II
Reading edition
Na ons vertrek van Olympia, thans eene wildernis, volgen wij nog eenigen tijd de oevers der rivier, die door fraaie platanen worden overschaduwd, en komen dan aan een met pijnboomen begroeiden pas, die naar de kleine vallei van Phloka voert. De heuvelen zijn bekleed met italiaansche pijnboomen, vermengd met steeneiken, beuken, olmen en hooge varens. In de vlakte is het pad omzoomd door myrthen, acacias en witte rozenstruiken. In welige weiden grazen kudden van kleine, slecht gebouwde, maar gespierde en vurige paarden, die uitmuntend geschikt zijn voor tochten in het gebergte. In eene tweede vallei liggen, te midden van welbebouwde akkers en wijngaarden, de dorpen Strephia en Kokoura.
Voorbij het dorp Parbasena, waarvan de witte huisjes te midden van het geboomte verspreid liggen, maakt de weg plotseling eene kromming en voert door twee kleine riviertjes, die zich in den Alpheios uitstorten. Men legt zich hier voornamelijk toe op de kultuur van rozijnen, die voor de bewoners van Elis en Achaje eene hoofdbezigheid is geworden, en eene rijke bron van inkomsten, vooral sedert de phyloxera de fransche wijngaarden zoo goed als vernield heeft en dien ten gevolge de uit rozijnen bereide wijn in Europa aftrek heeft gevonden. De krenten, die mede hier worden gekweekt, worden hoofdzakelijk naar Engeland en Amerika uitgevoerd.

Olympia.
In eenige minuten komen wij aan de kleine stad Pyrgos, waarvan de witte huizen met hunne roode pannen daken een zeer goed effect maken te midden van de moerbeziën-, citroen- en olijvengaarden. Na Kalamatta is Pyrgos een van de voornaamste steden van Morea. Wij stappen af bij een koopman, wiens schoonbroeder ik te Athene had gekend. Daar, als overal in Griekenland, werden wij op de meest gastvrije en hartelijkste wijze ontvangen. Wij vinden hier althans iets terug van de weelde en het comfort, waar wij, [142] kinderen der overbeschaafde negentiende eeuw, niet buiten kunnen, en die ons het slechte logies in de bergstreken doen vergeten. Pyrgos, de residentie van den prefect van Elis, heeft eene bevolking van meer dan vierduizend zielen; in de laatste jaren zijn er vele nieuwe, ruime huizen verrezen, vooral sedert de landbouw vooruitgaat en aanzienlijke winsten afwerpt.
De stad ligt op een afstand van ongeveer twee uren gaans van de kleine haven van Katakolo, waar de grieksche mailbooten eenige malen per maand aanleggen, en van waar eigenaardige vaartuigen, sakoleven genoemd, rozijnen en wijn naar Zante, de voornaamste stapelplaats van dien handel, vervoeren.
Des avonds werd ter onzer eere een diner gegeven, waaraan de prefect, de burgemeester, de kapitein der gendarmerie en drie der voornaamste kooplui deelnamen. Hoewel het woensdag was,—dat wil zeggen, vastendag voor de Grieken—verschenen er toch verschillende soorten van vleeschspijzen, die onze gastheer ons zeer aanbeval als eene schadeloosstelling voor onze ontberingen in het gebergte; maar noch hij zelf, noch de andere gasten gebruikten iets van dat vleesch. De Grieken nemen allen, zonder vertoon en zonder valsche schaamte, zeer streng en nauwgezet de talrijke en strenge vasten in acht, die hunne kerk hun voorschrijft. Er zijn in het jaar niet minder dan honderd-dertig meer of minder volledige vastendagen. Behalve de vier groote vasten, vóór Paschen, het feest der Apostelen, Maria Hemelvaart en Kerstmis, hebben zij een groot aantal vigiliën, en vasten bovendien des vrijdags, ter herinnering aan het Lijden, en des woensdags omdat Judas op dien dag de dertig zilverlingen ontving, als loon voor het verraden van zijn Meester.
Gedurende de groote vasten, de strengste van allen, gebruikt men, veertig dagen lang, niets dan rijst en in het water gekookte groenten. Op Goeden Vrijdag onthoudt men zich, tot zonsondergang, geheel van eten. Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, allen onderwerpen zich aan deze strenge wet. Den volgenden zaterdag, na zonsondergang, is de vasten uit; de oude potten en pannen, waarvan men zich gedurende dien tijd bediend heeft, worden uit het venster geworpen, en aller gelaat straalt weer van vroolijkheid. De gewone vastendagen zijn minder streng; en met vreugde zagen wij op onze tafel uitmuntende visschen verschijnen, die in groote menigte in den Alpheios worden aangetroffen. De koffie werd gebruikt op het platte dak der woning, die door wilgen en oranjeboomen, wier sterke geuren de lucht vervulden, is omringd. In de tuinen bloeiden kamperfoelie, jasmijnen en rosemarijn, die hunne geuren uitademden, terwijl thym en bloeiende wingerden buiten op het veld hetzelfde deden. Duizenden lichtgevende insekten zweefden als vonken door den donkeren nacht; uit de bosschen klonk ons het gezang van den nachtegaal tegen.
Doch, helaas! elke medaille heeft hare keerzijde. Pyrgos, dat welhaast een paradijs schijnt, is omringd door ongezonde moerassen, die hunne vergiftige uitwasemingen vermengen met de geuren der oranjeboomen; en in het lager gedeelte van Elis heerschen gedurende den zomer en nog meer in den herfst, kwaadaardige koortsen. Reeds in de maand Mei begint de hitte ondragelijk te worden; de heete vochtige dampkring, waarin de stad als gedompeld is, is allerminst geschikt om het door de koorts verzwakte gestel weder op verhaal te doen komen. De sirokko, de vreeselijke wind van Afrika, teistert maar al te vaak dit westelijk gedeelte van den Peloponnesos, waarover zijn gloeiende adem rechtstreeks strijkt. De dichterlijke glimwormen en andere lichtgevende insekten hebben makkers, die geen licht geven, maar gruwelijk bijten, en u, des avonds en des nachts, in dichte zwermen op het lijf vallen; nog dien eigen nacht hadden wij gelegenheid met die verschrikkelijke muskieten kennis te maken.
Omstreeks middernacht barstte een geweldig onweer los, zoo als er meermalen in deze streken voorkomen; de plassende regen verfrischte en zuiverde den dampkring. Des morgens beloofden de noordenwind en de onbewolkte hemel ons een prettigen dag; in vroolijke stemming namen wij afscheid van onzen gastheer en zijne vrienden, wier voorkomendheid en wier belangwekkende gesprekken en mededeelingen ons verblijf te Pyrgos tot een der aangenaamste episoden van onze reis hadden gemaakt.
Onze weg voerde door eene zeer vruchtbare streek met talrijke dorpen; overal bebouwde velden, boomgaarden van moerbeziën, oranje- en olijfboomen, die als het ware een gordel van groen vormen om het aanzienlijke vlek Andravida, waar wij na een rit van zeven uren aankomen. Andravida is tegenwoordig niet meer dan een groot dorp, maar men bespeurt nog duidelijk, dat het weleer eene belangrijke stad moet zijn geweest. Drie ruïnen trokken bovenal mijne belangstelling: de kerk van Sinte-Sofia, waar het hooge leenhof zitting hield; de Sint-Stefanuskerk, die aan de Duitsche orde behoorde; de Sint-Jacobskerk, welke Guillaume de Villehardouin liet bouwen en aan de Tempelridders ten geschenke gaf, en waarin hij met zijne beide zonen, Geoffroi II en Guillaume I, werd begraven.
Toen in de dertiende eeuw Guillaume de Champlitte, de vriend en krijgsmakker van Villehardouin, op zijn terugkeer van Constantinopel, zich van Patras had meester gemaakt, besloot hij de provincie Andravida, de rijkste van het land, in bezit te nemen. De aan alle zijden open liggende stad was noch door torens, noch door muren verdedigd; toen dan ook de frankische vendelen in de vlakte verschenen, gingen al de inwoners, grooten en kleinen, met kruisen en heiligenbeelden in de hand, hun te gemoet en boden hunne onderwerping aan. Guillaume de Champlitte ontving hen met veel welwillendheid; hij beloofde dat hun geen leed zou wedervaren, dat zij hunne bezittingen zouden behouden en geene oorlogschatting zouden betalen.—Door de inwoners vriendelijk ontvangen, vestigden de [143] Franken zich in geheel Elis, bouwden er steden en burchten, en brachten landbouw, handel en nijverheid tot een hoogen trap van ontwikkeling; gedurende de twee-en-eene-halve eeuw der frankische heerschappij mocht dit gewest zich in eene mate van bloei en welvaart verheugen, die het in langen tijd niet gekend had. In Elis vindt men dan ook de meeste sporen van hunne tegenwoordigheid in Griekenland; nog niet lang geleden, kon men in het dialekt van verschillende dorpen fransche woorden herkennen, die door de oostersche uitspraak maar weinig verbasterd waren.
Van Andravida begeven wij ons, in zuidoostelijke richting, naar Elis, dat wij na een rit van twee-en-een-half uur bereiken. De vlakte is vrij goed bebouwd; de korenakkers zijn reeds kaal, want de oogst valt in het laatst van Mei; maar de wijngaarden staan in vollen bloei en zien er prachtig uit. De wijngaarden van Elis leveren den besten wijn op van geheel Griekenland. Iedere eigenaar heeft in zijn wijngaard een open, vierkanten en goed gemetselden bak of kuip, waarin de druiven getreden worden; naar gelang het sap in een lager gelegen kom vloeit, schenkt men het over in lederen zakken, die naar het dorp worden gebracht. Daar wordt het sap overgegoten in reusachtige aarden kruiken, die tot aan den hals in den grond staan, en waarin de gisting plaats heeft. Om den aldus bereiden wijn gedurende eenige maanden te kunnen bewaren, doet men er hars bij, hetgeen een afschuwelijken smaak geeft.
De wijnoogst gaat gepaard met feestelijkheden van verschillenden aard. Het treden der druiven geschiedt op de maat van mandolinen en violen; des avonds dansen mannen en vrouwen in koor bij het licht van flambouwen, en vergeten de vermoeienissen van den dag in het vroolijke feestgewoel. Voor dertig of veertig jaren nog trokken de wijnboeren in lange rijen door de dorpen, het hoofd omkranst met wingerdloof, en in de hand lange staken houdende met wingerdbladeren omwikkeld en met een pijnappel aan den top: echte thyrsen, die zij heen en weder zwaaiden, daarbij op eigenaardige wijze springende en dansende. Deze overoude gebruiken—een wegstervende echo van de antieke bacchanaliën—zijn nu bijna overal in vergetelheid geraakt.—Vele eigenaars van wijngaarden, door het uitzicht op winst verlokt, hebben italiaansche wijnboeren laten komen, persen naar het laatste model ontboden en kelders gebouwd, waar prozaïsche vaten in rijen naast elkander staan. De wijn is veel beter, maar het schilderachtige is verdwenen. Men vervaardigt hier tegenwoordig allerlei soorten van wijn: bordeaux, madera, malaga en zelfs champagne; de echte, onvervalschte wijn van Elis bevat veel alkohol, is zwaar en koppig.
Naarmate wij verder komen rijst de grond en wordt meer heuvelachtig. Rondom de hier en daar verspreide gehuchten, door aanmerkelijke afstanden van elkander gescheiden, zien wij een aantal moerbeziënboomen, wier bladeren tot voedsel dienen van duizenden zijdewormen: de zijde van Elis is de beste die in Morea vervaardigd wordt. De olijven zijn prachtig en leveren, na behoorlijke enting, voortreffelijke vruchten; maar de olie, die zonder de noodige zorg wordt bereid en in slecht onderhouden aarden kruiken bewaard, heeft een afschuwelijken ranzigen smaak, dien de Grieken echter aangenaam schijnen te vinden.
Wij doorwaden eene breede en snelvlietende rivier, den Peneios, thans de rivier van Gastouni genoemd, en komen vervolgens aan het dorp Palacopolis, gebouwd op de plek waar weleer Elis stond, eene stad door geheel Griekenland beroemd om de veelheid harer monumenten en beelden, waarin zij slechts voor Athene en Korinthe onderdeed. Te midden der brokken steen en van het puin, over eene oppervlakte van meer dan twee vierkante mijlen verspreid en grootendeels verborgen tusschen wijngaarden, akkers en struikgewas, is het volstrekt onmogelijk, de gedaante, de bestemming en de afmetingen van eenig gebouw te onderscheiden. Op den heuvel, die de akropolis droeg, ziet men nog slechts brokstukken van de muren eener middeleeuwsche vesting, door de Franken Beauvoir, door de Venetianen Belvedèr en door de Grieken Kaloskopi genoemd: welke drie namen hetzelfde (schoonzicht) beteekenen, en hunne verklaring vinden in het feit, dat in deze wijde vlakte de heuvel van Elis het eenige punt is, van waar de blik een ruim panorama omvat.—Op omstreeks vijftien mijlen afstands van Elis, aan den voet van een berg die reeds van verre het oog tot zich trekt, liggen de dorpen Portes en Santameri. De ruïnen boven op den berg zijn de overblijfselen van een sterken burcht, omstreeks het jaar 1273 door heer Nicolaas van Saint-Omer gebouwd. Langs de berghellingen en in de vlakte vindt men nog talrijke bouwvallen van frankische en byzantijnsche gebouwen en kerken; maar te vergeefs zochten wij naar eenig opschrift of eenig bas-relief.
Elis verlatende, betreden wij eene der valleien van den Erymanthes, van waar de Peneios afdaalt. Rechts en links zijn de heuvelen bedekt met wingerden, wier vruchten, onder den naam van krenten—aldus genoemd naar de stad Korinthe—heinde en ver verzonden worden. Na een rit van twee uren, steeds langs den linkeroever der rivier, zien wij, in de nabijheid van het dorp Klissoura, de armzalige ruïnen van eene antieke stad, Pylos. De vallei versmalt zich, wordt woester en schilderachtiger; de bergen zijn bekleed met prachtige pijnbosschen, eeuwenheugende boomen, waarvan de zware takken langs den grond slepen. Daar huizen talrijke kudden van wilde zwijnen, die sedert den dood van Herakles door niemand in hunne rust werden gestoord. Het steile pad slingert zich omhoog langs de hellingen van den Erymanthes, en brengt ons eindelijk op een uitgestrekt plateau, aan welks uiteinde het dorp Lala ligt.
Overal is de bodem begroeid met hooge varens en uitnemend fraai heidekruid. Rondom de vlakte, bergen en dennenbosschen; ten noorden rijst, hoog in de lucht, de kale kruin van den Erymanthes; ten zuiden schemert in de diepte, de vlakte, [144] waardoor de Alpheios zich slingert als een zilveren lint, schitterend in de zonnestralen; aan den horizon eindelijk de donkerblauwe zee. De lucht is zuiver, fijn en doortrokken van aromatische geuren; het klimaat van deze hoogvlakte geldt voor het gezondste van geheel Morea.
Tijdens de turksche heerschappij werd Lala bewoond door Albaneezen, die in dienst der turksche regeering stonden, maar die om hun woest en onhandelbaar karakter bijna evenzeer gevreesd werden door hunne meesters als door de christelijke bevolking; zij genoten dan ook eene bijna volkomen onafhankelijkheid. Van tijd tot tijd verlieten zij hunne bergvesting en streken als gieren neder in de omliggende valleien of in de vlakte van Elis, plunderende, moordende, brandstichtende, en vervolgens de bewoners der grieksche steden en dorpen als slaven medevoerende. In 1821, gedurende den onafhankelijkheidsoorlog, verijdelden zij alle pogingen der tegen hen afgezonden troepen, tot het eindelijk aan graaf Metaxas, aan het hoofd van vrijwilligers van Zante, gelukte hen te verslaan. In hunne vesting opgesloten, verlieten zij Lala en trokken naar Patras, na vooraf hunne stad in de asch gelegd en hunne gevangenen gespietst te hebben. De engelsche regeering, aan wier gezag toen de Ionische-eilanden waren onderworpen, koos partij voor de Turken, en beval graaf Metaxas en zijn krijgsmakkers naar Zante terug te keeren en niet meer voor de Grieken te strijden, op straffe van eeuwigdurende verbanning met verbeurdverklaring hunner goederen. Allen bleven echter in Morea en namen ijverig deel aan den onafhankelijkheidsoorlog, in weerwil van de bedreigingen, de veroordeelingen en verbeurdverklaringen.

Hermes, te Olympia gevonden.
Lala begint zich langzamerhand te herstellen van den zwaren slag, die het getroffen had, maar toch is het nog niet meer dan een nederig dorp, met een khani (herberg), die ook zelfs aan de bescheidenste eischen niet kan voldoen. Deze herberg is eene ruime schuur; langs de zijwanden worden de paarden vastgebonden; in het midden is eene ruimte overgelaten, waar de reizigers hunne tapijten kunnen uitspreiden en hunne vuren aanleggen, waarvan de rook een uitweg moet zoeken door de spleten in het dak of door de deur.—Op deze hoogvlakte is het des avonds koud; en wij waren recht blijde ons te kunnen warmen aan een vuur, waaromheen reeds andere reizigers gelegerd waren, die zich evenwel haastten plaats voor ons te maken: beleefdheid jegens vreemdelingen is in Griekenland een algemeene karaktertrek.
Van Lala voert een pad naar Douka, midden door een ravijn, waar een ruischende bergstroom zich een weg baant tusschen loodrechte rotsen, met platanen en steeneiken gekroond, en waar telkens de verrassendste en schilderachtigste gezichten elkander afwisselen. Steeds langs het slingerend pad afdalende, komen wij aan de rivier de Erymanthes, wier boorden wij volgen, dwars door dicht begroeide bosschen, langs een afschuwelijken weg, telkens afgebroken door kuilen en diepe ravijnen. Gaandeweg worden de bergtoppen kaler; grauwe kruinen volgen in vervelende eentonigheid op elkander. Eindelijk, na een vermoeienden tocht van vier uren door het gebergte, komen wij aan den kleinen khani van Tripotamos, in eene eenzame wildernis, armoedig, vuil en van alles ontbloot.
Wij treden binnen. Zwijnen wentelen knorrend in de modder; kalkoenen stappen kakelend op en neder; twee groote honden krabbelen zich met een ijver, die wel geschikt is om twijfel te wekken aangaande de zuiverheid dezer walgelijke herberg. Eenige mannen van ongunstig voorkomen zitten op den grond neergehurkt, met hunne lange geweren tusschen hunne beenen en hunne dolken in den gordel. Twee oude vrouwen, gekleed met een wijd hemd, en een van voren open japon van [145] grove wollen stof, het hoofd met een doek omwikkeld, zitten aan het spinnewiel.—Geen schoorsteen, geen keukengereedschap, met uitzondering van drie gebroken potten; geen tafel en geen stoelen. Ieder bracht den nacht door op den grond, bij het vuur en in zijn mantel gewikkeld; en terwijl wij vergeefs krijg voerden tegen legioenen van het walgelijkst ongedierte, hoorden wij de Grieken snorken als rechtvaardigen.—Bij het aanbreken van den morgen rekten zij zich uit, wreven hunne oogen uit, en wierpen den langharigen mantel, die hen als deken gediend had, over hun schouder. De twee vrouwen vulden een schotel met maïsmeel, met een weinig water vermengd; kneedden dit deeg op een steen en legden de aldus verkregen platte koeken onder den gloeienden vuurhaard. Na verloop van een half uur, werden zij, nog niet half gaar, weer te voorschijn gehaald en zoo warm door de mannen gegeten met een weinig melk en eenige in de pekel bewaarde olijven. Daarop gingen de gasten een voor een naar een aan de zoldering opgehangen, met water gevulden lederen zak, waarvan een der uiteinden, met een touwtje opgebonden, als tuit of trechter diende; zij maakten het touwtje los, brachten de tuit aan hun mond, dronken drie of vier slokken water, en bonden het touwtje weer vast aan den spijker in den muur. Vervolgens namen zij hunne geweren weer op en gingen den weg naar Douka op, na ons vooraf gegroet en goede reis gewenscht te hebben.

De golf van Korinthe.
Dergelijke tooneelen hernieuwen zich telkens, bij iedere pleisterplaats; en wie daar eenmaal getuige van is geweest, kent het voorkomen, de manieren en de levenswijze van een zeer aanzienlijk deel der inwoners van het grieksche koninkrijk.