← Table of contents
Reis door Griekenland

IV

Reading edition

Megaspilion verlatende moeten wij tegen den berg opklauteren, die zich achter het klooster verheft, en achtervolgens al de noordelijke contreforten van den berg Khelmos bestijgen. Terwijl wij zoo langs het smalle en steile pad voortzwoegden, ontmoetten wij enkele monniken te paard, gemakkelijk gezeten op breede welgevulde pakzadels. Sommigen keeren terug van de wijngaarden, waar zij de arbeiders hebben gadegeslagen die de ranken opbinden; anderen zijn tegenwoordig geweest bij het dorschen van het koren in de vallei van Diakopto, waar de rijkste boerderijen van het klooster liggen. Een ander ging den berg op, om een bezoek te brengen aan vijfhonderd bijenzwermen, die uit het klooster naar het bosch waren overgebracht gedurende den tijd dat de pevka-pijn bloeit, waarvan het zetmeel aan den honig een heerlijken geur geeft. Het is de gewoonte in Griekenland, aldus tot twee-, driemalen toe, de bijen naar verschillende plaatsen over te brengen, in verband met den aard en den overvloed der bloemen die zij daar kunnen vinden; de naburige dorpen moeten een zeker recht betalen aan den hegoumenos van Megaspilion, wanneer zij hunne korven naar de bosschen van het klooster overbrengen.

De weg wordt voortdurend slechter. Wij loopen inderdaad groot gevaar, den hals te breken, en onze lastdieren, wier vracht telkens tegen de uitstekende rotspunten stoot, dreigen elk oogenblik in den afgrond te rollen. Drie uren lang waren wij als verloren te midden van een baaiert van bergen, tegen de steile toppen opklauterende, in diepe ravijnen nederdalende om aanstonds weer naar boven te klimmen, tot wij eindelijk eene hoogvlakte bereikten, van waar wij de golf van Korinthe konden overzien en op den achtergrond de keten van den Parnassos, nog met sneeuw bedekt. Voor onze voeten ontrolde zich, afdalende naar de zee, eene aaneenschakeling van heuvelen en valleien, met donkere bosschen bedekt, bebouwd, bezaaid met dorpen, waarvan de roode pannendaken schilderachtig uitkwamen onder het loof der kastanjeboomen, en doorsneden door tallooze beken, welke zich door de maïsvelden slingeren.

Om te Peristera te komen, moesten wij eene steile helling bestijgen langs een pad, bezaaid met losse steenen, die telkens wegrolden onder de pooten onzer uitgeputte paarden. Alle plantengroei had nu weer opgehouden, en wij waren omringd door hooge, kale, roodachtige rotsen, voor welker schilderachtige vormen wij meer oog zouden gehad hebben, indien zij niet eene zoo ondragelijke hitte hadden uitgestraald en zoo verblindend het zonlicht weerkaatst.—Alvorens Solos te bereiken, moesten wij nu naar de vallei van de Krathis afdalen, langs eene zoo moeilijke en gevaarlijke helling, als wij nog zelden hadden gezien, glijdende en bij iederen voetstap vallende, terwijl onze paarden, ondanks de inspanning der geleiders, telkens uitgleden en ter aarde stortten. Ik heb niet dikwijls in mijn leven zulk een vermoeienden en gevaarlijken tocht gemaakt. Het was inderdaad eene uitkomst, toen wij eindelijk het dorp Solos bereikten, in eene bekoorlijke vallei, te midden van kastanjes en bloeiende vruchtboomen gelegen, aan de samenvloeiing van de Krathis en de Mavro Nero, ook Drako Nero genoemd, welke niet anders en niet minder is dan de Styx, de rivier van de onderwereld, wier sombere wateren dood en verderf verspreidden.

Op omstreeks een uur afstands van Solos voert een woeste, eenzame pas, waarvan de groene en donkerpaarse rotswanden een fantastischen indruk maken, naar een soort van circus, in de loodrechte wanden van den Khelmos uitgehouwen, en van welks top twee dunne waterstralen, als zilveren linten, naar beneden zweven en zich halverwege in damp en nevel oplossen. Als, in sommige gevallen, nevels en wolken willen medehelpen om het effect te verhoogen, en door speling en verdeeling van licht en schaduw de bergkloof in kille schemering is gedompeld, terwijl de toppen der rotsen schitteren in vlammenden gloed, dan is het schouwspel zeker aangrijpend en grootsch; maar toch is het moeilijk te begrijpen waarom de ouden juist deze plek hadden uitgekozen om daar den ingang der hel te plaatsen. Nog onder den indruk van onze klassieke herinneringen, verwachten wij geheel iets anders: een woest en huiveringwekkend tooneel; zwarte gapende afgronden, waaruit het dof geluid van rollenden donder u tegenklinkt; geheimzinnige duistere kloven, waarin de wind huilend en klagend ommegiert en vreeze des doods sidderend rondwaart...... Gij vraagt u af, waar hier de onderwereld is; waar de verschrikkingen van den noodlottigen Styx? waar de afgrond, aan welks donkeren rand Demeter, in ademlooze spanning, den terugkeer harer dochter [151] afwachtte? Gij zijt teleurgesteld, en ge kunt een gevoel van wrevel niet onderdrukken jegens de dichters, die u zoo hebben beet gehad en in zoo hooge mate uwe belangstelling wisten te wekken voor iets, dat enkel in hunne verbeelding bestond.

Het water van den Styx, dat veeleer uit den hemel schijnt te dalen, dan uit het schimmenrijk van den Hades op te wellen, is frisch en helder. De ouden kenden aan dat water eene bijtende, invretende kracht toe, en beweerden dat men het uitsluitend in hoornen kruiken kon bewaren. Verwonderlijk inderdaad is, te dezen aanzien, de men zou haast zeggen kinderachtige naïeveteit, waarmede de beroemdste geleerden der oudheid in vollen ernst de vraag overwegen, van welk dier de hoef zulke merkwaardige eigenschappen bezit. Plutarchus hield het met den ezel; Aelianus was van hetzelfde gevoelen, maar met de nadere bepaling dat hier alleen van skythische ezels sprake kon zijn; Pausanias heeft alleen van het paard hooren spreken; Plinius zou aan de muilezelin de voorkeur geven; Vitruvius aan den muilezel: nog eens, het is schier onbegrijpelijk, hoe ernstige zeer ontwikkelde mannen zich met dergelijke kinderachtigheden kunnen bezig houden.

Na Solos verlaten te hebben, klimmen wij langzaam en met inspanning de steile hellingen van den Khelmos op, geheel van plantengroei ontbloot; maar aan de andere zijde, naar het zuiden, voert de weg midden door bosschen van hooge breedgetakte dennen, die ons aan de majesteit en den indrukwekkenden ernst van de wouden van het noorden herinneren. Bij eene plotselinge kromming van den weg bespeuren wij het meer van Pheneia, omgeven door een wijden kring van hooge bergen met bosschen bedekt, waarvan de steile hellingen bijna loodrecht naar het meer afdalen, in welks heldere wateren zij zich weerspiegelen. Ware de hemel niet zoo helder en vol licht, men zou kunnen wanen in Schotland te zijn, in het zoo schilderachtige en poëtische graafschap Ross. Deze groote waterkom, die tegenwoordig ruim negen kilometers lang en zeven breed is, bestond in de oudheid nog niet; maar daar de onderaardsche kanalen en buizen, langs welke het water van dezen reusachtigen trechter vroeger wegstroomde, door welke oorzaak dan ook, ten deele verstopt zijn geraakt, heeft zich langzamerhand een meer gevormd, waarvan de waterspiegel voortdurend rijst. Sedert lang reeds is de plaats waar het oude Pheneia stond onder het water bedolven; slechts de akropolis steekt nog als een rotsige kaap daarboven uit.

Tusschen Phonia en het meer Stymphalos voert onze weg over eene reeks van woeste en kale plateaux. Niet minder woest en doodsch is de aanblik van het meer zelf met zijne moerassige oevers, een broeinest van koortsen, en zijn gordel van kale bergen en vale rotsen. Het doodelijk zwijgen dat alomme heerscht; de verpeste dampen, die uit de kloof opstijgen, waarin zich het water van het meer uitstort; de zware drukkende lucht in deze bedompte, van alle kanten ingesloten kom:—alles maakt een pijnlijken, benauwenden indruk op de weinige reizigers, die deze plek bezoeken.—Daarom waren ook wij, ondanks den aandrang van onze agoyaten, en hoewel de dag reeds ten avond neigde, niet gezind om te Zaratia te overnachten, maar bleven bij ons besluit om tot Dousia te gaan. Wij allen waren tot uitputtens toe vermoeid van de bezwaarlijke reis; onverschilligheid en verveling maakten zich van ons meester bij dezen eindeloozen tocht door die eenzame, woeste, zwijgende landschappen, door kale vlakten blakerende in den zonnegloed, door vochtige valleien, kweekplaatsen van kwaadaardige koortsen. Wij zagen met ongeduldig verlangen uit naar de zee, naar een ruimer horizon, naar de beschaafde wereld, waarvan wij afgestorven schenen.

De eenige straat van het dorp Dousia was opgevuld met menschen. De Grieken zijn altijd uiterst beleefd en voorkomend jegens vreemdelingen die hun land bezoeken. Men kwam ons te gemoet; wij moesten afstijgen en in een koffiehuis binnengaan, waar een der notabelen van het dorp ons koffie aanbood. Wij vernamen dat de buitengewone drukte veroorzaakt werd door eene bruiloft; weldra kwam de bruidegom zelf, op de meest wellevende wijze, ons uitnoodigen bij de plechtigheid tegenwoordig te zijn, en deel te nemen aan het bruiloftsmaal, dat nog dien eigen avond zou gehouden worden. De kerkelijke plechtigheid was op morgen bepaald.

Deze maaltijd—zoo als alle dergelijke feestmaaltijden op het platte land in Griekenland—bestond uit lammeren, die in hun geheel gebraden en opgedischt worden, uit rauwe uien, uit harde eieren en schapenkaas; een met wijn gevulde groote kruik ging van hand tot hand, en tegen het einde van den maaltijd bracht men eene reusachtige kruik met yaourt, eene soort van gestremde melk, die men slechts in het Oosten vindt, veel fijner en vetter dan de onze, en waarin de gasten om strijd hunne houten lepels dompelden. De toebereidselen tot dit feest hadden gedurende drie dagen aanleiding gegeven tot allerlei symbolische plechtigheden en handelingen, waarin nog de flauwe herinnering leeft aan het oude heidendom, dat in het hart dezer naïeve en tegelijk romaneske bevolking nog niet geheel gestorven is.

Drie jonge meisjes, uit de schoonsten van het dorp gekozen en in haar feestgewaad gekleed, begeven zich naar de fontein, met haar groote kruiken op het hoofd en zonder een enkel woord te spreken, hetgeen voorzeker geene lichte zaak is. Aan de fontein gekomen werpen zij eenige muntstukjes in het water, als eene gave aan de feeën, en keeren na hare kruiken gevuld te hebben, in dezelfde orde en wederom zwijgend huiswaarts. Met het door haar geputte water bereiden zij dan het brood, dat bij het bruiloftsmaal gebruikt moet worden; terwijl de mannelijke en vrouwelijke bloedverwanten van den bruidegom liederen zingen, voor deze gelegenheid bestemd. Den volgenden dag is het de beurt der jongelieden, die naar het bosch gaan om het noodige hout te zoeken, dat met een nieuw hennepkoord [152] waarin geen knoopen mogen gelegd worden, moet worden saamgebonden. De takkebossen moeten onder muziek en zang naar het dorp gebracht worden.

Op den laatsten dag kiest men de vetste schapen van de kudde uit, verguldt hunne hoornen, en omkranst hen den kop met bloemen, even als weleer de offerdieren; vervolgens worden zij, onder begeleiding van muziek en zang, door het dorp rondgeleid en voor het huis van den bruidegom geslacht.

Na afloop van den maaltijd wordt het grootste gedeelte van den nacht met zingen en dansen doorgebracht, op het met flambouwen verlichte dorpsplein; de genoodigden vormen lange rijen van dansers en danseressen, die elkander bij de hand houden. De mannen zijn gekleed in geborduurde wambuizen met lange open mouwen, in driedubbele witte, netjes geplooide fustanella’s, en hooge roode, witte of blauwe geborduurde slobkousen; de vrouwen, gedost in het gewone kostuum van Argolis, met een kleine ronde fez op het hoofd, die geheel met zilveren en soms gouden muntstukken is bedekt, welke in dichte rijen van de kruin tot het voorhoofd reiken. Twee groote oorringen van geciseleerd zilver zijn onderling verbonden door drie of vier kettinkjes, die onder de kin doorgaan en eene niet onaardige omlijsting van het gelaat vormen.

In den omtrek van Megaspilion.
In den omtrek van Megaspilion.

In den omtrek van Megaspilion.

De keten der dansers en danseressen ontwikkelde zich telkens, met die eigenaardige beweging der beenen, waarin de danskunst der Grieken hoofdzakelijk bestaat. Het licht der flambouwen weerkaatste hier en daar in een gouden muntstuk, in de zilveren belegsels der gordels of de rijke borduursels der buizen. Aan het hoofd der rei sprong en huppelde de bruidegom, een groote flink gebouwde jonkman van twee- of drie-en-twintig jaren, met zware zwarte knevels en een paar vlammende oogen; hij danste onvermoeid, terwijl de muziekanten klagende, doffe klanken uit hunne fluiten te voorschijn brachten, nu en dan half overstemd door het gonzend geklepper der tamboerijnen.

De bruid bleef in haar huis met hare vriendinnen, die voor haar zongen. Zij moest, volgens het gebruik, op een lage tabouret zitten, het hoofd en de schouders met een dichten sluier omhuld. Haar gelaat was met een laag blanketsel bedekt; hare wenkbrauwen waren met eene fijne zwarte streep een weinig verlengd, en een dunne blauwachtige kring rondom de oogen deed die buiten verhouding groot schijnen. Boven de wenkbrauwen waren twee kleine gouden cirkeltjes geteekend; hare haren, haar hals en haar armen waren overladen met zware en plompe zilveren sieraden. Het was duidelijk, dat haar gedwongen stilzitten in de benauwde lucht van eene kleine kamer, doortrokken van scherpe onaangename geuren, haar hinderde en vermoeide; de groote zweetdroppels die van haar voorhoofd afvloeiden, teekenden grijsachtige sporen op haar sterk beschilderde wangen.

Een eilandbewoner van de Archipel.
Een eilandbewoner van de Archipel.

Een eilandbewoner van de Archipel.

Wij lieten deze brave lieden zingen en dansen en drinken naar hartelust, en begaven ons naar de kamers, die men ons had afgestaan; maar nauwelijks hadden wij omstreeks een paar uren onrustig op onze tapijten omgewoeld en nu en [154] dan geslapen, of wij werden plotseling door geweerschoten gewekt. Een der jongelieden van het dorp trad binnen en verwittigde ons dat de bruid en de bruidegom zich naar de kerk begaven. Te gelijkertijd gaf hij aan ieder onzer een klein rond taartje, klouria genoemd, dat de plaats inneemt van onze uitnoodigingskaarten.

Reeds vormde zich de stoet. De bruid, steeds gesluierd en zoo overladen met kronen en sieraden dat zij nauwelijks gaan kon, trad met langzame schreden voort, ondersteund door hare moeder en eene harer naaste vrouwelijke bloedverwanten, voorafgegaan door muziek en gevolgd door een drom van verwanten, vrienden en vriendinnen. Aan het andere einde der straat vertoonde zich de stoet van den bruidegom, niet minder talrijk en luidruchtig. Beide partijen ontmoetten elkander voor de kerkdeur, waar de pappas wachtte. De kerkelijke ceremonie duurde zeer kort. Na de jonggehuwden te hebben gezegend, bood de priester hun een met wijn gevulde kelk aan, waaruit zij even dronken en die zij vervolgens aan hunne ouders en de getuigen overreikten.

Men begaf zich daarop naar het huis van den bruidegom, waarvan de deur met kransen van groen en bloemen was versierd. Op den drempel stonden drie bekers met honig, boter en korenzaad, als zinnebeelden van de zoetheid, de liefelijkheid en den overvloed, die in het huis steeds mogen wonen. De bruidegom tilde daarop zijne bruid in zijne armen en droeg haar in huis, zonder dat haar voet den drempel aanraakte, hetgeen als een ongelukkig voorteeken zou worden beschouwd.

Nu moest nog een groot feestmaal gehouden worden, gevolgd door dansen; maar ondanks aller vriendelijken aandrang om ook daarbij tegenwoordig te zijn, lieten wij onze paarden zadelen. De jonge man, door zijne vrienden omringd, kwam ons de hand drukken en goede reis wenschen, en ons nogmaals danken voor de eer, hem bewezen door onze tegenwoordigheid bij zijn huwelijk.

Wij hadden ongeveer een dag noodig om de bergketen over te trekken, die ons van de golf van Korinthe scheidde. De met eiken en dennenbosschen begroeide vallei, die naar de zee afdaalde, werd al breeder en breeder. Kleine gehuchten vertoonden hunne roode daken tusschen de met wijngaarden beplante heuvelen. Dit vroeger zoo arme land geniet thans, dank zij den uitvoer van krenten, eene groote mate van welvaart.

Eensklaps opende zich de horizon, en tusschen de boomen schitterde een metalen spiegel: dat was de zoo vurig begeerde golf!

Wij kwamen te Sikyon, waarvan het antieke theater een uitzicht biedt, zoo tooverachtig schoon, als men wenschen kan: de stralende zee; op den achtergrond de twee toppen van den Kitheron en den Helikon; ter rechterhand, de landengte van Korinthe met de Aegeïsche-zee, en in de verte het eiland Aegina.

Den volgenden dag waren wij weder te Athene, uitgerust van onze vermoeienissen, en van onzen tocht door den Peloponnesos geene andere herinnering bewarende dan die aan de prachtige landschappen welke wij hadden aanschouwd, de merkwaardige plekken welke wij hadden bezocht, en niet minder aan het vriendelijk en hartelijk onthaal, dat wij overal gevonden hadden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings