Front matter (continued 2)
Reading edition
"Laat ze maar komen." Cor zei het gewichtig, en nog gewichtiger volgde er op: "Geen lawaai maken, hoor! Of we gooien jullie allemaal d'r af!"
"Nee, nee...." Theo luisterde niet eens naar het slot, was al weg, dadelijk weer terug, gevolgd door een stuk of acht jongens, die verbaasd rondkeken.
"Welkom in deze prèchtige vergèderzèl, inderrdèd, mijne heeren." 't Was natuurlijk Theo, die den burgemeester nadeed.
"Nou, weet jij het beter? Heb jij een andere? Zeg het dan maar", deed Cor, geraakt.
"Geen flauwiteiten asjeblieft", kalmeerde Koos. "Ga jullie zitten op de eerezetels..." en hij wees op de gereedstaande kisten.
"Zoo fijn zit je bij je moeder niet, jô!" Theo nam Gert, den sulligen dikkert van den molenaar, bij den schouder en drukte hem op een kist neer. "En nou kom ik naast je zitten. Zoet wezen, hoor?"
Hoe kwam die Gert er bij? vroeg Cor zich af. Wat moest je met zoo'n jongen beginnen?
"Wat nou?" vroeg Cor aan Koos.
"Weet ik het?" antwoordde deze. "Ik ben niet begonnen. Jij moet het maar weten."
"Vooruit dan maar...." en Cor zette een ernstig gezicht, maar Theo vulde weer aan, "... met de geit," en al de jongens schudden van het lachen, want Theo keek schuin naar Gert, die zelf braaf meelachte.
"Eén moet er voorzitter wezen, anders schieten we niet op," zei Theo nu weer.
"Dat weet-ie van zijn vader natuurlijk, van den gemeenteraad; maar wij weten het even goed", viel Jan Arps uit.
Onverstoorbaar vervolgde Theo:
"Dàt wil Jan Arps dus wezen. En dan een secretaris".
"Daar ben jij wel goed voor, met je bril", betaalde Jan Arps hem nu.
Theo's bril wipte gevaarlijk.
"Met 'n bril schrijf je niet; inderdèd, dat jonge mensch dèr moet stilzwijgen...."
"Zoo schieten we niet op....", "'t geeft allemaal niks...." "niks heur....", klonken de stemmen nu dooreen.
"Komt allemaal, doordat jullie me niet laten uitspreken", vervolgde Theo, en, alsof ze hem niet in de rede gevallen waren, zette hij voort:.... "en dan moet er een penningmeester wezen natuurlijk."
Alweer gingen de monden open. Het leek wel een Poolsche landdag. Ieder had wat te vertellen, en ze schreeuwden door elkaar als een troep kakelende kippen.
"Theo heeft gelijk...." "Hij weet d'r niks van..." "'t Is hier geen gemeenteraad...." "Asjeblieft zoo deftig niet...." "Wie moet er voorzitter wezen?"
Dikke Gert zat met een sullig gezicht rond te kijken: "'t Is hier een pan, heur", bromde hij. Maar meteen was Theo er bij: "Stil zijn, maat; jij niks zeggen; je zou zoet wezen!"
Algemeen gelach bracht ontspanning. Daarvan maakte Ben van den dokter gebruik. Hij had tot nog toe gezwegen, eens rondgekeken, maar nu kwam hij kortaf met de mededeeling: "Jullie zitten allemaal te kletsen...., je weet er geen van allen iets af. Hier heb ik het, van Pa, wat we doen moeten, en Pa zegt, dat er een groote bij moet zijn, anders zijn we geen echte Padvinders. En dan moeten we ons bij den bond aansluiten. Lees maar!"
Drie, vier handen reikten naar het kleine boekje, en Theo drong langs dikken Gert heen, en drukte, toen deze trachtte op te staan, hem met geweld weer op de kist terug, die gevaarlijk kraakte.

Maar Ben gaf het boekje aan Cor.
"Cor moet het lezen", besliste hij. "Die is met het plan gekomen, en die moet dus lezen, hoe het moèt."
Ja, dat was goed, vonden ze. Ze dachten er aan, hoe ze, dien avond, hem als Brinio op het schild hadden geheven....
"Waar moet ik beginnen? Had me van tevoren dat boekje even gegeven", vroeg Cor.
Ben zocht het op.
Cor keek 't door, en begon:
Padvinderswet.
1. Het woord van een Padvinder is altijd te vertrouwen.
2. Een P.V. is trouw aan de Koningin....
"Dat spreekt van zelf", viel Koos in de rede. "Dat hoef je niet te zeggen; net zoo min als dat je op je woord vertrouwd moet worden.... Als 'r anders niet komt, is 't snert, hoor!"
"Heelemaal geen snert", viel Ben snibbig in. "Want de socialen dan?" Met triomfantelijk gezicht keek hij den kring rond.
"Nou, den dieè is raôk", zuchtte Gert, die een flinken opstopper van Theo op zijn rug voelde. Doch Ben meende, dat de opmerking op zijn woorden sloeg, en hij betrok Gert er in.
"Wat zeg jij d'r van, Gert?"
"Jaô, wat ikke zeg.... wat zôl ikke zeggen... ikke zeg, as dat...."
Verder kwam de goeie dikkerd niet; want Theo zat hem nu met zijn oogen te bewerken, en Gert schoof over den piependen en krakenden deksel heen, tot die het eensklaps onder hem begaf, en met een krak stuk ging. Daar zat de goeie Gert in de kist gezakt, en een luid gelach maakte hem nog meer verslagen dan hij al was.

"Waar ga je nou naar toe, Gert?", vroeg Theo, zoo meewarig mogelijk.
"Ikke? Ik zak in de kist", kreunde de dikkerd, die poogde, uit zijn moeilijke positie te geraken. Rappe handen hielpen hem, zoodat hij weer op de been kwam. Theo keerde de kist om, en zette Gert, die nu geweldig tegenstribbelde, er weer op.
"Doorgaan, jongens....", maande Ben.
"Ikke gâi maor liever; 't is niks veur miên", meende Gert.
"D'r zitten hier geen spoken", plaagde Jan Arps, die ineens Gert voor zich zag, bibberend en wel, op dien gedenkwaardigen Woensdagavond.
"We moeten ook dikke jongens hebben, en sterk, om den wagen te trekken. Dat kan jij doen Gert!"
Ben meende het goed, al was zijn opmerking wat erg onhandig.
"Doarvoor hûuf ik gên paadvinder te wezze", merkte Gert droog op. "Kâan ik bie miên vàòder even goed."
"Laat hem gaan jongens, als hij niet wil."
't Was Cor, wien 't begon te vervelen, dat ze niet opschoten, en die bovendien van den saaien jongen niets hebben moest. Zoo ging Gert dan weg, en ze hoorden hem de trap afklossen.
"Waar was ik ook weer gebleven?" vroeg Cor na die stoornis.
"Bij de Koningin, en dat je die trouw moest zijn en Koos zei, dat je daar geen P.V. voor hoefde te wezen, en toen zei ik het van de socialen, en daar was Gert het mee eens...." lichtte Ben in.
"Gert is nou weg; dat kan ons dus niks schelen; dan ga ik verder", en Cor las door:

2. Een P.V. is trouw aan de Koningin, aan het Vaderland, aan zijn Ouders en Vrienden.
"Dat is mooi", merkte Jan op. Maar Ben vroeg nuchter-weg: "En Gert dan?"
"Zeur toch niet, jij met je Gert!.... We zijn nog geen P.V. En hij is toch geen vriend van ons, zoo'n saaierd."
Theo raakte er bij in vuur. En de meeste jongens gaven door een luidruchtig voeten-getrommel hun instemming te kennen.
"Nou ga ik weer verder", zei Cor, en hij las:
3. Een P.V. heeft tot plicht anderen te helpen en voor anderen nuttig te zijn.
"Hou maar op!" riep Koos nu. "Dat weten we allemaal wel. Zulke dingen hoef je niet te zeggen. Dat doen we natuurlijk allemaal."
Een nieuwe discussie, even verward als de vorige, ontspon zich nu over de vraag, of ze voortgaan zouden, ja dan neen. Ongeduldig vroeg Koos eindelijk:
"Staat er niets anders in dan zulke flauwiteit?"
Cor merkte uit die vraag, dat hij gevaar liep Koos te verliezen. Hij keek vragend Ben aan, of die hem kon helpen.
"Natuurlijk", haastte Ben zich nu te zeggen. "Natuurlijk: over de onderscheidingsteekens, en het groeten en de oefeningen en het boschleven en het Kampeeren."
"Dat is wat anders", zei Koos, en zijn gezicht vroolijkte op; "dat is wat anders. Daar heb je wat aan. We moeten dus maar een club oprichten."
"Een troep", verbeterde Ben, "en er moet een troepleider zijn ook."
"Dat wordt Cor natuurlijk", besliste Koos.
"Kàn niet, want de troepleider moet ouder zijn, en...."
"Kan ons niet schelen... hebben wij niet mee te maken. Wij doen het, zooals ze zelf willen...."
De anderen waren het met Koos eens. Wat gaven ze om die padvinderij, waar ze geen van allen 't rechte van wisten? Ze waren de geschiedenis met 't spook op den Steen nog niet vergeten; nu zou Cor hun Brinio zijn; nu werd hij de wezenlijke aanvoerder!
Cor zelf hield zich stil.
"Wat zeg jij er nu zelf van Cor?" vroeg Theo, die in zijn plaaglust er van glunderde, om Cor even in de war te brengen.
"'k weet van die geleerde Padvinderij niet meer af, dan wat ik er in Haarlem van gezien heb, en gelezen in Kakkerlak bij de Padvinders. Dat is leuk, 't boek tenminste, en hoe de padvinders mekaar overal helpen; maar jullie moeten het zelf weten. Als je Ben eens nam", stelde hij voor, "die schijnt er goed in thuis te wezen...."
Hij wist dat ze van Ben niet gediend waren, die was wat aanstellerig en opschepperig uitgevallen; daar zouden ze zeker niets van willen weten.
Ben zelf voorkwam hen.
"Neen, dat gaat niet. 't Staat er duidelijk", en hij begon weer te lezen:
"doch bij sommige patrouilles wordt de leider bij meerderheid van stemmen voor den tijd van een jaar door de leden zelf gekozen...."
"Zie je wel", viel nu Theo hem in de rede, "we kunnen dat doen, als we willen."
"Niet waar", zette Ben onverstoorbaar voort. "Want er volgt:
"Dit is echter niet aan te bevelen voor pas opgerichte afdeelingen."
"Daarom moeten we een ander hebben, die weet hoe het hoort."
"Nou niet langer zeuren, jongens. Doen of niet doen?" mengde Koos er zich weer in. "Ik blijf d'r bij: Cor moet onze hoofdman wezen, en anders heb je op mij niet te rekenen."
"Op mij ook niet.... op mij evenmin — ik doe dan ook niet mee...." klonk het nu van verschillende zijden.
Uit dat verwarde gepraat bleek in ieder geval duidelijk, dat ze Cor wilden hebben. En die wou eigenlijk zelf òòk wel graag.
"Nou, als jullie dan allemaal het willen, vind ik het ook goed", zeide hij kalm, maar in zijn oogen flikkerden vlammetjes van blijdschap en trots.
Maar nu stond Ben op. Met een gezicht, zoo ernstig als hij maar zetten kon, begon hij: "Maar ik doe niet mee."
"Ook flauw", viel Theo hem in de rede, maar er gleed een glimp van vroolijkheid over zijn gezicht, die volkomen in tegenspraak was met zijn woorden.
Zonder veel op Theo's interruptie acht te slaan, vervolgde Ben nu, uit de hoogte:
"Ik wil wèl aan echte padvinderij meedoen, maar niet aan zulken onzin."

En nijdig liep hij naar het trapgat, waardoor hij spoedig verdween.
't Gaf een oogenblik van stilte, maar Theo, die eigenlijk blij was dat Ben, dien hij nooit goed had kunnen zetten, vertrok, riep hem na: "Daar gaat-ie weer voor niks! Da's nommer twee!"
Ze bleven met z'n tienen over. Maar ze zouden doorzetten, en 't niet opgeven. De club moest heeten: "De Rhandensche Verkenners", ze zouden Zaterdags er op uittrekken; loopen of fietsen. Wel had Henk Staden geen fiets, maar dat was geen bezwaar: ze zouden er een leenen of huren of wat dan ook. Maar er aan komen zouden ze zeker. En anders gingen ze allemaal loopen. Als je echt diep het bosch in wou, langs allerlei geheime paadjes, dan was loopen het beste, vond Koos, vooral als je met véél jongens ging.
"En weet je wat er ook in het reglement moet staan? Dat niemand mag vloeken, en dat je aan den leider gehoorzaam moet wezen", merkte Jan Arps nog op.
Natuurlijk, dat sprak vanzelf, vonden ze. Je was en bleef toch altijd baas, wien je tot de club toeliet of niet.
En dan — ze moesten zien er jongens bij te krijgen. Ze zouden marcheeren, "maar niet op den weg hoor, daar dank ik je voor!" En spoorzoeken.... "dan zet Theo een bril extra op!".... En in de groote vacantie op de hei kampeeren.... daar de contributie voor bewaren: vijf cent per week.
Ja, dat zou wel ècht zijn! Als de jongens van die plannen hoorden, kwamen ze er misschien wel allemaal bij! Cor besloot met een: "We krijgen jongens genoeg, wat ik je zeg!" en de vergadering werd zonder plichtplegingen ontbonden met een: "Nou jongens, tot Woensdag — om twee uur, op den Bergweg, bij den Derker!"
Waarop ze met een vriendschappelijk: "Hadie", vertrokken.
Cor ging aan 't kisten sjouwen. "Daar laten ze me ook lekker alléén voor zitten", pruttelde hij. De broertjes kwamen naar boven.

"Toe, helpen jullie even?" Nu was het gauw afgeloopen.
"Jullie bent nu nog te klein, maar als je grooter wordt, kan je óók Rhandensch Verkenner worden", zei hij gewichtig. En toen hij er meer van vertelde, hadden de broertjes het nog nooit zoo jammer gevonden als nu, dat ze nog maar zulke kleine ukken waren, naar Cor ze wijs maakte.
Ze hielden zich groot.
"We kunnen best meedoen; allerlei, wat groote jongens niet willen, kunnen wij dan wel doen. Nu helpen we je toch ook?"
Om er een eind aan te maken, beloofde Cor ze, dat het misschien nog wel gaan zou. Ze moesten maar wachten — ze waren gauw oud genoeg, om óók bij de Verkenners ingelijfd te worden.
"Hoe oud moet je dan wezen?" vroegen ze.
"Ja, eigenlijk is 't voor de jongens van de hoogste klas."
"Dat duurt zoo lang, nog wel drie jaar zeker. Maar 't hindert niks, hé Ko?", vroeg de eene helft van de tweeling aan de andere. "Dan gaan wij ook in onze klas Verkenners maken, en daar mogen de jongens uit de hoogste klas niet bij!" Zoo troostten ze zich, en druk plannetjes makend, gingen ze aan 't spelen.
VII. Cor vindt het thuis niet prettig en verdrinkt bijna.
"Nou, en ik zeg, dat we het doen moeten; en dan het onder den steen neerleggen; en dan wat groote steenen er bij sleepen, zoodat er een heele steenhoop komt..."
"En als ze het dan weghalen? Dan lachen ze ons allemaal uit in Rhanden."
"Geef ik nièts om. Laat ze maar lachen. En dan, als we een gat graven, en het er in stoppen, vinden ze het niet zoo gauw; rèken maar...!"
"Wat wil je d'r eigenlijk opzetten?"
"D'r opzetten? Natuurlijk zooveel als een reglement, van de Rhandensche Verkenners, en dat we nooit vloeken, en dat we beloven, mekaar te helpen. Dan moeten ze allemaal d'r naam er onder zetten; allemaal bij den steen, en dan...."
"Net of ze durven!" merkte Koos op.
"Dan komen ze d'r niet bij. Wie niet durft, komt niet bij de club; Verkenners moeten durven," antwoordde Cor.
"Dan zie jij maar dat je het klaarspeelt met de jongens... ik zie d'r nog niet veel van komen."
Koos liep door, en Cor ging naar binnen. Hij had het plannetje gemaakt, maar Koos vond het natuurlijk weer niet leuk, Die vond het weer opschepperig en aanstellerig. Je kon nou nooit eens prettig spelen met die jongens!
Ze waren een paar keeren saamgeweest, op den Beukenweg, bij den Derker. En Cor zag al duidelijk in, dat er nog héél wat water door den Rijn moest stroomen, eer ze goede, echte Verkenners waren.

Hij kon er bijna geen orde onder houden. Ieder kwam, naar 't scheen, enkel om z'n eigen zin te doen. Ze wilden allemaal beginnen met het moeilijkste; spoorzoeken, en mekaar besluipen en overvallen, en vechten. Maar dat ging toch zoo niet. "Nou eerst behoorlijk gaan marcheeren," had Cor gezegd. Doch ze sputterden tegen. "We hebben toch geen gymnastiek!" Cor had volgehouden. "Toch moet het, anders komt er niets van." En hij was aan 't commandeeren gegaan als een eerste onderofficier: "Aan-tre-jen! Nummeren! Rechts, richt U...." En dan maar marcheeren.
"Hooi-om, strooi-om", spotte Theo, toen 't bleek dat Jan Arps den pas niet kon houden, en als hij rechts moest zwenken, het links deed. Cor commandeerde, tot hij er schor van werd: "Eén-twee; één-twee, één-twee!" 't Was dien eersten keer bijna op een formeel gevecht uitgeloopen.
Cor begreep, dat 't zoo niet gaan zou. Den volgenden keer moest er wat anders verzonnen worden. Ze zòuden dan spoorzoeken, op hun manier, hij zòu ze d'r zin geven. Hij had zijn pet verstopt in een boschje kreupelhout, en toen moesten ze zoeken. Zelf had hij enkele takjes afgebroken, waardoor hij de plaats gemakkelijk dacht weer te vinden.
Ze waren aan 't zoeken getrokken; kwamen de een vóór, de ander na uit het kreupelhout weer te voorschijn, maar zonder pet. Ten slotte moest hij, wilde hij niet blootshoofds naar huis gaan, zelf er op uit, en vond niet dan met de grootste moeite de plek terug.
Zoo was dan ook hun "speuren" zonder eenig gevolg geweest. Ze hadden pleizier gehad, nu ja, maar niet eens buitengewoon... 't Was hun tegengevallen.
Cor dacht aan Ben van den dokter. Wat zou die een pret hebben, als hij hoorde, dat het zóó liep. Want ze hadden toch wel wat anders bedoeld. En Cor kon het niet velen, dat het mis zou loopen. 't Moèst goed gaan. Dan dacht hij: een oudere er bij vragen...? Nu ja, maar wièn dan? Ze wisten niemand, ook Koos en Jan niet, en Theo evenmin... Toen kwam er een nieuw plannetje in hem op; zoo zou het gaan en konden ze nog eens een prettigen middag hebben ook.
Maar nu vond Koos het weer niet echt. Jan en Theo kreeg hij wel mee. Tóch maar dóórzetten, overlegde hij, en hij ging naar zijn kamertje.
't Was stil in huis, eigenaardig stil. De zon die fel stond te schijnen op zijn raam, zette de kamer in gelen gloed.
't Was warm. Hij liep even de gang op, hield een glas onder de kraan, liet 't lekker overstroomen, en dronk in één teug het glas leeg. Hè, dat viel frisch in je maag! Maar wat was dat voor gestommel en gesteun? Dat deed zoo vreemd nu in deze stilte, zoo wonderlijk... het kwam uit moe's slaapkamer.

"Ben u daar, moeder? Mag ik komen?"
Hij wachtte het antwoord nauwelijks af, en opende de deur.
"Waar ruikt het hier naar?" vroeg hij, ruw opsnuivend. 't Was een gemengde geur van eau de cologne, aether en Hofmandruppels.
Moeder zat in den stoel, een doek om het hoofd. Wat zag ze vreeselijk bleek! Cor schrikte ervan. Niemand lette eerst op hem, vader niet, en Toos niet, de oudste. Ze betten moe's voorhoofd, en hielden haar polsen vochtig.
"Wat is er met moe, Toos?" vroeg hij gedempt.
"Stil.... voorzichtig.... moe heeft een flauwte.... vooral stil zijn.... ga jij nu maar weg..."
Zoo had hij moeder nog nooit gezien.... Geen wonder, dat 't zoo stil in huis was. Hij begreep er anders niets van. "Is 't erg?" vroeg hij.
"'k Weet het niet," fluisterde Toos, die juist weer een zakdoek met eau de cologne bevochtigde... "'k weet het niet.... van de warmte, denk ik... straks komt de dokter.... ga jij nu weg...."
Maar Cor ging niet. 't Was toch zijn moeder ook? En als er wat aan scheelde, mocht hij er toch ook bij zijn? Alle andere gedachten waren ineens bij hem weg; die ééne bleef: moeder ziek.... dáár, zoo benauwd hijgend, doodsbleek....
"Cor, jongen, ga jij naar beneden," klonk nu vaders stem.
Nu durfde hij ook pa vragen: "Is 't erg, pa?"
"We hopen van niet. Maar jij kunt nu niets doen... Ga naar de huiskamer. Straks komen we weer."
Wat gerustgesteld ging hij naar beneden. Was hij bij 't binnenkomen maar eerst de huiskamer ingegaan, als altijd! Dan had hij 't wel geweten! Maar nu wist hij er natuurlijk niets van....
Hij vond alleen Zus in de huiskamer.
"Weet jij, wat het met Moe is?" vroeg hij.
"Neen," zei Nellie.
"Als 't maar niet erg is," opperde Cor. "Moe was zoo bleek; heelemaal wit."
"Toos zei, dat het te warm was voor Moe, en te druk. Wij zijn ook altijd zoo druk..." liet ze er op volgen.
Ja, dat was wel waar, dacht Cor. Erg druk en wild. Moe moest wel vermoeid worden van al dat verbieden.
"Hè, Nellie, als Moe eens echt ziek werd!"
"Nou, ik hoop het niet, hoor!"
"Dan zou Toos wel voor het eten zorgen, denk je niet?"
"Ja, maar 't zou toch heel naar zijn voor Moeder."
"Ja...." En Cor bedacht met schaamte, dat het voor Moeder het ergst zou wezen.
De bel ging. Hij vloog naar de deur, om er 't eerst te wezen en open te doen.
't Was de dokter.
"Moe is boven, dokter," zei Cor wat bedeesd.
Ze zaten met hun tweetjes in angst te wachten, tot ze de traptreden weer hoorden kraken. Cor maakte, dat hij in de gang was.

Toen hij zag, dat Pa dokter uitliet, wilde hij teruggaan. Maar de dokter had hem al gezien.
"Dus, meneer Poorters, volkomen rust een paar dagen, dan zal het wel weer gauw in orde komen," hoorde hij zeggen, en het juichte in hem: "Gelukkig!"
Dokter kreeg hem in 't oog.
"En jij bent zoo'n Rhandensche Verkenner?"
Cor kreeg een kleur.
"Ja, dokter!"
"Gaat het nog al? Ben had geen zin, geloof ik?"
"Neen, dokter.... er zijn wel jongens, maar..."
"Nou, wat maar?"
"Ja, bèst gaat het nog niet. 'k Weet er nog niet alles van, ziet u!"
Dokter lachte eens.
"Nou, als alles goed gaat, dan wordt ik begunstiger van jullie club, hoor!"
"Asjeblieft, dokter...."
't Was gek, dacht Cor... bij anderen, onder zijn jongens, had hij zoo'n praats.... nu kon hij bijna niet uit zijn woorden komen! Zeker doordat hij zoo geschrikt was van Moe's ziekte.
"Gaat het al beter, Pa?" vroeg hij.
"Gelukkig wel.... maar Moe moet volkomen rust hebben, en zich vooral niet opwinden.... dus doodstil, vent.... en dan hopen we dat de Heer haar spoedig geheel beter maakt...."
Vader ging weer naar boven.
"Ik mag toch wel naar mijn kamertje, Pa?"
"Best hoor, maar.... stil."
Cor ging, maar de liefhebberij voor zijn plannetje was door dit alles verminderd. En dan die vraag van dokter! Toch — opgeven zou hij het niet. Volhouden. Als moe nu gauw beter werd.... Pa zei, dat de Heer haar beter moest maken... Dan moest je het vragen, dacht hij. Zou hij het doen...? en de club? Hoe moest het daarmee? Troosteloos zat hij op zijn kamertje, op een stoel bij het venster. De zon scheen nog altijd even fel.... 't was warm, loom weer.... geen wonder eigenlijk, dat Moeder 't niet uit kon houden als ze maar beter werd, want anders.... ja, wat dan? Zou hij het den Heer vragen? Zou het helpen? Hij had eigenlijk nog nooit misschien oprecht gebeden; 't ging alles zoo buiten hem om. Hij was altijd vol van zijn plannen.... alleen niet van zijn werk. En ja, 's Zondags ging hij mee ter kerk, maar waar dacht hij aan? Aan wat hij hoorde 't minst, ook al omdat hij het niet altijd begreep. En dat lange stilzitten....
Hij kon niet snel denken, zooals anders, wanneer allerlei hem voor den geest warrelde. Maar daardoor juist, doordat het nu zoo langzaam en eigenlijk traag ging in zijn hoofd, zag hij het zooveel beter.
Hij moest maar naar beneden, naar Nellie en de anderen.

Vooral naar Nellie. Die was anders dan hij, beter.
Hij ging naar beneden, en vond daar Nel, kalm bezig met tafeldekken. Ze had nu die taak van Toos overgenomen, en, ging rustigjes haar gang.
"Wil ik je helpen, Nellie?" vroeg Cor.
"Neen, dank je, ik kan het zelf wel."
"Gelukkig hè, dat 't niet erg is met Moe! 'k Hoop dat Moe gauw beter is...."
"Nou, ik ook," antwoordde Nel, wat verstrooid.
"'t Is ook zoo warm. Heb jij er ook last van? Je hebt zoo'n hooge kleur."
't Viel hem ineens op, dat Nel er eigenlijk heelemaal niet voordeelig uitzag. Scherp-rood kleurden 'n paar plekken zich op haar in-bleek gezicht af, en er lag iets teers over haar heele wezen.
"Ja, òf ik...." zei Nel, en ze dribbelde naar de kast om wat messen te krijgen.
Cor greep een boek, en ging zitten lezen.
Ze kwamen nu binnen, de anderen; de broertjes, minder druk dan gewoon, en vader, met een bezorgd gezicht. Minder luidruchtig dan anders schaarden ze zich om de tafel, waar Moeders plaats leeg bleef.
Vader en Toos bedienden nu; 't duurde langer dan anders.
Bij 't gewone tafelgebed vroeg vader, of de Heer Moeder wilde zegenen, en haar wilde herstellen, want dat ze allemaal Moeder zoo misten....
Ja, dacht Cor, dat is waar.... als de Heer het nu maar deed! God kon alles; Moe beter maken ook. Hij had getracht wézenlijk méé te bidden, z'n hart op te heffen.
Ze aten stil. Vader vroeg, als gewoonlijk, naar allerlei, maar 't was of hij er niet geheel en al bij was. Alleen de broertjes waren druk. Ze kibbelden als gewoonlijk; zij bleven niet lang onder den indruk.
Na tafel ging ieder zijn weg. 't Gezellige thee-uurtje liepen ze nu al mis. Anders kon Moeder ze zoo prettig even bezighouden, vooral de broertjes. De grooteren gingen nu dadelijk aan hun werk en de broertjes speelden wat in den tuin.
Cor zocht zijn kamertje op. Even, zoo voorzichtig mogelijk, opende hij de deur van moe's slaapkamer. O, Moe sliep zeker. Doodstil, de oogen gesloten, lag ze neer op bed.
Gelukkig, dacht Cor, en hij ging met een verlicht hart naar zijn kamertje.
Eerst zijn sommen maken. 't Ging aardig van avond; al heel gauw had hij er drie. Maar de vierde wou niet. 't Was ook zoo'n gekke percentsom. Hij probeerde, maar 't lukte niet. Nog eens, maar hij zag er geen gat in. In de vijfde ook niet. Uitscheiden dan maar.... 't Gaf toch niet.
Van alles warrelde nu weer door zijn hoofd: zijn plannetje met de "Rhandensche Verkenners," de sommen, Moe's ziekte, de warmte.... o ja, nu nog z'n woordjes nakijken. In vijf minuten kende hij ze, dacht hij. En toen was hij klaar. Even naar beneden, kijken of Toos al thee had. Zou Nel al klaar wezen met haar werk?
"Heb je thee, Toos?" vroeg hij, en sloeg uit gewoonte, ruw de deur achter zich dicht.
"Voorzichtig toch, jongen!! Je maakt ook altijd lawaai. Nou slaapt Moe even, en jij zal ze door je drukte wakker maken!"
"Dat weet ik," antwoordde Cor.
"Wat weet je?" vroeg Toos.
"Dat Moe slaapt. 'k Heb het gezien, daar net, eer ik ging werken."
"Dat moet je niet weer doen, Cor," zei Toos nu, rustig. "Vader wil het niet, want Moe moet rust hebben."
"Nou, en 't is zeker mijn moeder net zoo goed als de jouwe, 'k heb toch zeker evenveel recht om te kijken, hoe 't met Moe gaat, als jij?" stoof Cor in eens op.
"We zullen het wel eens aan Vader vragen." Toos hield zich in, maar ze werd tòch boos. Je kon het zien.
"Nou ja, zoo bedoel ik het niet," zeide Cor nu. "Als het niet mag, dan lààt ik het...."
Hij dronk zijn thee en ging de kamer uit. Hij had geen zin om thuis te blijven. Lusteloos drentelde hij even naar 't magazijn, maar daar zag hij niemand. De broertjes waren op stap met Henk, een van de knechts.
Dan ging hij ook nog maar eens den Berg op, of de stad in. Misschien zag hij nog wel één van de jongens.
't Was nog even drukkend-benauwd; zelfs de wind was warm; en 't stof, dat de wind opwierp, kwam warm weer op je neer. De handen slap langs z'n lijf, loom-traag, slenterde hij over de Hoofdstraat. Inplaats van den Berg op, ging hij den kant van den dijk uit... daar zou het koel zijn, dacht hij.
Hij liep bij Theo aan. Dien kreeg hij mee, en Koos ook.
Hè, 't was hier wat frisscher, heel wat beter dan in de stoffige straat. Ze drentelden langs den dijk, en sloegen een pad door de uiterwaarden in, naar 't veer. Daar waren méér jongens.... ze hadden zich juist ontkleed en zouden gaan zwemmen.

Daar was Cor dadelijk bij, en Theo en Koos ook. Hè, wat poedelen die jongens heerlijk in dat lekker koude water! Cor voelde z'n eigen vreeselijke warmte... en dan aan baden denken!...
"Ga je mee baden? Ik doe het," voegde hij er onmiddellijk aan toe.
Wat zouden ze doen? Theo en Koos waren er ook voor te vinden.
"Kan je zwemmen?" vroegen ze aan Cor. "Natuurlijk! 'k Heb het dikwijls genoeg gedaan in de zwemschool...."
"Maar in de rivier? D'r zit hier trek in 't water... en als je in den stroom komt, dan ben je weg. Daar houdt een groote kerel het nauwelijks uit!"
"'t Zal best gaan," en Cor trok zijn kousen al uit, "we blijven maar aan den kant."
"Als de veerman komt, jaagt hij je weg...."

"Nou, dan zorgen we maar, dat we dien uit den weg blijven...."
Cor maakte zich de borst nat, en liep reeds het in 't late zonnelicht glinsterende water in.
Hè, dat was heerlijk! Hij bukte en liet zich op zij vallen, en deed een paar stevige slagen, die hem in dieper water brachten, verder dan één van de andere jongens al was. Die kenden hier den bodem, wisten de trekgaten, en hielden zich aan den kant, waar een zandplaat was, in één der vele bochten van de rivier.
"Voorzichtig, jô!" schreeuwden ze hem toe.
Maar Cor vond, dat het lekker ging.
Hoe heerlijk droeg hem dat koele water! Telkens boog hij het hoofd opzij, en liet zich door de kalme golfjes aaien. Hij proestte de fijne druppels om zich heen, en ging al verder en verder; hij voelde den stroom al, en werkte er lekker tegen in. De jongens aan den kant keken naar hem, met bewondering voor zijn durf, maar ook met angst.
"Hij gaat te ver," zei Koos tegen Theo. "'k Zal hem roepen." En met krachtige slagen naderde hij Cor, dien hij toeschreeuwde terug te keeren.
Cor luisterde niet.... "'t Gaat best zoo, fijn hoor!" riep hij terug. "Ik kom dadelijk terug!"
De jongens begonnen te roepen en te schreeuwen: "een stoomboot, een stoomboot!"
Ja, daar om den hoek kwam de groote Düsseldorfer boot met de hooge raderkasten. De schepraderen brachten het water in krachtige beweging, en de jongens langs den kant maakten, dat ze op de zandplaat achter de krib kwamen, voor de zuiging.
Cor kende het gevaar niet; slechts langzaam ging hij weer op den oever aan.
Maar 't werd toch vreemd. Hij moest nu tègen stroom op en tègen de golven in. Hij werd al wat moe, want 't was héél ander zwemmen dan in de badinrichting! Hij begon krachtiger de armen uit te slaan, maar 't was te laat; de zuiging trok hem mee; hij viel op zij, en de jongens zagen hem worstelen tegen den stroom, .... 'n angstig oogenblik.... ze gilden, om de opmerkzaamheid van de boot-bemanning te trekken... Koos wierp zich weer in de rivier, om te trachten, Cor te grijpen, maar die dreef al mee, bijna willoos.
Theo had in minder dan geen tijd alles overzien... De veerman kwam al op het geschreeuw aanloopen, en sprong in de veerschuit.
Nog zagen ze Cor's hoofd, maar je kon merken, dat zijn tegenstand verslapte.
Ook op de boot hadden ze hem bemerkt, en 't gevaar, waarin hij verkeerde, begrepen. Angstig verdrongen de passagiers zich op het dek.... de boot stopte... ze zouden een boot uitzetten.... maar voor dat gebeurd was, een plons in het water.... een dekknecht was over boord gesprongen. De jongens keken in uiterste spanning toe, en Teun de veerman roeide wat hij kon.

Ha, de redder had Cor beet! Nu roeien, dacht Teun... hij kwam nader bij.... Koos zwom langs de schuit, Theo zat er in te bibberen, vooral van angst, en de knecht van de Düsseldorfer boot kwam op hun roeiboot aanzwemmen.
Ze schrikten, toen ze Cor zagen: willoos slap liet hij zich door 't water voortduwen.... ze moesten hem met moeite in de boot hijschen, en zijn redder klom er ook in; die begon, terwijl Teun naar de boot roeide, Cor bij te brengen.
Gelukkig — hij sloeg de oogen op, begon water te braken. Zoover was hij dus al geweest.
Ze brachten den knecht naar zijn boot; langs een uitgehangen stalen ladder klom hij omhoog, en werd door de passagiers met een hoeraatje begroet.
En toen: zoo snel mogelijk terug. Teun zette met krachtige slagen de boot in de richting van het veerhuis, en weldra kwam de drenkeling aan land.
In 't veerhuis hielpen ze hem verder. Koos haalde de kleeren, en na een half uurtje wandelden ze met hun drieën den weg op naar huis.
Cor bleef wit zien. Hij rilde, al was 't nog warm. Hij zat vreeslijk in angst. Ineens zag hij alles weer thuis: Moeder ziek, en hoe ze rustig moesten wezen, en alles moesten vermijden wat Moe kon doe schrikken, of wat opwinding bracht. Hij durfde bijna niet thuiskomen. Wat moest hij zeggen?
"Zeg jongens, niet vertellen, hoor! Niets d'r van zeggen; dat ze het thuis niet merken!" vroeg hij.
"D'r waren er meer bij," zeide Koos, "en als die d'r mond nou houden...."
"Probeeren. Als ze niet zwijgen, krijgen ze op d'r kop," zei Theo. Nu hij zijn bril weer op had, reed die weer ruiter-te-paard; hij begreep dat je die andere jongens maar zóó niet den mond snoerde. Rhanden was klein — 't zou wel gauw bekend worden... dan zouden ze wel zien.
't Was half donker toen Cor thuis kwam. Gelukkig nu kon hij bijna ongemerkt naar boven gaan. Hij stak even z'n hoofd om de deur van Pa's kantoor, en riep een "Nacht Pa, ik ga maar naar bed," groette de anderen vluchtig, en toen, voorzichtig naar boven.
Nu wist hij niet, hoe het met Moe was. 't Zou wel gaan, hoopte hij. Hij ontkleedde zich spoedig, en kroop in bed. O, ja, nog bidden. Voor Moe ook. Dàt alleen? Danken? Omdat hij nog leefde, niet verdronken was? Wat dàn? Als hij eens verdronken was, door zijn eigen schuld? Want 't was weer zijn woestheid, zijn onbezonnenheid geweest, die hem in zoo groot gevaar had gebracht. Hij rilde, al was 't warm. Hij voelde weer 't water om zich opspatten..... 't zweet brak hem uit aan alle kanten... 't gonsde roezemoezig in zijn hoofd.
De broertjes lagen al te slapen, dwars bijna in hun bed. Die hadden het òòk warm. Je kon merken dat Moe er niet geweest was. Kwam Moe nu maar, dan kon hij het vertellen.... dan kreeg hij rust. Maar Moe was ziek...en hij moest den Heer bidden.... en danken.... voor de bewaring.... en anders worden...
Zoo kwamen zijn gedachten weer terug, waar hij begonnen was, en zoo tobde hij voort, tot hij koortsig insliep.
"Was er wat met Cor?" vroeg meneer Poorters 's avonds aan Toos. "Hij leek zoo stil."
"'k Denk, Vader, dat hij het naar vindt, dat Moe ziek is," antwoordde Toos. "Maar ik merkte er niet veel van."
Eer ze naar bed gingen, liep Pa even Cor's slaapkamer op. De broertjes hadden gewoeld, Pa dekte ze toe. Cor lag met een geweldig rood hoofd, druk te bewegen. Pa wou het dek even goed leggen.
Zóó als Cor, in zijn slaap, iemand aan zijn bed voelde, rees hij op, en, met verschrikte oogen, staarde hij rond.
"Jô, niet zeggen aan m'n vader, hoor! Anders schrikt Moeder, en dat mag niet, en dan krijg ik!" broddelde hij in zijn slaap.
Meneer Poorters keek verbaasd op. Er wàs dus wat.
"Neen, hoor, ik zal niets zeggen," stelde hij gerust. Hij legde Cor neer, die onmiddellijk weer doorsliep.
Maar den volgenden morgen vroeg Vader hem, wat er gebeurd was. Hij schrikte. Wist Vader het? Hoe?... Hij dacht er niet langer over, maar vertelde alles eerlijk weg....
Hij schreide, toen hij Vaders schrik zag, en eerst de woorden van zijn vader brachten hem het groote gevaar voor den geest, waarin hij verkeerd had.
Meneer Poorters was eigenlijk te dankbaar, om hem nog te straffen. Z'n oogen stonden vol tranen.
"Jongen, jongen, àls je nu eens verdronken was, of als je er niet zoo goed was afgekomen! Wat zou ik dan aan Moeder moeten zeggen!"

Ja, daar ijsde hij van. Hij zweeg....
"Wat dacht je wel, toen je je machteloos voelde tegen den stroom?"
"Ik dacht, dat ik ging slapen, en wou maar stil gaan liggen, en dan ineens begreep ik het weer even, en ging weer probeeren te zwemmen, maar ik had het niet langer volgehouden."
"En als je nu verdronken was, wat dàn?"
Ja, hij wás nu eenmaal niet verdronken. Hij vocht bij zich-zelven met die gedachte. Mocht hij zóó onverschillig zijn? Zóó ondankbaar wezen?
"Pa, ik wòu wel dat ik anders was, maar ik kàn haast niet. 't Komt telkens weer terug, van zelf...." En hij schreide, in angst, en omdat hij wel anders wilde....
Moe mocht er nog niets van weten.... 't zou haar toestand kunnen verergeren, en 't was juist veel beter, ze Pa.
Daar was Cor nog maar blij om....
Hij voelde zich zelf wel mòe, wèl vervelend, maar zou nu tot geen prijs hebben willen thuisblijven. Hij trok dus naar school.
Gek, ze wisten 't allemaal al. En Koos en Theo hadden het nog al verzwegen. Dan waren die anderen aan 't praten geweest.
"Is je snoek al gaar?" Daar werd hij mee ontvangen. En zijn ernstige stemming verdween, en kwam zelfs niet terug, toen meneer in 't gebed den Heer dankte voor de bijzondere bewaring, en hij dien morgen bij de Bijbelles nog eens wees op de bede: "Leid ons niet in verzoeking."
Maar bij oogenblikken kwam toch de angst weer bij Cor boven. Heelemaal kwijt raakte hij het niet.
VIII. Van een onweer, een brand en een bluschpartij.
't Is Woensdagmiddag, de laatste voor de vacantie.
Koos en Cor en Jan en Theo zijn er weer op uit.
't Groen is al aan 't donkeren; 't is zoo dicht, dat het bijna geen zon meer doorlaat.
Ook in 't bosch is het benauwd warm. Zoo'n warmen zomer hadden ze eigenlijk nog nooit beleefd, dachten de jongens. Dag aan dag felle zonneschijn, afmattend, en al weken bijna geen regen. 't Kon niet tot regenen komen. 't Mocht al dreigen, 'n enkele druppel kon vallen, de zoo gewenschte gestadige regen bleef uit. De laatste avonden had het wel gerommeld in de verte, aan de overzijde van de rivier. Maar de rivier had het weer tegengehouden, zeiden de boeren.
Toch groeit er onweer. De zonneschijn is niet meer zoo hel; de lucht is gedekt, en een valsche gloed glijdt over de landen, en in het bosch is het donker, somber, broeiend.

Geen vogelgeluid laat zich hooren; de vogels houden zich stil tusschen het groen. Hoogstens zien de jongens een verschrikten eekhoorn voor zich uitschieten. Ook Cor ziet die dingen nu. Hij heeft leeren kijken, anders en beter, dan toen hij nog enkel grootestadsjongen was. Loom vallen ze neer in het zachte mos.
"Hè-hè," geeuwt Theo, en hij zegt: "gelukkig dat het Woensdagmiddag is. 't Moest altijd maar Woensdagmiddag zijn!"
"Nou, én óf," antwoordt Koos. "En dan er op uit." Zijn oogen dwalen tusschen de stammen, of hij niet wat zag; maar 't lukte niet; 't was of alles wat leefde en bewegen kon, zich schuil hield.
"Ja," zegt Cor lusteloos, "maar dan niet te ver. 't Is weer net zoo warm als...."
".... toen jij bijna verdronk," vult Jan Arps aan.
"Wat weet jij daarvan? je bent er niet eens bij geweest," antwoordt Cor.
"Net of we het niet allemaal precies weten. En dat je zoo in de war zat ook! Nou; 't was dan ook danig dom om verder in 't water te gaan dan de jongens, die de trekgaten kennen!"
"Of ik in de war zat.... 't meest voor Moe..."
"O ja," valt Koos nu in de rede, "weet je Moe het al?"
"Gelukkig ja! Vader heeft het haar verteld, toen ze wat beter werd, en 't mocht van den dokter. Maar nu mag ik bijna niet meer uit; in elk geval niet meer de Weerdes in; dat heb ik Moeder moeten beloven. En ik ben blij toe, dat Moeder het weet. 't Was zoo vervelend... je moest net doen, of er niets was, en ik durfde haar bijna niet onder de oogen te komen...."
"Nou 't is gerust goed afgeloopen nog," vervolgt Cor.
"Ik dacht, toen ik je òm zag vallen: die is er geweest. En als die knecht van de Düsseldorfer niet in 't water gesprongen was, dan weet ik het niet..."
Cor wordt stil. Ja, 't was wèl benauwd geweest. Gelukkig maar, dat Moeder nu weer heelemaal beter is, en alles thuis zijn gewonen gang gaat. 't Had een kleine week geduurd, en Moe moet nog wel voorzichtig wezen, maar gelukkig is ze weer beneden.
"Heeft je Vader nog wat gehoord van dien knecht?"
"Ja, hij heeft aan de directie geschreven, of die wilde onderzoeken, wie me gered heeft, want Teun de veerman wist het ook niet. Die wist alleen dat het er één van de Düsseldorff II is geweest. En toen Pa het wist, heb ik hem moeten bedanken, en uit mijn eigen spaarpot wat moeten sturen, om cadeautjes te koopen voor zijn kinderen," vertelt Cor.
Zoo liggen ze en luieren en babbelen voort, en toch wil er geen gang in komen.
"'t Is goed, dat we niet zijn gaan oefenen van middag" zegt Jan. "'t Zou te warm wezen."
"'k Zou niet weten, waarom," antwoordt Cor. "D'r is met jullie en die andere jongens niet veel aan te vangen. Wat hèb je zoo aan een club? Je kunt hem net zoo goed niet hebben."
"Wat wou jij dan met zoo'n warmte doen? Zeker vuurtje stoken. Je krijgt nou heelemaal niks van de jongens gedaan." Jan Arps had vast een erg luie bui vandaag. "En dan dat marcheeren en zoo. Wat is daar voor aardigs aan?"
"Nou Jan," zegt Theo goedmoedig, "dat zeg je ook maar, omdat je 't zelf niet goed kan."
Jan doet of hij het niet hoort.
"Je hebt er 't land aan, om hooi-om, strooi-om te spelen, niet?"
Jan verwaardigt zich niet antwoord te geven.
't Blijft een poosje stil.
Koos is verdiept in de beschouwing van een paar kevers, die druk aan 't scharrelen zijn. "Doodgravers, jongens!" roept hij, en hij schuift voorzichtig op zijn buik vooruit. De anderen komen er bij. En de kevers zijn druk aan den arbeid; met hun sterke achterpooten graven ze den grond weg onder een dood muisje vandaan.
"Kijk eens," zegt Koos. "Kijk eens...."
Maar hij voleindigt zijn zin niet. Want Cor heeft een stokje genomen, en brengt dat in eens, ruw, bij de kevers, die hij daardoor verjaagt; ze maken, dat ze wegkomen.
"Dat is weer laf van je, flauw! kinderachtig!" stuift Koos op. "Wat heb je daaraan? Laat die dieren begaan. Ze doen jou toch geen kwaad? Je bent altijd zoo vervelend!"
"Of jij met je beesten. Wat geef ik nou om die kevers? En of d'r eentje meer of minder is, dat hindert niet. 'k Heb 't voorjaar nog meikevers gehad, aan een draadje. Dat was pas leuk."
"Heelemaal niet leuk; dierenplagerij! Ze moesten jou aan een touw leggen!"

"'t Lijkt er haast op," viel Cor in de rede.
"Waarom?"
"Omdat ik voortaan niet vrij meer uit mag. Eerst vragen, en zeggen waar ik heen ga. Daar ga ik toch ook niet van dood? Nou, en die meikevers ook niet...."
Koos merkt 't wel.... 't geeft niets. Cor hield niet van dieren. Nou ja, een hond ging nog. Maar al dat wondere leven in de natuur, daar zagen de jongens niets van. Ze wilden het niet zien, leek het soms. Eigenlijk wàs hij ook anders dan de jongens, dat voelde Koos zelf. Hij hield niet van dat eeuwigdurende vechten, van al hun drukke doen. Hij zocht ze telkens op, ja, maar telkens stelde het hem weer teleur. Hij kón het niet velen dat ze ruw waren tegen zijn dieren. Ze mochten hem er tusschen nemen — daar was hij wel aan gewend; maar ze moesten zijn dieren met rust laten. En dat was voor Cor een heele toer!
"Zeg jô, wanneer komen de verkenners weer bij mekaar?" vraagt Theo ineens. "Want dat wordt tijd."
"Ja," en Cor is meteen op zijn stokpaardje, "ja, maar wat moeten we doen? 't Geeft zoo weinig, zoo als 't nu gaat. We moeten wat verzinnen. Ik weet wat leuks."
En hij begint zijn plan te ontvouwen, 't plan waar hij op dien middag toen Moeder ziek werd, al tegen Koos over gesproken had.
Ze moesten nog eens wat extra's hebben: wat voor de verkenners alléén. Hij zou een reglement van de club opschrijven; op een héél groot vel papier, zoo, dat er veel ruimte overbleef. En dan moest het begraven worden onder den Steen, en dan moest iedere jongen er een kei op leggen: zooveel jongens, zooveel keien. Maar — het moest een groot geheim blijven, dat niemand wist. Dàt zou een heerlijken middag geven! En. als ze het deden, dan moesten ze wachten uitzetten, die niemand doorlieten.
"En als nou je vader of de Burgemeester of Sterkhouwer net aankomen, die kan je toch niet tegenhouden?" vraagt Theo.
"Neen, dat is niet noodig. Maar dan geef je een teeken: tweemaal, scherp, op de vingers fluiten; dat beteekent onraad, en dan scheiden we er uit, en doen alsof er niets is. En elken keer, als er een jongen bijkomt, moet die ook het reglement onderteekenen; dan graven we het op en dan komt er weer een steen bij!"
"Ja, dat lijkt wel aardig. Dàt moeten ze doen."
"En dan kampeeren?" vraagt Jan.
"In de groote vacantie; vast", antwoordt Cor. "Dan maken we een tent..."
"En waar moet je die zetten? Sterkhouwer zal je kostelijk danken, om hem op de hei of in het bosch te laten staan. Daarvoor is hij niet te vinden natuurlijk...."
"Nou ja, dan vragen we of het op den Derker mag, op de hei aan de overzijde van het huis." Cor weet overal raad op.
"En de tent, hoe komen we daar aan?" vraagt Theo.
"Zal ik wel aan mijn vader vragen", antwoordt Cor.
"Ik wed, dat het wel lukken zal."
"Ja, en verdrinken kun je op de hei òòk niet", plaagt Theo droog-weg.
"Hou asjeblieft op met je flauwiteit. Je moet niet denken, dat je aardig bent, hoor!"
Cor wordt boos. Dààrover hoeven ze heusch nu niet meer te zeuren. Het was erg genoeg geweest. En dat is allemaal voorbij, gelukkig.
"Dat vind ik ook", zegt Koos. "Zie je, van dien steen, dat kan me niet schelen. Maar dat kampeeren, dat kan wel leuk zijn. Toch geloof ik niet, dat we mogen van onze vaders. En 's nachts dan?"
"Ja, 't zou pas ècht zijn, als we er 's nachts ook konden wezen. Maar..."
"Probeeren", stelt Cor voor. "Misschien mag het."
"En eten dan?" Theo denkt al met schrik aan zijn kostelijke eten, dat hij misschien niet zou krijgen.
"Dan leggen we een kampvuur aan. Aardappelen schillen kan ik wel..."
"...vierkant snijden zeker?" vraagt Theo.
"Nou ja, maar als 't moet, gaat het wel. En dan brengen we groente mee van huis, of bussen. Moe maakt altijd in flesschen in. En vleesch —." Dat zou moeilijk gaan. Daar wist hij geen raad op.
"Toe Jo, we vangen een haasje, en braden dat aan het spit. 't Kan hoogstens wat zwart branden, en misschien wat rookerig smaken..."
"Dat mag niet. Je mag niet stroopen."
"Dan schiet er niets anders over, dan géén vleesch te eten", besluit Cor plechtig.
Ja, zóó zou het wel gaan, dachten ze. En ze staan op, om den weg naar huis weer in te slaan.
Ze komen op den Berg.
"Buitenkant gaan?" stelt Cor voor, die nog altijd 't prachtige gezicht op de rivier niet kan vergeten.
Ze nemen den weg langs den rand. Daar slingert zich de rivier weer, nu gemakkelijk tusschen de zomerdijken gehouden. Er heerscht bijna volmaakte rust op de uiterwaarden. Loom en lui liggen de koeien; met tragen slag vlerkt een wei-leeuwerik op, en verdwijnt uit het gezicht.

Zwarte rookpluimen teekenen den weg af, dien de sleepboot neemt, die een heele sleep achter zich aanvoert. En aan de overzijde: het vlakke land, met hier en daar een alleenstaande boerderij, een kleine groep huizen rondom de kerk; op den achtergrond hoogopgaand hout, waarboven een torenspits nog even tegen den donkeren hemel afsteekt.
Nu mòest er wel onweer komen. 't Kon haast niet anders. Zwarte donderkoppen pakten zich samen, en dreigend trokken ze op de rivier aan.
In de verte flitste het al door de donkere lucht. Ze zagen de hel-lichte zigzag-lijn, en een verwijderd gerommel drong tot ze door. 't Komt naderbij; inééns merken ze het: heftig stuift de wind aan; de takken zwiepen en de lucht is in minder dan géén tijd aschgrauw.
"Voortmaken, jongens!" zegt Cor, "of we komen niet droog thuis!"
Nauwelijks had hij het gezegd, of daar flitste een blauw-roode straal, onmiddellijk gevolgd door een dreunenden, maar ineens afgebroken donderslag. 't Was of alles tegelijk in één fel-rooden gloed was gezet.
Ze schrikten, en waren nog nauwelijks van den schrik bekomen, of een tweede slag, heviger nog dan de eerste, ratelde om ze heen. En nu, boven de rivier ook, was het vreeselijk aan den gang. Blauwe en rosse en geel-witte bliksemstralen schoten in zigzaglijnen door de angstig doffe lucht, en 't hield niet op met onweeren. De donder sloeg tegen den berg aan en rolde weer terug. 't Was één en al gerommel en geloei.
O, wat zaten ze in angst!
"Niet onder dien boom schuilen," riep Koos tegen Cor, die onder een eik wilde wachten tot een bui wat minder was. "Dat is gevaarlijk."
En Cor, die geleerd had, al wilde hij 't niet weten, kwam er onder vandaan, en ze holden langs den smallen rand, achter elkander aan.
"Brand!" schreeuwde Theo ineens. "Brand! Onder aan den veerweg! kijk eens!"
Zware rookwolken stegen omhoog, uit een hooiberg, die achter de hoeve van boer Arendsen lag.
Wat een rook! Hoe zwart! Die stak zelfs tegen de sombere lucht nog scherp af!
Maar in 't midden, vlak boven den hooiberg, was een rosse gloed, verraderlijk.
Verstomd van schrik bleven ze staan. Hoe klein waren ze, met al hun drukte, al hun beweging, al hun verbeelding, te midden van al dit vreeselijke.
En daarbij keerde de wind; de berg wierp de bui terug naar de rivier, waar nu de bliksem geen oogenblik van de lucht was.
"Zoo gaat de hoeve van Arendsen er aan!" riep Koos. "Zie maar, jongens, de bosschen brandend hooi vallen er al op."
Cor kon zich niet inhouden.
"Jongens," zei hij ineens, ongewoon en ongemaakt plechtig, "we moeten helpen. We zijn niet voor nièts Rhandensche Jongens. Vooruit!"
En, zooals dien eersten keer, toen ze met meneer van Waalwijk op trap waren geweest, werkte hij zich nu, zonder aan gevaar voor zich zelf te denken, door de struiken.
Theo, Koos en Jan volgden hem, en één voor één kwamen ze onder aan den berg uit het struikgewas te voorschijn, en op een draf ging het naar den Veerweg.
Daar zag het er kwaad uit, bij boer Arendsen.
De hooiberg brandde fel, de vonken vlogen in de richting van het huis. Boer Arendsen had de paarden al uit den stal gejaagd, de weerden in. Angstig blatend stond de geit nog vast aan de pen, achter het huis.
Cor zag het. Zien, denken en doen waren nu één bij bij hem. Hij vloog er op los, tusschen het huis en de brandende massa in; met één ruk was de pen uit den grond, en hij sleurde de geit, die van schrik heelemaal van de kook was, weg.
Arendsen was bijna radeloos.
"O, Heere, Heere, mijn boeltje!" bad hij hardop. "Laat ik het mogen houden!"
Daar stortte met donderend geraas de kap van den hooiberg naar omlaag. Dat gaf een oogenblik verademing; kort genoeg om te zien, dat de dakgoot aan den kant van den hooiberg vuur had gevat.
Zonder dat iemand het gebood, stond Cor aan den ouden put met den grooten hefboom. Hij haalde den emmer op.
"Emmers, jongens!"
Arendsen zag het. Intusschen kwam de knecht uit den stal aanloopen met emmers. "Meer nog!"

En meer kwamen er. Op den Derker hadden ze het gezien, en ze kwamen om te helpen. Gert, de dikke lobbesachtige Gert, was er bij. Hij pakte meteen mee aan. En toen ging het. Cor putte zoo hard hij kon, en goot de emmers vol, en die gingen van hand tot hand. Koos stond vlak bij de boerderij, en die gaf de emmers op, aan Theo, die halverwege de ladder stond, en ze opbracht naar Arendsen. En deze wierp het water op de brandende goot.
Gelukkig, de brand zette niet door. De hooiberg was reddeloos verloren, maar het huis zouden ze behouden. In de verte kwam de brandspuit aan. 't Was goed dat die kwam, want de jongens konden niet meer.

Theo's arm was haast lam van dat al maar opgeven. Juist toen de spuit de boerderij opreed, kon hij niet meer; uit zijn krachtelooze vingers liet hij den emmer vallen, dien Koos nu langs zich heen kreeg. Kletsnat was hij, en die leelijke Theo moest er nog om lachen op den koop toe! Nu werd de slang in den put gelegd, en het werd pompen van belang!
De burgemeester kwam, en Sterkhouwer. Nauwelijks kreeg hij de jongens in de gaten, of met zijn bulderstem riep hij: "Drommelsche kwajongens; wil jullie maken dat je bij je moeder komt? Die zit in doodsangst over jullie. Wat doe je hier? Maakt dat je wegkomt. Je belemmert het blusschingswerk. Pak je weg!"
Maar Arendsen kwam tusschenbeide.
"Nee, Sterkhouwer, dat is nièt waar. Als zullie me niet geholpen hadden, was de boel er aan gegaan, heelemaal. Ze waren er 't eerst bij."
De burgemeester stond er ongemerkt achter.
"Inderdèd, jongelui, wat hoor ik van jullie? Dat doet me genoegen, inderdèd. Dappere Rhandensche jongens, hoor!"
"Ziezoo," zei Theo tegen Koos, die zich nog altijd met zijn natte helft onaangenaam voelde, "nou hoor je het."
"Dat is beter, inderdèd, dan moedwillig je leven in gevaar brengen, jonge vriend!" De Burgemeester, die aan zijn geweldige snorren trok, wendde zich tot Cor.
"Jij bent immers Cor Poorters?"
"Jawel.... meneer.... Burgemeester...., bedoel ik!" antwoordde Cor bedremmeld en verlegen.
De burgemeester keek hem eens aan.
"Zorg, dat ik nooit erger dingen van je hoor, jonge vriend! En nu jullie naar huis — er is hulp genoeg, en 't is hier nog altijd niet ongevaarlijk."
De spuitgasten richtten den straal op den hooiberg, die weer geweldig begon te rooken. 't Zou wel losloopen, dachten de jongens, en ze maakten dat ze wegkwamen. Met hooge kleur, doornat bezweet, kwamen ze in de stad aan.
Cor's moeder was ongerust geweest. Waar bleef die jongen nu alweer, met zulk een donderbui! Vader had reeds een knecht uitgestuurd om bij Arps te vragen. Misschien waren ze daar aan 't schuilen, dacht hij.
Eer de knecht terug was, kwam Cor thuis.
"Waar heb je gezeten?" vroeg moeder. "Wat zie je er uit, en hoe bezweet, en hoe vuil!"
Toen sloeg Cor aan 't vertellen. En eigenaardig, nu gaf hij niet hoog op van zijn heldendaden, maar vertelde eerlijk van hun angst om het weer, en hoe ze den brand hadden gezien, en waren gaan helpen.
Maar wat de Burgemeester had gezegd, dat vertelde hij maar half.
Zaterdags bracht de Rhandensche Courant een bericht:
"Tijdens het hevige onweer van l.l. Woensdag sloeg de bliksem in den hooiberg van boer Arendsen aan den Veerweg. Door de dappere hulp van vier jongens, Cor Poorters, Jan Arps, Theo Maalders en Koos Venema, kon de boerderij behouden blijven. De hooiberg brandde geheel uit.
Daar Arendsen nièt verzekerd is, beteekent dit een groote schade voor hem."
IX. Cor en Theo gaan bij den Burgemeester op bezoek, en hoe de Verkenners aan het bedelen slaan.
Dàt had Cor al éér geweten, dat niets verzekerd was. "'t Is toch een reusachtige schade voor Arendsen, niet waar Vader?" vroeg hij, den Donderdag na den brand.
"Ja jongen, òf het. En Arendsen zal het slecht kunnen dragen. Hij heeft de laatste jaren heel wat getob gehad; ziekte onder z'n vee, en misgewas; en verleden jaar, bij het hooge water, is een deel van zijn hooi weggespoeld, terwijl het nog op het land lag. Nu dit weer.... hij zal er heelemaal onder komen...."
"Maar Vader, hij had zich toch kunnen assureeren?"
"Ja.... dat hàd hij.... maar hij denkt, dat hij dat niet màg doen.... Hij, en meer boeren hier, meenen, dat ze op God alléén moeten vertrouwen, — en daarom verzekeren ze zich niet."
Cor zweeg. Hij had nog nooit op die manier er over gedacht. Hij had thuis gehoord van allerlei verzekeringen; Pa deed het ook.... vast was het dus niet verkeerd....
"Maar is dat dan goed van Arendsen? U hebt den winkel en zoo toch ook geassureerd?"
"Ja, Cor, en ik zie er geen kwaad in. Ik geloof, dat de Heer wil, dat we zorgen, zonder bezorgd te zijn. Maar zij zien dat anders in. Zij denken, dat het God verzoeken is.... en ze meenen dat even goed als ik.... je moet zien, hoe kalm Arendsen is. 't Is een wonder, zooals die menschen de bezoeking opnemen...."
Cor dacht weer na.
"Maar is er dan niets aan te doen, Pa? Geld vragen voor hem, en hooi koopen voor hem?"
"Ja, dat zou kunnen. Maar wie zal dat doen?"
"Wel, wij, de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Wij gaan het vragen, in de stad, en bij de boeren."
Meneer Poorters vond het een goed idee, als de jongens dat deden; ze kregen er nu den tijd voor, want Vrijdag begon de vacantie.
"Denk er om: eerst aan den Burgemeester gaan vragen of je màg. En dan een lijst opmaken, en die door den Burgemeester en nog een paar andere heeren laten teekenen."
Cor zou er geen gras over laten groeien.
Dadelijk sprak hij er op school met de andere jongens over en hij vertelde het aan meneer Van Waalwijk, die het ook een heel aardig plan vond, en zijn medewerking beloofde.
"Toe, meneer, geeft u dan van avond eens heelemaal geen huiswerk op?" drong Cor aan.
"Waarom niet?"
"Nou, dan komen de Rhandensche Verkenners bij elkaar en dan bespreken we het, wat we doen moeten!"
"En de meisjes dan?" vroeg Nellie.
Ja, de meisjes.... daar hadden ze niet over gedacht.
"Die hooren niet bij de Rhandensche Verkenners... die zijn toch geen jongens?" beet Cor ineens af.
Een hartelijk gelach ging bij de meisjes op.
"Nou, meneer, die is goed!... Hoort u hèm?"....
Meneer moest òòk lachen om het argument.
"Toch zou ik zoo zeggen, dat de meisjes aan dit werk even goed kunnen meehelpen."
"We wilden het met de Verkenners alléén doen, meneer," zei Cor nu weer. "Maar als de meisjes ook willen geven, of aan d'r vader vragen, dan is het goed," voegde hij er aan toe.
"Dat zullen we vanavond tenminste bespreken," kwam Theo ineens.

"Denkt er om, jongens, dat jullie minder moeten praten dan doen," merkte meneer op. "Je moet vlug helpen, als je helpen wilt."
Meneer gaf géén huiswerk op; 't liep toch tegen de vacantie; die ééne keer zou niet hinderen.
Ongemerkt wist hij nog raad te geven, hòe ze 't zouden inrichten, en toen ze nà schooltijd bij den steen samen kwamen, toen wisten ze wel zoowat, hòe ze 't zouden aanpakken.
Er moest een lijst geschreven worden.
Cor deed dat niet; dat was werk voor Koos Venema; die schreef het mooist van allemaal, vonden ze. Wat er op moest staan?
"Wel", zei Jan Arps, "natuurlijk van den brand en dat Arendsen nu zijn hooi kwijt is, en dat hij nieuw moet kunnen koopen, en of de menschen willen helpen."
Koos en Jan moesten dat samen maar klaar maken. Den volgenden morgen zouden ze het aan meneer Van Waalwijk laten zien, of het zoo goed was. En dan moesten er twee jongens naar den Burgemeester gaan, en dien vragen, de lijst te teekenen. "Ja," zei Theo, "en dan moeten we er in schrijven, dat we het geld aan den Burgemeester zullen geven, en dat die het aan Arendsen zal bezorgen."
Dat vonden ze een prachtig idee, en daaraan had Theo het te danken, dat hij mèt Cor samen naar den Burgemeester zou gaan.
"Zie je," zei Cor, "jij weet er ook zoowat van, van je vader natuurlijk."
Naar wien zouden ze toe gaan, en hoe moesten ze verder doen? Hoeveel geld was er noodig?
Jan Arps z'n vader had gezegd, dat er voor meer dan duizend gulden hooi verbrand was, den berg niet meegerekend.
"O, dat krijgen we gauw genoeg bij mekaar," meende Cor.
"Zoo, zou je dat denken? Duizend gulden is een heele som, hoor! Waar moeten we het vandaan halen?" Koos Venema was er zoo zeker niet van. En de andere jongens vreesden ook wel. 't Was zoo'n heel bedrag, zie je!
"En dan doen we er zelf bij, uit onzen spaarpot," stelde Cor voor. "Dat is toch ook al wat, dat is een mooi begin. Dan zetten we bovenaan op de lijst:
De Rhandensche Verkenners.... f10,—"
"Zoo, dan denk jij zeker, dat ieder een gulden geeft? Ik zie d'r nog niets van."
Nou waren ze toch aan 't praten geslagen, en meneer van Waalwijk had nogal gezegd: Meer dòen, dan zeggen. 't Was Theo opgevallen. Hij stelde voor, nu naar huis te gaan en alvast hier en daar over te spreken, en te zien dat ze het geld loskregen.
Den volgenden morgen bracht Koos een door hem opgestelde aanvraag mee. Hij las ze voor in 't kringetje der jongens:
Daar boer Arendsen zijn hooi door brand verloren heeft, en hij dus geen hooi meer heeft, willen de Rhandensche Verkenners maken, dat hij weer hooi krijgt. Daarom vragen we of de menschen hun geld willen geven. Dat geld geven we aan den Burgemeester, en die geeft het aan Arendsen, en dan kan die weer hooi koopen.
Want Arendsen zijn hooi was niet geassureerd, en hij krijgt dus geen geld van de assurantie, en moet dus anders straatarm worden. Uw dw. dienaar. Koos VENEMA.
"Dat deugt niet," viel Cor ineens uit, toen Koos klaar was met lezen. "Jij moet het niet onderteekenen."
"Wie dan?"
"Niemand. D'r moet staan: De Rhandensche Verkenners, anders niets."
En Theo merkte lachend op: "Ook snugger, om te zeggen dat Arendsen geen hooi meer heeft als zijn hooi verbrand is!"
Nu kwam de critiek los. Over de assurantie, en dat er telkens in stond, dat Arendsen geen hooi meer had en dat er heelemaal niets boven stond ook.
"Nou ja" zei Jan, die het voor Koos ging opnemen, "'t is ook maar een kladje. Dat kan je d'r nog boven zetten, 'Edele Menschenvrienden' b. v.; dat stond er ook boven, toen 't paard van Teunissen den vrachtrijder was doodgevallen."
Dat was een idee. "Edele Menschenvrienden." Dat klonk deftig.
Ze zouden het aan meneer Van Waalwijk vragen.
Die vond het goed. Alleen, dat Arendsen geen hooi meer had, moest er uitblijven, meende hij. Maar anders wilde hij er niets in veranderen. 't Moest zooveel mogelijk hun eigen werk blijven. Wel ried hij, om aan enkele heeren te vragen, de aanvraag aan te bevelen, en méér dan één lijst af te schrijven, want dan kon er ook meer dan één tegelijk mee uitgaan.

Koos mocht dien morgen op mooi, groot papier de lijst afschrijven. 't Was goed dat het de laatste schooldag was, want van werken kwam er niet veel. Toen de school uitging, wenschte meneer ze veel succes op d'r lijst toe. Hij beloofde er ook op te zullen teekenen. De Zaterdagmorgen brak aan in stralende, volle zomerpracht. De lucht had zich weer hersteld, zeiden de menschen. En de boeren dachten, dat het wel mooi zou blijven. De lucht was sterk en kon veel verdragen. Het beloofde een gezegend jaar voor die streek te worden.
"Heerlijk, Cor, dat het zulk lekker weer is hè, om met de lijst er op uit te gaan!"
"Ja, Pa, òf het. Maar nu eerst naar den Burgemeester. Theo zou me komen halen. 'k Wou dat hij kwam!"
Nauwelijks had hij het gezegd, of daar stond Theo al. Deftig, op z'n Zondagsch, met z'n echte, onnoozel-guitige gezicht, een groote portefeuille in de hand. Hij streek met den rug van zijn andere hand over z'n voorhoofd.... hij had het al warm!
"Pff.... jô, warm! En dat pak zit zoo drommels strak; 'k kan me d'r haast niet in roeren! 'k Wou eerst niet, maar ik moest wel voor Moeder. Hè, mijn brilleglazen zweeten er van!"
Hij zette zijn bril af, wreef zich 't gezicht met den zakdoek, en begon toen zijn bril schoon te maken. "Zoo, dat schiet op; je moet maar haast hebben! Die warmte ook! En dat pak! Nou knapt 't montuur van m'n bril middendoor!"
Hij stond met een armoedig gezicht de twee helften te bekijken. "'t Zal nièt gaan. Ik kan 'm niet opzetten. En als ik eerst naar huis ga, wordt het te laat. Vooruit, dan maar zoo! Om tien uur moeten we er zijn! Winders de bode, heeft het gezegd."

Winders, de bode, was de rechterhand van den burgemeester. Hij zag hoog tegen den burgervader op, en was tegen iedereen akelig beleefd. Hij had een manier van zijn hoed af te nemen, met een breeden zwaai, en een kromming van zijn rug, dat Cor er om moest lachen, als hij het zag. En Theo niet minder. En dan de manier, waarop hij uitweek, als hij iemand tegenkwam, en de klank van zijn stem, als hij, met een breeden zwaai van zijn hoed alweer, "pardon, meneer!" zei! Dan rolde de r nog meer, dan wanneer de Burgemeester zijn "Inderdèd, mijne heeren," uitsprak. Was de Burgemeester één en al kracht, Winders gaf den indruk van slapheid in al wat hij deed.
Winders zou ze dan bij den Burgemeester brengen. Theo, bril-loos nu, verloor zijn gewone vrijmoedigheid. Zenuwachtig trok zijn neus, nu naar 't scheen nog erger dan anders, omdat de bril er niet op stond. Ook Cor had moeite, om het raadhuis binnen te gaan. 't Was toch gek, zoo vreemd en wonderlijk als hij er voor stond. Gelukkig kwam Winders te voorschijn, en gelukkig miste hij zijn hoed, zoodat zijn deftige armzwaai nu achterwege bleef.
Theo gaf Cor een stomp en fluisterde: "Ga jij maar vooruit, jô!"
"Nee, jij, want jouw vader is raadslid," fluisterde Cor terug. "De Burgemeester kènt jou!"
"Jou even goed," strubbelde Theo tegen, toen juist de volle, zware stem van Winders door de hal klonk: "Willen de jongeheeren me maar volgen? De edelachtbare heer burgemeester is van uw komst onderricht en wacht U in de burgemeesterskamer."
Bijna als twee boosdoeners volgden ze Winders. Theo knipoogde tegen Cor, en dien viel het nu eerst op, wat een ongewoon vreemd gezicht Theo had, zonder bril, en hoe stijf hem zijn Zondagsche pak zat.
"Jô, zet een ander gezicht," fluisterde hij hem toe.
Winders ging ze voor, de gang in. Achter-aan tikte hij op een kamerdeur, en op het "ja!" van den burgemeester opende hij de deur, en liet, met een: "De jongeheeren Theo Maalders en Cor Poorters, edelachtbare," de jongens binnen.
Ziezoo, daar stonden ze, op de mat, en de deur was achter ze dicht, en tegenover ze, aan een tafel vol papieren en boeken, zat de Burgemeester.
Vriendelijk keek hij op, en op hun verlegen groet: "Dag, Burgemeester," zei hij: "Zoo jongelui, dat is me inderdèd nog niet vèk gebeurd, dat ik zulke jeugdige bezoekers kreeg. Maar ga jelui zitten, Winders heeft al stoelen neergezet."
— 'n Aardige man, dacht Cor, en hij ging zitten, en Theo volgde zijn voorbeeld. Cor legde de portefeuille op zijn knieën, en zat verlegen met zijn pet te draaien; Theo keek schuin, juist langs den Burgemeester heen.
"En wat was er van jullie dienst?"

Nu moest het komen. De Burgemeester, met zijn vriendelijk gezicht en zijn rustig makend optreden, zat in afwachting.
Theo knikte tegen Cor van begin-jij-maar, doch Cor, die zijn pet los liet met de eene band, gaf hem met de vrije hand een por van: nee, jij beginnen!
En toen zaten ze weer als standbeelden tegenover meneer den Burgemeester!
"Heb ik jullie niet gezien bij dien brand bij boer Arendsen?"
"Jawel, Burgemeester," deed Cor nu het woord, en Theo knikte bevestigend.
"Dan hebben jullie je flink gedragen. Die andere jongens ook; op zulke jongens ben ik trotsch."
Nu durfde Cor van wal steken.
"Ja, ziet U, meneer de Burgemeester, en nu wilden we geld ophalen voor Arendsen, want hij heeft geen hooi meer, en verleden jaar sterfte onder zijn vee, en was niet geassureerd, en daarom wilden de Rhandensche Verkenners met een lijst loopen, om geld op te halen, en of U het dan aan Arendsen wil geven, en of we van U mogen...."
Cor ratelde nu alles achter elkaar er uit. Hij zat te trekken aan de bandjes van de portefeuille, om die open te krijgen.
"Zoo, jongelui, dat is inderdèd een heel aardig plan. Dat mag ik zien, dat de burgers van Rhanden met elkaar meeleven. En dat ze al zoo jong beginnen. Maar hebben jullie er goed over nagedacht? En hoeveel denk je, dat er wezen moet?"
Nu was het ijs gebroken, en begon Cor het heele plan uiteen te zetten, met al het vuur van zijn goede bedoelingen. Hij overwon zijn aanvankelijke verlegenheid, en 't was voortdurend: "ziet u Burgemeester?" en "nietwaar, Theo?", waarop deze telkens druk knikkend antwoordde.
"Zoo, dus als ik het goed begrijp gaan jullie met zes lijsten de gemeente rond, en moet ik de inteekening aanbevelen?"
Nu kwam Theo ineens los. "Ja, ziet u, Burgemeester, en dan nummer één er op teekenen ook, ziet u?"
Hij kleurde geweldig, en zijn neus zocht naar 't zadel van zijn bril en begon, toen hij dat niet vond, weer allervervaarlijkst te trekken.
"Inderdèd, goed bedacht, jongens. Nu, dat wil ik wat gêrne doen. Mèr, jullie laat toch ook door anderen aanbevelen? Door jouw Vader, mijn jonge vriend," zeide hij tegen Theo. "En de heer Poorters zal ook wel willen.... en de dokter.... en de dominee..."
"Pa vond, dat hij nog te kort hier woonde, Burgemeester", merkte Cor op, maar de Burgemeester meende, dat het geen bezwaar zou zijn.
Nu kwamen de lijsten voor den dag.
De burgemeester haalde een stempel uit een stempeldoos, die op tafel stond, en drukte er het wapen van Rhanden op! "Fijn, hè?" zei Cor zachtjes tegen Theo. "Nou, en òf", fluisterde die terug. "We krijgen vast heel wat!"
't Bleef nu stil in de kamer, en ze keken eens rond. Boven den schoorsteen hing een groot schilderstuk... ze konden niet begrijpen wat het voorstelde, maar ze verzekerden later aan de andere jongens, dat het prachtig mooi was! Door de vensters stroomde het zonlicht weer naar binnen, en het speelde op het deftig-donkere behangsel, en liet de fijne stofjes zien, die in de kamer zweefden.
Hooggerugde stoelen stonden hier en daar in de kamer, en een mooie, gebeeldhouwde eiken kast vulde den eenen wand.
"Ziezoo, dat is klaar. Nu gaan jullie zeker naar de andere heeren, niewaar?" En de Burgemeester gaf de lijsten terug, voorzien van zijn aanbeveling, het stempel der gemeente, en een inteekening van vijf-en-twintig gulden.
"En wie bewaart het geld?" vroeg de Burgemeester.
"O, Burgemeester, dat zou Pa doen", antwoordde Cor vlug. Ze stonden op, begrepen dat het afgeloopen was.
"Dan zal ik vandaag mijn bijdrage aan je Vader toezenden, jonge vriend. En nu wensch ik je inderdèd veel succes."
De Burgemeester drukte op de bel en Winders verscheen, om "de jongelui" uit te laten....
Daar stonden ze op het marktplein. Theo keek eens om, of er niemand was. Toèn moest zijn pet het ontgelden, nu hij nog steeds zijn bril miste. Hij wierp hem in de lucht, sprong op, greep hem, gooide nog eens, en deed zoo dwaas als hij kon. Puur van blijdschap! Cor droeg gewichtig de portefeuille.

"Jô, doe toch niet zoo gek! In de burgemeesterskamer had je ook zooveel praats niet!" voegde hij Theo toe.
"'t Is ook zoo fijn! Als we overal zooveel krijgen, dan schieten we op! Nou naar de anderen!"
"Eerst even thuis aanloopen," zei Cor. Hij vertelde aan vader, hoe Burgemeester het niks erg vond, als mijnheer Poorters ook ter aanbeveling teekende.
"Dan maar 't laatst," zei deze, en ze moesten er verder op uit.
Dien dag kregen ze de noodige aanbevelingen, en hadden ze honderd gulden verzameld!
En toen kwamen 's Maandags de Rhandensche Verkenners bij mekaar, om verder af te spreken omtrent het rondgaan met de lijsten. Ze zouden de stad in zes wijken verdeelen, en Theo's vader, meneer Maalders, had het zoo voor de jongens uitgezocht. Eèn wijk was de Hoofdstraat; dan kreeg je alles links daarvan, tot de gracht, en de derde wijk was de rechterkant, òok binnen de gracht. Twee anderen moesten den berg op, en dan zouden ze het dorpsche gedeelte ook in tweeën splitsen. Dat vonden ze prachtig. Maar nu wilden ze allemaal de Hoofdstraat of den Berg hebben, want daar zouden wel de beste gevers zitten. En van de dames van den Derker verwachtten ze òok heel wat! Ze konden het er niet over eens worden. Bovendien als ze twee aan twee gingen, kwamen er twee te kort. Dat was het minste: dan zouden ze Ben van den Dokter vragen, en Gert van den Derker. Ben zou wel willen mee helpen, had de dokter gezegd. En Cor had niet durven tegenstribbelen. Dus zouden ze hem vragen. En Gert was toch eigenlijk een goeie knul. Die kon best mee naar de boeren.
Ten slotte zouden ze er maar om loten. Cor en Theo lootten den Berg, Jan Arps zou met Gert den boer opgaan, Koos en Ben kregen de Hoofdstraat. En toen gingen ze er op uit...
's Middags om vijf uur kwamen Cor en Theo thuis; doodmoe, en teleurgesteld. Zaterdag was het héél wat beter gegaan! Nu hadden ze den heelen dag geloopen... en even vijf-en-twintig gulden opgehaald! Vooral op den Derker was het ze tegengevallen! De huisknecht had de lijst aangenomen. Ze moesten maar wachten in de hal. Daar, in die groote, ruime hal van het deftige heerenhuis, zaten ze samen op de eiken wandbank te wachten. Nu de Burgemeester vijf-en-twintig gulden gegeven had, zouden ze hièr zeker wel tweemaal zooveel krijgen. Want rijk dat ze hier waren — heel Rhanden had er den mond van vol. 't Waren twee dames, zusters, die hier woonden: de gravin en de barones. De eerste was al jaren lang weduwe; ze liep nog altijd deftig in 't zwart. En de boeren, die "onder haar zaten", groetten haar steeds beleefd; anders hielden de menschen niet veel van ze. Er gingen verhalen van de ongeloofelijke gierigheid der dames. Cor noch Theo durfden in die omgeving wat te zeggen. Ze zaten naast elkaar; fluisterden hoogstens elkaar toe: "'t Duurt lang hoor!", maar ze gevoelden zich heelemaal niet op hun gemak.

Daar verscheen de huisknecht al weer.
"De dames laten weten, dat ze niet gewoon zijn, aan zulke dingen te doen. Maar omdat jullie zoo'n end hebben moeten loopen, willen ze je niet wegsturen; hier heb je een rijksdaalder."
De deur ging open, de jongens gingen weg, en stonden buiten, eer ze het goed wisten. Cor klemde den rijksdaalder in zijn hand, en Theo droeg de portefeuille met de lijst.
"Ook wat," zei Theo, die 't eerst weer bij was. "Zulke rijke lui, om je met een rijksdaalder af te schepen!" Ze keken op de lijst — de dames hadden er niet op geteekend.
Dat begrepen ze niet — zeker een verzuim. Ze moesten het toch nog doen, dachten de jongens en daarom gingen ze weer op het huis aan, waar ze opnieuw aanschelden.
Weer kwam de huisknecht voor.
"Wat moet jullie nou weer?" vroeg hij bits.
"Vragen of de dames willen teekenen, want dat is zeker vergeten," zei Cor, die tegenover dien bitsen toon toon al zijn gewone vrijmoedigheid herwon.
"O, dat is niet noodig. De dames wenschen niet te teekenen. Ik heb jullie het geld toch al gegeven?"
En weer ging die nijdige deur open en dicht achter hen, en weer stonden ze buiten, meer teleurgesteld nog dan eerst.
Bij den een kregen ze wàt, bij den ander weinig, bij een derde niets.
En dat waren de ervaringen van de meeste jongens. Bij mekaar was er dien dag geen honderd vijftig gulden bij gekomen. De meeste boeren waren niet thuis, en bij verscheidene hadden ze snip gevangen.
Even twee honderd veertig gulden kon de heer Poorters dien avond voor ze opbergen....
Nog een dag gingen ze er op uit, nog een, maar elken dag werd de oogst minder: ze brachten het tot vier honderd gulden.
Toen vond mijnheer Poorters het òòk genoeg. Ze moesten er maar mee ophouden. Hij zou het geld aan den Burgemeester laten afdragen. Ze waren bij elkaar, om de "rekening" op te maken.
Daar kwam Gert nog aanhollen op zijn manier. Zijn dikke lichaam waggelde, het zweet liep met straaltjes van zijn gezicht, dat hij telkens met zijn mouw afveegde. "Ikke.... heb.... —" hakkelde hij;.... "ikke heb nog honderd gulden!" En zoowaar, hij lei een mooi wit papiertje neer op de tafel, dat hij in zijn zakdoek gewikkeld had.
"Hoera! voor Gert!" schreeuwde Cor. Hij greep Gert bij de hand en schudde hem door elkaar.

"Vertel op, hoe kom jij daaraan? Jij heb nog het meeste gehaald!" Hij drukte Gert op een stoel neer. "Allo, vertel!"
"Van de dames.... bij me vader gebracht", hijgde Gert weer, die nog steeds niet geheel tot zichzelf gekomen was.
"Van de dames?" vroeg Cor verbaasd. "Van de dames?" herhaalden de anderen, niet minder verwonderd.
"Ja, van de dames," hernam Gert, en nu zijn rood-bonte zakdoek weer vrij was, gebruikte hij dien om er zijn gezicht mee af te vegen.
Bij stukken en brokken, maar langzaam aan, kalmer kwam het er uit. De dames hadden zijn Vader bij zich laten komen en gevraagd hoe het zat met Arendsen en met die lijst, en of dat in orde was; of Arendsen het noodig had, "en allemaal, 'k weet nie' wa' nog meer" vertelde Gert. Toen had zijn vader van Arendsens tegenspoed verteld, en van het plan van de jongens, en dat Gert ook bij de boeren geloopen had, en dat er niet zoo heel veel was gekomen, en dat....
Jan Arps viel hem in de rede: "Nou ja, jij met je 'en dat.' En toen gaven de dames dat voor ons?"
"Ja, en dat we het niét op de lijst mogen zetten. Ziezoo," en tevreden wischte Gert zich nogmaals het gezicht af. Daar stonden vooral Cor en Theo beschaamd. Wat hadden ze al gesmaad op die "kale" dames, die je met een rijksdaalder door den huisknecht lieten afschepen, en die niet eens op de lijst wilden teekenen! Daar stonden ze nu.... Lang dachten ze er niet over.
"Bijna vijfhonderd gulden dus!" jubelden ze.
Den volgenden morgen kreeg Arendsen zes honderd gulden. Meneer Maalders en Cor's vader en de Burgemeester en de dokter en de dominee hadden het samen nog aangevuld.
Arendsen wist nauwelijks hoe hij zich houden moest.
...."Zooveel goedheid heb ik nie' verdiend, meneer de Burgemeester," zei hij. "Nou hoef ik maar twee koebeesten te verkoopen. Wat is de Heere goed voor me.... en de menschen ook."

De burgemeester vertelde hem, met wat een ijver de jongens voor hem geloopen hadden.
"'t Is oarig, 't is oarig," zeide hij, stil voor zich uitkijkend. En hij ging bij Poorters aan, om die jongens te bedanken; hij raakte met meneer Poorters in gesprek, en die begrepen mekaar, toen ze het over het vertrouwen op den Hemelschen Vader kregen.
Klein van dankbaarheid ging hij naar huis.
Een maand later stond de hooiberg weer opgetrokken, en geurde er opnieuw hooi in, het hooi van de Rhandensche jongens!
X. Ze gaan kampeeren.
Cor had zijn zin gekregen: de Rhandensche Verkenners zouden gaan kampeeren. Ze mochten een tent opslaan op een stuk hei, dat tot den Derker behoorde.
Wat een blijdschap bij de jongens! Eén schaduw was er nog: ze moesten 's avonds weer inrukken: ze konden van thuis géén verlof krijgen om ook den nacht in hun "kamp" door te brengen. Cor pruttelde geweldig tegen, van dat ze toch geen kleine kinderen waren, en dat ze ook niets mochten, en dat Pa ook altijd zoo bang was, maar 't hielp niet.
"Als je liever soms heelemaal niet gaat, is het mij óók goed," had vader gezegd, en toen hij, omdat hij bij Vader niet meer durfde aandringen, Moe nog eens in den arm nam, wist deze hem te kalmeeren door hem aan 't gebeurde in dien zomer te herinneren. "Je bent heusch nog te jong, Cor, en nog niet voldoende meester van je zelf! Ik zou geen enkelen nacht een oog dicht doen!"
Misschien had Moe gelijk, dacht Cor. De andere jongens mochten toch óók niet. Hij zou het alleen erg leuk gevonden hebben, om tegen z'n jongens te kunnen opscheppen van: "Ik mag wel," maar dat mislukte nu volkomen. De goede harmonie werd er niet minder door. En ze hadden groote plannen, om het zich zoo aangenaam mogelijk te maken.
Op een vroegen Maandagmorgen in de vacantie trok het heele stelletje den berg op; ze hadden alle benoodigdheden voor hun tent op een wagen geladen; twee trokken aan touwen, anderen duwden den wagen; ze liepen er bij, alsof ze zoo pas Rhanden hadden ingenomen en nu gereed waren om op den Derker los te stormen. Natuurlijk voerde Cor den boventoon, maar ook Theo, wiens bril weer zijn gewonen dansen op z'n neus maakte, had een praats van belang. Koos Venema liep kalmpjes met zijn broer te praten. Hij had zijn schetsboek bij zich en had zich vast voorgenomen, heel wat te teekenen en goed uit te kijken. Hòe vaak hij ook buiten was, 't vooruitzicht om een heele week, van den vroegen morgen tot den laten avond, buiten te zijn, en te dwalen, en onbekende hoekjes op te zoeken, het lokte hem buitengewoon aan.

Jan Arps voegde zich op den berg bij hen.
't Was nog stil op den weg; Jan dacht even terug aan dien morgen, toen de verhuiswagen met den boel van Poorters den berg opkwam. Maar alles was nu zoo heelemaal anders: 't blad begon al te vallen.
Op den Derker waren ze aan 't bladharken. Door de droogte liet het onderste blad wel héél vroeg los dit jaar.
"Je slaapt zoo fijn in dat droge blad" vertelde Jan. "'t Is zoo lekker als het knapt om je heen...."
"Nou, toch lig ik liever in mijn bed," zei Theo. Die vond het eigenlijk nog niet zoo naar, dat ze 's avonds naar huis zouden trekken. En hij gaf telkens luide zijn twijfel te kennen, of het met eten wel gaan zou. Hij wist vreeselijke verhalen van zwartgebrande aardappelen, en groente, die niet deugde, en vleesch dat niet te eten was; en als 't eten niet goed was, dan ging hij vast thuis even wat halen, want in hongerlijden had hij geen zin.
Bij de hei wachtte Gert ze op.
"Jullie moeten erg voorzichtig zijn met vuur, zegt vader, en niet al te dicht tegen 't bosch aan je tent opslaan."
"Waarom niet?"
"Ja, voor als jullie misschien brand zou stichten!"
"Zeg, we zijn geen kleine kinderen!" stoof Cor op. "Als jij d'r nou bij was...."
Gert zei niets, maar keek, hoe ze aan 't zwoegen waren met de kar over de hei.
"In 't karspoor halen je wagen, anders krijg je het niet gedaan."
Ze volgden zijn raad op, en 't ging beter.
't Was anders al lekker warm. De zon scheen over de hei, waar geen schaduwplek was; de weg klom langzaam, en ze moesten nog een eind verder. Theo, die juist in 't touw liep te trekken, ging ineens liggen. "Als je dat vacantie-werk noemt.... ik dank je lekker!" Ze bleven langs het karrepad rusten.
Koos zat alleen. Z'n blik dwaalde over de nu paarse hei. Boven de bloemen trilde de warme lucht; 't was een prachtig gezicht; hij hoorde nauwelijks het gejoel van zijn kameraads, maar zat voor zich uit te staren, en al die wondere schoonheid in te drinken, begeerig, en stil.... 't Lawaai vervloeide hier; 't klonk lang niet zoo, als midden in de stad, tusschen de huizen in, in smalle straten. Zelfs de scherpe, gebiedende stem van Cor klonk hier minder luid. En 't was, of ze zelf onder den indruk kwamen; 't gejoel begon te verstommen, en ze lagen rustig hun plannen te bespreken voor de week op de heide.
"Jongens, we kunnen hier niet blijven zitten; dan schieten we niet op. Opkrassen, asjeblieft!"
Te lui wàs Cor niet. Hij commandeerde wel altijd, maar was zelf niet vies van aanpakken. Hij had dan ook al één van de touwen beet, en zette zich in postuur om te gaan trekken. De anderen volgden, en de wagen, knoersend in zijn assen, rolde verder, den hellenden zandweg op, tot ze op een kleine hoogte kwamen, waar ze de tent zouden opslaan. Met de noodige drukte, maar toch nog vlug, werd afgeladen.

Theo was aan het graven; want de steunpaal moest toch in den grond, dacht hij; goed diep, dan stond hij stevig. Maar de anderen brachten hem aan zijn verstand, dat het niet noodig was, en dat de touwen, aan de haringkoppen bevestigd, de tent overeind moesten houden. Daar hij met alle geweld wilde graven, wees Cor hem een plek enkele meters verder, waar hij een kuil kon maken voor het vuur.
Hij was nog geen kwartier aan 't graven, of hij begon al leelijke gezichten te trekken. Hij kwam eens bij de tent kijken.
"'k Heb zoo'n raar gevoel in mijn rug! Dat graven is niks voor mij. Dat moet Jan nou overnemen, dan zal ik wel bij de tent helpen. 'k Krijg al blaren in mijn handen!"
"Dat komt", verklaarde Jan, "omdat je de schop veel te stijf aangrijpt. Zóó moet je doen!" en hij deed het voor.
"Maar ik bedank je kostelijk! Doe jij het maar. M'n bril zweet er alweer van!" zei Theo.
Jan zag, dat het niet gaan zou, en daarom nam hij het over.
Met allebei zijn handen in zijn zakken stond Theo nu naar het opslaan van de tent te kijken. Koos en Cor hadden de leiding, maar het lukte nog niet best. De boel wou nog niet blijven staan. Het was alweer aardig warm geworden, en de jongens, die werkten zoo hard ze konden, hadden er last van. Koos stond zijn gezicht af te vegen met z'n zakdoek.
"De mijne ook hebben?" bood Theo kwasie-vriendschappelijk aan.
"Werk liever mee. Jij staat te kijken en wij kunnen ons uit den naad werken!"
"Nou, ik doe toch óók wat!", merkte Theo nu op, met zijn armzaligste gezicht.
"Zoo, ik zou wel eens willen zien, wat je deed," stoof Cor op, die boos werd.
"Ik sta d'r bij te zuchten, jô; dat hoef jij dan niet te doen. Zoo is het eerlijk verdeeld: de één sjouwen, en de andere zuchten."
"Loop naar de maan!" riep Cor nijdig uit. "Jij bent ook gezellig! Hier, pak aan dat touw. We moeten nu samen het tentzeil spannen, en dan sla je het zòò, met een lus, om den haringkop. Begrepen?" Hij stopte Theo het touw in de handen, en ze trokken nu geleidelijk de touwen aan, tot de tent schijnbaar stevig genoeg stond. Theo stribbelde natuurlijk weer tegen, liet zijn handen zien, die stuk gingen van dat touw erlangs, maar het hielp hem niet; hij moest nu meewerken, als hij zich niet de algemeene ongenade op den hals wilde halen. De tent stond, en de zes Robinsons, die nu hun verblijfplaats op het onbewoonde eiland gereed zagen, keken vol verbazing en bewondering en blijdschap er naar. Wat stond dat grauw-witte zeil fijn op die heide. 't Was bijna een complete soldatentent, en de Padvinders konden heusch geen mooier hebben, en geen beter!

Ze hadden onder 't werken door, hun jas of blouse al uitgetrokken, en in hun hemdsmouwen scharrelden ze rond.
Want de magen begonnen te jeuken. En dorst dat ze hadden! O ja, daar had niemand aan gedacht! Water moesten ze óók hebben!
Dan maar op den Derker vragen. Theo en Koos zouden die corvee verrichten. Theo protesteerde wel weer van wege zijn stukke handen en zijn zweetenden bril, doch het baatte niet. Koos trok den goedigen pruttelaar mee, en fluisterde hem in 't oor: "jô, dan gaan we eerst zèlf fijn drinken." Daarmee was hij gewonnen, en nu ging het den zandweg af naar den Derker.
"Motten jullie?" vroeg Gert, die ze had zien aankomen en ze tegemoet kwam loopen.
"Wàter," schreeuwde Theo hem in eens vlak in het oor. "De Rhandensche Jongens versmachten van dorst."
"Waarin?" merkte Gert droogjes op, die al gauw zag dat ze niets hadden meegebracht.
"O ja, je moet water ergens indoen!" Koos lachte er hartelijk om. "Ook stom van ons, zeg!"
"Och, is me dat een kamperij van jullie!" plaagde Theo ineens. "Dat heeft niet eens een put laten graven!" En met een ernstig gezicht wendde hij zich tot Gert, en zei: "En dan heb ik mijn jassie óók daargelaten!"
"Nou, wat zou dat? 't Is wèrm genocht!" merkte Gert nu op.

"Wat dat zou? Ik had dan toch mijn zakken met water kunnen vullen? Geef 't me dan maar in m'n pet!"
"Verkoop toch niet altijd flauwiteiten." Koos werd boos. "Zoo schieten we niet op. Toe Gert, vraag jij aan je vader of we een kan of een emmer mogen leenen?" Een oogenblik later kwam Gert aanzeulen met een kleine melkkit.
"Daar, as je d'r maor veurzichtig bij zijt," zei hij.
Ja, nu waren ze nog net zoo ver. Waaruit zouden ze drinken? Theo wilde 't uit z'n handen doen. Maar nu plaagde Koos hèm met zijn opengeschaafde handen. En die goeie Gert was weer teruggeloopen en kwam nu met een groote kom te voorschijn. "Moet ik me daarin wasschen? Daar is-ie te klein voor," grapte Theo nu. Maar Koos pakte de kit met water bij het eene oor. "Allo, pak an," gebood hij, en Theo nam het andere oor, en zoo zwoegden ze de hei op.
"Gezellig, zoo corveeën," bromde Theo, die al gauw zijn zakdoek door het oor van de kit had geslagen en puffend en hijgend voortsukkelde. "Toch een goeie knul, die Gert; wel een echte boer!"
Koos liet hem praten; hij had genoeg aan zijn vrachtje. Toen ze bij de tent aankwamen, waren ze moe en wel; ze werden met gejuich ontvangen, want de jongens waren allemaal even blij, dat ze zich verfrisschen konden. De kom ging rond, en de ketel werd gevuld. Want ze hadden natuurlijk een ketel meegenomen, om water voor de koffie te koken.
"Theo, haal jij wat droog hout in het bosch," commandeerde Cor, die zich krachtens zijn voorzitterschap van "De Rhandensche Verkenners" kampleider gevoelde, en braaf den baas speelde.
"Doe het zelf," antwoordde Theo kort. "Ik heb al genoeg gesjouwd. 'k Geef het jou te doen, om in zoo'n hitte die kit water van den Derker af hier heen te zeulen. Dankje lekker: ik heb genoeg gecorveed!"
"Ik zal het wel doen," bood Jan Arps aan, "ik kan best. Ga je mee, Dirk?" vroeg hij aan Koos z'n broer. Die stemde toe, en als hazen schoten ze over de hei, en verdwenen in het bosch. Een oogenblik later verschenen ze weer met de noodige hoeveelheid dor hout, waar ze spoedig een vuurtje van hadden.
Van steenen hadden ze een soort vuring gemaakt, en daarop kwam de ketel, en rondom het smeulende, knappende houtvuur zaten ze met hun zessen, en ze bliezen de vonken aan tot vlammen en hadden een pret van belang, zoo'n pret, dat zelfs Theo nu onnoodig hout aansleepte en op het vuur wierp. 't Water begon te razen, en stond op den kook. Ze deden er wat koffie in, en lieten het toen lustig koken.
Alweer een bezwaar. Ze hadden geen melk! "Dan drinken we ze maar zònder," decreteerde Cor. "Want je kan nu slecht naar de stad loopen; om een kannetje melk te halen. Morgenochtend moeten we er aan denken. Nu zullen we maar véél suiker nemen!"
Ja, dat was een idée, en Theo, die, als het op lekker eten en drinken aankwam, toonde zich te kunnen haasten, schommelde uit de provisie-kist een zakje met suiker en stortte dat leeg in het kokende vocht.
Nu zou de koffie al wel goed zijn, meenden ze, en de koffie werd van het vuur genomen, dat ze met wat steenen dekten; dan bleef het smeulen, meenden ze. Ze hadden in hun Indianen-boeken gelezen, dat die hun vuur afdekten met asch. Maar asch was er nog niet. Ze maakten dus van den nood een deugd, en dekten af met steenen.
De koffie was nog te warm. Die moest eerst wat afkoelen. De boterhammen werden voor den dag gehaald, en èven was het doodstil, toen ze de handen vouwden, 'n beetje vreemd voor elkaar, en baden. Maar al spoedig was het weer één en al luidruchtigheid en ge-grap.
Theo zou inschenken. De groote kom kwam vol, en hij zette begeerig zijn lippen aan het donkerbruine vocht. Doch nauwelijks had hij een slok er van in den mond, of hij spuwde het vol afschuw uit, zonder er op te letten, dat het midden tusschen de makkers terechtkwam.
"Bah! Wat een goed! Hoe smerig bitter!" viel hij uit, en hij trachtte de laatste sporen van het bruine vocht uit zijn mond te verwijderen en nam daartoe zelfs zijn zakdoek te baat.
"Ja, smerig bèn je," viel Koos uit, naast wien de zwart-bruine regen juist was neergekomen.
"Nou," proestte Theo nog, "nou, en als jij het gedronken had, zou je...."
"Jij was ook veel te gulzig," kwam Cor er tusschen in. "Maak nou asjeblieft de kom schoon, dan kunnen wij het probeeren. Je bent ook net zoo'n lekkerbek."
Theo, die er al troost in zag, dat de anderen ook dien heerlijken smaak zouden proeven, spoelde de kom om, en schonk voor Cor in.
Heel voorzichtig, de lippen vooruit, proefde deze nu; hij nam zoo weinig als maar mogelijk was. Vol belangstelling en nieuwsgierigheid keken de jongens toe, wat voor gezicht hij zou zetten. Maar Cor kon zijn eigen kooksel slecht afvallen. "Hm, wat stèrk, maar wèl te drinken," vond hij, en hij bood de kom aan Jan, die aan den anderen kant even de lippen aanzette, doch met een "dank je, drink jij dat bocht maar," haar onmiddellijk weer aan Cor overreikte.

"Ja, best is ze niet," moest Cor erkennen. "'t Is zonde van de kostelijke koffie!"
"En dan al die suiker," voegde Jan er aan toe. "Had Theo er die tenminste maar niet bijgegooid!"
Neen; die koffie was niet drinkbaar.
Zoo kreeg de hei het eerste zetsel van de Rhandensche Verkenners en kampgenooten te drinken: 'n zwart-bruinig, drabbig, gesuikerd aftreksel van koffie op kokend water, nog eens lekker sàmengekookt, in plaats dat de koffie op het water getrokken was!
XI. Het einde van een korte vreugd.
't Was middag geworden. Hoog stond de zon te branden aan den strak-blauwen hemel, en de hei zelf was warm. Koos zat te genieten in de schaduw achter de tent. De anderen waren op sjouw, het bosch in, om er te ravotten, en ook om nog wat hout bij mekaar te sprokkelen. Koos had zich vrijwillig aangeboden, om kampwacht te houden.
Nu was het heerlijk rustig. De bruingetinte heide, met de helpaarse trossen of de licht-paarse klokjes, stond te stralen in de zon. Hier en daar vloog een zandoogje rond, maar overigens was er bijna geen leven te bespeuren.

Over hem, dichtbij tegen den horizon, liep de donkere lijn van het sparrebosch. Hij had al enkele malen getracht, om dat in zijn schetsboek met een paar krabbeltjes te geven, maar telkens had hij het boek, onvoldaan over zijn eigen werk, weer neergelegd. Toch greep hij het weer op, en probeerde opnieuw. Hij teekende, gumde uit, zette weer een paar lijnen, schetste een wat op den voorgrond komenden spar, groepeerde daar om heen het andere hout, en ja, er kwam diepte in, en ièts van het wondere leven, dat toch trilde door dat stille bosch.