Note 4 — Elfde Brief.
Reading edition
’s Avonds in een Koffijhuis te Toulon, ontmoetten wij onzen reisgezel den Zeekapitein, hij was met het kruis van het Legion d’honneur versierd, en had zeer veel bekijks; want hij was de eenigste onder een menigte Officieren, die het had, en men was nog niet gewoon, sommigen hoorde ik ’er mede spotten, en andere ’er over morren; waarschijnlijk veelal uit misnoegen en afgunst; want menig een meent dan ook al, dat zijn Uil een Valk is. In oude aanteekeningen van de tweede eeuw der Christelijke Jaartelling, wordt ’er reeds melding gemaakt van Toulon, en de Romeinen hadden ’er in het begin van de vijfde eene verwerij, die waarschijnlijk aanleiding gaf tot vergrooting van de stad. Voor de omwenteling was hier een Bisdom; deze stad telt echter niet meer dan ten hoogste 4500 inwoners, thans is zij de hoofdplaats van het Departement du Var. De scheepsbouw, en wat daar verder bij behoort, maakt het voorname bestaan van deze stad uit, men maakt ’er ook een soort van grof laken, dat men Pinchinats noemt. Wij hadden reeds bij onze aankomst plaatsen besproken, om morgen ochtend weder met den Postwagen van hier naar Marseille terug te keren; doch eer ik van Toulon afstap, moet ik u een verhaal mededeelen, dat gij ongetwijfeld met genoegen lezen zult. Paul, zoon van een waschvrouw4, werd gelijk als onze de Ruiter, van scheepsjongen tot een der aanzienelijkste posten bij, de Fransche vloot, te weten, tot dien van Onder-Admiraal verheven; ook was hij Chevallier de Justice in de order van Maltha, en werd daarom de Ridder Paul genaamd. Omtrent het midden van de 17e eeuw voerde hij het bevel over de Zeemagt te Toulon. Op zekeren dag, dat hij te Marseille langs de haven wandelende, verzeld door verscheidene Offiçieren en de voornaamste Edellieden van de stad, zag hij een Matroos van zijn kennis, onder de menigte, uitgelokt door de begeerte om hem te zien; deze uit een soort van verlegenheid zich naauwelijks durvende vertoonen, treedt Paul naar hem toe, en spreekt hem vriendelijk aan, zeggende: “Waarom ontwijkt gij mij? denkt gij dat de voorspoed mij mijne oude vrienden doet vergeten?” En zich vervolgens wendende tot hen, die hem vergezelden, zeide hij: “Mijne Heeren! zie daar een van mijne oude makkers: wij zijn te zamen scheepsjongens op hetzelfde schip geweest: het geluk heeft mij gediend, en hem den rug toegedraaid; ik acht ’er hem niet te minder om, vergun, dat ik mij een oogenblik met hem onderhoude.” Dit gezegd hebbende, trok hij zijn’ ouden vriend ter zijde, onderhield zich gemeenzaam met hem, vooral over de voorvalletjes hunner jeugd, toen zij te zamen dienden, vervolgens naar zijn vrouw en kinderen en eene en andere huisselijke omstandigheden vragende, verzocht hij hem om op een bepaalden tijd bij hem te komen, ten einde nader met hem te spreken en te overleggen, op wat wijze hij hem het beste van dienst zou kunnen zijn, en het gevolg hier van was, dat de goede Paul aan zijnen ouden makker, die het niet te ruim had, een postje bezorgde, waar van hij met zijne vrouw en kinderen ordenlijk leven kon. Hoe groot de betoonde moed en heldendaden van deze brave Zeeman ook mogen geweest zijn, de edele trek van nederigheid en vriendschap, dien ik hier met een regt hartelijk genoegen ter nederstelle, en die men onder de zoogenaamde grooten, en vooral die, welke van klein groot geworden zijn, zoo zeldzaam aantreft; die trek alleen, zeg ik, doet zijne nagedachtenis meêr eer aan, dan het winnen van verscheidene zeeslagen.