XIV.
Reading edition
Slag van Endouda Kusuka.
Wat hadden intussen de Engelsen aan de Baai gedaan? Hadden zij met de Boeren woord gehouden? Voorzeker, ja! Op de afgesproken tijd vertrok hun kommando van de Baai, onder bevel van Robert Biggar en John Cane. Het telde slechts weinig blanken, niet meer dan achttien, allen van erkende moed, en met het land en de taktiek der inboorlingen goed bekend. Deze blanken hadden onder zich omtrent dertig Hottentotten en drie duizend kaffers, de meesten Zulu's waarvan omtrent vier honderd met geweren gewapend waren. Makoni en Dutulu met hun volgelingen waren aan de spits van het kommando; bij hen bestond nog de hoop, dat de ontevredenen in de Zulu impi, op het zien van hen, zouden overlopen en met hen gemene zaak maken.
Toen zij de Tugela doorgetrokken waren, stuitten zij op een afdeling Zulu's die op verkenning uit waren, en na een schermutseling terugtrokken. Het kommando vervolgde zijn tocht, en bereikte weldra Endouda Kusuka, waar slechts een regiment Zulu's aanwezig was, zijnde de hoofdimpi, op bevel van Dingaan enige afstand landwaarts in getrokken, om in geval van nood, hem in de strijd tegen de Boeren te hulp te kunnen snellen. De Boeren echter verslagen zijnde, was deze impi reeds weer op weg om zijn vorige stelling in te nemen.
Endouda Kusuka werd, vóór de morgenschemering brak, omsingeld, en van alle zijden met de geweren hevig beschoten. De kogels drongen door de wanden der strohutten en pondokken, en vele vrouwen en kinderen, die in hun broze woningen veiligheid hadden gezocht, vonden daar de dood of werden verwond. Nadat dit geweer-bombardement geruime tijd had geduurd, werd bevel gegeven om de kraal te bestormen. Met gejuich stortte het kommando zich van alle zijden over de zwakke verschansingen, en ontmoette slechts geringe tegenstand. Schoon de blanken ook al trachtten onnodig bloedvergieten te voorkomen, konden zij hun zwarte hulptroepen niet beteugelen. Deze hadden maar al te wel van de Zulu-aanvoerders geleerd, dat oorlogvoeren met het verdelgen van ieder tot de vijand behorend menselik wezen gelijk staat, en zij staken allen overhoop die zij bereiken konden. Makoni was handgemeen geworden met een forsgebouwde vijandelike krijgsman. Hij herkende in hem Losabi, de induna van het regiment dat in de kraal gelegerd was. Hevig was de strijd, want beiden waren dappere mannen, bedreven in de hantering van assagaai en schild. Eindelik trof Makoni zijn tegenstander met zoveel kracht in de borst, dat de assagaai door zijn lichaam drong, en de punt tussen zijn schouderbladen uitstak. Losabi stond enige ogenblikken te waggelen; zijn hand liet de assagaai los; hij greep in de lucht als zocht hij een houvast om het evenwicht te bewaren, toen viel hij ruggelings ter aarde, en zijn groot schild, nog aan zijn linkerarm bevestigd, deed met de val een dof gedreun horen, als sloeg het de roffel van zijn dood. De stervende Zulu sloeg zijn reeds brekend oog op zijn tegenstander, en zei met gorgelende stem: “Ah, Makoni! met mij kunt ge doen wat ge wilt. Mij kunt ge doden. Maar spoedig zal de poot van de Grote Olifant je verpletteren.”
De strijd was tans geëindigd, er was niemand overgebleven die zich verdedigen kon. Het vuur werd in de hutten gestoken, en weldra steeg een zwarte rookkolom uit Endouda Kusuka in de lucht.
Dacht het kommando dat de dag gewonnen, de strijd voor ditmaal geëindigd was, weldra zou het blijken anders te zijn. De kraal was door een heuvelreeks omringd, waarvan landwaarts in, steile hellingen en diepe kloven, naar de lager gelegen vlakten afschoten. In deze vlakten had de terugkerende Zulu impi overnacht, en was reeds weer op mars toen de aanval op de kraal plaats vond. De impi bestond uit zeven regimenten, en was ongeveer tienduizend man sterk. Toen zij de voet van de heuvelreeks bereikten, zagen zij de rookwolken aan de andere zijde omhoog stijgen. Umhlebe, die hoofd-induna was, riep uit: “De Engelsen hebben Endouda Kusuka aangevallen en in brand gestoken! De impi spoede zich, opdat wij heden nog de vijand verslaan!” Met versnelde pas rukten de Zulu's tegen de heuvel uit, en de top bereikt hebbende, zagen zij hun kraal in bezit van de vijand, en hun vee reeds verzameld en voortgedreven naar de drift van de Tugela. Een gebrul van woede ging uit het Zululeger op. De induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi kwamen op een heuveltop, vanwaar zij alles konden overzien, bijeen, en gaven bevel dadelik de vijand te bestormen.
Intussen hadden de Engelsen de naderende Zulu's bemerkt. Met de grootste haast verzamelden zij hun verspreide manschappen in slagorde voor de brandende kraal. De blanken en Hottentotten met hun geweren vormden de voorste gelederen, en werden door hun zwarte bondgenoten gedekt. Nauweliks was hun slagregeling voltooid, of de voorhoede van de Zulu impi kwam als een zwarte lawine van de heuvelhelling op hen afstorten; doch hij werd ontvangen met zulk een welgericht en goed onderhouden geweervuur, dat hij weldra zwenkte en zich terugtrok, het slagveld met zijn doden en gekwetsten overdekt latende.
Er kwam een ogenblik van verademing, maar ook slechts een ogenblik. De impi vormde zich in de slagorde door Tshaka uitgedacht en ingevoerd, die van een halve maan, waarvan het middengedeelte recht op de vijand aantrok, terwijl de beide hoorns hem gestadig omsingelden. John Cane zag de beweging die de Zulu's gingen uitvoeren. Dadelik zond hij Ogle met een afdeling der hulpbenden tegen de zuid-westelike hoorn af, en hijzelf richtte een aanval tegen de noord-oostelike. De afdeling van Ogle dreef de vijand terug, en reeds verheugde men zich over het behaalde voordeel, toen door een oorzaak, die nimmer is verklaard, zijn afdeling uiteenstoof, en het op een lopen zette naar de drift van de Tugela. “Zie, hoe ze kunnen lopen!” riep de Zulu bevelhebber juichend uit, en beval de algemene bestorming. Ogle, te trots en te moedig om te vluchten, vond de dood, zich dapper verwerende. John Cane met Biggar en Stubbs, bijgestaan door de afdeling van Makoni, wierp zich naar voren, om de vijand te ontvangen. Hij kreeg een assagaai in de borst, die hij met eigen hand uittrok, maar op hetzelfde ogenblik wierp een Zulu hem met een assagaai tussen de schouders. Het wapen stond te trillen in zijn vlees. Dutulu, die achter hem was, vloog toe, om de spies uit de wonde te trekken; Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en denkende dat het een vijand was, loste hij zijn geweer, over zijn schouder, en schoot het hoofd van Dutulu te pletter, op hetzelfde ogenblik dat diens hand de assagaai aanraakte. De trouwe Zulu viel ter aarde, en ter zelfder tijd rolde Cane stervend naast hem neder. Nog enige minuten en ook Stubbs en Biggar lagen met wonden overdekt, zieltogend op de met bloed doorweekte bodem uitgestrekt.
Toen de blanke aanvoerders gevallen waren, nam het gehele kommando de vlucht, en kon, daar het tans door de hoorns van de Zulu slagorde aan beide zijden was ingesloten, slechts één richting nemen, en wel naar de oever van de Tugela, die op dit punt, ongelukkig voor de vluchtelingen, uit bijna loodrechte, honderd voet hoge rotsen bestond. Tijd tot aarzelen of bedenken, was er echter niet. Achter hen en van beide zijden naderde de onfeilbare dood; vóór hen bestond er nog enige, schoon maar geringe kans op levensbehoud, en de vluchtelingen stortten zich over de rotsen. Van de eerste honderden die de gevaarlike sprong waagden, bleef slechts een zeer klein gedeelte behouden, de meesten vielen verpletterd aan de voet der rotsen, en eerst toen de hoop doden, zieltogenden en verminkten de afstand had verminderd, en de val of sprong brak, bereikten de meeste vluchtelingen de rivier. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeling der Zulu's was de rotsen omgetrokken, en had zich te water begeven, de stroom rood kleurende met het bloed der onder hun assagaaisteken bezwijkende vluchtelingen. Op deze wijze vond hier Blankenberg, een der laatst overgebleven aanvoerders, de dood.
Ons verhaal spoedt ten einde. Na hun overwinning te Endouda Kusuka toog het Zulu leger door de Tugela, en rukte op naar de Baai van Natal. De weinige overgebleven blanke mannen vluchtten met de vrouwen en kinderen op een klein eiland in het midden van de Baai. Van hier moesten zij het aanzien, hoe alles wat zij bezaten door de Zulu's weggevoerd of verwoest werd, en hoe weldra slechts enige kale muren en rokende puinhopen de plaats aanwezen waar hun vreedzame nederzetting had gestaan. Diezelfde nacht werden de blanken aan boord genomen van “The Cornet”, een vaartuig dat, gelukkig voor hen, juist in de Baai voor anker lag, en dadelik daarna zee koos. Het overblijfsel hunner bondgenoten vluchtte landwaarts in, en Makoni trok, met het overschot zijner volgelingen naar het lager der Boeren.8)