseling. Hij stoof uit den kring naar voren, en stond tegenover de vechtersbazen.
"Dàt is geen eerlijk vechten, een jongen in zijn rug te schoppen! Dat is geméén beulswerk, en als je dat waagt, krijg je met mij te doen!"
"En met mij!" "Met mij ook!"
Al de jongens tegen hem.... Cor ontstelde er even van... 't Was wèl gemeen van hem... Maar die Theo...
Hij liet zijn been zakken. Theo had van 't oogenblik gebruik gemaakt. Met een plotselingen ruk onttrok hij zich aan Cor's greep, en wierp hem van zich af. Nu raakte Cor van de been, en Theo stond gereed de rollen geheel te verwisselen, en Cor er onder te krijgen, toen plotseling het luide gejoel en geschreeuw der zich steeds meer opwindende toekijkers gedempt werd en verstomde.
Meneer Van Waalwijk kwam aangefietst. Hij bemerkte, dat er wat gaande was, sprong van de fiets, en zag Theo, met verhit gelaat en verfonfaaide kleeding, staan tegenover Cor, die van de gelegenheid gebruik had gemaakt om weer op te komen. Ze waren beide in hun wiek geschoten, maar wilden het geen van tweeën weten. Met gebalde vuist stond Cor tegenover Theo.

Meneer Van Waalwijk drong door den kring heen. "Goe-morgen jongens! 'n Deuntje gevochten? Goed klop gegeven? Dan zul je wel moe wezen. Toe, ga even met me mee. Dan kun je wat uitrusten. En je opknappen ook. Want je ziet er uit, alsof je een halven dag in het droge vuil hebt gewerkt!"
"Zijn schuld!" siste Cor nijdig, en hij wees naar Jan Arps. "Die kan niet eerlijk laten vechten!"
"Eerlijk vechten", kwam het, verontwaardigd, minachtend uit Jan's mond, "eerlijk vechten, dat kun jij niet. Jij wil 'n jongen, die ligt, in den rug trappen. En dat is gemeen, zeg ik je!"
"Nou, en Theo zegt, dat ik niet durf, en ik láát me niet door een Rhandensche jongen op den kop zitten. Nooit!" foeterde Cor, vastbesloten.
"Zooveel te beter dus, dat ik juist kwam", kalmeerde meneer Van Waalwijk. "Ik bèn geen Rhandenaar, en daarom kunnen jullie allebei met mij meegaan om uit te rusten."
Theo verdween al naar binnen. Cor scheen nog geen zin te hebben. Zou hij?... Hij keek op... Overal vijandige blikken bij de jongens, die hij in hun zich-Rhandenaar-voelen diep beleedigd had... een strakke wil op meneer's gezicht... daar ontkwam hij niet aan... hij zag het wel... Even nog was er de begeerte, niet te gehoorzamen... maar verslagen voelde hij zich tòch al en dus,... meer schuivend dan loopend, uiterlijk onwillig, ging ook hij naar binnen.
Meneer was doorgeloopen. Die twijfelde er niet aan, of Cor zou wel komen.
"Ga jullie wat rekenen", gebood hij koeltjes, toen beiden zaten.
Theo begon; Cor, den elleboog onder het hoofd, zat woedend voor zich uit te kijken.
Meneer keek rustig naar hem, en Cor merkte het. 't Kon hèm wat schelen! Hij verwachtte, dat meneer tegen hem zou uitbarsten. Dat zou hij eigenlijk 't liefst gehad hebben.
Daar kwam meneer naar Cor toe.
"Geen zin, kameraad?"
Geen antwoord. Schuw, een beetje valsch-loensch onderuit, gluurde Cor, of Theo ook keek.

Meneer zag het.
"Theo, ga jij even de gang in."
Theo ging, en meneer zei nu zachtjes tegen Cor, terwijl hij hem de hand op den schouder legde:
"Zie zoo, Cor, nu is het gemakkelijker voor je om te gehoorzamen?"
Dat had Cor niet verwacht. Bijna verschrikt keek hij op. In Haarlem was hij het anders gewend geweest, als hij zoo'n weerspannig-brutale bui had en "opspeelde", zooals hij het zelf noemde.
Bijna zonder nadenken greep hij zijn boeltje en probeerde aan het werk te gaan.
Nu werd ook Theo weer binnengeroepen.
"Wat had jullie eigenlijk?"
Theo vertelde, zonder omwegen en Cor bevestigde, dat het zoo was. Ze moesten meneer toestemmen, dat de aanleiding toch niet zooveel te beteekenen had.
"Maak het nu zonder vechten weer in orde, anders heb je voor je zelf toch geen rust", drong meneer aan. Maar dat lukte nog niet zoo gauw, daartoe moesten beide jongens, en vooral Cor, zich te sterk overwinnen. Maar meneer's houding had betere gevoelens in ze wakker geroepen; ze schaamden zich voor hem, en in hun hart voelden ze, dat ze zóó den wil des Heeren niet deden.
Meneer verwachtte, dat het wel doodbloeden zou, en daarom bemoeide hij er zich niet verder mee.
Toch bleef er dien middag een geprikkelde stemming in 't lokaal. Er groeide verzet bij de Rhandensche jongens, verzet tegen dien indringer, die hun de wet wou stellen!
Om vier uur lieten ze hem links liggen, gingen in een clubje hun eigen weg; nu juist drukker en vriendelijker dan gewoonlijk. 't Was om Cor te plagen. Alsof ze hèm noodig hadden! Wat verbeeldde zoo'n aap zich wel! Hij had ze in hun eer als Rhandenaar aangetast, en dàt zouden ze hem inpeperen.
"Cor, ga je mee naar huis?"
Nelly liep op hem toe, toen hij, onvriendelijk en grommig gestemd, doordat àl de jongens zóó partij tegen hem trokken, in zijn eentje naar huis ging. Juist zag hij de anderen den hoek naar de Hoofdstraat inslaan. Fijngevoelig als Nelly was, had ze dàt oogenblik afgewacht.
"'k Zal met meisjes naar huis gaan!" weerde Cor af. Maar hij voelde op 't zelfde oogenblik, dat hij leelijk en onbehoorlijk was tegen Nelly. Vriendelijk liet hij er onmiddellijk op volgen:
"Waarom ben jij niet met de andere meisjes meegegaan?"
"'k Dacht, dat jij het onprettig zou vinden om alleen te loopen. Daarom wachtte ik even."
Nel kende Cor door en door, en ze wist ook, dat hij veel van haar hield, en 't nooit zoo kwaad meende als hij wel voorgaf. Tegenover háár hield hij zijn ruwheid nooit vol.
Cor keek haar aan. Zus had toch een smal gezichtje, vond hij. Ze zag er zoo heel anders uit dan die kinderen hier, zoo smalletjes, zoo weggetrokken-wit soms. Er waren meisjes op school, zóó sterk, dat ze hèm misschien wel aan konden, als het op vechten aankwam. Maar zus...
Nelly liep rustig naast hem mee. Hij moest haar tasch maar voor haar dragen.

"Geef je tasch maar hier!" 't Was eigenlijk alleen een inleiding, want hij vervolgde dadelijk: "Hoe vond jij het vanmiddag, zeg? Valsch van Jan Arps, hè?"...
Hij wachtte op zus' antwoord. Zou ze hem óók afvallen? Maar dàn zou ze hem zeker niet opgewacht hebben.
"'k Weet het niet; 'k heb er niets van gezien. Maar de jongens waren allemaal vreeselijk kwaad, geloof ik."
"Nou ja, ze trekken partij voor mekaar."
Nelly keek hem vriendelijk aan.
"Waarom vecht jij ook altijd, Cor?"
"Nou, en ik ben toch geen meisje? Daar ben je toch jongen voor, om je niet op je kop te laten zitten?"
Daar kon Nelly niet tegen op. Die logica ging haar te hoog.
"Toch is 't jammer", zei ze, "want ze zouden allemaal 't land aan je krijgen."
Cor voelde, dat 't waar was, dat Nel gelijk had, en meneer Van Waalwijk had gelijk, en alle menschen hadden gelijk. Zijn eigen, woelig, onrustig hart had ongelijk. En toch... op oogenblikken als nu voelde hij dat diep, en wou hij wel anders worden, en klom er wel een stil gebed op in zijn hart. Maar hij wou er niets van laten merken. Groothouden je zelf, ook als 't in je schreide, om je zonde, die maakte dat je jezelf zoo ellendig alléén ging voelen!
Zwijgend kwamen ze thuis. De norsche trek op Cor's gezicht was nog niet verdwenen. 't Was binnen in hem niet tot rust gekomen. Landerig liep hij, zonder als gewoonlijk luidruchtig een "Dag Moe! Dag allemaal" de kamer in te roepen, den gang in, en liep nu regelrecht door naar het pakhuis.

Daar was hij graag. Er viel altijd wat te doen, en... lui was hij heelemaal niet. Hij mocht al niet veel van zijn schoolwerk houden, omdat hij het zoo saai vond, en schrijven, en lezen... Wat had je er aan? dacht hij. Maar in het pakhuis voelde hij zich thuis, en als er wat zwaars te tillen was, of pas aangekomen goed uit te pakken, en op te bergen, dan was hij onvermoeid. De pakhuisknechts mochten hem graag, om zijn scherts, om zijn werklust, ook wel om zijn vermakelijke manier van opspelen over alles en nog wat. Want zij hadden al lang gemerkt, dat hij het zoo kwaad niet meende.
Ook nu was hij spoedig druk aan den gang. Een partij kachels was aangekomen; die moesten in elkaar gezet worden. Net een werkje naar zijn hand. Met een schroevendraaier gewapend werkte hij, dat het een lust was. Hij had juist een mooien haard-mantel onderhanden, toen thuis de gong voor het middagmaal klonk, en de klank ervan doordrong tot het pakhuis.
"Jullie laten die voor mij staan, hoor je?" vroeg hij, gebiedend, aan de knechts.
"Goed hoor; we zullen er aan denken, als we 't niet vergeten", was het antwoord. Cor hoorde het nauwelijks meer, hij was al weg; wiesch zich vluchtig de handen, en trad de kamer binnen, waar ze al om de tafel zaten.
Hij had zijn booze bui weggewerkt. Hij liep op Moeder aan, kuste haar; raakte Vaders voorhoofd even met de lippen aan, groette de anderen met zijn gewone "Dag allemaal!" en nam zijn plaats naast Nelly in.
Aan tafel informeerde Vader naar hun ervaringen van dien dag. Cor liet gewoonlijk niet meer los dan hij wilde. En nu was hij de vechtpartij kwijt, toen de broertjes 't spel aan den gang brachten.
"D'r is vanmiddag gevochten bij school, en Cor was er ook bij, en hij heeft slaag gekregen ook."
"Niet waar!" stoof Cor, ineens weer nijdig, op. "'k Heb geen slaag gekregen!"
Hij vertelde nu eerlijk, wat er geschied was, en meneer Poorters zei er niet veel op. Alleen suste hij Cor, toen die weer aan 't uitvaren ging over "die Rhandensche knullen".
Maar 's avonds riep hij Cor even bij zich op 't kantoor. Daar keek hij zijn wilden jongen, van wien hij zooveel hield, omdat hij ook het goede onder al die ruwheid en rusteloosheid kende, eens flink in de oogen.
Nu was de ruwe Cor mak als een lam. Hij begreep, dat hij verkeerd gedaan had. Hij begreep ook, dat hij de jongens fel had geprikkeld door zijn optreden; en hij beloofde het in orde te maken en tegen zijn drift te zullen vechten.

"Je weet, Cor, je vader wil je daarbij helpen. Maar je Vader Die in de hemelen is, óók. Als je er Hem om vraagt. 't Is ook een zegen, genade te hebben bij de menschen. Maar dan een andere, dan waar jij van sprak!"
"Ik wil wel, Pa, maar telkens..."
"Jongen, we willen allemaal. Maar we komen er niet zonder strijd. En zulk vechten, vechten tegen je eigen verkeerdheid, je eigen zondigen aard, dat is wat je noodig hebt..."
Cor zou trachten, dièn strijd te strijden.
V. Cor wordt bij de oud-Rhandenaars ingelijfd en verjaagt het spook.
Den volgenden morgen ging hij Theo tegemoet.
Langs den dijk drentelde hij heen en weer, maakte een praatje met een paar knechts van Reinders over de paarden.
"Dat zoo'n stadsjongenheer d'r wat van wist!" verwonderden ze zich. Het bleek hun, dat Cor z'n oogen goed de kost had gegeven. Hij mocht mee naar den stal, waar Trui en Mie stonden, de twee, die Poorters' verhuisboel tegen de hucht hadden opgetrokken. Maar Cor bleef den dijk in 't oog houden, en toen hij Theo zag aankomen, ging hij dien tegemoet.

Alsof er niets gebeurd was, voegde hij zich bij hem. Theo liet nauwelijks eenige verwondering blijken, maar gaf slechts luchtigjes antwoord op Cor's groet. Zoo liepen ze een oogenblik zwijgend naast elkander voort.
"Heb jij je sommen af?" begon Cor, half-verkennend.
Gul antwoordde Theo: "Ja, en jij?"
"Drie van de zes. Niet veel, hé?"
"Neen."
't Gesprek stokte.
"Jan Arps zal ze ook wel af hebben...." begon Cor, nu wat onzeker, opnieuw.
"Dat zal wel", bevestigde Theo koeltjes.
"Die is immers zoo'n reuzenbol in 't sommen maken?"
"Ja, nog al."
Theo's gelaat, wat strak eerst, begon te ontspannen. Er kwam een ondeugende schittering in zijn oogen.
"En hij maakt ze alléén", plaagde hij ineens weer.
"Wat bedoel je? Ik de mijne ook! Als ik wou, kon ik ze ook alle zes afhebben, als ik me liet helpen."
"Nou ja", vergoelijkte Theo schijnbaar, "zie je, jij ook! Jan Arps en ik, wij zijn maar Rhandensche knullen!"
Nu hij er dàt uitgeflapt had, was de zaak, wat hèm betrof, in orde.
"Dat's flauw van je", mopperde Cor, "om me dat nou nog voor de voeten te gooien. Dat was uitgevochten, dacht ik."
"Ik ook." Met zeker gevoel van opluchting zei Theo het. "Dan praten we d'r niet meer over." En 't gesprek ging over een anderen boeg.
Hun samen-aankomen bracht onder de schooljongens eenige verbazing. Maar toen ze zagen, dat die twee het samen eens waren geworden, vonden ze het goed.
Koos informeerde, terwijl hij langs Theo liep: "weer goeie maatjes?"
Theo's ja-knikken gaf hem de vrijheid, de bevestiging van wat de anderen vermoedden, aan hen over te brengen.
Ze vonden het wèl goed... maar... zóó kwam hij er niet af. Jan Arps en Koos Venema vonden het goed, hem ééns en voor altijd bij de Rhandensche jongens in te lijven. Hij moest voor hun rechtbank komen. Ze deelden hem dat, namens de andere schooljongens mede.
"Toch zeker flauwiteit?" vroeg Cor, die het wel een beetje een leuk idee vond. Zoo iets was hem nog nooit overkomen.
"Heelemaal geen flauwiteit", antwoordde Jan. "Je moet op de hei, bij de Steen, beloven dat je voortaan een trouwe Rhandenaar zult zijn, en nooit meer op Rhanden zult schimpen, of er kwaad van zult spreken!"
Dàt was vermakelijk, vond Cor! "Neen maar!"
"Ha ha!" lachte hij, "als 't anders niet is..."
"Maar dat is heelemaal niet min. Denk aan den Ridder, en aan het spook!"
Cor kreeg schik in 't geval.
"Wanneer zal de plechtigheid plaats hebben?" vroeg hij.
"Woensdag, tegen het vallen van den avond", besliste Jan.
"Als ik maar mag van thuis?"
Toch begon Cor het wat griezelig te vinden... en juist daardoor trok het hem aan... het had immers niets te beteekenen... en toch, als je er goed om dacht, was het wel wat eng... je kon eigenlijk nooit goed weten....
Jan maakte er een eind aan:
"Nou, we rekenen er op. 't Zal best mogen, en we komen allemaal ook, niet waar jongens?" Natuurlijk zouden ze allemaal van de partij zijn. De fietsers konden desnoods nog vóór lantaarntijd terug wezen; en de anderen moesten maar zien, hoe ze het thuis klaar speelden. De meesten hadden er geen zwaar hoofd in. Cor vertelde alles thuis, en vader vond het goed, als 't maar niet te laat werd.
Zoo trapten ze dien Woensdag tegen den berg op.
De loopers waren al vroeger op weg gegaan; die zouden ze wel vinden.
Cor vond het vreemd. Hij wou niet bang zijn. Hij lachte er wezenlijk om; maar tóch...
't Was nu zoo anders dan gewoon. Schuinweg gleden late zonnestralen over de boomtoppen. Den berg op was het stil, en rust lag over de vallei. Geen beweging in de roggevelden, waar anders de halmen stonden te ruischen in den avondwind. Alléén wat geritsel, geheimzinnig, hoog in de toppen der berken langs den weg, en een enkel verdwaald geloei, dat uit de uiterwaarden opsteeg.
Ze trapten gestadig, en zeiden niet veel, allen benieuwd, hoe het zou afloopen, allemaal met toch wel iets van angst om het geheimzinnige, waar ze géén van allen, naar ze zeiden, wat om gaven.
Spoedig waren ze den Enk voorbij. Dan gingen ze langs eikenhakhout bezijden den weg, waartusschen een opgeschrikt haasje snel verdween.

En dàn lag de eindeloos wijde heide voor ze, en dicht achter den steen, de donkere achtergrond van een denneboschje. Blauwe nevels stegen op van den bodem, en in 't westen purperden de laatste zonnestralen.
Hier was het bijna angstig stil.
Ze sloegen een smal heipaadje in, waar ze achter elkaar langs den kant konden rijden, en onderscheidden nu spoedig de anderen, die hen met gejuich ontvingen.
Wat deed dat lawaai hier vreemd aan, vond Cor. In de stad kon het door de nauwe straten schallen... hier verstierf het in eindelooze ruimte.
"Zie zoo, we zijn er" zei Jan Arps, en hij legde zijn fiets op de hei. De anderen deden ook zoo, en toen werd de vierschaar gespannen. Allemaal echt-Rhandensche jongens.
Ze gingen wat terzijde de hei op, in de richting van den steen. Stil lag die daar tusschen de bruin-toppige heidestruiken, vaal in den aandonkerenden avond.
"Hoor jij niks, Theo?" vroeg Koos.
't Was of Theo met zijn bril moest luisteren, zulke wonderlijke bewegingen maakte die op zijn neus. 't Leek, of hij de geluiden opsnoof, inplaats dat ze tot zijn ooren doordrongen.
"Neen, ik hoor nog niks, maar 't is wel eng hier, niet dan?"
De anderen vielen bij, en ze meenden het zeker ernstig, want het luidruchtig gepraat werd al minder en minder, hoe meer ze den steen naderden.
"Niet verder gaan", gebood Jan, die zich als leider opwierp en als zoodanig erkend werd. "Jullie maken een halven kring, wijd om den steen, Cor gaat er heen, klimt er op, zwaait driemaal met zijn pet, en roept: "Rhanden bovenal!" Als hij dat doet, nemen we hem als Oud Rhandensche jongen aan, en vechten nooit weer met hem!"
Dat laatste scheen Cor maar half te bevredigen. Hij zette tenminste een gezicht van dat weet-ik-nog-zoo-netjes-niet!
De jongens schaarden zich nu in een wijden halven kring om den steen, tegenover het denneboschje.
Jan en Koos en Theo kwamen met Cor naar voren.
Met een grafstem vroeg Theo: "Zijt gij inderdèd bereid te gaan, Cor Poorten, om den smaad van ons af te wentelen en Rhanden te eeren?"
Cor keek op met een blik van hou-me-nou-niet-voor-den-gek.
"Natuurlijk", riep hij. "Daar gaat hij al!"
Enkele jongens, die het toch wel wat angstig vonden, benijdden hem om zijn durf, want, zei Gert, je kon praten wat je wou, maar heelemaal pluis was het niet.
Daar hoorden ze een angstig gekrijsch. Wat was het? Waar kwam het vandaan? Was er geen beweging in het denneboschje?
"Het uur is rijp!" riep Theo weer met holle stem. "Hoor, de uilen krijschen."
"Ik weet het zoo netjes niet, of het de uilen zijn. 't Kan ook het spook wezen!" plaagde Jan.
"Hou jullie je flauwiteit nou voor je. 't Is natuurlijk van een uil," besliste Koos. En diens woord had gezag, want hij wist veel van vogels.
Cor had het ook gehoord. En hij had huiverend geaarzeld, doch even maar. Met een paar sprongen was hij bij den Steen en toen met een flinken sprong er op. Hij zwaaide met zijn pet. Hij kreeg weer schik in 't geval. "Hoerah! Rhanden bovenal!" "Hoerah!" juichten de jongens terug "Rhanden..."

Ze kwamen niet verder, maar wezen angstig naar iets achter Cor. Deze wendde zich om en bleef 'n oogenblik stokstijf staan.... Wat kwam daar uit het dennenboschje te voorschijn?... Wit, sluipend, met opgeheven hoofd.... Zòu het dan waar wezen?
"'t Spook! 't spook!" schreeuwden een paar van de bangsten, en ze maakten beenen, Cor aarzelde.... een oogenblik. Bliksemsnel schoot hem van alles door zijn hoofd.... een spook.... onmogelijk... 't kon eenvoudig niet.... maar je zag hem toch?... onzin!... dòòrzetten... niet bang zijn..... vooral niet tegenover die flauwe Rhandensche lummels, die bijna allemaal als hazen wegliepen. Snel wuifde hij nog de voorgeschreven twee malen, en sprong toen van den Steen, in de richting van het spook, dat geheimzinnig met den vinger wenkende, bleef staan. Nu moèst en zou Cor er het zijne van hebben.
"Wat moet jij hier ouwe heer?" riep hij, en, al deed hij onverschillig, toch bonkte hem 't hart in de keel.
"Ik zuuk nâo mezelve", luidde het antwoord nagemaakt-dof, en de hand zonk omlaag.
"Jongens, een Rhandensch spook!" schreeuwde Cor nu. Het Rhandensch dialect nabootsend, riep hij: "Hij zuukt nâo z'n zelve!" Hij rende op het spook toe, dat zich omkeerde en struikelde en... zijn lakens achterlatende, maakte dat hij weg kwam!
Theo had met spanning staan kijken.... wie was dat ook weer!.... hij zag het!
"Jongens, 't is Gijs van den Derker! Daar weet Jan meer van! Daarom was die zoo moedig!" De Derker was het buiten waar Jan's vader was en Gijs was de bouwknecht. Nu moesten ze er allemaal het hunne van hebben. Jan maakte, dat hij het laken in handen kreeg. Hij had er schik om, hoe die Gijs beenen maakte!
"Was-tie-fijn?" vroeg hij aan Theo.
"En òf-t-ie!" antwoordde deze. "Maar Cor durft, zeg!"
Met gejuich werd Cor ontvangen. Nu was hij de held. 't Hardst schreeuwden de jongens, die 't eerst waren weggeloopen. Nu was hij voor goed Oud-Rhandenaar, vooral, omdat hij de grap zoo vroolijk opnam.
"Nu is Cor onze kameraad!" schreeuwde Theo, "maar hij mag ons niet op den kop zitten!"
"Wel op den rug?", plaagde Jan terug, die het laken ineengefrommeld onder zijn arm had.
"Geef hier!" Theo nam het laken, wierp het Cor om, en.... "vooruit, jongens, omhoog!"
Daar ging Cor, met het laken omhangen, op hun schouders de hoogte in.
"Brinio tot aanvoerder der Kaninefaten gekozen!" luchtte Theo zijn wijsheid. 't Werd een oogenblik van dolle pret. Lang kon die niet duren.... 't werd steeds donkerder... en luid joelend ging het over de hei, dan weer den berg af. Spoedig verspreidden ze zich in allerlei richtingen.
't Was donker, toen Cor thuis kwam.
"Wel, ben je Rhandenaar gemaakt?" vroeg vader.
"Nou, en ik heb het spook verslagen ook!"
Druk pratende vertelde Cor de geschiedenis. En ze hadden er thuis dolle pret om!
VI. De Rhandensche verkenners komen voor den dag, en Gert zakt door een kist.
't Is heerlijk in 't bosch.
Langs de paden bloeit de heide, en verdwaalde bijen speuren ijverig den honing. In de verte slaat de schrille roep van den specht, en in de takken ritselt het, als de woudduif opvliegt.
Koos en Cor loopen op het smalle paadje, naast den mullen, door diepe karsporen doorploegden, zandweg.
Niets ontgaat Koos. Met groote zekerheid hoort hij, waar het geritsel vandaan komt, en eer Cor ook nog ièts heeft gezien, weet Koos wat er tusschen de takken bewoog, en volgt zijn geoefend oog den vogel. Telkens staan ze stil en wijst Koos in de richting, waarin hij een hem bekenden vogel ziet; Cor tuurt, en tuurt, en nòg eens, en bemerkt nauwelijks iets.
"Nee, dat snap ik niet, hoe jij dat allemaal zien kan, ik begrijp het niet."
Koos vindt het heelemaal niets bijzonders.

"Zie je, ik houd er van om naar die vogels en al die dieren te kijken; je doet het voor je plezier", redeneert hij.
"Je gaat ze op den duur eigenlijk allemaal kennen. 't Is, of ze niet meer zoo bang voor je zijn."
En hij sloeg aan het vertellen:
"Daar had je laatst een meerkol. Die was druk bezig onder een eik. Ik sluip er naar toe, en nou moet je niet denken, dat hij wegvloog! Hij ging parmantig rechtop zitten, zette z'n kraag een beetje nijdig op, en keek naar me, alsof hij wilde zeggen: 'Wat moet jij hier? Je zal mij toch geen kwaad doen?' En toen ging hij kalmpjes door met graven."
"Graven? 'n Vogel? 'n Meerkol? 'k Weet niet eens, hoe die er uitziet." Cor zei het, half onverschillig. Ze waren tusschen de sparren gekomen. Koos schoof met den voet wat dorre naalden op zij, en vond verscheidene kleine sparappels.
"Die heeft de meerkol er in gegraven", zeide hij. "Vroeger waren er hier niet zooveel in 't bosch; maar ieder jaar zie je d'r nu meer. Net als met de meezen."
"Hé ja, je zou me je meezen laten zien."
"Daar komen we straks wel bij", antwoordde Koos ontwijkend. 't Was of hij bang was zijn geheim verraden te zien.
"Maar je mag niemand zeggen, waar de kastjes hangen, hoor!"
Nestkastjes kende Cor, die werden ook in den winkel verkocht en voedertafels ook.
"'k Wou, dat ik ook in zoo'n winkel woonde!"
"Waarom? Wat voor leuks vind je daar nou aan?"
"Jullie hebben zulke mooie dingen. En ik zou vast wat nestkastjes aan m'n vader vragen, om ze op te hangen."
Cor bracht hem op de hoogte, dat ze de dingen in den winkel hadden om te verkoopen; hij zelf kreeg uit den winkel nooit iets. Vader moest het net zoo goed betalen. Maar Koos hàd toch nestkastjes?
Nu kwam er een verhaal van vogellijden. Koos had er met behulp van zijn broertje een gemaakt, en dat in het vroege voorjaar opgehangen. Er waren meezen in gekomen. Die hadden eitjes gelegd en uitgebroed. Maar 't vlieggat was te groot en bovenaan was 't niet precies dicht: bij felle regens was het binnenin vochtig geworden. En er was van het broed weinig terecht gekomen. Hij vertelde hoe hij telkens was gaan kijken, maar eindelijk had hij de jonge, nauwelijks bevederde diertjes buiten het nest gevonden, nat en dood. Hij was weer in den boom geklommen, en had het kastje aan den anderen kant gehangen, meer van den wind af. Een poos was het verlaten geweest, totdat er zich een rood-staartjes-familie in gevestigd had.
Koos liep te vertellen, met z'n heele hart er bij. Cor vond het al lang goed. Wat gaf hij om al die vogels, waarvan hij er niet één kende?

Van een roodborstje had hij wel eens gehoord. Maar roodstaartjes? En meezen? Hij onderbrak zijn eigen gedachtengang.
"Ik heb wel eens een mees in een kooi gehad, maar die is doodgegaan."
"Natuurlijk. Laat jij je eens opsluiten! Doe je ook niet voor je pleizier! Wat heb je aan zoo'n gevangen dier? Niets, niemendal", pleitte Koos met vuur. "'t Beest heeft ellende, mist zijn vrijheid, en....."
"Nou ja, maar waar zijn de vogels anders voor? We verkoopen kooien ook, in den winkel."
Cor kon zich niet begrijpen, waarom Koos zich nu van zulke gewone vogels wat aantrok. Nellie hield ook zooveel van vogels. Maar hijzelf gaf er niets om. Hij zou geen geduld hebben om een kwartier lang op een vogel te spieden. Hij wou er wel wat van weten, maar 't moest niet te lastig zijn en vooral geen lang-stilzitten eischen.
Toch vond hij het bosch heerlijk. 't Was er zoo anders dan in den Hout, waar hij vroeger wel kwam. Hier had je van die echte geheime paadjes; je hoefde niet netjes op den weg te blijven, maar kon overal je een weg zoeken, en maar loopen, loopen, zonder dat je van te voren wist waar je uitkwam; en je liep zoo heerlijk zacht, op die mossige naalden.
Wèl waren de zonplekken mooi, hier en daar op den bodem. En je rook den geur van 't sparren- en dennengroen; eigenlijk moest Nellie hier zijn. Voor die zou het heerlijk wezen. Maar ze kon zoo ver niet meegaan.
Ze was te gauw vermoeid.
Zijn onrustige geest bleef niet lang over dat alles denken.
"'t Is hier ècht om Indiaantje of roovertje te spelen; allerlei schuilhoeken en fijne wegkruipplaatsen zijn er. Jullie gaan hier zeker dikwijls spelen?"
"Soms, maar niet vaak", antwoordde Koos.
"Nou, maar dan vraag ik, of ze voortaan meegaan hier ook eens spelen. Weet je, wat we doen moesten? Een soort club oprichten, zoo iets als van de padvinders. Dat was te Haarlem ook!" stelde Cor voor.
't Viel niet in den smaak bij Koos.
"'k Zou niet weten, wat dààr nou voor aardigs in is."
"Nou, 't is wàt echt, hoor! De jongens hebben allemaal zoo'n pakje aan, en 'n hoed op, en 'n stok, en 'n touw....."
"'t Is al mooi genoeg", meende Koos, "d'r hoeft niet meer bij. En wat doen ze daar alzoo?"
"Ja, dat weet ik niet precies, ze maken marschen, leeren eerste-hulp-bij-ongelukken, en moeten elken dag wat goeds doen."
"Daar hoef je geen padvinder voor te wezen, om iederen dag wat goeds te doen. Dat moet je tòch. Ik voel d'r niet veel voor."
"Nou, jij loopt toch ook graag een heel eind, en dan spoor zoeken, net als de Indianen...."
Ja, dat leek Koos toch wel. Maar je hoefde d'r niet zoo'n omslag bij te maken. Dat kon je gewoon onder mekaar even goed doen!
Of ze het niet eens probeeren zouden? hield Cor aan. Hij wou Koos voor het plannetje winnen; want hij wist het: als die mee deed, zouden er méér mee doen.
Ze waren al pratende, dieper het bosch ingedrongen. Koos had nu nauwelijks oor voor de padvindersverhalen van Cor. Ineens schoot hij uit:

"Daar heb je weer zoo'n leelijken eekhoorn, vlak bij mijn nestkastje! Kijk maar!"
Cor keek, en zag niets.
"Daar tegen dien spar aan! Nou is hij aan den anderen kant. Hij draait om den boom heen! Als er een eekhoornnest in de buurt is, zijn mijn roodstaartjes naar de maan! Want zulke leelijke roodstaarten laten haast geen kleine vogels met rust! Gelukkig is de broedtijd voorbij!"
Cor stelde er slechts weinig belang in.
"Zouden we dien eekhoorn niet kunnen vangen?" vroeg hij. "Als ik eens in den boom klom?"
Koos moest lachen om zoo'n gek voorstel.
"Wel ja, en als je dan op de helft bent, zit de eekhoorn twintig boomen verder! Kijk, daar gaat hij al!"
De eekhoorn had de jongens in de gaten gekregen. Telkens angstig omkijkend, sprong hij van tak op tak en was spoedig geheel uit het gezicht verdwenen.
Nu zag ook Cor het nestkastje.
"O, daar hangt het, en er vliegt een vogeltje in!"
"Ja, dat was nu mijn roodstaartje", zeide Koos, en blij voegde hij er aan toe: "De eekhoorn heeft hem dus niet bang gemaakt en verjaagd."
Toen hij zag, dat alles voor zijn vogel veilig was, gingen zij terug.
Onderweg bracht Cor het nog eens op zijn plan om een club op te richten, en wezenlijk, Koos kreeg er ooren naar! Hij beloofde te zullen meedoen, vooral toen de slimme Cor zich liet ontvallen, dat hij b.v. "De Rhandensche Verkenners" zoo'n mooien naam voor de club vond!
Op den terugweg kwamen ze Jan Arps tegen. Vlug werden hem de plannen meegedeeld. En die vond ze al dadelijk héél echt! Of-t-ie! Nu was het spel volmaakt! Ze lieten er geen gras over groeien; Cor zat er achter heen. Met iederen jongen, dien hij tegenkwam, praatte hij er over. Hij wist ze zóó warm te maken voor zijn plan, dat, nog éér de club eigenlijk was opgericht, alle jongens zich al Rhandensche Verkenners voelden!
Ze zouden saamkomen op den pakhuiszolder van meneer Poorters; deftig noemden ze het een "vergadering". Cor's vader had er in toegestemd, maar Cor moest zelf zorg dragen, dat alles in orde kwam.
't Was een ruime, helder verlichte zolder. Beneden werd het ijzer geborgen; hier stonden tal van kisten en pakken, balen en doozen; eigenlijk was het de rommelzolder.
Cor werd door Jan en Koos geholpen. Ze sjouwden wat leege kisten in een kring; daar konden de jongens op zitten, midden op den zolder. Cor was een tafeltje machtig geworden, en een paar stoelen. Die zouden voor het "Bestuur" zijn, want je moest kunnen zien, dat het 't Bestuur was.
Jan lachte hem hartelijk uit.

"Hoe kàn dat nou, jô? d'r is nog niet eens een club, hóe kan d'r dan een bestuur zijn?"
"Help me die kist nog even verzetten, die staat niet goed."
Jan hielp mee.
"Nu is er nog geen bestuur, maar het moet er natuurlijk komen; dat spreekt vanzelf, en dàn moet er plaats zijn.... Koos, kijk eens naar dat deksel .... stevig genoeg, denk je niet?"
Koos probeerde, drukte eens goed. 't Kraakte wel, maar geen nood, — dat zou wel los loopen.
"Moet er geen vlag bij wezen, jongens? 't Hoort er eigenlijk wel bij!", meende Jan.
Ja, dat was goed bedacht, vonden ze, en Cor vloog de trappen af, en was in een ommezien terug met een paar vlaggen van de broertjes.
Nellie kwam hem achterop; ze wou ook eens op den zolder neuzen.
"'t Ziet er hier fijn uit!" spotte zij.
"Mooi genoeg voor ons", antwoordde Cor en Jan plaagde: "Nel, word jij ook lid van onze club?"
"Dank je wel, hoor! Zeker bij zoo'n stel wildemannen? Ik denk er niet aan!"
"Kan je makkelijk praten... meisjes mogen er niet eens bij!"

"Je ben wèl lief", antwoordde Nel; "dan zal ik nu maar dadelijk weggaan...."
".... en niet meer terugkomen", vulde Cor aan.
Nauwelijks was Nel weg, of stommelend en blazend kwam Theo de trap op.
"Zeg, ben jullie haast klaar? Ze staan allemaal te wachten in de straat."
Alleen zijn hoofd kwam boven 't trapgat uit.
"Zoo kop, waar zijn je pootjes?" riep Jan, die een stuk papier, dat hij juist in een leege kist wou gooien, naar Theo's hoofd wierp.
"Die krijg je terug!" zei Theo, en de prop vloog in de richting van Jan, die achter een stapel kisten wegkroop.