← Table of contents
Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

XI.

Reading edition

De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan.

Nog was de zon de volgende morgen niet boven het gebergte gerezen, en waren nog enkele langzaam verblekende sterren zichtbaar aan de hemeltrans, toen op een klein, uit rotsblokken gevormd en met heestergewas en enige grote bomen begroeid kopje, op anderhalve mijl afstand van het lager, een bejaarde kleurling van de grond tussen grote granietblokken, waar hij blijkbaar de nacht doorgebracht had, opstond, en de blik naar het Oosten slaande, tot zich zelf sprak: “De zon zal weldra de vlakte beschijnen, heden zal ik dan vernemen wat de plannen van de Molonga zijn.”

Wij herkennen in de oude kleurling die daar als een silhouet getekend staat tegen de blauwe achtergrond van de steeds helderder wordende lucht, een bekende. Wij hebben hem vroeger reeds in de kraal van Dingaan ontmoet. Het is niemand anders dan Mazesi, de hoofdziener of toverdokter van de Zulukoning, wiens beschuldiging de moord van Manondo ten gevolge heeft gehad, en die toen had doen blijken, hoe goed hij op de hoogte was van de plannen en bewegingen der blanken in Natal. Dat zijn doel tans was, verder bericht omtrent deze plannen te verkrijgen, hebben wij reeds kunnen opmaken uit de weinige woorden die hij zich heeft laten ontvallen. Maar wie zou hem berichten uit het lager brengen? Hoe zou hij de plannen der Boeren te weten komen?

In het lager bevonden zich verscheiden kleurlingen, uit het overschot der stammen die oorspronkelik Natal hadden bewoond, en door Tshaka waren verslagen en onderworpen. Zij werden door de Zulu's als slaven gehouden, en de naam waaronder heden nog de afstammelingen van dat volk bekend zijn, die van Fingoe, aan welk woord de betekenis van hond wordt gegeven, geeft genoegzaam te kennen op welke sport van de maatschappelike ladder onder de Amazulu zij stonden. Aan hun meesters ontvlucht, hadden zij zich bij de trek aangesloten, werden door de Boeren vertrouwd en als veewachters gebezigd. Immers, de vrees voor de wrede dood, die hen wachtte, indien zij in de handen hunner vroegere meesters zouden vallen, scheen voldoende waarborg voor hun trouw. Zij waren echter doordrongen van al het bijgeloof, barbaren eigen. Voor hen geen verschrikkeliker wezen dan de toverdokter, en Mazesi had uit dit bijgeloof zijn voordeel weten te trekken. Hij had het weten te overleggen, om met enigen dezer veewachters, die hem van vroeger kenden, in aanraking te komen, toen zij met het vee in het veld waren, en had hen door de vreselikste bedreigingen overgehaald, zijn spionnen in het lager te worden. Het klipkopje, waar wij hem heden morgen vinden, was de gewone plaats van samenkomst, en heden verwachtte hij van zijn handlangers belangrijke mededelingen.

De oude tovenaar had de tekenen van zijn waardigheid afgelegd. Het feit dat hij een Zulu was, had hij niet willen of kunnen verbergen, maar overigens was zijn kostuum dat van de vrede: zijn wapens bestonden slechts uit een lichte knopkierie, dienst doende als staf, en enige assagaaien, dadelik als jachtbenodigdheden, en niet als oorlogswapens kenbaar.

Mazesi keerde zich om en sloeg het Boerekamp aandachtig gade. “Ah, Molonga,” fluisterde hij, “ge sluimert gerust, maar de Zulu is wakker. Ge rekent op uw vuur en dood uitspuwende wapenen; nog enige dagen, en de Zulu-assagaai zal roodgeverfd in uw bloed, de Zulu-knopkierie overdekt zijn met uw hersens. Het vee wordt uitgejaagd: weldra zullen mijn spionnen hier zijn, en over enige dagen zal Dingaan al uw plannen weten, zo goed als gij zelf en zullen de dagen van Tshaka terugkeren voor de Amazulu.”

Was het toeval of de vinger Gods, dat op ditzelfde ogenblik een kleine ruiterbende, waaronder wij Louis Nel en de jeugdige Dirk Uijs herkennen, de lagerpoort uitreed? 't Waren allen mannen van de afdeling van Uijs, die uitgingen om de morgen met jagen door te brengen, en zij wendden de teugel in de richting van het kopje, waar Mazesi in bespiegeling van het lager verdiept stond. De ruiters hadden reeds de helft van de afstand tussen het kamp en zijn schuilplaats afgelegd, eer de aandacht van de tovenaar meer bepaald op hen werd gevestigd.

“Aha!” riep hij verstoord uit, “de Molonga schijnt op mij af te komen. Persoonlik ben ik echter veilig, want met hun paarden zullen zij deze rotsen wel niet beklimmen, en ik zal me slechts voor een ogenblik moeten verbergen, totdat zij voorbij, of teruggegaan zijn, maar het zal onveilig zijn voor mijn spionnen, om mij het afgesproken bezoek te brengen.” Hij bukte achter enig struikgewas, door de toppen waarvan hij onafgebroken de naderende ruiters gadesloeg.

Onze jagers hadden de voet van het klipkopje bereikt, toen Nel zei: “Laat ons even stilhouden, dan zal ik op het kopje klimmen en met mijn verrekijker de vlakte opnemen en zien waar wild is.” En hij steeg van zijn paard.

“Wacht, oom Louis, we gaan samen,” klonken enige stemmen, waaronder die van Dirk Uijs, en verscheiden ruiters wierpen zich uit de zadel, en voegden zich bij Nel, die reeds begonnen was het kopje te beklimmen.

Met schrik had Mazesi bemerkt wat er geschiedde, maar spoedig had hij een plan doordacht. Aan moed ontbrak het hem niet, en kon het niet anders, dan zou hij zijn leven verdedigen. Zijn eerste plan was echter zich te verbergen, en mocht hij worden ontdekt, dan zou hij zo goed mogelik door gebaren, want de taal der Boeren spreken kon hij niet, zich laten doorgaan voor een vluchteling uit Zululand, die de bescherming van het lager zocht.

De Boeren hadden intussen het kopje beklommen, en op de hoogste rotspunt stond Louis Nel de vlakte door zijn verrekijker te verkennen. Aan de voet van het rotsblok stonden Dirk Uijs, Doris Botha en enige anderen.

Op eens riep Doris uit: “Maar daar zit iets in die klipscheur achter de struiken,” en zonder verzuim had hij de kolf van zijn roer aan de schouder.

“Schiet niet!” riep Dirk uit, “het is een mens;” en hij sloeg de loop van het geweer van Doris naar boven.

Nel, door hun geroep opmerkzaam geworden, sprong dadelik van de rots en stond naast hem. “Zowaar,” riep hij uit, “daar zit een outa; toe, ou kerel, kom uit!”

Mazesi, zich ontdekte ziende, en aan de gebiedende houding van Nel bemerkende dat hem gelast werd voor den dag te komen, kroop, als viel het hem moeilik zich te bewegen, uit zijn schuilhoek, zijn wapens in de hand houdende.

“Bij de hoed van mijn grootvader!” riep de verwonderde Nel uit, “het is een oprechte oude Zulu! Wat doe je hier, outa?”

Mazesi wierp zijn wapens op de grond, echter binnen zijn onmiddellik bereik, sloeg zijn ogen ten hemel, en wees met de ene hand op zijn oor, en met de andere op zijn mond, ten teken, dat hij hen niet verstaan en evenmin in hun taal beantwoorden kon.

“Hij is zeker een spion,” zei een der Boeren; “wat vermorsen wij de tijd over hem? Sta op zij, en ik zal hem de kogel geven.”

“Dat nooit!” riep Dirk Uijs uit. “Zie, de Zulu heeft zijn wapens neergeworpen en geeft zich over. Bovendien kan je niet zien dat hij een afgeleefd en bijna weerloos man is?”

“Wel, Dirkie,” hervatte de ander, “je bent nog maar een kind, en het is je niet ten kwade te duiden, dat je hart nog week is. Maar wat ik vragen wil is dit: als hij een blanke, en wij Zulu's waren, zou de blanke dan niet zonder verzuim naar de eeuwigheid zijn gezonden?”

“Dat zal ik niet betwisten,” zei Nel, “maar dwaas zou het zijn de Zulu te doden. Wij weten niet wat hij te zeggen heeft. Als wij hem naar het lager brengen, zal een tolk spoedig genoeg kunnen uitvinden, wat hem hierheen heeft gebracht, en dan kunnen de hoofden beslissen, wat met hem zal worden gedaan. Kom, van onze jachtpartij zullen we vooreerst moeten afzien; outa moet naar het lager worden gebracht!”

Door tekenen trachtte hij hierop aan de tovenaar duidelik te maken, dat hij hen naar het lager vergezellen moest. Mazesi begreep hem en knikte met zijn hoofd ten bewijze van instemming; toen bukte hij zich om zijn wapens op te nemen, maar Dirk kwam hem voor, en raapte de assagaaien op, met de woorden: “Nee, outa, die heb je nu niet meer nodig. Ik zal ze dragen. Je knopkierie mag je houden, daar kan je nog op steunen.”

Weldra trokken onze ruiters met Mazesi in hun midden naar het lager terug. Zij reden slechts stapvoets, want de tovenaar, die grote vermoeienis en uitputting voorwendde, sleepte zich slechts langzaam voort.

Intussen was de lang verbeide vergadering van de Krijgsraad bijeengekomen. Ze werd ditmaal gehouden in de open lucht, en een kleine afgezonderde ruimte in het lager was de vergaderplaats. Sarel Cilliers, die weder de leiding op zich had genomen, was vergezeld van de drie mannen, die voor het Kommandant-Generaalschap waren genoemd. Het stond op hun aller gelaat te lezen, dat zij tevreden en vergenoegd waren, en een kreet van vreugde steeg op, toen Cilliers de vergadering mededeelde, dat de aanvoerders onderling tot overeenstemming waren gekomen, en tans slechts van de Krijgsraad de bekrachtiging van hun overeenkomst verlangden. Hij ging er toe over om breedvoerig uit te leggen op welke wijze die overeenkomst was tot stand gebracht en waarin die bestond. Herhaaldelik viel men hem met betuigingen van goedkeuring in de rede, en nog was hij niet geëindigd, toen hij moest staken, tengevolge van een rumoer, dat aan de buitenste kring der toehoorders was ontstaan.

“Wat heeft dat te beduiden?” vroeg hij enigszins verstoord, toen de kring van luisterenden zich opende en Louis Nel met de zijnen, Mazesi in hun midden voerende, nader trad.

“Oom Sarel,” begon Nel, enigermate verlegen, want het was hem niet ontgaan, dat Cilliers verstoord scheen te zijn, “wij willen de Krijgsraad niet hinderen, maar uitgaande om te jagen, vinden wij deze Zulu, en rekenden, het plicht om hem dadelik hierheen te brengen.”

Aller ogen waren met nieuwsgierigheid op Mazesi gevestigd, die, het gevaar van het ogenblik ten volle beseffende, de houding van volslagen zwakheid door ouderdom en lichaamsafmatting aannam, en met halfgesloten ogen strak voor zich staarde.

Piet Uijs nam het woord. “Waar heb je hem gevonden, neef Louis? Hij schijnt mij meer een vluchteling dan iets anders. Dingaan zal geen afgeleefde grijsaard zoals deze, voor spion uitzenden. Heeft hij tegenweer geboden toen je hem gevangen nam?”

“Nee, Kommandant; we beklommen het klipkopje, dat u daar in de vlakte zien kunt, en daar vonden wij hem, zich in een klipscheur verschuilende. Hier zijn de enige wapens, die hij bij zich had, en die heeft hij dadelik afgegeven.”

“Hij zal waarschijnlik een vluchteling zijn,” zei Gert Maritz, “en in dat geval zal hij ons misschien omtrent Dingaan en zijn bewegingen belangrijke mededelingen kunnen doen. Ik stel voor dat wij het punt onder behandeling, een weinig uitstellen, en door tussenkomst van een tolk horen wat deze oude te zeggen heeft.”

Een tolk trad naar voren. Door Maritz naar zijn naam gevraagd zijnde, gaf Mazesi met zwakke, nauweliks hoorbare stem ten antwoord: “Ik ben Goza, een induna van de Zulu-koning Dingaan.”

“Wat heeft je in de onmiddellike nabijheid van ons lager gebracht?”

“Ah, Inkose, dat zou een lang verhaal zijn, en te veel voor mijn krachten, als ik u alles moest vertellen wat mij in de laatste dagen overkomen is. Ik ben krachteloos van vermoeidheid en honger. Toen Dingaan de Boeren bij Umkungunhlovo wilde slachten, waarschuwden Manondo en ik hem tegen het begaan van dit verraad, en dat heeft hij ons niet vergeven. Eenige dagen later liet hij Manondo door zijn eigen regiment met knopkieries doodslaan. Nu voor weinige dagen was er een indaba. Ik raadde de Koning ernstig aan, om te trachten met u vrede te maken. Hij ontstak in hevige toorn, bulderde dat ik Zulu van vel, maar Molonga van ingewand was, en gelastte mij de indaba te verlaten, en naar mijn kraal te gaan. Diezelfde avond bracht een vriend mij de tijding, dat Dingaan besloten had mij de volgende morgen bij het opgaan van de zon te laten doodslaan. Ik vluchtte dadelik weg. Waarheen zou ik mijn schreden richten? Ik had gehoord, dat gij een grootmoedig volk zijt, dat zijn vijanden genade bewijst, en ik vluchtte voort in de richting waar ik wist dat gij u bevondt. Vier dagen en nachten heb ik, vervolgd door mens en dier, omgedwaald. Van morgen wilden mijn krachten me begeven; met de uiterste inspanning klom ik op een kopje om uit te rusten. Ik was in slaap gevallen, toen stemmen me wekten. Ik opende de ogen, en zie, de mannen die ik zocht, hadden me gevonden.”

De sluwe tovenaar had zijn doel volkomen bereikt. Medelijden straalde uit aller ogen. Bij hen die zoveel door Dingaan hadden geleden, had een ander onschuldig slachtoffer van zijn woede hulp gezocht, hij zou bij hen veilig zijn.

“Zal Goza ons iets kunnen mededelen omtrent de macht en de voornemens van de Zulu-koning?” vroeg Maritz. “Tot kort geleden een induna geweest zijnde, zal hij daaromtrent zeker veel weten.”

“Ja Inkose, maar vergeef een oud man zijn zwakheid. Laat me toe, vandaag te eten en te rusten. Morgen zal mijn lichaam sterk, mijn verstand helder zijn, dan kan ik u alles vertellen wat me bekend is. Vergun me slechts als uw slaaf bij u te blijven.” En de tranen vloeiden rijkelik uit de ogen van de gewaande Goza.

Men stond op het punt hem zijn verzoek toe te staan. Reeds wilde Cilliers iemand gelasten hem weg te leiden en te doen verzorgen, toen Klaas Labuschagne op hem toetrad met de woorden: “Oom Sarel, Biggar is zoëven met enige Zulu-opperhoofden in het lager aangekomen, en toen hij hoorde dat de Krijgsraad zitting hield, heeft hij verzocht dadelik toegelaten te worden, daar hij zaken van overwegend belang te melden heeft. Wat zal ik hem antwoorden?”

Het gevoelen was algemeen, dat Biggar en de opperhoofden dadelik zouden worden gehoord, en in de opgewondenheid door de aankondiging van hun komst veroorzaakt, werd de tovenaar, die van alles niets begreep, voor een ogenblik vergeten.

Weldra trad Biggar binnen de kring, gevolgd door twee krachtig gebouwde Zulu's in volle krijgsdos. Met fiere tred volgden zij hun blanke bondgenoot, toen deze de Boeren-aanvoerders naderde, door wie hij hartelik werd gegroet, en zich buigende, lieten zij hun gewone inkose horen. Biggar stelde hen voor met de woorden: “Dezen, mijne heren, zijn Makoni en Dutulu, de twee zonen van de Zulu induna Manondo, die enige tijd geleden door Dingaan is vermoord. Zij zijn tot ons gevlucht met enige honderden dappere volgelingen, vast besloten de moord van hun vader te wreken. Zij zelf zullen u mededelingen doen, die u zullen verblijden.”

Niet zodra had de gewaande Goza de twee Zulu's gezien, of hij ontstelde hevig. Hij sidderde en zijn knieën knikten, tans niet van voorgewende uitputting, maar van inwendige ontroering. Immers als Makoni en Dutulu hem herkenden, dan was het met hem gedaan. Hij week achteruit zover hij kon, hurkte op de grond neer en bedekte zijn gelaat met de handen: een toonbeeld van werkelike ellende tans.

“Wij zijn bereid dadelik de berichten die uw bondgenoten brengen, te vernemen, meneer,” zei Potgieter tot Biggar. “U stemt hier immers in toe, oom Sarel?”

“Toen ik verzocht om dadelik in de Krijgsraad toegelaten te worden,” zei Biggar, “wist ik niet dat uw vergadering in het openbaar gehouden werd. De mededelingen die u gedaan zullen worden, zijn echter van die aard, dat daaromtrent het strengste geheim bewaard moet worden. Slechts in een vergadering van de Krijgsraad, in afzondering gehouden, kunnen zij worden blootgelegd, en—”

Een kreet, die bijna een gebrul kon worden genoemd, door Makoni en Dutulu aangeheven, onderbrak zijn rede en bracht de gehele vergadering in verwarring op de benen.

Terwijl Biggar het woord voerde, had Dutulu zijn oog over de vergadering laten gaan. Daar viel zijn blik op de neergehurkte Mazesi. Die gebogen gedaante kwam hem bekend voor; toch kon hij zich niet te binnen brengen, wie hij was. In een voor hem noodlottig ogenblik nam de tovenaar zenuwachtig zijn handen van zijn gelaat weg. Een schok voer Dutulu door de leden. Hij fluisterde zijn broeder iets in het oor; deze wendde het hoofd om, en van beider lippen klonk het: “Mazesi! de oorzaak van de moord van onze vader!”

De tovenaar was opgesprongen. Zijn oog zocht een uitweg om te ontvluchten, doch te vergeefs; hij was ingesloten in de kring van blanken. Met fonkelend oog staarden de broeders hem aan, totdat Makoni, met zijn assagaai op hem wijzende, tot Biggar zei: “Daar staat de moordenaar van Manondo!”

“Wat betekent deze plotselinge uitbarsting uwer bondgenoten?” vroeg Cilliers aan Biggar.

“Zij zeggen, in die man de moordenaar van hun vader te hebben herkend,” antwoordde Biggar.

“Dat mag zijn,” hernam Cilliers koel. “Er vinden zovele moorden in Zululand plaats. Deze man echter is een vluchteling, die bij ons bescherming tegen Dingaan heeft gezocht. Bij ons is hij veilig. Hij heet Goza, en was een induna van aanzien.”

Deze woorden werden door Biggar overgebracht aan de broeders, die de tovenaar nog steeds met hun ogen verslonden. Zij barstten in een schamper gelach uit. “Heet hij Goza? Is dat zijn naam?” riep Makoni uit, “de ware Zulu schaamt zich zijn naam niet, en deze zal het ook niet doen. Zeg de Molonga dat ik zijn naam zal bekend maken. Die man is Mazesi, de opper-toverdokter van Dingaan. Hij is de man die aan het hoofd staat van al de spionnen, die Dingaan door het gehele land heeft. Hij was het die aandrong op de dood van Retief en de zijnen, en daarin door mijn vader, Manondo, tegengegaan, heeft hij hem dat niet vergeven, maar in mijn tegenwoordigheid later valse beschuldigingen tegen mijn vader ingebracht, die daarna op last van Dingaan is doodgeslagen. Hij is hier niet als vluchteling, maar als verspieder. Ontken, dat ge Mazesi zijt, en maak je de naam van Zulu onwaardig!” riep Makoni ten slotte met bliksemend oog tot de gewaande Goza.

De verandering die deze in de laatste minuten had ondergaan, was te veel in het ooglopend om daar allen die tegenwoordig waren, niet te worden opgemerkt. In zijn woede had Mazesi het masker geheel verzaakt en afgeworpen. Inplaats van de uitgeputte, gebogen grijsaard, stond er tans een bejaarde, vermagerde, maar krachtig gebouwde en fiere Zulu. Het eerst gebogen hoofd stond trots op de nek, en de ogen, zoëven nog zo dof en wezenloos, schenen stralen te schieten. “Ge zegt recht, Zoon van Manondo!” riep hij uit, “ik zal mijn naam niet langer lochenen; ik ben Mazesi, zoals ge hebt gezegd.”

“Gij allen hoort het!” riep Makoni uit “zijn eigen mond heeft hem veroordeeld. Lever hem aan ons over, opdat het bloed van mijn vader gewroken worde!”

De verraste Cilliers scheen besluiteloos, wat te antwoorden. Eindelik nam Uijs het woord, en zei: “Broeders, er bestaat bij mij geen twijfel, dat de man een spion van Dingaan is, in ons lager gekomen om te verspieden; en volgens krijgsrecht is hij des doods schuldig en moet sterven. Maar zal het raadzaam zijn deze zonen van Manondo in de aangeboren bloeddorst der Zulu's te versterken? Laten wij Mazesi horen, als hij iets te zeggen heeft, en vinden wij hem schuldig, dan veroordelen wij hem ter dood, en laten zelf ons vonnis uitvoeren.”

“Ik verschil met u,” zei Potgieter; “die man is niet slechts een spion, maar ook een gevaarlike bedrieger en moordenaar. Zijn eigen landgenoten eisen hem van ons op, om hem naar hun wijze, recht te doen geschieden. Zij zijn onze bondgenoten, en vragen niets meer dan zij rechtens kunnen verwachten dat door ons zal worden toegestaan. Ik ben er voor, dat wij de spion in de handen van de zonen van Manondo stellen.”

Maritz, Greyling, van Staden en anderen verklaarden dat zij met Potgieter instemden. Geen enkele stem verhief zich ten gunste van het voorstel van Uijs.

Na enig aarzelen zei Cilliers tot Biggar: “Wil zo goed zijn aan Goza, of liever aan Mazesi te zeggen, dat de Krijgsraad besloten heeft hem over te leveren aan Makoni en Dutulu. Moge de Here zijn ziel genadig zijn!—Ik verdaag de Krijgsraad tot morgen ochtend, om als de zon opgaat, in mijn tent bijeen te komen. Niemand, dan de gekozen leidsmannen, zullen toegelaten worden tegenwoordig te zijn.”

Mazesi had het zwijgen bewaard. Wellicht hoopte hij nog op de bescherming der Boeren, schoon hij die ten volle had verbeurd. Toen de uitspraak van de Krijgsraad hem werd vertolkt, kende echter zijn woede paal noch perk. Het schuim stond hem voor de mond, ditmaal niet kunstmatig voortgebracht. “Ha! ge zult het wagen mij te doden, gebroed van Manondo!!” schreeuwde hij, “ik vervloek u! Mijn schim zal u vervolgen overal waar ge gaat en staat. Ik zal u verpesten. Ik zal u betoveren. De Molonga? Ik zie de dagen van Tshaka terug. De Amazulu zullen hen vernietigen en uitdelgen. De zon die dit land bestraalt, zal hun geraamten verdrogen!”

Zwijgend traden Makoni en Dutulu op hem toe, grepen hem ieder aan een arm en brachten hem de lagerpoort uit, door enige Zulu's gevolgd.

Na een half uur afwezig te zijn geweest, keerden zij terug. Op een vraag van Biggar, antwoordde Makoni: “Het bloed van onze vader is op een van zijn moordenaars gewroken. Heden nacht strekt het magere karkas van Mazesi de jakhals en hyena tot spijs.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings