Note 1 — Elfde Brief.
Reading edition
Ik heb u gezegd, dat ons oogmerk was om een uitstapje naar Toulon en Hières te doen: daar wij nu hier genoegzaam al het merkwaardige gezien hadden, gingen wij den 14 dezer ’s morgens om drie uren, per gewoonen postwagen, naar Toulon op reis. Men betaalt daar voor 9 livres de persoon, en voor een bagatel komt een van de bedienden van den Commissaris de reizigers opwekken, en hun pakje halen; want als men koffers of diergelijken heeft, moeten die daags te voren bezorgd worden. Men rijdt de poort, of eigenlijk de barrière van Rome (want een poort staat ’er niet) uit, voorbij verscheidene bastides (buitenplaatsen), vervolgens door een aangenaam dal, waar men heuvels ziet, die met wijngaarden beplant zijn tot Aubagne, een stadje aan het riviertje le Veaune, 2 posten van Marseille gelegen. Op een stuk marmer, hier omstreeks ontdekt, vindt men dat ’er voorheen ter dezer plaatse een stad bestond, genaamd Lucretum; en eene andere, niet ver van daar, genaamd Gargarium. De Romeinsche regering had, ten haren koste, baden te Lucretum doen maken, om ’er het vrije gebruik van aan de inwoners te laten; men meent dan ook, dat de naam van Aubagne zijn’ oorsprong heeft van ad balnea (bij de baden). Men maakt hier een lekker soort van gekookten wijn, dien men ook malvoisie noemt; de bevolking wordt op omtrent 4000 begroot. De inwoners hebben in ’t geheel den besten naam niet: velen maakten met elkanderen een bende uit, die zich met rooven, moorden, en plunderen der reizigers ophield. De geheele landstreek plagt, aan deze kanten, nog niet lang geleden, zoo gevreesd te zijn, als bij ons het land van Valkenburg bij Maastricht; en het is ’er nog niet zuiver; doch de politie neemt goede maatregelen: echter mag dit plaatsje ook roem draagen, op een in de letterkunde beroemden man; ik meen den Abt Barthelemy1, die hier geboren werd. Men vindt hier digt bij vrij hooge bergen, en die zich, volgens natuuronderzoekers, over de 2000 voeten boven de oppervlakte der zee verheffen; op en tusschen de rotsen, groeijen vele pijnboomen; en zoo lagchende als de natuur aan den anderen kant van Aubagne is, zoo woest en treurig vertoont zij zich hier. Eer men te Cuges komt, heeft men echter een dal, waar het ’er wat beter uitziet; en de afwisseling der gezigten maakt den weg aangenaam. Cuges ligt 3½ post van Marseille, het plaatsje zag ’er slordig en armoedig uit, en hier moesten wij eten, hoewel het ’s morgens omtrent 9 uren was. De herberg had ook in ’t geheel geen gunstig aanzien; doch de kok, hoewel vrij smerig, zag ’er frisch en gezond, uit, en ik geloof, dat hij wel 250 ponden kon halen; ik had daarom nog al goeden moed, dat de keuken ’er niet schraal zou zijn, en dit ging dan ook nog al vrij wel. Een van onze reisgezellen, een ronde en vrij ruwe zeeman, droeg hier zeer veel toe bij, en zorgde dat ’er geen proviand te kort kwam; onder anderen zette men ons roode patrijzen voor, die ik nimmer beter gegeten heb, en wij betaalden maar 40 sols de persoon. Eer ik op den wagen stapte, nam ik den boêl nog eens op, want het scheen mij om de ongemeene morsigheid en slordigheid merkwaardig; daar bij kwam nog de zonderlinge t’ zamenstelling van het huis, en evenwel scheen men ’er veel te doen te hebben, want het was ’er drok, en ik had ’er met dat al ook smakelijk gegeten; doch tusschen een Hollander, die eenigen tijd gereisd, en onder vreemden verkeerd heeft, of een Hollander, die voor het eerst uit eene geregelde en zindelijke huishouding, in eene smerige herberg komt, verschillen de gewaarwordingen nog al eenigzins; en ik herinner mij bij deze gelegenheid een geval, dat om het karakteristieke, dat ’er in is, hier, dunkt mij, wel een plaatsje verdient. Een Amsterdamsch koopman, voor de eerste maal, (behalve een enkel togtje naar den Haarlemmerhout of Muiderberg) zijne geboortestad en zindelijke woning verlatende, begaf zich door zijn knegt verzeld, in gezelschap van een Duitscher en een Franschman naar Hamburg, ter verrichting van zijne zaken; want anders was de goede man zeker t’huis gebleven. Naauwlijks was hij over de grenzen, of hij bespeurde al ras, dat de woningen ’er daar, zo in als uitwendig, geheel anders uitzagen dan te Amsterdam, op de Heere-, Prinse- of Keizersgrachten. Aan een herberg komende, waar zij zouden afstappen, sprong de Franschman in eens uit den wagen, in huis, en de waardin ontmoetende, die ’er nog al wel uitzag, hield hij zich bezig met haar een menigte douceurs te zeggen, en bekommerde zich om het overige niet; de Duitscher volgde, en den hospes opgezocht hebbende, vroeg hij, of ’er wat te eten en te drinken was; vervolgens kwam onze landsman binnen, keek naauwkeurig rond, riep zijn’ knecht, en zei tegens hem op een deftigen toon: ”Keesie! ga eens kijken of het hoisie wel schoon is?” Nu vreemden vooral mogen hier mede lagchen, en de zindelijkheid in sommige gedeeltens van ons land overdreven vinden, ieder een zal toch overdreven zindelijkheid, minder onaangenaam vinden dan overdreven morsigheid. Een eind weegs buiten Cuges tegen een hoogte moetende oprijden, die nog al steil was, verkozen wij daar te wandelen, en ik vermaakte mij met de grootsche en woeste tooneelen, die men hier aantreft, te beschouwen. Verbeeld u een woud van pijnboomen op rotsen, die zich hier al vrij hoog verheffen, en ginds een’ afgrond vormen; een steile kronkelende weg loopt daar door, en het gelijkt hier meêr naar het noordelijk, dan naar het zuidelijk gedeelte van Europa, (eene regte schilderij van van Everdingen) nogthans, hoewel de wind zich in de toppen der pijnboomen deed hooren, was op sommige plaatsen, buiten de schaduw, de rots, waar men op ging, brandend heet, en ’er bleef nog al een enkele zweetdroppel, eer wij boven waren. Langs vele van die pijnboomen was de schors en een gedeelte van het hout afgekapt, op zulk eene wijze verkrijgt men de harst, die uit deze wonden traant, doch hier na kwijnt en sterft de boom ook. ’t Is opmerkelijk, hoe deze boomen zich op sommige plaatsen met hunne wortels tusschen de spleten en kloven der rotsen gevestigd hebben, en verwonderlijk, dat ’er op dezen barren en steenachtigen grond, waar op het gedurende een goed deel van het jaar, maar zeldzaam regent, nog iets groeijen kan. Boven op de hoogte is de bodem ook kaalder, en men ziet slechts hier en daar een enkelen boom. Wij kwamen hier aan een klein camp van 40 à 50 militairen, behoorende tot het garnisoen van Toulon; zij wonen in hutten, en zijn daar geplaatst, om te waken tegen de rooverijen en aanrandingen, die hier aanhoudend plaats hadden; sedert zijn de wegen ook veel veiliger: echter is het nog maar veertien dagen geleden, dat hier omstreeks een enkele kerel zich verstout heeft om den postwagen aanteranden; doch men heeft zich ook dadelijk meester van hem gemaakt, en hem naar Marseille gebragt. Zulk soort van volk wordt daar doorgaans zonder vorm van proçes gevonnisd, ter dood verwezen, en op of bij de plaats, waar het feit begaan is, voor den kop geschoten. Wat verder op langs den weg, die echter breed genoeg is, heeft men duchtige diepten. Beausset, waar wij van paarden veranderden, scheen mij een plaatsje, dat niet veel beteekent, en het zag ’er ook al slordig en armoedig uit. Tot mijne verwondering zag ik hier een witten Monnik, waarschijnlijk komt die uit Italië, om hier te bedelen. Onze zeeman, die Kapitein was, en een Fregat voor Genua liggende kommandeerde, wilde hem voor handlanger mede nemen, doch te bejaard zijnde, deed hij hem dat voorstel niet. Buiten dit plaatsje kwamen wij eenige gevangenen tegen, die kettingen om den hals en sommige aan handen en voeten hadden, en zoo aan elkanderen waren vastgemaakt; ik hield hen voor booswichten, die naar de galeijen gevoerd werden; doch onze Zeekapitein zeide, dat het weggeloopen matrozen waren, die men weder naar hun schip bragt, het waren meest jonge lieden; zij werden door Gens d’Armes te paard geleid, en leeden veel door de brandende hitte, en de zwaarte van hunne ketens, zoo dat ik recht medelijden met hun had.—Franschen met ijzeren kettingen om den hals! en hoe ligt beschuldigen zij andere volkeren van woestheid en barbaarschheid. Nu zagen wij welhaast niets anders dan dorre en naakte bergen, en kwamen vervolgens in de engte tusschen steile rotsen, die men les Gorges d’Ollioules noemt. De rotsen staan hier als steile en onbeklimbaare muren, langs den weg, die zeer ongelijk en hobbelig is, zijnde ook niet anders dan steenrots; hier en daar treft men in deze engte, tusschen de rotsen, langs den weg, aanmerkelijke diepten aan. Het water dat zich bij zware regenbuijen, of door het smelten van de sneeuw, hier langs ontlast, vormt dan een’ snellen stroom, die somwijlen opgestopt wordt door de stukken steen, die hij medevoert, en dan, op eenmaal weder geweldig losbarstende, den weg op die plaatsen, waar hij laag is, overstroomt, en alles wat hij ontmoet medesleept, en den ongelukkigen reiziger verzwelgt. Gelukkig dat de zon niet hoog meêr stondt, toen wij ons hier bevonden; want dan moet het ’er brandende heet zijn, omdat ’er, als rondom beschut zijnde, geen windje toegang heeft, en de terugkaatzende hitte van de rotsen die van de lucht en van de zonnestraalen nog vermeerdert. Op sommige plaatsen zou men hier te vergeefs rondom zich een enkel grasscheutje of plantje, hoe ook genaamd zoeken. De natuur vertoont zich ontzaggelijk, en heeft allen bevalligen tooi afgelegd; echter ziet men bij het steedje Ollioules, reeds orange-, citroen- en granaatboomen in de open lucht; Ollioules is de bloemtuin van Marseille, en men brengt van daar zeer vele bloemen te markt. Hier omstreeks plagt ook een koper- en zilvermijn te zijn, en men ontdekt in deze rotsen ook sporen van uitgedoofde vuurbrakingen (volcans). Daar omstreeks zagen wij veel Kapperplanten2, zoo als wij reeds in menigte tusschen Marseille, en hier vooral in de vlakte van Aubagne gezien hadden: de bloem is fraai, en heeft wel iets van de passiebloem, en de kappers zoo als zij ingelegd worden, zijn de bloemknopjes; de kleinste worden voor de beste gehouden. Nu komt men op Toulonschen bodem, en ziet hier onder anderen een’ grond, bestaande uit steentjes, die door eene harde stof aan elkanderen vastzitten, als of zij met kalk of cement aan een waren gehecht. Dezen grond noemt men saffre; hij wordt zoo hard in de lucht, en men maakt ’er hier omstreeks, met goed gevolg, gebruik van, om muren te bouwen. Van een hoogte, waar de weg overloopt, heeft men een verrukkelijk gezigt op de reede van Toulon; daar lagen verscheidene oorlogsschepen. Wij reden vervolgens over een brug, die eenige jaren geleden door de Engelsche was afgebroken, om hier door hunnen aftogt uit de stad te dekken. De toegangen van Toulon zijn niet onbevallig, en de stad zelve ligt fraai in zijn wallen, muren en grachten, die vrij wel onderhouden schijnen te zijn. Het was ’er door de menigte zeelieden, die hier op de reede liggen, en door het garnisoen, vrij levendig. Het was omtrent half zes, toen wij aankwamen. Beausset en Toulon zijn ook twee, en dus Marseille en Toulon in ’t geheel 7½ post van een gelegen. Wij namen onze intrek in het Hotèl la Croix de Malthe, waar het ’er redelijk wel uit zag. Na eens op de haven te hebben wezen kijken, en een gedeelte van de stad, die niet groot is, doorgeloopen te hebben, ging ik naar den Schouwburg, waar men de Gierigaard van Molière, vrij wel speelde; na hetzelve gaf men Philippe et Georgette, zangspel, en ook dit heb ik op voornamer tooneelen dan dat van Toulon, wel minder gezien.