Elfde Brief.
Reading edition
Marseille, 18 Augustus.
Den 15 dezer ging ik al vroeg naar de haven, waar het regt vrolijk was, door de menigte van varensvolk, die dan met sloepen aankwamen, en dan weder wegroeiden. Hier zag ik voor het Stadhuis een fraai verguld Vrijheidsbeeld, op een marmer voetstuk. Het beeld zelve, naar ik vernam, was slechts van hout. ’t Is of die van Toulon voorzien hebben, dat het maar voor eenige jaren zou moeten dienen.—Het ware te wenschen, dat dit vooruitzigt meêr algemeen was geweest. Rondom op het voetstuk las ik de volgende versen:
“Sur les vertus, et sur les lois l’Auguste Liberté repose: A la perdre l’homme s’expose, Si-tot qu’il meconait ses devoirs ou ses droits.
Souviens toi, que le créateur Te fit pour n’avoir point de maitre, Lui même si bien fait pour l’être, Se derobant aux yeux ne commande qu’au coeur.
“Mortel jusqu’au dernier soupir, Que la Liberté te soit chère, Ton plus digne soin sur la terre, Est de la conserver, et d’en savoir jouïr.
“On est digne d’un si grand bien, Lorsque l’on sait à la patrie, Immoler tout jusqu’a la vie, Lors qu’au bonheur de tous on attache le sien.”
De twee beelden die het balcon van het Stadhuis onderschragen, zijn twee kunst-stukken van den Marseillaanschen beeldhouwer Puget. Men zegt, dat deze kunstenaar zich te beklagen hebbende over twee consuls dezer Stad, die toen aan het hoofd van het bestuur waren, met zoo veel waarheid de trekken van hun gelaat in die zijner beelden wist te brengen, dat men ze niet miskennen kon, zoo dat die twee Heeren, na hun consulaat, niet meêr voorbij het Stadhuis durfden gaan.
Het was hier feestdag, zijnde Maria Hemelvaart, een van de heilige dagen, die volgens het concordaat, in Frankrijk gevierd worden—zijnde ook de Verjaardag van Bonaparte;—ik ging eenige Kerken bezigtigen. Die van St. Louïs, maar korten tijd voor de omwenteling voltooid, heeft in het begin van dezelve gediend voor een tempel der Reden: thans wordt de Roomsche godsdienst ’er in verrigt, en ’er was een Lieve Vrouwe beeldje ten toon gesteld, met een fraai geborduurde samaar aan, dat de geloovigen kwamen kussen. Deze Kerk is een schoon gebouw, het pronkt met een mooije, en in den antiquen smaak gebouwde facade. Rondom de koepel, waar onder het groot autaar staat, zijn fraaije kolommen, en over het geheel heeft deze Kerk een deftig en bevallig voorkomen. Wij aten ’s middags in ons Logement met eenige Offiçieren, waar onder ’er waren die zeer Republikeinsch gezind schenen. Het eten was vrij goed voor 3 Livres: wij namen ook een fles wijn de la Malgue, doch die beviel mij zoo min als de overige wijnen van dit land. Na den middag ging ’er een proçessie door de straten, men droeg een mooi opgeschikt Lieve Vrouwebeeld rond; eenige weinige leden van den Magistraat, met fakkels in de hand, waren hier bij tegenwoordig; voor het overige waren het meest vrouwen, die volgden, en vele der omstanders schenen ’er weinig eerbied voor te hebben; sommige dreven ’er zelfs openlijk den spot mede. Toulon is een vrij gnappe stad, en vooral het nieuwe gedeelte (le quartier neuf) ziet ’er wel uit. De paradeplaats is fraai en rondom met boomen beplant: zij dient tevens voor eene gemeene wandeling, en met den feestdag was hier veel volk. Op deze plaats zijn ook eenige schoone koffijhuizen, die veel te doen hadden, vooral door de Zeeoffiçieren en andere militairen, die meest aan de deur zaten; dit alles maakte het hier zeer levendig en vrolijk. Ik zag in een ander gedeelte van de stad ook nog een breede straat, die met boomen beplant was. Op de markt, waar wij geherbergd waren, staat een fraaije fontein; tegen het zuiden open, en van de noordzijde beschut door hooge bergen of rotsen, daar bij op 43 graden, 7 minuten en 24 seconden noorderbreedte gelegen, kan het te Toulon zeer warm zijn. De haven is fraai, ruim en zeer geschikt ter beveiliging der schepen. Van den wal, vooral aan den kant van de haven, heeft men ook een aangenaam gezigt. Men had mij gezegd, dat om het Arsenaal, een der merkwaardigste dingen, die men hier heeft, te zien, wij een schriftelijk verlof van den prefect van de Marine moesten hebben; dat, uit hoofde der tijdsomstandigheden, niet ligt werd toegestaan. Ik was ’er den vorigen avond te gelijk met eenig werkvolk al eens opgeloopen, want, van den postwagen komende, had ik een lange broek en een buisje aan; men had in die kleeding geen acht op mij geslagen, maar waarschijnlijk voor een zeeman, die daar een boodschap had, aangezien; doch ik kon ’er toen niet lang blijven, om dat het, avond wordende, de ingang gesloten werd, en allen, die ’er af wilden, een kaartje of briefje moesten vertoonen. Heden waagde ik het dan in dezelfde kleeding weder, en het gelukte mij insgelijks, gelijk ook mijn reisgenoten. Het geen men hier het Arsenaal heet, zou men bij ons een Scheepstimmerwerf noemen. Deze plaats, waar men schier al het noodige tot den scheepsbouw in bijzondere gebouwen bij elkanderen vindt, als mede het geen tot de wapening en toerusting van denzelven vereischt wordt, is zeer ruim, en aan het eene eind van de kaai gelegen. Ik zag hier verscheidene groote schepen op stapel staan. De in den grond gebouwde steenen kom, geschikt om daar in de schepen te kalfateren, verdient vooral opgemerkt te worden; zij heeft omtrent de gedaante van een schip, zijnde, volgens daar van gevonden aanteekeningen, 300 voeten lang, 100 breed, en 34 hoog. Door middel van sluizen en pompen, kan men ’er het water uit en inlaten; als het schip ’er in is, pompt men de kom ledig, zoodat de scheepstimmerlieden dan overal bij kunnen. Niet ver van hier ziet men de galeijen, die echter niet meêr gebruikt worden, en zelfs masteloos zijn. Thans dienen zij alleen maar tot een verblijf voor misdadigers, veroordeeld, om geboeid aan ’s lands werk te arbeiden, en waar van ik ’er hier een groote menigte zag. Men verzekerde mij, dat ’er wel 4000 waren; zij zijn met zware kettingen geboeid, meestal twee aan twee; deze ketting is dan aan een ijzeren beugel, dien zij aan een der beenen hebben vastgemaakt, aan een gordel die zij om het lijf hebben, is een ijzeren haak, waaraan zij, wanneer zij gaan, de ketting, die hun anders zou naslepen, ophaken. Hunne kleeding is voornamelijk een wambuis, of korte schanslooper, van een grove pij, en een mutsje van diergelijke stof op het hoofd. Zij zijn afgedeeld in onderscheidene klassen, die tot onderscheidenen arbeid gebruikt worden. De kleur van hunne kleeding verschilde dan ook, en ik zag troepen, die in het bruin, en anderen die in het rood waren. Eenigen, wier tijd bijna uit is, of die zich door een aanhoudend goed gedrag het vertrouwen van hunne opperhoofden hebben waardig gemaakt, worden aangesteld als opzienders over de anderen, en deze hebben slegts een beugel en geen ketting aan het been, en zien ’er ook beter uit in de kleederen; zij doen allerlei ruw werk op de werf en in de werkhuizen. Ik zag ’er ook een hoop in de stad, komende uit een caserne, die zij schoon hadden gemaakt; zij werken ook aan de vestingen, aan het schoonmaken van de haven enz. Wanneer zij arbeiden, worden zij door wachten verzeld, en blijven bovendien geketend. Met dat al vinden sommigen nu en dan nog gelegenheid, om te ontkomen. Mogelijk is het veelal aan hunne ruwe levenswijze, harden arbeid, en haveloze kleeding toeteschrijven, anders zou men deze menschen beschouwende, moeten bekennen, dat de leer van Lavater al vrij gegrond is; want zij zien ’er dan, over het algemeen, al zeer afschuwelijk uit, en de ondeugd is, zoo als men zegt, op het gelaat van velen te leezen. De galeistraf schijnt niet eerder in Frankrijk, dan sedert het midden van de 16de eeuw gebruikelijk geweest te zijn; althans de eerste vonnissen, die tot deze straf verwijzen, zijn van 1532 en 1535, en de eerste ordonnantie, die ’er van spreekt, is die van Karel den IX. gegeven te Marseille in 1564. Voorheen waren ’er ook galeijen te Marseille, doch sedert eenige jaren bestaan zij daar niet meêr, en in ’t geheel worden deze schepen door Frankrijk niet meer gebezigd; toen men ’er nog gebruik van maakte, dienden de misdadigers, om ze voortteroeijen op de Middellandsche Zee. Zekere Koning van Frankrijk, zegt men, te Marseille zijnde, ging de galeijen bezoeken, en vroeg aan verscheidene galeiboeven (forçats) hoe zij daartoe gekomen waren; ieder wendde voor, dat hij onschuldig was, en trachte door een menigte verontschuldigingen het medelijden des Konings optewekken; een enkele echter bekende rondborstig schuld, en beleed zijne misdaden. De Koning wendde zich daar op tot de opzienders van de galei, zeggende: “dat men dezen deugniet terstond van hier uit het midden van zoo vele goede en eerlijke lieden wegjage, en dat hij ’er nooit weder kome!” Indien dit, zoo als het verteld wordt, waar is, moet men bekennen, dat die Koning eene aardige tegenwoordigheid van geest toonde; doch men zet zoo veel dingen van dien aard, op rekening der Vorsten, en bedient zich over het algemeen van alle middelen, die maar eenigzins strekken kunnen, om hen, is het mogelijk, in het oog van het volk wijzer, beter en verhevener te maken dan andere menschen: jammer is het voor hun, dat zij zich noch niet boven de menschheid kunnen verheffen, en toch maar even eens in de wereld komen, en ’er uitgaan als wij. Gedurende verscheidene eeuwen, is een groot deel van het menschdom in de verbeelding geweest, dat men, om in Europa Vorst te zijn, juist door een bijzonder ras moest geteeld wezen; doch dit vooroordeel schijnt ook in onze dagen, dank zij de meerdere verlichting, den bodem ingeslagen, Bonaparte is zoo wel Keizer en gezalfde des Heeren, als de Keizers te Weenen en te St. Petersburg; en de een zoo wel als de andere verdient onze hoogachting, wanneer zij alleen trachten te schitteren en uitteblinken boven hunne natuurgenooten, door deugden en ware grootheid; en de meerdere magt, die zij boven hen bezitten, niet anders gebruiken, dan ter bevordering en uitbreiding van het geluk hunner medemenschen. Maar ik hervat de beschrijving van het Arsenaal. Behalve verscheidene tuighuizen en werkplaatsen voor de timmerlieden, smeden enz. is hier ook eene aanzienelijke geschutgieterij. Bijzonder verdient de touwslagerij en lijnbaan gezien te worden, en is aanmerkelijk om hare ongemeene lengte; zij is geheel verwulfd, rustende op drie rijen boogen, en volgens het bestek van den vermaarden vestingbouwkundige de Vauban gemaakt. Als men van binnen aan het eene eind staande door al die bogen ziet, kan het oog naauwelijks het eind bereiken, en dit levert een fraai vergezigt (perspectief) op. Wij hadden een Vlaming ontmoet, die hier ook als scheepstimmerman werkte; deze had de vriendelijkheid, om ons, als eenigzins landslieden zijnde, het een en ander aantewijzen, en met ons rond te gaan.—Met smart dacht ik hier, aan den toestand van onze Vaderlandsche Marine—voorheen werden ook onze scheepstimmerwerven door alle vreemdelingen bewonderd, onze tuighuizen waren wel voorzien, en in plaats van de speelbal van vreemde mogenheden te zijn, werden wij met ontzag behandeld, en wisten onze regten op zee duchtig te doen gelden.—Helaas! waar zijn die tijden, vriend? en wat is ’er van die edele zucht naar Vrijheid en Onafhankelijkheid, die eene van onze voorname karaktertrekken plagt te zijn, geworden?—Moet het vaderlandsch bloed ons niet in de aderen koken, als wij bedenken, dat ’er een tijd bestond, waar in de Engelschen hunne schepen veelal in Holland of te Lubeck moesten laten maken, en dit is immers nog zoo heel lang niet geleden? En was niet een van hunne eerste Koningen verpligt, geen goede matrozen in Engeland kunnende vinden, om dezelve uit Friesland te laten overkomen?—wat is thans Engeland?—en wat zijn wij?
De reede van Toulon wordt door sterke torens beschermd, als la Tour de Balaquier, d’ Eguilette, la grande Tour, en het Fort des Vignettes, dat een kwartier van dezen laatsten afgelegen is.
Een man, dien ik in een Koffijhuis aantrof, en aan wien ik eenige vragen deed aangaande deze stad, merkende, dat wij vreemdelingen waren, bood zich aan om ons naar een’ aangenamen tuin, waar men eenige vreemde planten en gewassen kweekt, even buiten de poort van Frankrijk (la porte de France) te geleiden; dit vriendelijk aanbod werd zonder bedenking aangenomen, en ik zag een niet groote, maar wel aangelegde, lommerrijke en netjes onderhouden planthof. Verscheidene menschen wandelden hier, en de reuk van de menigte geurige planten, bloemen en gewassen, was alleraangenaamst. Deze tuin is hier onder den naam van Jardin des plantes bekend. De stad intredende, hoorden wij door het gebulder van het kanon, den geboortedag van den nieuwen Franschen Keizer aankondigen. In de stad liet onze vriendelijke geleider ons ook nog een’ tuin zien, waarin verscheidene groote orange-boomen, die daar winter en zomer in den grond staan; zij waren vol vruchten, en gaven eene aangename lommer.
Den 16 dezer reden wij met een gemakkelijke koets, want ’er was geen ander rijtuig te krijgen, naar Hières, drie mijlen (trois lieues du païs), dat is drie uren gaans van Toulon gelegen. Bij het uitrijden zagen wij, dat alle de schepen op de reede liggende, met eene menigte vlaggen en wimpels versierd waren, ter eere van Keizer Napoléon, wiens geboortedag thans gevierd werd; waarom dan ook de Heilige Rochus (St. Roch) die op den 16 Augustus in den Almanak plagt te staan, sedert een paar jaren, in Frankrijk daar uit geschrapt is, en St. Napoléon, zeker ook een vermaarde Heilige, hoewel ik de eer niet heb van hem te kennen, in deszelfs plaats gesteld. Zie onder anderen de Almanak Nationaal, thans Imperiaal. De gemakkelijke koets kwam ons hier wel te pas, want de weg was verbaasd hobbelig, zoo dat wij zelfs eindelijk verkozen, on te wandelen. De landstreek is niet onaangenaam en schijnt nog al vruchtbaar, voornamelijk in wijngaarden en olijfboomen. Te Hières, in het Latijn Areæ, stappen wij af aan het Hotel des Ambassadeurs, waar wij van de kamer, die men ons aanwees, een schoon gezigt op de zee en de eilanden van Hières hadden. Na wat ontbeten, en het middagmaal besteld te hebben, gingen wij de vermaarde tuinen en boschjes van orange- en citroenboomen bezigtigen, waaronder die van Madame Fille en Monsieur Beauregard de voornaamsten zijn. Men verzekerde ons, dat deze twee tuinen, hoewel zij geene groote uitgestrektheid beslaan, somtijds, wanneer het gewas voordeelig is, ieder tot 20,000 livres ’s jaars aan vruchten, meestal orange-appelen, chinoises en citroenen, opbrengen. Deze boomen zijn hier even eens in volle aarde geplant, als bij ons de appel-, peeren- of kersen-boomgaarden, doch men ziet ’er meêr groote struiken, zoo als zwaar hakhout, dan opgaande of stamboomen; ook vond ik ’er veel minder citroene dan orange-appelen, waarschijnlijk omdat de laatste duurder verkocht wordende, meer voordeel aanbrengen. In den tuin van Mr. Beauregard, zag ik in volle aarde een’ hoogen Palmboom (palma major) die wel scheen te tieren; voor het overige, vind ik, dat hoe zeer deze tuinen of boomgaarden voor de bewoneren van het noorden, of meer gematigde luchtstreken, eene zeldzame vertooning opleveren; zij echter niet beantwoorden aan het geen men ’er over het algemeen van hoort en leest, en weinig van dat schilderachtige (pitoresque) lommerrijke, en van die vrolijke verscheidenheid hebben, die tot een aangenamen lusthof behoort. Een Franschman, dien wij te Toulon in ons logement hadden leeren kennen, en die met ons partij gemaakt had, om hier na toe te gaan, was dit ook volkomen met mij eens. Ondertusschen beviel mij de wijze, waarop men hier besproeit, en welke besproeijing in deze heete en drooge luchtstreek zoo noodzakelijk is, bijzonder. De tuinen liggen aan de zachte helling van een’ berg tegen het zuiden, zoodat zij voor de noordenwinden, door den berg of rots, beschut zijn, en de terugkaatsing van de zonnestralen de warmte nog vermeerdert. Zij zijn trapsgewijze aangelegd, en op het hoogste gedeelte is een fontein of bron; nu leidt men het water uit dezelve van tijd tot tijd door een menigte kleine kanalen of goten, zoo als wij ze noemen, door den ganschen tuin loopende, van de eene verdieping, om zoo te spreken, op de andere. Zoo ik ooit een hoog en droog buitengoed mogt bewonen, denk ik ook, althans den moestuin in dier voege aanteleggen, van die wijze van besproeijen gebruik te maken, en mij, indien ’er geen bron is, van een put, waarop een pomp staat, te bedienen. In de zestiende eeuw had men hier ook suikerriet geplant; doch de handel met Amerika en de matige prijs, waar voor de suiker toen te bekomen was, heeft deze planterij doen te niet gaan. Niettegenstaande het vrij warm begon te worden, gingen wij in het stadje, dat tegen de hoogte ligt; ’er is nog al een muur om, en men gaat ’er door een poort in; voorheen dienende on de inwoners tegen de aanvallen en stroperijen der zeeschuimers te beveiligen; het ziet ’er armoedig en haveloos uit, en men klimt langs naauwe straten gedurig op en af. In vroegere tijden plagt het eene aanzienelijke stad te zijn, omdat ’er toen een zeehaven was, doch deze haven is droog geworden, en de zee heeft zich een goed eind weegs verder op verlegd. Boven in de stad zijnde, bood zich een kleine jongen aan, zoo veel wij van zijn patois verstaan konden, om ons naar de overblijfsels van het oude kasteel, boven op de rots, nog heel wat hooger gelegen, te geleiden. Wij namen dit aan, en die kleine gast sprong bloots voets, als een klipgeit voor ons heen tegen de rots op, die hier en daar zoo heet was, dat wij het door onze schoenen heen voelden: toen wij een eindje opgeklommen waren, vroeg hij ons om twee stuivers (dou sau) en herhaalde deze vraag gedurig, en als wij hem niet spoedig wat gaven, liep hij weg en liet ons staan, maar kwam ook, zoodra wij een of twee stuivers lieten zien, weder terug, altijd huppelende en springende, of tegen de steilste plaatsen, op handen en voeten opklauterende; nimmer herinner ik mij vlugger kind gezien te hebben. Op eene zekere hoogte wees onze kleine leidsman ons eenige wijngaarden aan, wij plukten ’er van en vonden de druiven, die een’ muscaatsmaak hadden, uitmuntend; te meêr, omdat wij door de hitte aâmechtig waren. Nu hadden wij bijna den top, waarop de vervallen muren stonden, bereikt, doch hier werd de weg zeer steil en ongemakkelijk, en wij waren nog bezig met al zuchtende en blazende te klimmen, toen de kleine al boven ons op een stuk van een muur in zijn handjes stond te klappen en te springen: daar gekomen zijnde, hadden wij een verrukkend gezigt. Ten zuiden ziet men over het stadje; en de onder hetzelve gelegen tuinen met orangeboomen, de eilanden van Hières eenige rotsen, en de Middellandsche Zee; ten westen de reede van Toulon over een aangename valei; duidelijk zagen wij de schepen liggen, en daar het juist middag was het geschut lossen; ten noorden en ten oosten vertoonde zich een uitgestrekt en schiderachtig landschap, met bergen en valeijen aangenaam geschakeerd; en een kudde schapen, niet ver van deze vervallen muren, die hier en daar met struiken en klimöp bewassen waren, weidende, vermeerderde nog de bekoorlijkheden van dit romanesk gezigt. Het kasteel, dat hier in vroegere tijden stond, behoorde aan de Heeren van Hières, eerst de jongste zonen van de vicomtes van Marseille, uit den stam van Fosc, kort daar na de Hertogen van Anjou, Graven van Provence. Hier omstreeks moet ook een Klooster of Abdij gestaan hebben, door die eerste Heeren gesticht; doch de monniken leefden zoo losbandig, dat men ’er hun in 1220 uit deed gaan, en hun Klooster en goederen aan anderen gaf.—Hoewel ons het opklimmen van deze rots vrij wat zweet gekost had, waren wij daar echter, om het schoone gezigt, zeer over te vreden. Na ons wat verfrischt te hebben, deeden wij een smakelijken maaltijd. Het eten, schoon alles ook naar ’s lands gebruik met olij klaar gemaakt, was vrij goed; men is hier echter in ’t geheel niet goed koop; maar op zulke plaatsjes is niet veel keus. Men verhaalde ons dat de Engelschen nog maar weinige dagen geleden, op een der eilanden van Hières geweest waren, om zich van eenige eetwaren te voorzien. Deze eilanden zijn Porque Rolles (om dat men ’er veel wilde zwijnen plagt te vinden) Porto-cros en Titan genaamd. Zij brengen een menigte geneeskruiden en planten, die zeer gezocht zijn, voort. Voor de natuurkundigen valt ’er in de bergen en rotsen, hier omstreeks, ook vrij wat te beschouwen, vooral met betrekking tot de mineralogie. Men vindt ’er de sporen van oude en thans uitgedoofde vuurspuwende bergen (volcans), mijnen, jaspis, porphyr enz. ook wordt niet ver van hier het zoogenaamd moskovisch glas, dat men gebruikt, on voorwerpen voor het microskoop tusschen te liggen, gevonden. Hières is de geboorteplaats van den vermaarden Pater Massillon een der welsprekendste Predikanten, die Frankrijk opgeleverd heeft. Men vindt van Lodewijk den XIV. aangeteekend, dat hij, die reeds de treffende leerredenen van Bourdaloue en anderen gehoord had, tegen Massillon zeide: “Eerwaarde! ik heb verscheidene groote redenaars in mijn kapel gehoord; ik ben ’er zeer te vreden over geweest: wat u aangaat, telkens als ik u hoor, ben ik zeer te onvreden over mij zelven.” Men begroot het getal der inwoners van Hières op omtrent 1200, en men meent te moeten veronderstellen, dat die stad bestaat sedert de zesde of zevende eeuw. Tegen den avond keerden wij langs denzelfden weg, omdat ’er geen andere is, naar Toulon te rug; tusschen beide wandelende, troffen wij een’ man aan, met wien wij in gesprek raakten; deze door het schieten ter eere van den Keizer op dat onderwerp geraakt zijnde, veroorloofde zich uitdrukkingen tegen zijne Majesteit, die ik zeer oneerbiedig en onvoorzigtig vond. Deze man scheen ter zee gevaren te hebben, en te Corsika bekend te zijn.
De achtingwaardige Paul stierf te Toulon den 18 October 1667, latende bij uitersten wil alle zijne goederen aan de armen, en vorderende tevens, als een nieuw bewijs zijner nederigheid, om onder hen, op het kerkhof, begraven te worden.—Leest dit, trotsche en laatdunkende grooten! vergelijkt de prachtige grafzuilen uwer voorvaderen bij deze begraafplaats,—en zoo gij nog denken en gevoelen kunt, zult gij het lage en eenvoudige kruidje op het graf van Paul, een schitterender sieraad vinden, dan zoo vele zwierige versierselen en kostbare beeldhouwwerken van marmer en albast, zoo koud en ongevoelig als het hart van den mensch, die ’er onder ligt was, toen hij nog leefde, en waar op nimmer een enkele dankbare vriendentraan gestort is.