Front matter (continued 3)
Reading edition
Maar wat was dat; daar vlak bij? Wat bewoog er tusschen de heidestruiken? Een fijn, bruin-wit snuitje bewoog haastig; een paar goedige oogen keken rond — uit het hol, dat daar klaarblijkelijk was, kwam een konijntje, voorzichtig te voorschijn.
Dadelijk zat Koos in de houding: onbeweeglijk bleef hij, in de hoop, dat er nu niemand zou aankomen; dat hij rustig dat aardige gedoe kon beschouwen. Het fijnbruine lijfje kwam geheel te voorschijn en 't konijntje zat koddig eigenwijs op zijn achterpooten in 't rond te kijken. Zou hij Koos ontdekken?

't Kopje werd gestrekt — even later kwam nummer twee te voorschijn, en samen zaten ze daar op het open plekje, alsof ze voor de fotograaf poseerden. Die 't eerst gekomen was, sprong weg, de hei op, Koos zag nog telkens zijn licht-bruine ooren tegen de hei uitkomen. En toen hij opkeek, was de andere verdwenen. Nu ging hij naar het hol kijken: veilig verborgen was de ingang door de heistruiken.
Als de jongens dat maar niet zagen! Ze waren in staat om de dieren half dood te jagen, vreesde hij. Gelukkig hadden ze nog niets gezien en hij zou het ze niet zeggen. Hij nam zijn teekening weer op, en begon zonder dat zijn werk hem geheel kon bevredigen.
In de verte, tusschen de boomen, kwam beweging. Telkens zag hij één der jongens te voorschijn komen, en in groote haast weer verdwijnen. Wat zouden die uitvoeren? Hij zou het gauw genoeg weten, want daar kwamen er vier, vijf aanhollen, zoo snel ze konden. Cor voorop, luid schreeuwende: "Pak 'm! Pak 'm! Een konijn!"
O, nu begreep Koos het — de dieren waren zeker het bosch ingegaan, en nu hadden Cor en de anderen ze gezien. Maar hij wou niet meehelpen aan het doodjagen van het arme dier, en hij holde de jongens tegemoet, juist uit de richting van het dier.
"Wat zeg je? Een konijn?" vroeg hij.
"Ja, daar gaat-ie!" schreeuwde Cor.
"Waar?" vroeg Koos nog eens, die het dier werkelijk niet had gezien. Toch werden de jongens een oogenblik door dat gevraag opgehouden. Het konijn kon nu ontsnappen, en daar was het Koos om te doet geweest.
"'k Zie hem niet meer!" riep Koos, en Theo, die vlak achter hem aanholde; liet zich voorover in de hei neervallen. "Hier zoo! Hier zoo!" lawaaide hij, en greep in de struiken, alsof hij het dier maar voor 't pakken had.

De anderen er dadelijk bij, maar ze merkten al heel gauw, dat Theo ze er tusschen nam. Cor greep een been van Theo.
"'k Heb hem bij zijn poot!" schreeuwde hij. En de anderen lurfden er ook op los. Theo moest er aan gelooven. 't Was zijn schuld dat het konijn weg was. Nu zouden ze hèm naar het kamp brengen. En ze zeulden en sjouwden hem het eindje hei over, en die arme Theo liet het zich wèlgevallen.
Toen ze hem bij de tent in het zand lieten vallen, zei hij alleen: "Wat zachter is òòk goed, hoor! Maar dank jullie voor je vrachtje!" en bleef languit liggen. De anderen volgden zijn voorbeeld, en Koos zag niet zonder schrik, en toch ook met verholen pret, dat Cor vlak bij het konijnen-hol ging liggen, waar zeker zoo pas het verschrikte dier zich in geborgen had.
Ze bleven wat liggen stoeien, en Theo vooral moest het telkens kunnen. Koos lieten ze nog al met rust; maar rustig was hij niet, vooral niet, toen hij zag, hoe Cor het hol ontdekte.
"Jongens! een konijnen-hol!" riep hij uit, en onmiddellijk waren de anderen er bij; de koppen bij elkaar gestoken, hurkten ze rondom het gat. Cor voelde er met zijn arm in, maar de gang was te diep.
"Delven dan!" stelde Jan Arps voor, en Cor begon tot groote schrik van Koos, te graven. Door zijn wildheid raakte hij den gang kwijt: die was vermoedelijk ingestort, door hun gerumoer op den grond, en hun gegraaf. Ze lieten het er dus bij, en waren er zooveel te eerder toe geneigd, omdat het tijd werd, aan eten te gaan denken.
Een paar haalden hout bij elkaar, terwijl Cor, Jan en Koos de aardappels zouden schillen. Die aardappels kwamen er hoekig af; ze zagen er heel anders uit dan thuis! Doch 't moest maar gaan! In een soort grooten ketel werden ze boven 't vuur opgehangen, aan een uit drie stevige stokken bestaande stellage.
't Was warm bij 't vuur, en toch waren ze er niet af te slaan. 't Was té verleidelijk, en ze eindigden met een rondedansje er omheen.
Krak.... bons.... een hevig gesis.... en verbaasd staan ze stil. Dirk was tegen één van de stokken aangekomen, waaraan de ketel bevestigd was geweest, met het gevolg, dat alles omviel, en de ketel in het knappende houtvuur terecht kwam, terwijl het water voor een deel er uit stroomde, en 't vuur bluschte.
Cor probeerde, den ketel er uit te halen, maar hij brandde zijn vingers bijna.
"Au, au, dat voel je!"

"Daar gaan onze kostelijke aardappeltjes!" urmde Theo, die onderwijl met een langen stok den ketel uit het vuur wentelde. Hij had gelijk: daar was geen eten aan. "Goed voor de varkens op den Derker!" meende Jan. "Ik ga gauw thuis eten!" riep Theo, "anders is het daar óók al op!"
"Nou, je kan nog wel even hierblijven!" drong Cor aan, teleurgesteld, dat alles zoo misliep, "we moeten maar opbreken, want zoo is er niet veel aan!"
"Inderdèd niet," spotte Theo, en hij greep een stuk smeulend hout, en wierp het, stoeiend, naar Jan.
"Die krijg je terug!" Weer vloog het brandend stuk hout door de lucht.
Cor en Koos letten er niet op: ze overlegden, wat ze zouden doen: alles laten staan, en morgen thuis gaan eten. Want etenkoken zou niet gaan, dat zagen ze wel... òf den boel maar heelemaal opbreken. Want ze zagen het: er kwam niet véel van terecht. Er was geen orde; ieder deed net, wat hij wilde.... misschien zou de dokter nog gelijk krijgen, dat er een oudere bij moest zijn. Ja, 't was beter: ze moesten den boel maar opbreken.
Lang niet vroolijk gestemd, begonnen ze de tent af te breken, en alles bijeen te zoeken en in te pakken. Vrij gauw waren ze daarmee klaar; maar hòe kregen ze alles weer weg?
Ze zouden het naar den Derker brengen, en vragen, of het daar mocht bewaard blijven.
En zoo trokken ze in optocht nu weer het heipad over, naar den Derker; Cor met de tentstokken, waarover het tentzeil was gerold, op de schouders; Jan met de kist op den nek, Koos den last van een paar emmers, met allerlei gevuld, torsend; Theo, puffend en blazend, met den leegen ketel in de hand; en telkens zette hij den tuit aan den mond, en blies er schetterende fanfares op! Tenminste, probeerde dat te doen, waardoor zijn bolle wangen nog meer strak gespannen stonden dan gewoonlijk, zonder dat er veel geluid te voorschijn kwam, daar de ingeperste lucht in het holle ketellichaam verloren ging.
Hij liep achteraan; maar opeens hield hij stil. Achter zich hoorde hij schreeuwen: "Jonge-èns! Jong-e-e-e-ns!"
't Was de nu scherpe stem van Gert, die angstig klonk.
Theo keerde zich om: achter zich zag hij rookwolken opstijgen. "Jongens, brand!" schreeuwde hij, gooide den ketel neer, en zette het op een loopen, in de richting van Gert. De anderen, verschrikt, volgden zijn voorbeeld. Wat was er gebeurd? 't Bleek spoedig. 't Smeulende stuk hout, dat Jan achteloos weer naar Theo had gegooid, was niet uitgegaan, maar had integendeel juist de kurkdroge heidestruiken, waar tusschen het terechtgekomen was, aan 't branden gemaakt, en nu kroop het vuur langzaam voort, telkens meer heide aanstekend, en dikke rookwolken vooruitzendend.... Wat nu te doen? Daar stonden ze.... van schrik verstijfd bijna; en ze durfden niet naderen.

Doch 't duurde slechts een oogenblik. Toen gingen ze 't voorbeeld van Gert volgen, die als een razende stond te trappen op 't nog smeulende strookje, vlak voor den verraderlijk voortkruipen den vurigen rand.
Er was geen houden aan. Wat zouden zij met hun kleine kracht er tegen doen? Als er geen hulp kwam, dan ging het heele stuk hei er aan; ze trapten, en trapten, schreeuwden, om de aandacht te trekken, zoo hard ze konden.
Langzaam, maar gestadig, kroop het vuur verder. Gelukkig was er bijna geen wind, en 't kleine zuchtje dat er was, woei in de richting van den straatweg. Zonder tegenstribbelen stelden ze zich onder de leiding van Gert.
"Cor, vlug, jij kan hard loopen. Hol naar den Derker, en vraag of de arbeiders komen, met schoppen!"

Niemand dacht er aan, Gert nu uit te lachen om zijn lijmerige spraak, en Cor, die anders liever wilde commandeeren, dan gecommandeerd worden, vloog als een pijl uit den boog weg, terwijl de anderen op Gert's voorbeeld, met takken, die hij inderhaast had opgezocht, op 't vuur gingen slaan, nu trappen niet voldoende hielp. Vooral aan de uiteinden van de vurige streep werkten ze wat ze konden, om te voorkomen, dat die nog breeder werd.
"Als ze maar gauw komen, anders gaat het aardappelloof daarginder er nog aan!" riep Gert. "Wij houden dat niet tegen."
Van den Derker zagen ze menschen aankomen, snel, al sneller. Al die anders zoo traag lijkende arbeiders maakten nu ongewonen spoed. Ze leken traag, voor een stadsjongen als Cor. Maar ze waren het niet, nòòit, en nu vooral niet.
Ze zagen dadelijk, hoe het er mee stond. Op een paar honderd meters van het aardappelveld af begonnen ze een greppel te graven, en de heiplaggen, die ze uitstaken, wierpen ze achter zich, op het stuk grond tusschen het aardappelveld en de aanrollende vuurstreep in. Ze werkten zoo hard ze konden; en werkelijk, vòòr het vuur bij ze was, was er een strook zand blootgelegd, breed genoeg, om het vuur tegen te houden. Toen gingen ze op de vuurstrook aan, en hielpen de jongens aan het uitslaan. 't Gelukte op een paar plekken den voortgang van het vuur te stuiten, en met harden arbeid was nu weldra de geheele vuurstreep gedoofd. 't Rookte nog wat na, en nu begonnen ze te trappen.... "om als er nog vuur zit, dat te dooven," verklaarde Gert. Want het was wel eens gebeurd, vertelde hij, dat ze meenden, het vuur bezworen te hebben, terwijl het in stilte, in de humuslaag, nog voortbroeide....
Gelukkig verzekerde Gerts vader al spoedig, dat het nu wel uit zou zijn.
Zwartgeblakerd lag daar nu tusschen de pralende hei de gebrande strook, gelukkig niet zoo groot, als ze in in hun eersten schrik wel verwacht hadden, maar toch vonden ze het vreeselijk. Toch was het hun schuld! Hoe heel anders gevoelden ze zich, dan toen ze den brand in de Weerdes hadden helpen blusschen! Toen waren ze helden geweest. Wat nù?
Zwijgend trokken ze weer op weg naar den Derker, ieder zijn eigen vrachtje opzoekende, dat ze langs den weg hadden neergeworpen.
En als geslagen honden trokken ze naar huis, met de hinderlijke gedachte aan een volmaakt mislukt kampleven bij zich. Zelfs verwijten bleven achterwege; een paar van hen, Koos en Jan, trokken pijnlijk met hun handen, die brandblaren hadden — "maar daar hielp lijnolie voor," troostte Theo ze.
Wat zouden de àndere jongens zeggen?
En, bij Cor vooral, kwam de vraag: "wat moet je nu verder doen met de Rhandensche Verkenners?" Hij wist er geen raad op.
Toch wilde hij er niet van weten, alles op zij te zetten, zooals Koos voorstelde.
Ze moesten maar eerst wat afwachten; dan konden ze zien, wat er nog zou gebeuren; met die gedachte ging het troepje uiteen, ieder naar eigen huis, om daar "lekker en veel te eten," naar Theo verzekerde, "me eens frisch op te knappen," meende Jan. Maar allen zagen ze er tegen op, hun pech thuis te vertellen.
XII. Ze probeeren het opnieuw, en wat ze beloven.
Het was gedaan met de Rhandensche Verkenners. 't Had er tenminste allen schijn van. De kameraden kwamen in de vacantie nog wel eens bij mekaar, maar de echte animo was er af. Temeer, omdat ze hier en daar verspreid raakten, op hun vacantiereisjes.
Cor ging voor een paar weken naar een tuinderij in de buurt van Haarlem. Dat zou wel goed voor hem wezen, meenden ze thuis, en hij zelf vond het heel prettig, weer een paar weken in de buurt van zijn oude stad te zijn.
't Was er een drukke tijd. En hij genoot dubbel, juist daardoor. Met 't meeste pleizier hielp hij den ganschen dag mee. En 't was tegen den avond telkens weer een nieuw feest, als hij meereed naar het station, de kisten wegbrengen op den groentetrein.
"De menschen, die 's morgens op de Berlijnsche groentenmarkt de groenten koopen," schreef hij naar huis "zullen niet weten, denk ik, dat ik de kisten hier naar het station heb gereden."
Vader moest geweldig lachen, toen hij dien brief las. Dat was nou heelemaal niets voor Cor, om zoo deftig te doen, en zoo'n mooien schoolzin te maken! Nee hoor, 't leek er niet naar!

Vader schreef dan ook terug, dat hij Cor's mooien brief bewonderde. "Maar hoe kom jij aan die Berlijnsche groentenmarkt? Ik wist niet, dat je daar nog aardrijkskundeles op den koop toe kreeg."
"Nou schrijf ik Vader niet meer," besloot Cor, en zijn tweeden brief schreef hij aan zijn Moeder; "want Vader plaagt me toch en dat zal U niet doen," schreef hij.
De weken vlogen om, en gebruind en wel trok hij Rhanden weer binnen, om van zijn laatste vacantieweek te genieten. Jan Arps en Koos Venema waren nog uit. Koos was een week in Rotterdam; hij vond het er wàt prettig, schreef hij aan Cor, bij de havens en de kaden, en de mooie Willemsbrug; maar hij hield toch meer van de hei en verlangde weer naar zijn prachtige bosschen terug. Want boomen, nou ja, iepen en hier en daar een linde of een kastanje, dat was ook alles. Nee, in Rotterdam wilde hij liever niet wonen, of 't moest vlak bij de haven zijn.
Jan zat in Apeldoorn. Die liet natuurlijk niets van zich hooren. Die zou wel zorgen, dat hij schik had.
"Hij had ons anders wel een prentbriefkaart kunnen sturen," zei Cor, en vergat ondertusschen dat hij zelf het evenmin gedaan had!

Nog één week vacantie bleef er over. Cor liep te lanterfanten thuis: plaagde zijn zusje Nellie, en deed groot tegen de broertjes, die iederen morgen met den groenteboer meereden, "heele einden ver, wel een uur!" sneden ze tegen Cor op.
"Moe, ik ga maar naar Theo kijken of die thuis is."
"Ik heb hem gisteren nog gezien," lichtte Nellie hem in, en snibbig voegde ze er aan toe: "Dat jong groette niet eens! Hij liep me gewoonweg voorbij."
"Moest-ie zeker zeggen: goeden morgen, juffrouw Poorters? Had-ie zeker zijn pet moeten afnemen?" plaagde Cor. "Dag, jongejuffrouw Poorters! Hoe gaat het u? En hoe maken het uw ouders en broertjes, in 't bijzonder uw geachte broeder Cornelis?" Cor stond er onhandig bij te buigen tegenover Nellie.
"Hou op, zeg, met je narigheid," bitste Nellie hem tegen.
"Zoo'n nest!"
Cor probeerde op een beetje spottend-medelijdenden toon het te zeggen, plagend, en wat uit de hoogte. Maar het lukte niet. Het werd bits en scherp.
Nel stoof op. "Nest? Jij bent een nest, en je onbeleefde vrind is een nest, nare jongen!"
Haar oogen fonkelden, en een snel opkomend rood kleurde haar bleeke wangen even van boosheid.
Cor merkte het op. Wèèr kwam de gedachte bij hem: wat ziet die Nel er slecht uit. Hij had er moeder ook al over hooren praten, half fluisterend, met angst in haar stem. Nu viel het ook hem plotseling weer op. En ineens, goedig, viel hij uit: "Nou, Nel, maak je maar niet druk, ik meen het heusch niet zoo. 'k Zal d'r Theo voor op zijn kop geven. Is 't zóó dan goed?"
Het teer-rose van Nellie's wangen zakte weer even plotseling weg, als het gekomen was. 't Leek nu wel, alsof ze nog bleeker was dan gewoonlijk, en onder haar oogen waren donkere strepen.
"Nee, dat is heelemaal niet noodig, maar jij hoeft me niet voor nest te schelden."
Cor droop af. 't Was vervelend met hem. Zijn lompheid hinderde hem nu eigenlijk wel. Als je zoo'n kind aankeek.... neen, hij moest vriendelijker tegen haar zijn; want àls ze nu werkelijk eens niet gezond was? Zou het?....
Hij liep tegen de broertjes op, die juist binnen kwamen stormen, toen hij naar buiten ging. Meteen was elke zachtere aandoening bij hem verdwenen. Hij gaf den één 'n stomp, dreigde den ander, die zijn "broertje" te hulp wou komen, met de vuist, en trok de deur achter zich toe, die met een luiden smak dichtviel, juist toen moeder in de gang kwam kijken wat er aan de hand was. Met veel omhaal vertelden de broertjes dat Cor Jo een stomp gegeven had, en dat Dik hem toen had willen helpen, en dat....
"Nu, 't is welletjes," vond Moe. "Houdt jullie asjeblieft rustig."
"Moeder, we zijn met Jansen heelemaal naar de Greep geweest!" zei Dik. En Jo vulde aan: "Lekker worteltjes gegeten ook! En appels! Zoo maar van den boom geschud." Op Moe's vragenden blik kwam er spoedig een: "We mochten, hoor Moe! Kijk maar!"
Uit hun blouse diepten ze elk nog wat appels op, groen en hard nog. "Die mag U!" "'t Mocht van Jansen. Hij ging appels halen. in den bongerd, en toen mochten wij er nemen. 't Was toch een best appelenjaar. Fijn hé, Moeder?"
Moeder nam de appels aan.
"Dank je wel, hoor jongens! 'k Zal ze een poosje laten liggen, dan worden ze nog wel rijp. Nu zijn ze wat te hard voor me!"
De broertjes stormden nu weer naar het magazijn, waar wat fijns was: een nieuwe takel naar den zolder! Zulke sterke touwen! Daar konden ze wel met hun tweeën aan hangen, en de loopknecht had ze gisteren een heel eind naar omhoog getrokken. Maar Vader had het verboden — 't was te gevaarlijk, vond hij. Ze mochten wel helpen, als er goed naar boven getakeld moest worden. En er stond nog. Dus dadelijk er op af!
Cor slenterde den veerweg af. In de uiterwaarden werd al voor de tweede maal gehooid. Druk waren ze met het nagewas in de weer. Daar kwam, breed en wiegelend, een hooggeladen wagen met hooi aanrijden. Het paard trok in rustigen gang de kar.
O, dat was de arbeider van Jansen, den groenboer. Cor kende hem. Wie lag daar boven op de kar? Hij zag een paar brilleglazen in de zon schitteren. Ha, gelukkig, het was Theo. Die lag lekker languit in het hooi.
Cor floot.
Nieuwsgierig richtte Theo zich op. Daar stond Cor, tegen het hek langs den dijk geleund.
"Jij weer terug? Ga mee jô, 't mag best! Nietwaar, Hendriksen?" schreeuwde hij den arbeider toe.
"Wa-blief?"
"Of Cor mee mag! D'r is hier nog plaats genoeg."
"O, dat....? Ja, 't zal wel gaan; als-ie maar niet te zwaar is, want de kar is al zwaar genocht geladen."
"Nee, heelemaal niet; kijk maar eens, wat een magere stroohalm," plaagde Theo.
Cor had wel zin, en vlug klauterde hij aan het touw, dat over het hooi heenlag, naar boven.

Hè, dat lag lekker! Je lei zoo fijn te wiegelen, en 't ging zoo langzaam, zoo echt, als je een lanterfantige bui had. "Jô, kom eens dichtbij!" zei Theo, en hij deed héél gewichtig en héél geheimzinnig, en liet zijn bril vervaarlijk op zijn neus dansen. Cor deed het.
"Wat hèb je, zeg?"
"'n Geheim! Twee geheimen."
"Echte? Die niemand nog weet?"
Theo knikte. Echte. Niemand.... nou, dat zou hij niet durven zeggen. B. v. de Burgemeester wist er van, en zijn vader en de andere raadsleden wisten er óók wel van. En van dat andere, dat wist hij ook van zijn vader. Daar wist meneer Van Waalwijk van.
Dat ging over de school, zie je. Allebei even ècht. Zoo prikkelde hij Cor's nieuwsgierigheid. Cor vergat heelemaal, dat hij tegen Theo wou uitvaren, dat hij hem wel had willen uitschelden voor "Rhandensche boer," "lomperd," "kinkel," weet ik wat. Hij zat nu heelemaal in de spanning van het geheim, van de geheimen. Hij moèst en hij zòu er achterkomen.
"Nou, vertel op! Kom òp met wat je weet! 't Zal wat zijn!" probeerde Cor verachtelijk te doen.
"Ja, 't zal zèker wat zijn!"
"Zanik nou niet, maar vertel het!"
Wat genoot Theo er van, dat Cor zoo ongeduldig was. Hij wilde hem nog wat laten wachten. Maar Cor richtte zich onverwacht op, en greep hem bij de schouders, die hij diep in het hooi wegdrukte.
"Help! Help! Moord! Brand!" schreeuwde Theo.
Hendriksen keek verbaasd om.
"Jullie magge daar wel wat rustiger wezen, anders mô je d'r af!" dreigde hij, en hij liet even boven het hooi uit de zweep spelen.

"Haal dan ook niet zulke flauwiteiten uit!" zei Cor tegen Theo. "Vertel je het nog of vertel je het niet?"
"Nou, vooruit dan maar. Maar je zal 't niet verder vertellen?"
"Ik zal 't geheim net zoo goed bewaren als jij zelf," plaagde Cor nu, die blij was, dat hij beet kreeg.
Toen kwam het er achter mekaar uit: "Nou jô, we krijgen twee feesten."
"Twee feesten?" vroeg Cor ongeloovig.
"Ja, twee feesten. Eén als de Koningin komt, en één, omdat de school vijf-en-twintig jaar bestaan heeft."
Ziezoo, nu waren de geheimen er uit, en 't was goed ook, want de kar was ondertusschen den dijk afgereden, en in zijn rustig-gestadigen gang bij Jansen aangeland. In een ommezientje waren ze op den grond.
"Mag ik opsteken?" vroeg Theo aan Jansen.
"Kan je niet — is geen jongenswerk; veuls te zwaar, en d'r komt niks van terecht," zei Jansen.
De arbeiders begonnen al. Theo probeerde het ook te doen, maar het grootste deel van het hooi kwam op zijn hoofd terecht, inplaats van op den hooiberg. Ze hielden er dan ook spoedig mee op, en gingen er van door, nadat ze Hendriksen bedankt hadden.
"Nou moet je me alles vertellen, wat je van die feesten weet," zei Cor.
En Theo voldeed aan het verzoek. De Koningin zou in Rhanden komen. Er was bericht bij den Burgemeester gekomen, en zoo had Theo's vader het vernomen. De burgemeester zou vragen, of de menschen allemaal wilden vlaggen, en de scholen zouden dien dag vacantie krijgen. 't Was al in heel wat jaren niet gebeurd, dat de Koningin in Rhanden was. Vroeger, toen ze nog het het Prinsesje was, had ze een paar dagen in Rhanden doorgebracht, bij gelegenheid van landbouwfeesten; ook een Zondag was ze met haar Moeder in 't stadje geweest. "Je weet toch wel," zei Theo, "de Koninginnebank in de kerk? Nou, daar heeft ze toen ingezeten, en na dien tijd hebben ze die bank altijd de Koninginnebank genoemd. Nu zou de Koningin een bezoek komen brengen aan het groote sanatorium, dat vlak bij Rhanden lag. Maar ze zou toch een heelen middag ook in 't stadje blijven. 't Zou fijn zijn, want er zou een optocht komen van vereenigingen met vaandels...."
"Jammer dat wij geen vaandel hebben van de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Dan konden we óók meedoen."
"Nou, 't is de moeite waard, die Rhandensche Verkenners!" meende Theo. "Die moesten we maar stilletjes thuislaten. 't Is wat moois, om er mee voor den dag te komen!"
"En toch zal het gebeuren," besloot Cor. "Als ze 't nu niet goed doen, dan heeft het al héél weinig te beteekenen."
"En ik dacht, dat je het heele stelletje al opgeruimd had, en dat we er mee opgehouden waren?"
"Ja, zoolang het vacantie was," hield Cor zich groot, "maar nu moeten we nog eens beginnen."
Hij had zijn plan al gevormd; de Rhandensche Verkenners zouden goed uitkomen; maar het moest stil gehouden worden, het moest voor de Rhandenaars een verrassing zijn.
Cor ging meteen naar huis.
"Vader," stormde hij op meneer Poorters los, "de Koningin komt in de stad, en dan is er feest, en optocht met vaandels! Maar het is een geheim, hoor!"
"Dat zal een heel pleizier geven!" antwoordde Vader. "Hoe kom je daar aan, Cor? Hoe weet je dat geheim?"
"Van Theo, en die weet het van zijn vader, en die heeft het van den Burgemeester gehoord. En op school komt er ook feest. De school heeft vijf-en-twintig jaar bestaan," ratelde Cor in één adem door.
"Dat belooft dan feest op feest! Daar bof jullie mee!"
"Ja, en Vader, nou wou ik met de Rhandensche Verkenners aan den optocht meedoen. Vindt u het goed?"
"Ik vind het best. Maar ik dacht, dat het na dien brand op de heide, voor een paar weken, met die club gedaan was?"
"Ja, Vader, eigenlijk wel, maar nou is er iets zoo èchts, dat ze wel allemaal zullen meedoen! Heusch, nou doen ze het wel weer. Als ik mag tenminste...." voegde hij er aan toe.
"Wat mag?"
"Ja, ziet u, ik wou het stil houden en dan met een paar jongens een mooi vaandel plakken met kwasten er aan, en wat er op, en dan alle jongens oranjesjerpen om met 'Leve de Koningin' er op, en dan meeloopen in den optocht!"
"Ik vind het best, jongen. Jammer, dat de vacantie eigenlijk al om is. 't Was prettig vacantiewerk geweest. Nou ben ik bang, dat je werk er wat onder lijden zal."
"Nee, Vader, heusch niet. Maar mag ik met Theo en Jan en Koos en zoo, boven op het magazijn 't vaandel maken? Want niemand mag het zien, weet u, vóór we meedoen!"
"Ik vind het goed; als jullie maar rustig bent, en de knechts niet van het werk afhoudt. Alleen: wie moet het allemaal betalen? Want dat kost geld hoor, bedenk je wel!"
Cor vlijde zich tegen vader aan.
"Toe, Vader, help er ons bij! Mag ik wat uit mijn spaarpot nemen en doet u er wat bij?"
"Als 't dan maar niet net gaat als met de tent!"
"Toe vader, zeg nu ja! 't Mag wel, hè? En u betaalt wel wat! 't Is toch voor de Koningin."

Cor holde weg, zonder antwoord af te wachten, en zocht Theo op, dien hij zijn plannen mededeelde. Ze moesten zoo gauw mogelijk saamkomen.
"Bij den steen," stelde Theo voor.
"Goed," zei Cor. "Maar 't vaandel maken we bij ons in 't magazijn."
Zoo spraken ze af. "Misschien kan het bij 't schoolfeest óók dienen," opperde Theo.
"O, best," antwoordde Cor. "'t Kan wel. Alleen zou er dan wat anders op moeten staan."
"Ik wéét wat." Theo kwam in eens tot die ontdekking. "Dan vragen we Koos om het te teekenen."
"Ja, en Jan Arps om slingers groen; die kan ze wel van zijn vader krijgen. Misschien kunnen we wel een heelen eereboog maken! Dàt zou pas fijn zijn!"
"Ja...." Theo peinsde, en daarom wachtte hij even. 't Zadel van zijn neus opgetrokken, staarde hij zonder kijken, door zijn brilleglazen heen. "... Ja..., zie je.... dat is wel leuk.... maar waar moet die staan.... en hoe kom je aan alles?"
Cor had nu een bui om te vinden, dat alles wel kon. "Dat komt best terecht, zullen we wel zien — bij ons voor de deur... da's een mooie plek... en dan gaan we d'r allemaal bij staan, als de Koningin voorbijkomt." Zoo werden de plannen al grooter en grootscher.
Toen de school weer begon, was er een geheimzinnig gefluister onder de jongens. Ze moesten eigenlijk meneer Van Waalwijk maar in 't geheim nemen. Zouden ze?
".... Niet doen," schreef Cor op 't briefje, dat Theo hem in handen liet spelen, en waarop de vraag stond of ze meneer 't zouden zeggen.
't Was eigenlijk wel jammer, want nu wist meneer niet, hoe hij het had. Ze waren zoo ongedurig, die jongens. 't Was wel weer de eerste schoolmorgen, maar zóó.... hij begreep niet, hoe hij het had. Er moest wel wat bijzonders wezen, dat ze in den weg zat.
Ineens viel Nelly uit: "Meneer, de Koningin komt gauw, en dan krijgen we feest. Ze gaat naar 't Sanatorium en komt dan 's middags hier!"
"O zoo, zit jullie dat in den weg? Dat begrijp ik. Ik had er door mijn vacantie nog niets van gehoord. En natuurlijk — jullie hebben de Koningin zoo weinig gezien — misschien wel nooit!"
Nu kwamen de tongen los, en in minder dan géén tijd was meneer op de hoogte van de plannen. Behalve... van het plan der Rhandensche Verkenners. Want Cor gaf stilletjes het wachtwoord door: niets zeggen! En de jongens, die in 't geheim betrokken waren, gehoorzaamden.... ze zwegen als moffen. Toch was er, na dat babbel-oogenblikje, wel wat ontspanning gekomen, en konden ze weer lekker aan het werk gaan. Dien eersten Woensdag kwamen de Verkenners samen bij den steen. Ze waren in kleine clubjes gegaan, "om geen argwaan te wekken," zei Cor deftig-geleerd. Al de jongens, die in 't complot betrokken waren, vonden het wàt leuk: nou werd het pas echt!
Cor had een groot papier bij zich.
"Jongens, nou allemaal beloven, dat we d'r verder aan niemand wat van zullen zeggen. Hier op 't papier staat het:

'Wij, ondergeteekenden, allemaal Rhandensche Verkenners, beloven, van al de plannen niets te zeggen vóór de Koningin in de stad is. Dat beloven wij.'"
Hij spreidde het papier uit op den Steen, en zette er met potlood zijn naam onder, in kloeke stevige letters: Cor Poorters.
Al stoeiende en stompende en duwende verdrongen de anderen zich om den Steen, om ook te teekenen, en weldra prijkte een 12-tal handteekeningen onder op het papier. Cor vouwde het toen op in een blikken doosje, en dat groeven ze, onder den steen, weg in de hei. Toen kwam het groote oogenblik aan, waarvan Cor al zoo lang had gedroomd: allemaal kwamen ze aandragen met een steen, dien ze op den losgewoelden grond neerlegden. Nou was 't verbond toch gesloten! dacht Cor.
En toen ging hij de plannen in den breede ontvouwen.
Wat werd er gebabbeld en drukte gemaakt! Eer ze het eens waren, moest Cor héél wat uitleggen! Hij maakte er ten slotte een eind aan, door te zeggen: "Nou, en zooals ik zeg, en Theo en Koos en Jan, zóó moet het, en wie het niet wil, die doet dan maar niet mee!"
Die bedreiging hielp, en toen waren ze gauw klaar. Ze zouden marcheeren, sjerpen koopen, een vaandel maken, dat Koos mocht ontwerpen, en verder zwijgen.
Ze verdwenen in verschillende richtingen... "dan snapt niemand het," zei Cor, en al dat gewichtig-doen beviel den jongens wat goed! Ze waren nog nooit zoo eensgezind geweest als toen!
De voorbereidselen tot den grooten dag verliepen in de beste orde. Koos ontwierp een prachtig schild, naar het oordeel der Verkenners. 't Werd een schild, want al heel gauw zagen ze in, dat een vaandel toch wel minstens van fluweel moest zijn, om vaandel te wezen. Koos bepaalde de kleuren: 't zou een mat-gelen ondergrond hebben; langs de randen groene loovertjes van eikenblad — dat beteekende kracht, zei hij. "En eer," voegde Theo er aan toe, die pas van de Olympische spelen had gelezen, hoe de overwinnaars daarbij met eikenloof gekroond werden. En dan moest er met gouden letters op komen:
"DE RHANDENSCHE VERKENNERS." LEVE DE KONINGIN!
Ze kibbelden nog wat over de kleuren. Die mat-gele ondergrond beviel niet. "Net Roomsch," vond de een. En een ander dacht, dat die kleur wat besmettelijk zou wezen. Maar ze vonden toch niets anders. Blauw en goud en oranje, zooals Cor voorstelde, daarvan wilde Koos niet weten; 't zou te bont worden, vooral in de tinten, waarin je papier kon krijgen.
Nu gingen ze aan 't werk. Cor zorgde voor 't karton, en ook, dat het soliede beplakt werd, en geschikt om aan een stok opgehangen te worden. Koos had den vorm nauwkeurig aangegeven; en de wilde Cor, die steeds Jan en Theo om zich heen had — ze kwamen 's avonds hem een uurtje helpen zoogenaamd — verknoeide, ook dank zij die hulp, wel meer dan één karton; doch ten langen laatste lukte het toch, een goed schild, netjes gelijk uitgesneden, symmetrisch gevormd, klaar te krijgen. Het omplakken van den rand eischte heel wat zorg. Daar moest Jan aan te pas komen. Die was zulk werk nu wel niet bepaald gewoon, maar hij, als echt Jantje-secuur liep minder gevaar het werk te verknoeien dan Cor, die nu op zijn beurt van decorateur tot plakknechtje bevorderd werd. Maar het uitsnijden der letters en het opplakken dáárvan, was het werk van Koos. Dat was zoo'n secuur werk, en het was véél te gevaarlijk, om het door één der andere jongens te laten doen....
Het lukte. En toen Nel, die in het geheim was genomen, en met behulp van haar oudere zus de kwasten had gemaakt.... mooi oranje,.... en de koorden had gedraaid, dat alles ter versiering aan het "Vaandel" had bevestigd, toèn was het een pronkstuk geworden, waar ze niet weinig trotsch op waren.
De verkenners hadden — contributie was in langen tijd niet betaald — bij hun ouders, die óók allemaal in 't geheim betrokken moesten worden, 't noodige geld losgebedeld, om daarvoor mooie sjerpen te koopen, die ter Rhandensche drukkerij bedrukt werden met: "De Rhandensche Verkenners."
't Geheim werd dus hoe langer hoe minder geheim; maar toch, tegenover hun kameraads, die niet van de partij waren, deden de Verkenners héél gewichtig geheim, al bezweek er wel eens een voor de verleiding van een heerlijken appel, of voor het aanstaand genot van een groot stuk peen.

Intusschen marcheerden ze er lustig op los, en op de gymnastieklessen deden ze uitnemend hun best. 't Kwam er nu op aan, en ze zouden "voor de heeren komen". Dat was niet zoo min. En daarom moest het beste beentje voorgezet.
Cor genoot: hij had de leiding, en speelde braaf den baas, en de anderen schikten er zich in, nu ze zagen, hoe goed het ging.
Het eenige, dat er wel wat onder leed, was het schoolwerk. Dat werd wel eens nog sneller afgeraffeld dan gewoonlijk. En meneer Van Waalwijk had de handen vol om voor goed werk te zorgen.
Gelukkig zou het niet lang meer duren. Nog maar een week, en de groote dag ging aanbreken. Theo's vader had, in het geheim natuurlijk, de noodige afspraken gemaakt over de deelneming der jongens aan den optocht — en zoo zou het wel gaan.
XIII. Van een feest, en donkere dagen die dreigen.
Een paar dagen voor het verwachte bezoek der Koningin sloeg het weer nu voor goed om. En het scheen wel, alsof àl de regen, die anders in Juli en Augustus valt, nu in de somberder wordende najaarsdagen neer kwam stroomen. Het pletste den heelen dag maar door, onophoudelijk, in dikke stralen uit de loodgrijze lucht, en hevige windvlagen striemden de boomen, en de natte blaren sloegen van het hout af.
't Beloofde niet veel moois.
Mèt het herfstweer was ook bij Poorters de somberheid in huis gekomen.
Al heel kort na de vacantie was Nelly blijven liggen. Ze voelde zich zóó vermoeid, zóó vermoeid, dat ze wel altijd zou willen slapen; vertelde ze aan moeder, die haar uiterst bezorgd aanzag. Wat zou dat worden? En toen ze in bed lag, met een hoogrood blosje op de angstig-bleeke wangen, het smalle gezichtje omlijst door de strakke zwarte haren, toen zag Mevrouw Poorters weer in haar herinnering verschijnen het beeld van nòg zoo'n zieke: haar eigen zusje, dat ze nèt zoo had zien liggen en had zien hééngaan.... O, wat werd het haar angstig! En met wat teere zorg en innige liefde keek zij naar haar anders zoo drukke kindje!
Natuurlijk kwam dien eigen dag de dokter nog.
Hij onderzocht haar, zat langen tijd stil voor haar bedje, waarin ze met gesloten oogen stil neerlag, en hield haar smalle polsje in zijn groote, breede hand.
't Was niet best, vond hij. Zij moesten uiterst voorzichtig met haar wezen. De koorts was hóóg, en hij vertrouwde haar longen niet. Bovendien was haar keel ontstoken — uiterste rust werd aanbevolen.

Zus moest een zonnige kamer hebben. En daar moest het raam zoo veel mogelijk openstaan....
Moeder begreep het, en meneer Poorters ook. Hij ging stil door huis, waar alle gerucht uitgestorven scheen. En Cor vond het vreeselijk. Vreeselijk, dat Nel zóó ziek was; vreeselijk, dat van al die heerlijke plannen nu niets kon komen, dat hij er niet ten volle van zou genieten....
Want de Koningin kwam, al stroomde op haar eersten tocht door Rhanden, toen ze naar het groote Sanatorium zou gaan, de regen. En ondanks dien regen hingen de vlaggen, en ze dropen van water....
Hoe moest het nu met de Rhandensche Verkenners? Kon hij meegaan?,.... Vader vond, dat hij het maar doen moest. Hij had er zoo op gehoopt, en nu zou het wel vreeselijk jammer voor hem zijn, om niet mee te kunnen.
Alles was klaar — 't vaandel was prachtig, de sjerpen waren fijn bedrukt.... en het weer begon tegen den middag werkelijk wat op te klaren. Toen Jan en Theo dan ook kwamen vragen, of Cor kwam — toen ging hij mee. Hij deed het zooveel te makkelijker, omdat Nel zelf had gezegd: "Nou, Cor, ik zou gaan als ik jou was. Doe het maar! Ik wou, dat ik het óók kon zien!"
Nu was het laatste beletsel voor Cor weggenomen. Hij haastte zich naar beneden, liet zijn sjerp omdoen, en vóórt stoven ze met hun drieën, den Bergweg op.
Daar wachtten de anderen al, onder de druipende boomen. Ze werden omringd door een deel der Rhandensche straatjeugd, die zoo'n vertooning nog nooit had bijgewoond.
Cor zou aanvoerder zijn, en Koos zou voor het vaandel zorgen. Ze noemden het toch maar hun "vaandel", dat stond deftiger. En er waren toch koorden en kwasten aan!
Om het zoolang mogelijk tegen den regen te beschutten, hadden ze er een foudraal omgemaakt.
De straatjeugd vroeg zich vol verbazing af, wat het mocht wezen, dat ding, in dien zak! En meer dan één opmerking moesten de jongens hooren over hun gedoe. Cor tintelde wel eens, hij stond in dreig, om er lekker op los te timmeren, maar hij hield zich in: er waren er te veel, en op 't laatste oogenblik konden ze nu toch den boel niet bederven, door een veldslag te gaan leveren!
Eindelijk, na lang wachten, gaf Jan, die per fiets den Berg was opgereden, het afgesproken sein: hij zwaaide tweemaal met zijn armen, en onmiddellijk daarop zagen ze hem den Berg komen aftrappen.
"Klaar!" commandeerde Cor.
Daar ging 't foudraal van het vaandel, de jongens stonden twee aan twee, de kleinen voorop, de grooteren achteraan. Voor ze stond Cor, naast hem Koos, met het vaandel.
"Denk er om, jongens!" zei Cor nog eens, ernstig nu, door de gedachte aan het oogenblik dat zou komen.
"Twee rijtuigen," berichtte Jan. "In het achterste zit de Koningin! Ze rijden hard!"
Ze zagen het. Daar kwamen de rijtuigen in gestadigen draf den Berg afrijden. Ze waren vlak bij.

"Klaar," klonk kloek nog eens Cor's commandostem.
En daar stonden ze langs den weg: twee rijen Rhandensche jongens, de pet in de hand, doodstil, in stomme houding als oud-gedienden. Nog even keek Cor om. Zoo was het goed. Zelfs Theo stond er nu prachtig bij... 't kon niet beter....
Koos hief het vaandel omhoog.... en het oogenblik kwam.
Daar reden de rijtuigen aan. De jongens keken en keken.... En ja, daar in 't tweede rijtuig zat ze, de Koningin; en vroolijk lachend keerde ze zich naar de jongens en boog vriendelijk.
Dat was te veel voor de jongens. Daar konden ze hun waardigheid niet bij bewaren. De petten gingen omhoog, Koos zwaaide met zijn vaandel door de lucht, en... "Leve de Koningin!" klonk het langs den weg. Bijna waren ze het voorbeeld van een paar straatjongens gevolgd, die de rijtuigen na holden — maar ze bedachten zich gelukkig, en in versnelden pas ging het nu den Berg af.
Ze kwamen nèt te laat; om de begroeting aan het gemeentehuis te zien, maar werden toch tot het plein toegelaten, waar hun door Theo's vader een plaats werd gewezen tusschen de "vereenigingen".
Wie of er in het eerste rijtuig had gezeten? Ze hadden zóó naar het tweede gekeken, dat ze het nauwelijks wisten. Al gauw hoorden ze het: de Burgemeester was tot aan de grens der gemeente de Koningin tegemoet gereden.
Ze stonden dicht bij Geurt, van boer Jansen.
"Toe ik zoo oud was als jullie, is ze d'r nog'ès gewest: maor toe was het veul mooier — 'n eerewacht te pèrd, en overal blômmen, en eerepoorten.... onze Mie was t'r ook bij-wêst," vertelde hij triomfantelijk.
"Toen was Mie zeker heel wat jonger?" vroeg Cor.
"Nou, en 't was er 'n kwáoien," zei Geurt. "M'n bruur Henk het er toe opgezeten, maor had de hànden vol!"
"'t Zal wel," antwoordde Theo. "Hij steigert nog voor de kar!"
De jongens moesten er om lachen: die taaie, dooie Mie van Jansen steigeren!
Er kwam beweging vooraan: de groepen werden om het kleine bordesje van het gemeentehuis geschaard. En even later kwam de Koningin naar buiten, alweer vriendelijk nijgend, naar alle zijden.
Het fanfarekorps zette een "Wilhelmus van Nassouwen" in. Met bolle wangen bliezen de muzikanten de lucht in hun blaasinstrumenten, en de groote trom bonkte er op los, dat het een lieve lust was.
De burgemeester, deftig in 't zwart, met een keten om den hals, stond wat achteruit, links van de Koningin, op 't bordes. Achter hem stonden de gemeenteraadsleden; allemaal in deftig zwart, en Pieters, de boer, met de hooge witte stropdas om.
De Koningin stond te wachten, tot de muziek uit was. Op het plein waren ineens alle vanen omhoog gegaan, en alle "vereenigingen" stonden stil. Ook de Rhandensche Verkenners.
Toen het lied uit was, neeg de Koningin weer, en nu was er ook bij die menigte voor het stadhuis geen houden aan: luid klonk het "Leve de Koningin" over het plein, zoodat het weerklonk naar alle kanten!
Toen werd de stoet opgesteld. Sommige "vereenigingen," lieten zich rijden.... anderen liepen. Voorop de bolwangige fanfare-corpsers. Zoowat halverwege kwamen de Rhandensche Verkenners, en ze hadden wàt een bekijks! Toen ze meneer Van Waalwijk zagen, vielen er een paar uit hun rol. Ze namen hun pet af, en riepen: "dag meneer!" En meneer knikte ze vriendelijk goeden dag. Maar Cor, die naast Koos stevig vooruitstapte, commandeerde kort: "Orde!"
"Hou je kalm!" riep Theo, die het al lang mooi vond om zoo gewichtig te doen, en nu zijn streken niet langer kon bedwingen. En hij gaf Cor eer por in den rug. "Jô, de Koningin is toch weer naar binnen!"
Ze kwamen de Hoofdstraat door. Op de stoepen stonden de menschen in rijen geschaard. Al van verre keek Cor naar huis. Nu moesten ze hem thuis eens zien! Opeens hoorde hij: "Pa, daar is Cor!"
Ja, 't waren de broertjes met vader.
"Dag! Da-a-ag!" riepen de jongens, telkens als ze een bekende voorbijkwamen. Maar Cor hield zich gewichtig-strak. Hij knikte, met een blij, trotsch gezicht, keek nog eens even naar zijn jongens, en zocht toen naar de ramen boven den winkel.
Wat was dat? Ja, 't was zoo.

Nel's bed was tot vlak voor 't raam geschoven.
"Jongens, daar zit Nel!" riep hij ineens, nu zelf zijn waardigheid vergetend, en hij wuifde met zijn pet Nel goeden dag. Ze knikte tegen de jongens, en zonk toen weer in haar bedje terug.
"Wat ziet diè er bleek uit!" zei Koos tegen Cor. "Is ze èrg ziek?"
Nu kwam het weer voor Cor. Hij had er bijna niet over gedacht, dien ganschen middag niet, door al de glorie van zijn Verkenners. Maar nu moest hij er ineens weer aan denken, aan al dat vreeselijke....
"Hoor je me niet?" vroeg Koos.
"Ja... ja...." deed Cor, verstrooid. "Erg ziek? — Héél erg, heeft de dokter gezegd." En zijn eigen groote vrees sprak hij uit, toen hij liet volgen: "ze wordt misschien niet ééns meer beter." En zwijgend liep hij voort in den stoet, die nu den weg naar het station insloeg, waar de Koningin weldra zou vertrekken.
Nu was de aardigheid er voor Cor af. Hij had wel weg willen loopen, om nog eventjes bij Nel te kijken. Hij vond dat ze er zoo èrg naar uitzag; nòg erger dan vanmorgen. Dàt kon nu niet. De vroolijke scherts van de jongens, wien het wachten begon te vervelen, bracht hem weer in de stemming, en toen het koninklijke rijtuig kwam aanrollen, was hij weer geheel in zijn rol, en stond hij stram voor zijn jongens, tot Hare Majesteit gepasseerd was.
En toen was het: gauw naar huis, en op zijn teenen naar boven, naar de kamer waar Nel lag.
Behoedzaam opende hij de deur, stak zijn hoofd door de opening, en vroeg zacht, toen hij zag dat Nellie doodrustig daar lag: "Hoe is het, Moe?"
"S-s-s-t," deed Moe, met den vinger op den mond, en fluisterend voegde ze er aan toe: "Nel slaapt net. Zeg maar, dat ik dadelijk beneden kom eten."
"Gelukkig" dacht Cor, en in zijn blijdschap vergat hij weer, dat hij stil moest zijn, en trok de deur op zijn gewone ruwe manier, met een ruk, dicht.
Toen Moe beneden kwam, zei ze: "Maar jongen, wat deed je dat weer wild. Nel schoot er bijna van wakker!" Maar belangstellend vroeg ze verder: "En hoe hebben jelui het gehad, vandaag? Gelukkig droog, nietwaar? En de Koningin gezien? Nel ook. Wat was diè blij! En jullie heeft ze ook gezien. Wat vond ze het leuk! Maar nu was ze erg moe. 't Is niets gedaan met haar. Wat dàt nog worden moet? Ik begrijp het niet!"
Meneer Poorters keek zijn vrouw aan. Niet begrijpen? Ja, hij wist het, zijn vrouw begreep het evengoed als hijzelf, maar zij durfde er nog niet aan.
Vurig bad hij den Heere, Nel beter te maken. Want wèl zag het er menschelijkerwijze, hopeloos uit. Maar de Heer was toch de groote Medicijnmeester, en het kòn toch?...
Cor dacht er òòk zoo over. Het kòn toch....
Maar het was wonderlijk, dat bij geen van hen zekerheid leefde: het zàl. Vader en Moeder ook: ze baden, maar niet als die werkelijk geloofden. "Uw wil geschiede," dat was het laatste woord van Vaders gebed.
Cor dacht er over na. Maar dan hòef je eigenlijk niet te bidden, dacht hij. En nu, schuchter bij deze heilige dingen vroeg hij aan Vader: "Waarom bidt u zóó Vader?...."
"Jongen," zei Vader, "wij vragen, wat wij graag willen, maar we weten niet wat goed voor ons en voor Nel is. Wat goèd voor haar is, dàt is zeker 's Heeren wil. En daarom moeten we leeren, slechts dàt óók te willen."
Cor begreep er niet veel van. Hij bewaarde het in zijn hart. Want hij sprak er niet over met de jongens. Ook niet met Koos of Jan, met wie hij toch anders alles bepraatte. Dàt waren dingen, die hij niet aan de menschen liet zien. Die mochten alleen zeker zijn wildheid en zijn schijnbare onverschilligheid kennen.
Hij bleef verder dien avond rustig thuis, wat lezen in de huiskamer, en wat soezen en denken over de Rhandensche Verkenners, wat ze verder zouden doen.
't Was nu een èchte dag geweest; dat vonden de jongens ook. Maar zulke fijne dagen kwamen er niet vaak. Met blijden trots hoorde hij den volgenden dag, op school, wat Theo vertelde aan meneer Van Waalwijk. De Koningin had aan de Burgemeester gevraagd, wie die flinke jongens toch waren, met dat mooie schild. Hare Majesteit had ze al dadelijk op den Bergweg opgemerkt, en ze daarna in den optocht weer gezien.
"En wat heeft de Burgemeester gezegd?" vroeg Cor, benieuwd.
"Dat we de Rhandensche Verkenners waren, zoo'n clubje van jongens, die samen speelden...."
Dat viel Cor een beetje tegen. De Burgemeester had er wel wat meer over mogen zeggen, meende hij, b.v. over den brand.
"Den heibrand zeker in jullie kampweek?" plaagde meneer Van Waalwijk.
Cor wist geen antwoord, en ging weer aan zijn werk.
XIV. Veilig in Jezus' armen.
't Werd al minder met Nel. Telkens kwam de koorts weer terug, die verraderlijke koorts, die haar wangen kleurde, maar met een doodelijk rood. Ze kon al minder en minder velen. Elk scherp geluid hinderde haar, daar ze aan ondraaglijke hoofdpijnen ging lijden. De dokter zag den toestand donker in.

Moeder begreep het nu telkens klaarder, dat ze Nel zou moeten missen. Wat kostte haar dat een pijn! Toch was het verwonderlijk hoe goed ze zich hield. Ze was dag en nacht bij Nel; ze omgaf haar met de teerste zorgen. Maar 't baatte niet. Het was bestemd in 's Heeren raad....
Het ging snèl, te snel.
Nel was wonderlijk geduldig. Eerst dacht ze, dat ze beter worden zou. Dan zou ze dit en dan zou ze dat... Maar ze voelde zelf haar krachten afnemen.
Cor zag het ook, en het stemde hem telkens ernstig. Het langzame lijden van zijn zusje lei beslag op hem. In huis was hij rustig, al kwamen er nog wel driftbuien; hij trachtte zich meer en meer in te houden, om der wille van Nel.
Soms was er een klein vleugje — dan leek het, alsof 't wat beter met haar werd. Dan was haar hoofdpijn minder, en kon ze gewoon babbelen, al was haar stem ook verzwakt. Dan mochten Daan en Dik even bij haar komen. Even maar. Want die werden weer dadelijk druk. Ze hielden het niet uit, om een kwartier rustig bij haar te zitten. Ze deden haar heele verhalen, druk en wel, van de school en van het magazijn en wilden haar in al hun doen en laten betrekken. Dan moest moeder tusschenbeide komen, en de jongens met een zoet lijntje weer weg krijgen.
Wat begrepen zij er van?
Cor zelfs begreep er maar weinig van. Hij hoorde van moeders angst, van vaders vrees. Maar toch bleef altijd immers ook bij hen die stille hoop op herstel? Ook, al nam Nel zienderoogen af!
Alles hinderde haar. Als de huisgenooten op de gang liepen, en wat hard, dan kon moe zien, dat het Nel pijn deed.
Steeds stiller en stiller werd het in huis.
Al dikwijls had Cor gevraagd: "Kan ik niet wat dòèn voor Nel?" Maar moeder wist niets, dan dat hij alles zoo zacht mogelijk deed, en dat hij mèt allen thuis, in zijn bidden om haar dacht. Nu, dat wilde hij allebei wel. Maar het echte bidden was zoo moeilijk voor hem. Den eersten tijd van Nels ziekte zou hij geen avond naar bed gaan, zonder voor zijn ledikant op de knieën den Heere gevraagd te hebben, of Hij Nel wilde bewaren en... beter maken.
Toen het echter wat langer ging duren, en hij, hoè vreeselijk het zijn mocht, langzaam er aan gewend raakte, vergat hij het wel weer eens.
Want hij raakte er aan gewend, en allen raakten er aan gewend, dat Nel boven lag, strak-bleek op het witte kussen, in de frissche, maar donker gehouden kamer, waar ze moeder bijna onafgebroken in haar omgeving had.
Toch, als hij onder zijn jongens was, luidruchtig en druk en opspelerig als altijd, dan kon ineens de gedachte aan Nel hem beklemmen en benauwen. Hij wist niet, hòe het kwam, maar het kwam, onverwacht, ongezocht, soms midden onder zijn spel. Dan zag hij Nels doodsbleek gelaat, met de moede, maar schitterende oogen. Dan hoorde hij haar matte stem, en dan was hij, èven soms, uit de speelstemming.
Z'n kameraads merkten het op.....
Het was Zondag.
Moe bleef bij Nel thuis, maar de anderen, Daan en Dik incluis, gingen naar de kerk. Met vollen toon klepte de klok, en rustig als steeds kwamen de Rhandenaars naar de kerk.
Als elken Zondag stonden de boeren op het kerkplein, bij den hoofdingang, te wachten tot de laatste slag van tien van de klok had geklonken. Dan werden sigaar of pijpje nog kalm opgeborgen, en gingen ze naar binnen, terwijl de gemeente den voorzang al zong. Cor keek er elken Zondag naar, naar die boeren, en hij telde de slagen van de klok, en keek bij den tienden al naar de deur, want dan kwàm het. 't Ging ook nu nèt zoo.
Na den voorzang een oneerbiedig geschuifel, maar dan was het uit. Dan rezen al die mannen op van hun pas-ingenomen plaatsen, en een plechtige stilte vulde de kerk, waarin alleen de stem van den dominée gehoord werd, die den dank van de gemeente overbracht aan den Gever van alle goeds, maar ook al de nooden dier gemeente neerlei voor "den troon der genade".
Cor wist het, vader had het 's morgens aan de ontbijttafel gezegd: ook voor Nel werd gebeden. Hij luisterde angstig toe: of de Heere dat jonge leven nog wilde behouden; maar als het niet 's Heeren wil was, of Hij ze ze dan wilde opnemen in Zijne heerlijkheid.
Dààr ging het dus om: het was Cor nu klaar: beter worden, òf... sterven. En als het dat laatste was, kon het ook goed zijn voor Nel. Als ze naar den hemel ging...
Hij hoorde weinig van de preek; zijn gedachten zwierven terug naar huis, naar zijn zieke zusje, van wie hij zooveel hield, en waar hij toch zoo vaak onaardig tegen geweest was. Hij dacht over sterven en beter worden, over naar den hemel gaan, of hier blijven, en ook.... wat Nellie zelf daarover dacht.
Toen ze thuis kwamen, sloop hij, nog eer Vader boven was, naar de kamer, waar Nellie's bed stond. Voorzichtig deed hij de deur open, en stak vragend het hoofd door de opening.... Moeder zat aan het bed.... Ze wenkte hem, en hij kwam, voorzichtig, op de teenen.
Daar lag Nel. Ze was bijna koortsvrij; hij zag het, want ze was doodelijk wit.
Zachtjes vroeg Moeder: "was het vol?"
"Ja Moe," zei Cor; "en de dominée heeft voor Nellie gebeden, of ze beter mocht worden."

Nel richtte zich moeilijk op. Haar oogen schitterden. Beter worden.... o, ze wou het zoo graag! Meespelen weer als vroeger, joelen en druk zijn, al bezorgde het haar altijd, vroeger reeds, pijn en moeite.
Wat gaf ze daarom, àls ze maar beter zou worden!
"Zou het kunnen, Moe?" vroeg Nel. "U hebt gezegd, dat de Heer het gebed altijd hoort, en nu hebben ze het allemaal gevraagd: nu zal de Heer het toch wel doen?"
Die vraag deed Moeder pijn. Zij wist immers al lang, dat de Heer het gebed zou hooren, al was het op héél andere wijze dan zij dachten en dan zij gaarne wilden.
"Lieve kind," zei Moeder, "als je eens vèr van huis was, in een vreemd land, dan zou je toch wel graag naar je eigen huis terug gaan, naar je èigen vader en moeder, ook al zou je het in dat vreemde land nog zoo goed hebben? Zoo moeten we eigenlijk altijd leven, als vreemden op aarde. We hooren thuis in den Hemel, bij den Heer. Als Hij roept, moeten we gaan. Hij weet het 't beste. En ik zou o, zoo graag willen dat je beter wordt. Maar als de Heer je roept, dan moet je gaan. Daar moet je over denken. Dàt moet je vragen...."
Over Moeders wangen viel een traan.... 't was zoo moeilijk, zóó te spreken tegen haar lieve, lieve schat, die ze te liever kreeg, naarmate ze zekerder gevoelde en klaarder inzag, haar te moeten missen....
Nel's hoofdje viel terug in de kussens....
Met een angstig stemmetje kwam het: "Maar ik wil nog wel graag beter worden, Moeder...!"
Daar kwam beneden een geluid van jongensstemmen: de broertjes zongen, zacht, gedempt, want ze wisten het: ze mochten Nel niet hinderen. Maar ze vonden het wijsje zoo mooi, dat ze van de week geleerd hadden, en nu zongen ze:
Veilig in Jezus' armen, Veilig aan Jezus' hart, Daar, in Zijn teer erbarmen, Daar rust mijn ziel van smart. Hoor 't is het lied der Engelen, Zingend van liefde en vree......
Nel luisterde en haar oogen begonnen te stralen. Wàt zag ze, dat die oogen op één punt staarden? Wat hóórde ze, dat haar gelaat blij ging staan? Zacht neuriede ze mee het refrein:
Veilig in Jezus' armen, Veilig aan Jezus' hart, Daar in Zijn teer erbarmen, Daar rust mijn ziel van smart....
Niemand zal ooit weten, wat toen in haar kinderziel is omgegaan. Maar toen het lied uit was, en ze moede haar hoofd in de kussens neerlegde, toen herhaalde ze het nog een paar malen wel: "Veilig in Jezus' armen..." en toen legde ze haar hoofdje rustig neder, en viel in slaap.
"Waar of Cor toch zit," zei Vader 's middags. "Zou hij uitgegaan zijn?"
"Ik denk het niet," antwoordde Moeder, die voor een uurtje, nu Nellie toch sliep, zich door Toos liet aflossen. "Ik heb hem niet hooren weggaan, en hij heeft mij niets gevraagd. En ik denk niet, dat hij zonder spreken of waarschuwen weg zal zijn gegaan."

"Ik mis hem anders al een poosje," zei Vader. "Misschien boven op zijn kamertje?"
Vader ging er heen, en ja, daar zat Cor, druk bezig. Hij had een stuk karton met wit papier beplakt, en was nu druk bezig dat witte papier te beteekenen.
"Wat zit jij daar stil, jongen," zei Vader. "Wat voer je uit?"
Cor kleurde.... "Ja, 't is niet zoo héél erg mooi, Vader! Koos zou het mooier doen! Maar ik kan het niet beter!" En hij liet zijn teekenwerk zien: een kaart, waarop met groote letters, in verschillende kleuren, geteekend was:
"Stil zijn op de gang; zacht loopen en geen deuren dicht slaan!"
Vader ontroerde. Was dat die ruwe, wilde jongen? Hij streek hem over het hoofd, en zeide: "Goed zoo Cor; dat vind ik juist héél, héél mooi van je. En waar wou je het hangen?"
"Boven aan de trap, Vader," antwoordde Cor, en als om zich te verontschuldigen voegde hij er aan toe: "Ik wou zoo graag wat doen voor Nel.... en ik wist niets anders.... en het is niet zoo mooi,.... maar mooier kan ik het niet...."
"Ik vind het héél mooi, hoor! En Nel en Moeder zullen het ook wàt aardig van je vinden."
Dien middag hing het verzoek om stilte in de gang, bij de trap. Cor had de gedachte, nu iets voor Nel gedaan te hebben, en dat gaf hem rust.
Na dien Zondag was het, of Nel zich voor goed bewust was, dat ze niet beter zou worden.
"Moeder," zei ze, in den loop van die week, toen ze, na het bezoek van den dokter weer tranen zag in Moeders oogen, — "Moeder, waarom schreit u? Toch niet om mij?"
Moeder trachtte haar tranen te verbergen, en zei: "O, Nel, ik vind het zoo vreeselijk, dat je zoo ziek bent."
"Moeder," zei Nel, "U mòet niet huilen. Als ik niet beter word, ga ik naar den Heere Jezus. Ik weet het zeker...."
"Zou je dan niet liever nog blijven, lieveling?" Moeders zachte hand streelde de sluike haren van haar kindje.
"Natuurlijk, Moe! Maar als ik niet beter word, dan weet ik toch dat het goed is."
Moeder kon zich niet goed houden. Ze ging de kamer uit, en kwam schreiend op 't kantoor. Schreiend van smart, om haar kind, waarvan ze moest gaan scheiden, maar toch ook met innige dankbaarheid, om wat ze gehoord had.
Nellie lag nu met rustige zekerheid. 'n Enkele maal vroeg ze nog: "Toe, laat Daan en Dik nog eens zingen!" En als die aardige jongensstemmen dan "haar versje" zongen, zooals ze "Veilig in Jezus' armen" noemde, dan lag er rust op haar gelaat, en er was iets van een hemelschen vrede.
"Cor", zeide ze, toen ze zich weer benauwd gevoelde, en vreeselijke hoofdpijn haar kwelde, "Cor, ik word niet meer beter. Zal je gehoorzaam zijn en lief voor Moeder en allemaal?"
Cor wist niet, wat hij zeggen moest.
"Ja Nel," stamelde hij.
"En niet meer zoo driftig zijn?"
Cor had wel alles willen beloven, ook al wist hij, dat het niet zoo maar zou blijven. Maar tegenover al het vreeselijke dat hij nu zag, was zijn hart volkomen verteederd, en menige stille bede steeg er uit op: "Heer, maak mij anders, maak me als Nel!"
Tot het steeds erger werd. Nel wilde meneer Van Waalwijk nog eens zien. Hij had haar geregeld bezocht, maar nu, als was er haast bij, vroeg ze nog eens, of hij wou komen. Hij kwam. Hij zat naast haar bedje, en greep haar klamme hand.
"Gaat het goed Nel?" vroeg hij. En Nel begreep het. "Ja," zeide ze. 't Bleef lang stil. Toen vroeg meneer: "Zullen we nog eens samen bidden?" En Nel knikte, dankbaar. Toen vroeg hij teer en dringend, of de goede Herder zich over dit schaapje wilde ontfermen, en het in Zijn armen wilde nemen, en het zoo den schaapstal binnen voeren. En toen nam hij afscheid van haar.
"Zeg.... u.... de kinderen.... van de klas... goeden dag van mij.... en dat ik.... het goed maak," stamelde Nel met heesche, vreemde stem.
"Ik beloof het je, Nel! Tot ziens, lieve kind?"
Nogmaals greep hij de klamme hand. En Nel begreep hem, zooals hij haar begreep.
"In den hemel.... Veilig... in Jezus'... armen."
"Zoo is het, Nel," zei meneer, die bewogen was, door het grootsche wonder van God, dat in dit jonge kinderhart gekomen was.
Na dat bezoek ging het snel achteruit.
O, wat kreeg Nel het benauwd! 't Was, of ze er niet door kon. Nu ze vlak voor de poort van den dood stond, schrikte ze terug. Ze worstelde om te leven; zóó benauwd had ze het, dat ze baadde in haar zweet.
Toen stonden ze allemaal om haar heen; Vader, Moeder, Cor, de broertjes en al de anderen. En haar blik zocht nu den een, dan den ander; maar meest Moeders oogen.
"Benauwd.... naar.... o, zoo naar...." klaagde ze. Ze hijgde steeds heviger.

't Groote oogenblik kwam. In de kamer was al het ruischen van den dood, die kwam, om Nel te halen... Ineens richtte ze zich nòg eens op. 't Was, of ze plotseling beter werd. Er kwam even gloed in haar oogen. "Moeder, Vader, 't is goed! Ik zie den Heer! Nu ben ik niet bang meer!"
Moeder ving haar op in haar arm. En in moeders armen stierf ze. Wat schreide Cor! Nu hield geen valsche schaamte zijn tranen terug, maar hij snikte het uit, hij schokte over het geheele lichaam, nu zijn zusje weg was. 't Was of nu alles wèg was. Zij had hem altijd zoo goed begrepen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Een paar dagen later verliet een droeve stoet het huis, waar zooveel vroolijkheid en blijdschap geheerscht had.
Op 't kerkhof wachtte de klas. Eerbiedig ontblootten de jongens het hoofd, toen de stoet aankwam. En toen de kist weg zonk in de donkere aarde, toen zongen bevende stemmen: "Veilig in Jezus' armen," en er snikten meisjes, en jongens dèden onverschillig; maar in hun hart schreiden ze mee....
Meneer Poorters bedankte de kinderen. "Nellie's naam," zei hij, "wordt nu in het boek van de school geschrapt. Maar het is beter met haar; die naam, een nieuwe naam, is nu opgeschreven in den hemel! Haar aardsche omhulsel is verbroken, maar ze wordt met nieuwe kleederen overkleed. Wij zullen ons lieve kind missen, maar we hebben haar zekerder dan ooit!"
Ja, tòch begrepen de kinderen het, wat hij zeide. Diep onder den indruk verlieten ze het kerkhof.
En in het huis van meneer Poorters was het stiller en leeger dan het ooit tijdens Nel's ziekte geweest was. Allen leden er onder.... de broertjes 't minst, die begrepen er 't minst van.... maar Vader en Moeder hadden een heerlijken troost. Cor had dien troost niet heelemaal. Het was een droom voor hem geweest. Zóó sterk een droom, dat hij nog altijd, zoolang Nellie in huis was, verwachtte dat ze nog wel eens op zou staan, zóó weinig begreep hij van sterven. Maar toen ze begraven was, was ze voor hem wèg uit zijn leven. Alleen de herinnering bleef.... en die deed hem pijn, òmdat ze hem in aanraking gebracht had met den vreeselijken dood, dien hij zelf eens, toen hij bijna verdronk, in de oogen gezien had.
Dat liet hem langen tijd niet los. Zij was veilig in Jezus' armen, en hij?
Hij luisterde wel naar de stem in zijn hart, maar toch — hij probeerde nu door druk-zijn en druk-doen die stem tot zwijgen te brengen. En de menschen dachten, nu ze hem weer véél drukker en beweeglijker zagen dan tijdens Nel's ziekte, dat hij er niet veel om gaf. Maar die er zóó over spraken, wisten er niet heel veel van.
Moeder en Vader zagen het wel. Ze probeerden ongemerkt, door véél betoon van liefde, hem te steunen, en te helpen, en hij was er hun dankbaar voor.
XV. Veranderingen.
Alles ging zijn gewonen gang. Nel's plaats op school werd al spoedig door een ander ingenomen.... thuis werd ze nog steeds gemist, vooral door moeder. Bovendien was die door al de moeilijke dagen bovenmatig vermoeid. Moeder moest nu zelf rust hebben. Dat ging niet zoo gemakkelijk voor haar, om er uit te komen. Maar de Rhandensche gastvrijheid maakte het haar anderzijds weer gemakkelijk. Want velen waren tot helpen gereed.
Ten slotte ging Toos met moeder mee, en zou Cor bij Koos aan huis komen. Ook de broertjes gingen in Rhanden logeeren, en Vader bleef in huis.
Dat was een nieuw leven voor Cor, en het deed ook hem goed. De rustige omgang met Koos had op zijn ongedurigen geest een uitnemenden invloed. En de rustig-kalme toon in het gezin liet al evenmin na, gunstig op hem te werken. Wel raakte hij de gedachte aan Nel niet kwijt, maar hij begon er meer aan te wennen. Ze kwam hier, in deze andere omgeving, verder van hem af, al bleef haar geduldig lijden tot hem spreken. Hij had diepe indrukken ontvangen. Hij had gestaan vlak voor den ernst van het leven; vlak voor den ernst van den dood. In zijn hart was daar wat van achtergebleven, iets dat nog groeien moest; maar het leven wàs er. Hij wilde tegen zijn zonde strijden. Hij wilde, nèt als Nel, zèker zijn, dat hij veilig was.
Hij probeerde nu ook voor zich zelf ernstig te bidden. Telkens, als hij weer kwaad had gedaan dat hij als kwaad kende, schrikte hij van zichzelf terug, en gingen zijn goede voornemens verzwakken.

Hij had gemeend, er dadelijk te zijn, en daarom viel hij zichzelf zoo bitter tegen. 't Was 't volhouden, dat ontbrak, de kracht tot volharden....
Op school werd hard gewerkt, en daarom gingen de meeste jongens er ook graag heen. Van een schoolfeest voor de kinderen was niets gekomen; het zilveren feest was gevierd door een dankstond in de kerk. Want voor ander feestvieren was er geen geld, had meneer Van Waalwijk gezegd. Er rustte zóóveel schuld op de school, dat feestvieren moeilijk viel.
Dat was ze wel tegengevallen, maar ze waren spoedig over de teleurstelling heen, en nu was het wachtwoord: werken.
Het weer werkte daartoe mee: de lange avonden dwongen tot veel in huis zijn. Van groote tochten buiten kwam niet veel meer. Het was ècht najaarsweer geworden. Onophoudelijk kletterde de regen neer; en het was maar op weinig dagen mogelijk, een broek uit het luchteblauw te knippen. Alleen als het stuk blauw tusschen de wolken dáárvoor groot genoeg was, kon je op een beetje goed weer rekenen, meende Jan's moeder. Weken lang leek het er niet op. En toen het uitgebuid had, toen kwam de wind. Gelukkig, dat het blad van de boomen was; anders hadden ze er van gelust! Nu liep het af met wat dood hout, dat afknapte. De Rhandensche jeugd ging de bosschen in, om dat te zoeken.
Ook op den Derker hadden ze toegang. De dames stonden altijd houtsprokkelen toe. Dat gaf dan een gezellige drukte.
't Was anders bij Jan thuis druk genoeg.
Onverwacht was het opgekomen.
Op een goeden Decembermorgen kwam Jan met een bedrukt gezicht op school.
"Wat is er met jou?" vroeg Cor hem.
"Nou, óók lekker.... ik ga van school af...!"
"Van school àf?" vroeg Cor op ongeloovigen toon.
"Ja jô, gerust."
Cor kon er niet over uit.
"Waar is dat goed voor?"
"Omdat Vader van den Derker af gaat. Hij is er bijna dertig jaar geweest, nog bij de moeder van de Dames, en nou gaat hij voor z'n eigen beginnen. Hij kan het niet uithouden...." D'r waren meer jongens bijgekomen.
"En ga jullie daar dan vandaan, uit dat huisje ook?"
"Nog al natuurlijk, want we gaan in Dalen wonen. Daar heeft Va een plaats gekocht, en die gaan we bewerken."
"En jij?" vroeg Cor.
"Meehelpen natuurlijk; en Gert gaat ook mee met zijn vader; ze gaan zoowat allemaal weg van den Derker — 't lijkt wel of de dames straat-arm geworden zijn. D'r blijft maar één huisknecht en de meiden, en de huisknecht zou misschien in 't huis van ons komen wonen.
Wat vonden de jongens dàt vervelend, één uit hun gezellige kringetje weg....
Een paar dagen later bleek, dat ook de dames zelf wèg zouden gaan: de boel stond "aangeslagen" en in groote advertenties werd in de dagbladen aangekondigd de openbare verkooping van de gunstig gelegen buitenplaats De Derker.
Cor verloor in Jan één zijner beste en trouwste Verkenners. Wèl kwamen ze niet vaak meer bij elkaar. 't Werk, en vooral het weer, verhinderden dat. Maar de winter bood zoo kostelijk gelegenheid om plannen te maken, opdat een volgend jaar alles véél beter zou gaan.
Als Jan weg was — dan bleef er niet veel over, waar Cor op rekenen kon. Koos Venema wàs geen echte verkenner; die zwierf eigenlijk liever op zijn eentje, en die gaf meer om zijn vogels en zijn andere dieren, dan om de jongens.
Neen, dacht Cor weer, zóo mocht hij niet denken. Koos was zoo ècht hartelijk voor hem geweest, de dagen, dat hij bij Venema in huis was geweest. Hij wàs nu eenmaal een heel andere jongen dan zij allemaal.
Nog één keer, voor Jan weg ging, moesten ze er op uit. Nog één Woensdagmiddag naar de hei. En zoo trokken ze op een laten Decembermorgen met hun oude clubje naar den Steen.
Het had gesneeuwd. Heerlijk-blank strekte nu de eindeloos-wijde heide zich uit, waarin alleen de voetpaden en de karsporen donkere strepen trokken.
Het dennebosch op den achtergrond leek wel één groote verzameling van kerstboomen, waaraan alleen de lichtjes ontbraken. In de plaats daarvan schitterde het licht in de vele ijskegels, die van de takken afhingen.
De stilte, onder de lage lucht, die vochtig neerhing, was huiveringwekkend. Elk geluid viel er in als een steen in een ruit: het brak de stilte met scherpe krassende geruchten. Het regelmatige geknerp onder de stage voetstappen der jongens klonk helder in die stilte op.
Hu, 't was koud.

Theo liep, tegen zijn gewoonte in, stil er bij. 't Was hem te koud. Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, zijn kraag hoog opgezet, de pet over de ooren getrokken, zoodat alleen een neus en een paar brilleglazen te zien waren.
"Zeg, jô, wat heb jij een lollige bui!" zei Jan Arps tegen hem.
Theo bleef zwijgen. Moeizaam ging hij voort door de sneeuw, en telkens wischte hij de tranen weg, die de koude hem uit de oogen dreef.
Koos en Cor liepen druk te praten. Koos wees de mooie lijnen aan, de mooie lichtplekken, en hij kende het spoor van de konijnen. Ze hadden, in 't bosch, een bepaalden weg platgetreden in de sneeuw. Koos wist het: die liep uit op water. Maar ze wilden nu dat spoor niet volgen, anders werd het te laat.
Jan probeerde nog eens, met Theo aan den slag te komen. Hij riep Dirk, het broertje van Koos, te hulp. "Zeg, Dirk, laten we dien eens nemen!"
Ze bleven een eindje achter, en maakten flink wat sneeuwballen. En toen ze er goed wat hadden — en de anderen, behalve Koos en Cor, hadden zich bij hen gevoegd — toen moest Theo het ontgelden. Een ware regen van sneeuwkogels kwam op hem los, en hij kon het niet harden: hij trok de handen uit de zakken, en zette het op een loopen, zoo hard hij kon. De anderen hem na. Ze haalden hem spoedig in, maar juist toen Jan vlak bij hem was, liet hij zich lang uit vallen, precies voor Jan, zoodat die over hem heen tuimelde. En nu werd het één klit jongens in de sneeuw. Koos en Cor kregen er òòk schik in, en die begonnen nu het kluitje door elkaar rollende jongens te bombardeeren, waarvan een deel zich tegen hen richtte.
Zóó, zonder afspraak, ontstond een prettig sneeuwgevecht. De ballen vlogen door de lucht, naar alle zijden. En er waren goèd ràke bij. Maar de meeste kwamen toch los op Theo's arme hoofd, in zijn hals, tegen zijn rug. Hij was nu wel heelemaal los gekomen, want hij gooide terug zoo hard hij kon. Ineens hield het op.
"Ophouden, jongens!" schreeuwde Theo. "Mijn bril is stuk!"
Op de sneeuw vielen een paar bloeddruppels. Daar schrikten ze van. "Hoe komt dat? Wat is er? Is het erg?" klonk het doorelkaar, een beetje angstig.
't Was niet zoo héél erg. Alleen was één glas stukgegooid, en had het scherpe glas Theo's neus gewond. Het bloeden hield spoedig op, gelukkig, maar de bril was stuk.
"Zoo, dat is mooi! Dat kost m'n vader weer een daalder," zei Theo, die werkelijk verslagen keek. Nijdig voegde hij er tegen Jan aan toe: "Als jij niet begonnen was, zou het niet gebeurd zijn. Jij mocht het wel betalen."
Neen, dat ging niet, vonden de andere jongens. Jan alleen moest dat niet doen. 't Zou geen aardig aandenken aan de Rhandensche Verkenners geven! Maar ze zouden het sàmen doen. Ieder wat betalen....
"Misschien hoeft je vader het dan niet eens te weten, als we strakjes meteen even naar Degenkamp, den brillemaker, gaan! Dan laten we hem meteen inzetten!" Ja, zoo moest het dan maar. "Want ik durf er gerust niet mee aankomen thuis. Vader klaagt tòch al zoo, dat alles zooveel kost," zei Theo, en met een ineens weer ondeugend gezicht voegde hij er aan toe: "Net of ik dat kan helpen!"
Ze waren intusschen den Steen genaderd. Die lag daar omgeven door ongerepte sneeuw.
Ze vonden al spoedig de plek, waar ze elk hun steen hadden neergelegd, boven op de belofte, dat ze niets zouden vertellen over het feest toen de Koningin kwam.
Hier zou Jan van de Rhandensche Verkenners afscheid nemen.
"Zeg, een beetje kort hoor!" drong Theo aan. "Het is reuzenkoud!"
Cor wou de doos hebben, waarin ze hun belofte hadden verborgen. Hij probeerde met de handen de aarde los te woelen; maar het lukte niet; de grond was al wat hard geworden. Dan met een stok. Die was spoedig opgezocht, en nu lukte het; de grond werd losgewoeld; maar wàt ze vonden.... geen doos....
Dat gaf een ontsteltenis.... waar was die gebleven? Ze schopten met hun hakken het gat grooter, maar vonden niets. Ze begonnen met hun handen het dieper te maken, maar geen doos!
"Het was toch hier! we hebben toch precies hier de steenen weggehaald!" zei Cor, teleurgesteld. "Je ziet den indruk van de steenen nog in de sneeuw, dus hier moest het wezen...."
Of het er al mòest wezen — dat gaf niet veel. De doos was er niet. Dat was belangrijker.

Tot opeens Theo uitvalt: "Maar wie hebben de steenen aan den anderen kant opgestapeld! Ik weet het nog zeker, want ik stond met m'n rug naar het bosch!"
Nu herinnerden de anderen het zich ook. Dus waren de steenen verplaatst. Door wien? Wie moest dat gedaan hebben? En was de doos er nog? Cor wilde het met alle geweld weten.
"Nou maar, ik dank je, 't wordt me te koud en 't duurt me te lang: en ik moet nog naar Degenkamp ook, met mijn bril. Ik zoek niet meer. Ga je mee, jongens?" stelde Theo voor. "'t Kan me eigenlijk ook niets schelen. Ik geef er niets om. 't Is toch allemaal flauwiteit."
Cor stond er paf van.
"Wat?" stoof hij op. "Flauwiteit! Van jòu is 't flauwiteit; jij bent flauw. Jij hebt altijd alles dwarsgezeten. Nooit ècht prettig meegespeeld. Is me dat een boel geweest? Je kon nòòit wat met jou beginnen."
En hij foeterde door, en had Theo wel aan willen vliegen.
"Toen je mee mocht naar den Burgemeester, toen vond je het wèl goed, hè? Maar als we ècht speelden, dan had je altijd wat tegen te sputteren. Is dat flauw, of is het niet flauw?"
Zoo regende het verwijten op Theo's arme hoofd.
"Maak je niet dik! Maak je niet warm! 't Is hier koud genoeg," plaagde Theo.
"En wie z'n schuld is het, dat 't kamp wèg moest? Ook jij, hè?" beet Cor hem toe.
De anderen stonden er om heen.
Wat moesten ze doen?
Koos kwam op Cor af.
"Nou, ik zou maar ophouden. 't Is nou mooi genoeg. En 't is voor Jan heelemaal niet aardig. Laten we de heele boel nou maar opdoeken!"
Cor stribbelde nu niet tegen. Hij zag duidelijk in, dat het uur voor de Rhandensche Verkenners geslagen had. Hij had er nog wel met Theo om willen vechten, nèt als dien anderen keer, dien eersten, toen hij bij de Rhandensche jongens werd ingelijfd. Maar 't kalme optreden van Koos hield er hem van terug.
"Ja, dan moet het maar!" gaf hij toe. "Er is met jullie toch niets te beginnen. 't Spijt me voor Jan!"
"En de contributie?" kwam Theo tusschenbeide.
"Daar kan jij een brilleglas van koopen. Er zal wel niet heel veel meer zijn!"
"En 't vaandel?" vroeg Theo alweer.
"Dat zet je in 't Rhandensch museum, dat er niet is," plaagde Jan, die 't eerste zijn goed humeur weer had teruggekregen.
Maar Cor besliste: "Dat houden wij, Koos en ik. Wij hebben het gemaakt. Jullie hebben er niets mee noodig."
"Mij best," zei Theo alweer. "Als ik het maar weet!"
En zoo gingen ze uit elkaar, in booze onvriendelijke stemming.
Cor wilde Theo niet meehebben.... Met Jan en Koos liep hij den Bergweg af. Ze zouden Jan gaan wegbrengen. Hun weg voerde hen langs het kerkhof. Daar lag Nel onder de blanke sneeuw.... En Cor dacht aan wat vader op 't graf gezegd had: over dat mooie, nieuwe kleed, waarmee Nel bekleed was. Hij liep zwijgend door. Zou 't zoo wit zijn als die sneeuw? vroeg hij zich af.
Hij huiverde. Zou Nel 't ook zoo koud hebben? Maar hij wierp die vraag vàn zich. Dwaasheid, redeneerde hij wijs bij zich zelven. Tòch liet het hem geen rust.
"Hier ligt Nel zoowat, is 't niet?" vroeg Koos.
Cor knikte.
Zwijgend gingen ze voorbij. De sneeuw knerpte onder hun voeten....
Nee, 't was niet mooi om nu zoo uiteen te gaan, met ruzie. Dat kòn niet, dacht Cor. 't Mòest anders. Hij zou het met Theo weer bijleggen. En met de anderen ook. Ze naderden den Derker. Jan nam afscheid. Koos en Cor gingen verder. Vòòr ze uit zagen ze Theo met nog een paar anderen. Dirk, Koos' broertje, was er ook bij.
"Willen we ze inhalen?" stelde Cor voor.
Koos vond het goed, en ze zetten er de pas in, en hadden ze spoedig bereikt.
"Zeg, Theo," viel Cor onverwacht uit, "ben je nog kwaad?"
Theo keek op, verrast.
"Kwaad? Nee hoor, heelemaal niet geweest."
"Niet liegen, jô," zei Koos.
"Nou ja, zoo'n beetje wel. Maar als Cor ook zóó begint, dan word je van zelf wel kwaad," antwoordde Theo.
Gelukkig, dat liep goed af, dacht Cor.
Maar de Rhandensche Verkenners zouden nooit weer opstaan, dat gevoelde hij levendig!
Een paar dagen na Kerstmis ging Jan weg. Ze brachten hem naar 't station, en namen afscheid van hem. Cor beloofde, te schrijven, en Jan ook. Maar daar kwam niet veel van.... 't bleef bij de belofte.
't Kringetje werd kleiner. Nu bleven eigenlijk alléén Cor, Koos, en Theo over. De anderen waren tòch niet veel meer dan "bijloopers" geweest.
En toen de winter voorbij was, en Mei in 't land kwam, toen gingen ook die uiteen. Theo ging naar de kweekschool, een eind weg. Hij zou alléén met de vacantie thuis komen. En Koos ging naar de H. B. S., waarvoor Cor zakte.
Dus.... Cor moest op school blijven. 't Beviel er hem niet meer zoo goed, nu zijn beste vrienden weg waren. Maar vader wilde er eerst niet van weten hem er af te nemen.... Cor had niet zòò gewerkt, als hij kon. Daarom mòest hij blijven.
Zoo ging Cor een tweede jaar in dezelfde klas in. De grootste aardigheid was er voor hem af. Toch hield hij van meneer Van Waalwijk. En die wist het hem weer gemakkelijk te maken, zoodat hij tot werken kwam.
Maar thuis ging het niet goed. Na Nel's sterven was moeder nog niet de oude geweest. Het drukke huishouden viel haar te zwaar.
En zoo werd besloten, dat Cor nog een poosje zou gaan naar een kostschool. Hij vond ook dàt eerst erg naar maar voor moeder deed hij het graag. Hij wist, dat hij de drukste en woeligste van allemaal was. En dan — 't beloofde wat nieuws! Zoo trok hij na de groote vacantie welgemoed een nieuwe toekomst tegen. Nog één dag waren ze saam geweest: Theo, die met vacantie thuis was, Koos en Cor. De oude plekjes waren opgezocht. Theo had z'n oude streken uitgehaald, Koos had het nog altijd druk over zijn dieren, en Cor wist van elk plekje waar ze kwamen wat te vertellen. Natuurlijk kwamen ze ook bij den Steen.

Nu gooiden ze den steenhoop, dien ze ééns opgericht hadden, uit elkaar.... want net zoo was 't met de Rhandensche jongens gegaan.
Ze dachten later met genoegen terug aan de dagen, toen ze als Rhandensche jongens vochten en speelden, en ook.... ernstig waren en groot deden!
Onuitwischbaar bleven in Cor's hart leven de herinneringen aan Nel. En 't waren ernstige herinneringen. Want in die dagen voor 't eerst had hij ernstig gebeden.
EINDE.
Transcriber's Notes:
Het oorspronkelijke boek bevatte geen inhoudsopgave. Deze is toegevoegd voor het gemak van de lezer. Hoofdstuk VI bleek tweemaal voor te komen. Daarom zijn vanaf dat punt de hoofdstukken VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII en XIV hernummerd naar VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV en XV. De volgende typografische fouten zijn verbeterd: Enkele geneste dubbele aanhalingstekens zijn veranderd in enkele aanhalingstekens: ["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij "meneer" op 't "bero" moest komen. Dan] —> ["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan] [oud-Randensche] —> [oud-Rhandensche] [Die zijn zoon Driekes] —> [Die zijn zoon Driekus] [hij seheen wat beweeglijk] —> [hij scheen wat beweeglijk] Nog een geval van aangepaste aanhalingstekens: ["wel, Nel, wou je nog zoo'n "schattig"] —> ["wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'] [Nu werd Co nog] —> [Nu werd Cor nog] [van zich of.] —> [van zich af.] [Jongens, een Randensch spook] —> [Jongens, een Rhandensch spook] [Het Randensch dialect] —> [Het Rhandensch dialect] [altijd maar woensdagmiddag] —> [altijd maar Woensdagmiddag] [niet meer de weerdes in] —> [niet meer de Weerdes in] [het andre hout,] —> [het andere hout,] [Toe sloeg Cor] —> [Toen sloeg Cor] [uit de loopgrijze lucht] —> [uit de loodgrijze lucht] Verder zijn er zijn enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd.