III
Reading edition
Den volgenden morgen zetten wij onze reis door de vallei van den Erymanthes voort, langs een pad dat tegen de hellingen van den berg Zembi omhoog klautert en naar Anastasova voert, een klein dorp, door eeuwenheugende notenboomen omringd. Verder wordt het pad zoo steil en met steenen bezaaid, dat de paarden elk oogenblik gevaar loopen in den afgrond te storten, waarlangs de weg loopt. Na over een bergpas te zijn getrokken, waar een ijskoude wind ons tegenwaait en van waar men de toppen van alle naburige bergen kan overzien, van de golf van Korinthe tot het dal van den Alpheios, dalen wij onophoudelijk. Wij rijden door eene smalle vallei, midden door een bosch van verschrompelde en onmogelijke eiken, tot aan de stad Kalavryta, waar wij eindelijk na een tocht van zes uren aankomen, allen te zamen, menschen en beesten, uitgeput van vermoeienis. [146]
Kalavryta, de hoofdplaats eener eparchie en dus de zetel van een prefect, is eene kleine stad van ruim tweeduizend inwoners, met eenige naar europeeschen trant gebouwde huizen en tuinen met moerbeziënboomen, andere vruchtboomen en zelfs oranjeboomen beplant. Deze laatste boomsoort lijdt hier evenwel een kwijnend leven, want deze vallei van den Buraïkos, waar meermalen alle middelen van gemeenschap door de sneeuw worden gestremd, is een koud land met eene ruwe, woeste natuur.
Er heerscht vrij veel levendigheid in de straten, vooral in den bazar, waar wij geen enkel produkt aantreffen, dat meer bijzonder aan het land eigen is, tenzij eene soort van harde en vaste kaas, die veel overeenkomst heeft met parmesaansche kaas. In de oudheid was de kaas van Achaje en van Sikyon wijd en zijd beroemd en een van de onmisbaarste artikelen in elke goede keuken.
Onder de bewoners van Kalavryta is de albaneesche type zeer duidelijk kenbaar. Vele van de Albaneezen, die ten jare 1770, met de Turken in Morea doordrongen, hebben zich in het land gevestigd, maar hunne afstammelingen hebben zich al spoedig met de oorspronkelijke bewoners vermengd, en zoo is de zuivere albaneesche type nog slechts in de minst bewoonde, onbeschaafdste gedeelten des lands bewaard gebleven. Zoo vindt men nog heden, in het hart der bergstreken, echt albaneesche namen van dorpen en vlekken, als Louhavitza, Martinitza, Khalovo, Kerpeni en zoo vele anderen. Een aantal dorpen in deze provincie worden nog heden bewoond door de nakomelingen van de overweldigers, en in sommigen spreekt men ook nog de albaneesche taal. Het albaneesche ras, van slavischen oorsprong, onderscheidt zich zeer kennelijk van het grieksche. De Albaneezen zijn, over het algemeen, zwaar gebouwd; hun hoofd is rond, het benedenste gedeelte van hun gelaat is breed, hun voorhoofd is smal en laag; hunne trekken zijn ruw en grof, en hunne oogen meer levendig dan geestvol. Zij zijn arbeidzaam, geduldig en matig, maar gierig. In verstandelijk opzicht, in vlugheid van begrip en scherpzinnigheid, moeten zij ongetwijfeld voor de Grieken onderdoen: van daar dat zij zich ook in het maatschappelijk leven zelden boven het middelmatige verheffen; maar de zucht tot intrige en de politieke razernij, twee zeer leelijke eigenschappen van het grieksche karakter, zijn hun ook ten eenemale vreemd.
De albaneesche vrouwen zijn rijzig van gestalte, maar haar trekken zijn hoekiger en forscher dan die der grieksche. Haar gewone kleederdracht bestaat uit een dik hemd van grove wollen stof, dat op de borst geopend is; daaroverheen dragen zij een soort van lang open buis, zonder gordel. Zij verrichten allen huiselijken arbeid, bereiden de spijzen, en gaan ook, met groote kruiken op haar hoofd, naar de fontein om water te halen; maar zij gaan nooit naar de markt, waar de verschijning van eene vrouw algemeen opzien zou baren. De mannen gaan, met een korfje in de hand, des morgens de noodige inkoopen doen. Op zon- en feestdagen trekken de albaneesche vrouwen hare beste kleederen aan en tooien zich met al haar sieraden; maar ook dan is haar kostuum plomp en onbevallig. Over het wollen hemd trekken zij dan eene lange gekleurde tuniek aan, benevens een zeer rijk geborduurd vest. Een korte rok, van zeer sprekende kleur, bedekt een gedeelte van de tuniek. Een met gouden franjes omzoomde sluier of doek omgeeft hoofd en hals; langs den rug hangen twee lange vlechten, die tot bijna aan de voeten reiken en met een dikken knoop van roode zijde eindigen. Zoo uitgedost zitten zij den ganschen dag voor de deur harer woning neergehurkt, weinig pratende en nog minder lachende.
Wij mochten niet verzuimen, de overblijfselen te gaan bezoeken van een frankisch kasteel, dat omstreeks een uur gaans van de stad, op den top eener hooge en steile rots is gebouwd. Deze top is slechts van eene zijde, langs een smal en moeilijk pad te genaken; overal ziet men nog de overblijfselen van den muur, die vroeger den geheelen omtrek van het rotsterras omgaf: deze muren hebben eene gezamenlijke lengte van achthonderd el en zijn nog vrij goed bewaard gebleven. Van twee torens zijn nog gedeelten in stand gebleven; overal ziet men binnen de ruimte overblijfselen van woningen en waterbakken. Deze vesting, die nog heden door de Grieken het kasteel der Franschen genoemd wordt, is eene der belangrijkste, welke ik in Morea heb aangetroffen. Niet alleen was dit fort van groot strategisch gewicht, daar het de passen van den berg Khelmos beheerschte, maar de heer van Kalavryta was ook een der hooge baronnen of pairs van Achaje, die over zijn onderdanen het recht van leven en dood had.
Toen Villehardouin, in 1208, het door hem veroverde land onder zijne ridders verdeelde, werd Kalavryta met twaalf leenen aan Raoul van Doornik gegeven, van wien vele nakomelingen in de kronieken vermeld worden. Vermoedelijk is deze familie eindelijk uitgestorven, of gingen hare bezittingen door huwelijk over aan de familie van Trémouille, heeren van Khalandritza, nabij Patras, want op een heuvel tegenover het groote kasteel van Kalavryta, ziet men de ruïnen van een klein fort, waarop nog de naam van Tremoula te lezen is.
Gedurende den onafhankelijkheidsoorlog versterkten de Grieken den ouden burcht van Kalavryta, van waar zij, door teekenen, gemakkelijk in verstandhouding konden blijven met de benden, die de ongenaakbare passen en grotten van den Khelmos bezet hielden. Van Kalavryta en van het naburig klooster van Hagia Lavria ging het teeken uit tot den opstand tegen de Turken; Andreas Zaïmis, primaat van Kalavryta, Germanos, bisschop van Patras en Andreas Loudos, primaat van Vostitza, waren onder de eersten, die den nationalen weerstand organiseerden, den door herhaalde nederlagen geknakten moed der Grieken weder opbeurden, en de hulp of medewerking der vreemde mogendheden inriepen.
“De Hellenen,” zoo schreef Germanos aan de [147] consuls der europeesche mogendheden te Patras “ten prooi gelaten aan de steeds ondragelijker wordende onderdrukking der Turken, hebben eenstemmig besloten, het juk af te werpen of te bezwijken. Wij zijn opgestaan om onze rechten te heroveren; wij houden ons overtuigd dat de koningen en de volken het goed recht onzer zaak zullen erkennen en dat zij ons hunne hulp niet zullen weigeren, gedachtig aan de diensten door onze voorvaderen aan de menschheid bewezen. Wij bidden u daarom, door uwe voorspraak de welwillendheid en de bescherming van uwe doorluchtige souvereinen voor ons te verwerven.”
Men weet, hoe die souvereinen aanvankelijk op deze dringende roepstem antwoordden. Frankrijk alleen toonde zich welwillend en edelmoedig jegens de mishandelde en vertrapte Grieken, en de fransche consul te Patras, de heer Pouqueville, verborg met gevaar van zijn leven, honderden vluchtelingen in zijn huis, terwijl Yoessoef-pâsja een gouden mahmoediëh betaalde voor de afgehouwen hoofden der Christenen, en terwijl de gouverneur van Tripolitza de primaten en bisschoppen van den Peloponnesos, die hij zoogenaamd om eene verzoening te bewerken saamgeroepen had, verraderlijk vermoordde. Germanos en Zaïmis hadden gelukkig aan de uitnoodiging geen gehoor gegeven.
Ondanks den treurigen afloop van den opstand te Patras, breidde de beweging zich hand over hand uit, en binnen drie weken zagen de Turken zich genoodzaakt hunne woningen te verlaten en eene schuilplaats te zoeken in de versterkte steden Patras, Tripolitza, Navarino en Modon.—Toen de aanzienlijkste mannen van den Peloponnesos, priesters, primaten of hoofden, bijeenkwamen en eene vertegenwoordigende vergadering vormden, werden Germanos en Zaïmis met algemeene stemmen uitgenoodigd, aan die bijeenkomst deel te nemen; later werd Germanos opgedragen, zich naar het congres van Verona te begeven, om nog eenmaal de hulp van de christelijke mogendheden tegen de Turken in te roepen. Ondanks zijne uitstekende bekwaamheden, zijne veelzijdige menschenkennis en zijne wegsleepende welsprekendheid, slaagde hij niet in zijne zending. Wat de mogendheden terughield was toch niet enkel eigenbelang of onverschilligheid voor het lijden der Grieken, nog minder sympathie voor hunne verdrukkers, maar de ondervinding had geleerd, welk een onafzienbare nasleep van jammeren en gruwelen de zoogenaamde vrijheidsbeweging over Europa had uitgestort; en was de revolutionnaire vulkaan ook schijnbaar bedwongen, het smeulende vuur was niet gedoofd en juist om dien tijd schenen herhaalde trillingen en schuddingen eene nieuwe naderende uitbarsting te verkondigen, die dan ook weinige jaren later werkelijk plaats had. Geen wonder dus, dat de mogendheden, ook nog afgezien van andere motieven, huiverig waren eene beweging te steunen en te bevorderen, die, hoe rechtvaardig en loffelijk ook op zich zelve, door hare onwillekeurige verwantschap met andere revolutionnaire woelingen, een bedenkelijk karakter droeg. Germanos nam zijn terugweg over Rome, had daar eene samenkomst met Paus Leo XII en trachtte eene hereeniging der grieksche en latijnsche kerken te bewerken en alzoo de rampzalige breuke te genezen, die voor de oostersche Christenheid zoo vreeselijke gevolgen had na zich gesleept; maar ook deze poging slaagde niet: de grieksche geestelijkheid toonde zich niet gezind, de edelmoedige aanbiedingen van den Heiligen Stoel te aanvaarden. Hij overleed in 1826, gedurende het beleg van Missolonghi, een jaar voor den zeeslag van Navarino, toen de aanstaande zegepraal der zaak, waaraan hij zijn geheele leven gewijd had, met grond kon worden voorzien.
Wij hadden onzen intrek genomen bij den demarch of burgemeester, wiens rijkdom voornamelijk in talrijke kudden bestaat: een man van grooten invloed, die een zeer fraai en comfortabel huis bewoont met zijne jonge vrouw, zijne moeder en eene zuster zijner vrouw. In Griekenland is een gast al spoedig een vriend, en schier altijd is de ontvangst van dien aard, dat zij de aangenaamste herinneringen achterlaat. Zoo als steeds de gewoonte is wanneer er vreemdelingen zijn, was er des avonds ten huize van den demarch een talrijk gezelschap bijeen, en wij hadden te antwoorden op tallooze vragen, waaruit belangstelling, maar vooral niet minder nieuwsgierigheid sprak. “Van waar komt gij? waar gaat gij heen? wat is uw beroep? zijt gij gehuwd? hebt gij kinderen? zijt gij voor de eerste maal in Griekenland? hoe bevalt u dit land?” Is hunne weetgierigheid bevredigd, dan komt geregeld de eeuwige politiek, die plaag onzer eeuw, op het tapijt. Maar hoezeer dit onophoudelijk politiseeren u tegen de borst moge stuiten, toch kunt ge niet nalaten, het gezond verstand, de scherpzinnigheid en de kennis dezer bewoners van een nietig stadje in het hart van het gebergte te bewonderen, en vooral de helderheid, waarmede zij hunne denkbeelden weten uit te drukken. Overal, ook op het platte land, vindt men diezelfde vlugheid van begrip en scherpte van blik, die juiste en heldere wijze van zich uit te drukken, die een der kenmerken zijn van het grieksche ras, waardoor het ook nu nog boven alle andere christelijke of mohammedaansche rassen van het Oosten uitmunt. Even als in de oudheid, staat ook nu nog bij hen verstandelijke ontwikkeling bovenaan. In dit land, waar nog dezelfde ploeg in zwang is dien Triptolemos gebruikte, waar de wijn door hars ondrinkbaar wordt gemaakt, waar rijtuigen genoegzaam onbekend zijn en zelfs zeer vermogende lieden dikwijls in hun mantel gewikkeld op den grond slapen, waar geene enkele nuttige kunst of industrie ernstig beoefend wordt;—in dat zelfde land wemelt het van wijsgeeren, rhetoren, schrijvers, dichters; vindt men eene universiteit en drie scholen voor hooger onderwijs, eene akademie van natuurkundige wetenschap, een archeologisch genootschap, bibliotheken en openbare scholen; men vindt hier meer drukkerijen dan schoenenwinkels, en jaarlijks verschijnen hier tal van werken over sociologie, theologie, geneeskunde, nationale geschiedenis, dichtkunst [148] en philologie; maar groot bovenal is het aantal dagbladen, die overal en door allen met ijver gelezen worden. Ik zie de zeer ernstige schaduwzijde van deze eenzijdige ontwikkeling in geenen deele over het hoofd, maar kan niet nalaten hulde te brengen aan de intellektueele werkzaamheid van dit zeldzaam begaafde volk.
De Grieken, met wie wij dien avond te Kalavryta in aanraking kwamen, behoorden voor het meerendeel tot de kleine burgerij, maar allen waren bezield door dezelfde eerzucht, hetzij dan voor zich zelven, hetzij voor hunne kinderen: allen wenschen hooger op te klimmen, zich een weg te banen, en om daartoe te geraken hunne kennis te vermeerderen. Van daar de ijver, waarmede zelfs de kinderen uit de armste gezinnen de scholen bezoeken.—Zij die geen kans zien, langs dezen weg, door arbeid—wel te verstaan, door intellektueelen arbeid—vooruit te komen, wenschen niets vuriger dan een oorlog, waardoor de grenzen van het koninkrijk zouden worden uitgebreid en een wijder veld voor hunne eerzucht geopend.
Den volgenden morgen zouden wij in het klooster Megaspilion gaan ontbijten en, zoo mogelijk, in het gehucht Solos overnachten, aldus het gebergte langs de golf van Korinthe volgende, om verder over Sikyon de stad Korinthe te bereiken. Daar de morgenlucht scherp en koud was, gingen wij te voet vooruit, terwijl de lastdieren werden beladen. Aanvankelijk loopt de weg door bebouwde velden; de boeren, die wij tegenkomen, vooral de kinderen, zien er lijdend uit: blijkbaar zijn zij ondermijnd door de koorts, een gevolg van de overstroomingen van den Buraïkos. In den zomer en den herfst is de vallei zeer ongezond; de welgestelde inwoners van Kalavryta verlaten dan ook de stad en kampeeren op vier mijlen afstand, bij het dorp Kerpeni, waar men eene gezonde lucht on uitmuntend water heeft.
De weg volgt de rivier en steekt die herhaaldelijk over, en wel door middel van steenen bruggen, eene groote zeldzaamheid in Griekenland. Rechts en links verheffen zich roodachtige, kale bergen, slechts met enkele dennenboschjes op den top; bij den uitgang van het smalle ravijn bespeuren wij aan onze rechterhand het klooster, als een zwaluwennest geplakt tegen een loodrechten rotswand van honderdvijftig el hoogte. Naarmate wij langs het slingerend pad, dat met tallooze wendingen naar het klooster voert, omhoog stijgen, kunnen wij beter die verzameling van kleine onregelmatige gebouwtjes onderscheiden, die als het ware boven de vallei zweven. De aanblik is eenig en zoo schilderachtig mogelijk: hier een wit, daar een zwart gebouwtje; sommigen laag en breed, anderen weder hoog en smal, afgewisseld door galerijen en terrassen, alles zonder orde en symmetrie, in de bontste wanorde door elkander. Hoe hooger wij klommen, des te meer scheen ook het klooster boven onze hoofden te stijgen; de helling is zoo steil, dat wij nu en dan niets anders zagen dan den onderkant der uitspringende balkons en galerijen. Op zeker punt is de weg afgesloten door eene gewelfde poort en een bolwerk met vier schietgaten: eene herinnering uit den tijd toen het klooster veeleer eene vesting dan een bedehuis mocht worden genoemd en meer dan eenmaal de aanvallen van Turken of Albaneezen had te doorstaan. De monniken waren toen niet minder vertrouwd met de behandeling van het geweer dan met die van hun rozenkrans; op eene schilderij in het klooster kan men zien, hoe zij met de wapenen in de vuist den aanval van Ibrahim pâsja afslaan, die verschrikt de vlucht neemt voor de onverschrokken dapperheid zijner vijanden.
In de receptiezaal werden wij ontvangen door den hegoumenos, een eerwaardig grijsaard met een langen witten baard, met fijngeteekende trekken en donkere oogen, vol vuur en vernuft. Er werd koffie met confituren gepresenteerd, en wij werden in de bloemrijkste taal en met de uitgezochtste complimenten welkom geheeten. De hegoumenos wilde ons zelf door het klooster rondleiden. Hij bracht ons eerst naar de kerk, welke in een der drie ruime natuurlijke grotten in de kalkrots is gebouwd: eene kleine, donkere, lage kerk, waarvan de pilaren met zeer middelmatig schilderwerk zijn bedekt. Aan de eene zijde van de ikonostasis hangt een wonderdoend beeld, het voorwerp van de grootste vereering in geheel den omtrek. Het is eene soort van wassen pop, die door den tijd geelachtig bruin is geworden; het beeldje is overigens plomp en onbeholpen en bij uitnemendheid leelijk, en mist ten eenemale het naïeve, innig vrome gevoel, dat zich uitspreekt in de schilderijen van Lucas, den candiootschen schilder uit de twaalfde eeuw, wiens werk door geheel Griekenland algemeen op naam wordt gesteld van den Evangelist Lucas.
In eene lagere grot, waarheen een in de rots uitgehouwen, vochtige en glibberige trap voert, staan rijen vaten geschaard, waarvan het grootste den naam van Angelika draagt en meer dan twintigduizend kan bevat. In deze vaten wordt de wijn bewaard, dien de brave monniken op hunne zeer uitgestrekte akkers aankweeken: een ruwe en zure wijn, dien wij moesten proeven, en wat meer zegt, als heerlijk prijzen. Als in alle grieksche kloosters, bestond de bibliotheek ook hier uit eenige wanordelijk door elkander verspreide boeken, bedekt met stof en vochtvlekken; eenige evangeliariën uit de elfde en de twaalfde eeuw, leerreden van Sint-Johannes Chrysostomos en enkele firmans van de Verheven Porte, met smaakvolle arabesken en bloemen versierd. De hegoumenos scheen zeer verbaasd, dat wij zooveel aandacht schonken aan die oude perkamenten, die hij vervolgens weder zonder eenige orde in eene oude kist gooide, te midden van wolken stof.—De cellen der monniken, in de benedenverdieping, zijn klein, bedompt en vochtig; het eenige ameublement bestaat uit een tapijt en een deken, die hun tot bed en zitplaats dienen; de wanden zijn kaal, zonder eenig sieraad.

Typen uit de vallei van Olympia.
De monniken van Megaspilion behooren, als die van alle grieksche kloosters, tot de orde van Sint-Basilius, die den veldarbeid voorschrijft en geene strenge kloosterlijke afzondering vordert. Maar [150] de monniken arbeiden niet en lezen evenmin; doorgaans bepalen zij er zich toe, het oog te houden op de boeren, die de velden en akkers en wijngaarden van het klooster bearbeiden; voorts brengen zij hun tijd door met het nu en dan slordig en onachtzaam opdreunen van gebeden, waarvan zij de beteekenis zelfs niet trachten te begrijpen, met dommelend soezen, des winters in den zonneschijn, des zomers in de schaduw, neergehurkt op de galerijen. Rijst er eenige gedachte in hun slaperig brein op, dan is het wel die, dat voor hen de dagen zachtkens vervlieten in ongestoorde rust, zonder zorg of kommer, altijd even kalm, met denzelfden steeds wederkeerenden sleur, tot ook zij eindelijk ter ruste worden gelegd naast hunne broederen, die den eeuwigen slaap slapen daar beneden, op het kleine kerkhof, waar de vogelkens kwinkeleeren in de groote cypressen. Zulk een klooster is niets anders dan eene vereeniging van grondbezitters, die zich op zeer gebrekkige wijze van hunne taak kwijten, en voorbijgaan zonder eenig spoor achter te laten, zonder eenigen invloed, en wel het minst een godsdienstigen geestelijken invloed, op hunne omgeving te hebben uitgeoefend.