V
Reading edition
Van Pisa sprekende, gaat het niet aan te zwijgen van een der beroemdste monumenten van deze stad: ik bedoel den Campanile of wijd vermaarden scheeven toren. Met den bouw van dien toren werd een begin gemaakt in 1174; het werk was eerst in 1233 voltooid. Men noemt twee bouwmeesters: den een een Italiaan, Bonannus, den ander een vreemdeling, Wilhelm van Innsbrück; sommigen voegen daar nog aan toe Johannes Ennipontano, mede een Duitscher, en Thomas van Pisa.
In Frankrijk, Duitschland en België hebben de architekten het zich bijna altijd tot regel gesteld om den toren met de kerk te verbinden, en door de vereeniging van die beiden een schoon en schilderachtig geheel te scheppen. Hoe uitnemend zij daarin geslaagd zijn, bewijzen een aantal onzer kathedralen. In Italië daarentegen—misschien door de nawerking van antieke ideeën en traditiën—scheidt men zeer dikwijls den toren, den campanile, van de kerk, en behandelt beiden als zelfstandige gebouwen. Dit is het geval te Pisa, te Ravenna, te Florence en op een aantal andere plaatsen.
Hoe vele toeristen hebben, bij het aanschouwen van den campanile van Pisa, een gevoel van teleurstelling ondervonden! Zoo tallooze malen hadden zij dat monument afgebeeld gezien: in plaat, in albast, in kurk, in karton, zelfs in chocolade, dat het gezicht van de werkelijkheid hen doorgaans tegenvalt. In den vollen zin des woords teert Pisa sedert eeuwen op dit architektonisch kunststukje, waaraan echter het toeval meer deel heeft dan de wetenschap. Ik haast mij er bij te voegen, dat het origineel zoo eenvoudig, zoo eerwaardig, zoo indrukwekkend is, dat aanstonds alle herinnering aan die kinderachtige namaaksels wordt uitgewischt.
Ik zal hier niet de bijzonderheden herhalen, die men in alle handboeken en reisgidsen lezen kan; ik wil liever trachten den indruk te beschrijven, dien dit monument, eene onvergankelijke Bladzijde 114uittarting van de eerste grondregelen der statika, op ons maakt.
De acht rijen arkaden boven elkander volgen op elkaâr met strenge geometrische regelmatigheid. De zuilen zijn, althans in het onderste gedeelte, niet uit één stuk, maar uit twee, soms uit drie of vier fragmenten samengesteld. Mits de verschillende blokken gelijk zijn, bestaat daartegen geen bezwaar; anders wordt het wanneer men op een monolith, die vijf-zesden van de hoogte der zuil inneemt, een niet daarbij passend stuk heeft geplakt. Ook op de wijze der verbinding van de kapiteelen met de architraaf kan met grond aanmerking worden gemaakt. De versiering is uiterst sober: slechts enkele bas-reliefs verdienen een oogenblik de aandacht.
De helling bedraagt ongeveer vier meter en valt zeer sterk in het oog, zelfs al let men alleen op de benedenverdieping. De half met water gevulde gracht, die den voet des torens omringt, is aan den kant waar de campanile overhangt omstreeks een el dieper dan aan de andere zijde.
Men heeft lang en breed geredekaveld en getwist over de oorzaak van deze zonderlinge afwijking van de loodlijn: is dat met opzet gedaan of heeft men hier alleen met het toeval te doen? Men is tegenwoordig vrij algemeen van meening, dat de basis van den toren gedurende den bouw gelijkmatig is verzakt, en dat de architekten op dit hellend vlak hebben voortgebouwd. Reeds ter hoogte van elf meters boven den grond bemerkt men, dat eene helling van ettelijke duimen den toren naar de zuidzijde moest doen overhangen. Het eerste gewelf was toen gesloten, en het verdient wel opmerking, dat men zoo weinig bedacht is geweest op verdere verzakking van het gebouw, dat een spuier, waardoor het water van deze eerste verdieping moest worden afgevoerd, is aangebracht op het punt hetwelk nu het hoogst is gelegen.
Een fraai klokkenspel, uit zeven klokken bestaande, hangt in dezen zonderlingen toren. De oudste dezer klokken, de Giustizia, met het jaartal 1262 en den naam van den gieter Locterinus van Pisa, is afkomstig uit den Torre del Giudice; deze klok werd vroeger geluid, wanneer misdadigers ter terechtstelling werden gevoerd.
Het uitzicht van het plat van den toren is beroemd. Aan de eene zijde, naar den kant van Lucca, ziet men de Apennijnen; aan de andere de grenzenlooze, blauwe oppervlakte der zee, waaruit, ter rechterhand, als een alleenstaande berg, het eilandje Gorgona oprijst; wendt men zich links, dan bespeurt men achtervolgens Capraja en, bij zeer helder weer, aan den horizon Korsika; eindelijk het eiland Elba, waarvan slechts een punt van achter den Monte-Nero, ten zuiden van Livorno, komt uitkijken. De bodem van geheel de omringende vlakte is zoo effen, dat men in deze kom nog de oude bedding van een inham der zee herkent. Langs het strand teekenen zich de donkere bosschen der hoeve van San-Rossore af.
Een te weinig bekend gebouw, en dat toch wel de aandacht verdient, is de Opera del Duomo: wij zouden zeggen, de directiekeet van den dom. Het huis is op zich zelf zeer eenvoudig, zoo als aan een dergelijk gebouw past:—het bestaat uit eene beneden- en eene vrij lage bovenverdieping, heeft eene langwerpige gedaante en vensters in den stijl der dertiende eeuw. De grootsche monumenten in de onmiddellijke nabijheid stellen het nog meer in de schaduw. Maar bij het binnentreden wordt onze aandacht dadelijk getrokken door eene monumentale inscriptie, vergezeld van het wapen van Frankrijk, het beeld van de Madonna en van een persoon in knielende houding; wij leeren uit dit opschrift, in statig latijn, dat op den vijftienden November 1495 de Koning van Frankrijk onverwacht in dit huis verscheen om er den avondmaaltijd te gebruiken.—Gedurende zijn verblijf te Pisa woonde Karel VIII in het paleis der Medici, op het Lungarno.—Een koninklijke gast meer of minder beteekent op zich zelf niet zoo heel veel, waar het een historische plek geldt als het Domplein te Pisa; maar de verschijning van Karel VIII was voor de geschiedenis dezer stad van zeer bijzonder gewicht: zij gaf het sein tot den opstand tegen de gehate florentijnsche overheersching. De inscriptie, die de herinnering aan het koninklijk souper bewaart, noemt Karel VIII den grondlegger der pisaansche vrijheden en vergelijkt zijne edelmoedigheid met die van Alexander de Groote.
Bezien wij nu even de Opera del Duomo, afgescheiden van die historische herinnering. De aanblik van de benedenverdieping is niet uitlokkend; er heerscht een volkomen en toch volstrekt niet schilderachtige wanorde; de kleedkamer der kanunniken grenst aan de Scuola di musica en aan het Magazzino della cera (kaarsenmagazijn); een en ander bedorven door restauraties, die getuigenis afleggen van een bij uitnemendheid slechten smaak. Maar wij willen hierbij niet stilstaan. Grassi, de schrijver der Descrizione storica ed. artistica di Pisa, in 1836–37 uitgegeven, spreekt met veel ophef van de schilderijen in het gebouw: het gewelf van de benedenverdieping, beschilderd door G. Stefano Maruscelli; het portret van een heilige, door Salvator Rosa; eene Madonna, van Perino del Vaga; een Sint-Nicolaas van Bari, door Curradi; twee Apostelen, van Sogliano; een Sint-Antonius van Padua en een Sint-Philippus Neri, van Piero da Cortona; en wat al niet meer! Bij al deze min of meer banale, in meerdere of mindere mate gerestaureerde schilderijen zullen wij ons niet ophouden, evenmin als bij de Madonna's en de Christusbeelden uit de middeneeuwen, die in de vertrekken van de eerste verdieping zijn ten toon gesteld; genoegzaam allen missen dat onuitsprekelijke, dien vonk van het genie, die alleen dergelijke voorwerpen van devotie tot kunstwerken stempelt. Daarentegen veroorloof ik mij de aandacht der eventueele bezoekers te vestigen op enkele fragmenten, waarvan de reisgidsen geene melding maken, en wel in de eerste plaats op eene fresko, voorstellende een jong meisje in een Bladzijde 115blauw kleed, met eene korf vol vruchten op het hoofd: eene schilderij vol aantrekkelijkheid en waarin ik de hand van Benozzo Gozzoli meen te herkennen. Van waar is dit fragment afkomstig en wanneer is het hierheen gebracht? Men zegt mij, dat dit brokstuk omstreeks vijftien jaar geleden uit de Stanza della Fraternità is weggebroken.
Deze zaal op de bovenverdieping, waar Karel VIII heeft gesoupeerd, heeft nog haar oude houten zoldering, op zware balken rustende, die vroeger met schilderwerk waren versierd. De al fresco geschilderde rand herinnert aan de omlijstingen van Benozzo Gozzoli in het Campo-Santo: het is hetzelfde lofwerk en dezelfde kinderfiguren (putti), die medaillons houden. Zou de beroemde florentijnsche meester, in de laatste jaren zijns levens, zich met de versiering dezer zaal hebben onledig gehouden?
Verder ziet men boven eene deur eene inscriptie, vermeldende dat Keizer Karel IV en Koning Karel VIII in dat vertrek hebben geslapen. De aanhef van dit opschrift is inderdaad karakteristiek: somno et quieti sacrum, aan den slaap en de rust gewijd. Is het niet, of de stad Pisa zich zelve in die drie woorden had willen teekenen?