← Table of contents
Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

X.

Reading edition

Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofdkommandanten.

Sarel Cilliers en Frans van Staden begaven zich op weg naar de tent van Gert Maritz, zodra zij Uijs hadden verlaten. Daar gekomen, vonden zij de oude Voortrekker reeds op hen wachtende. “Welnu,” vroeg hij, “wat zegt Uijs?”

“Wel,” antwoordde Cilliers, “zijn manschappen hebben, zoals wij verwachtten, de zaak ten volle aan hem overgelaten. Hij wilde echter niet dadelik tot een besluit komen, en heeft ons gevraagd om van avond te komen vernemen welke zijn gedragslijn zal zijn.”

“Heb je hem gezegd, dat ik volkomen bereid ben onder je plan te buigen?”

“Nee, dat hebben we niet gedaan. Hij zelf heeft zich echter dikwels reeds uitgesproken, dat hij overtuigd was, dat ge ter wille van onze eensgezindheid, steeds bereid zoudt zijn een ondergeschikte plaats in te nemen.”

“Ja, dat is zo. Hoewel ik zeer goed weet, dat als er van recht sprake moest zijn, niemand meer dan ik voor het Kommandant-Generaalschap zou zijn aangewezen. Ik heb echter altijd getracht zaken naar hun rechte waarde te schatten, en steeds bevonden dat van iedere erepost het “ijdelheid der ijdelheden” van de schrijver der Spreuken ten volle geldt. Maar wie van jullie beiden heeft ons plan aan de Uijstrek blootgelegd?”

“Ik heb dat ondernomen,” antwoordde van Staden. “Uijs weet dat ik zijn boezemvriend, zijn warme voorstander ben. Oom Sarel heeft zich altijd buiten en boven alle partijen gehouden, dus kwam het plan van mijn lippen als een der ondersteuners van Uijs, beter dan uit de mond van oom Sarel.”

“Dan blijft nu nog slechts over dat je Potgieter gaat zien,” hernam Maritz, “want ik zou me sterk in Uijs vergissen, als hij een struikelblok in de weg zou zijn.”

“Goed, wij kunnen dadelik gaan,” zeiden de anderen, “maar ge moet ons vergezellen.”

“Dat zou stellig verkeerd en niet billik tegenover Uijs zijn. Je hebt hem zonder mij gezien, en als ik nu mee naar Potgieter ga, zal men grond hebben te vermoeden, dat ik met hem samenspan om Uijs te verdringen. Ik ben bereid achteruit te staan, maar zeker niet om mij aan blaam bloot te stellen. Je kunt echter aan Potgieter zeggen, dat ik met het plan bekend ben en het goedkeur; ook dat Uijs nog onbeslist is, maar dat je vertrouwt, dat hij ook zal instemmen. Geeft Potgieter zijn goedkeuring ook, dan ga ik van avond met jullie mee naar Uijs.”

Toen Cilliers en van Staden enige ogenblikken later bij de tent van Potgieter aankwamen, vonden zij hem buiten bij zijn wagen staan. Zijn gelaat was bewolkt, en hij was blijkbaar in geen aangename stemming. De vergadering met zijn partijgenoten was pas afgelopen, zonder dat er een bepaald besluit genomen was. Het was hem echter duidelik geworden, dat hoewel zijn aanhangers allen voor hem zouden stemmen, slechts weinigen bereid waren tot dat uiterste met hem mede te gaan, dat opgesloten lag in zijn dreigement, Natal te zullen verlaten, indien hij niet tot Kommandant-Generaal werd verheven. Potgieter was eerzuchtig en stijfhoofdig van aard, maar aan zijn rechtschapenheid, moed en rondborstigheid viel niet te twijfelen. Op het ogenblik toen de andere twee hem naderden, overwoog hij bij zichzelf of het niet zijn plicht was, morgen in de Krijgsraad tot Uijs te zeggen: “Ik geef het je gewonnen, maar onder je staan wil ik niet. Ik zal me zonder verzuim over de bergen terugtrekken, met degenen die me willen volgen, hetzij zij velen of weinigen zijn.”

Na het wisselen van de morgengroet richtte hij de vraag tot Cilliers: “Verkiest oom Sarel dat wij in de tent zullen gaan, of kunnen we hier spreken? Mij schijnt het dat ge mij iets mee te delen hebt.”

“Je hebt recht geraden, mijn vriend!” antwoordde Cilliers. “We komen je bezoeken om met je te spreken over de zaak, die tans de belangrijkste voor de gehele trek is. Wat mij betreft, laat ons op de wagenkist gaan zitten en in vertrouwen met elkander spreken. Ik geloof niet dat iemand ons zal komen hinderen.”

Zij klommen op de wagen en Cilliers deelde aan Potgieter mede wat de lezer reeds bekend is, en legde hem het plan bloot, dat door van Staden in de vergadering van de Uijspartij was duidelik gemaakt.

Potgieter luisterde met aandacht, en schoon hij nu en dan de wenkbrauwen fronste, alsof een of ander punt hem onaangenaam trof, viel hij de spreker niet in de rede. Toen Cilliers echter geëindigd was, vroeg hij enigszins schamper: “Als ik u dus wel verstaan heb, is de zaak deze: Maritz zal zich terugtrekken, en stem ik toe, dan zal Uijs het bevel voeren over een deel van het kommando dat tegen Dingaan optrekt, en ik over het andere deel. Stem ik echter niet toe, dan schenkt Maritz zijn ondersteuning aan Uijs, die dan als Kommandant-Generaal zal worden gekozen.”

“Dat is in zoverre juist, maar sluit niet alles in,” hernam Cilliers. “De eerste oplossing is deze: Maritz trekt zich terug; de keuze bepaalt zich dan tussen u en Uijs, die bereid is je te erkennen, indien je gekozen wordt, mits je toestemt hem te zullen erkennen, als de meerderheid voor hem is. Kan dit echter niet geschieden, dan is het in de tweede plaats overigens zoals je gezegd hebt.”

Na enig peinzen hernam Potgieter: “Ik bewonder en prijs het in Uijs, dat hij zich aan de meerderheid onderwerpen wil, als die mij zou kiezen. Een jaar geleden zou ik hetzelfde hebben gedaan, maar nu nimmer weer. Ik wil de doden laten rusten, maar toch moet ik u vragen: was Retief niet de leidsman, door de meerderheid gekozen, en door de minderheid geëerbiedigd, en waartoe heeft zijn voortvarendheid hem zelf en de trek gebracht? Nee, ik zal liever morgen openlik in de Krijgsraad verklaren, dat men Uijs kiezen moet, maar dat ik, met wie mij volgen wil, terugga naar mijn vrienden, die zich over de Vaalrivier hebben neergezet.”

“Mijn broeder,” zei Cilliers, “vraag jezelf af of dit recht zou zijn. Overweeg bij jezelf, wat je landgenoten van je zullen denken. Hendrik Potgieter vlucht uit Natal, nu het onschuldig vergoten bloed gewroken, een misdadig, trouweloos zwart volk getuchtigd moet worden. Ik vrees dat men alle grond zal hebben, om je van lafhartigheid te verdenken, als je blijft volharden bij wat je gezegd hebt.”

“Oom Sarel, niemand die me kent, zal aan mijn moed twijfelen, en mij is en blijft het onverschillig, wat de anderen van me denken. Ik beschouw, dat het me rechtens toekomt de leider van deze trek te zijn. Reeds eenmaal heb ik van dat recht afgezien, en heb daar berouw van gehad; ten tweede male zal ik dat niet weer doen, en om de schijn te vermijden van tweedracht te verwekken, zal ik dit land verlaten.”

“Neef Hendrik, je woorden klinken schoon. Zij misleiden je, maar zullen ze anderen, die nadenken willen, ook misleiden? Daar twijfel ik aan. Je eigen mond zal je veroordelen. Je zegt dat je het land zult verlaten, om de schijn te vermijden dat je tweedracht verwekt. Door dit te doen, lever je het beste bewijs dat je tweedracht verwekt hebt. Het gevolg van tweedracht is scheuring en je scheurt jezelf van ons los, en onbillikerwijze, want je behoort evenals Uijs gewillig te zijn, te berusten bij de beslissing van de meerderheid.”

“Onder de meerderheid zal ik niet berusten, tenzij de keuze op mij valt. Dat staat eenmaal bij mij vast, en niets ter wereld zal me daarvan doen terugkomen. Verder is het zoals ge zegt: door heen te gaan, mag het schijnen alsof ik de tweedrachtige ben, maar als ik blijf, zal de tweedracht immer groter worden.”

“Weer veroordeelt je je eigen mond, neef Hendrik; door te erkennen, dat zolang als je blijft de tweedracht immer groter zal worden, erken je dat de schuld bij jou te zoeken is. Waarom neem je je niet voor te blijven, met de ernstige bedoeling, al wat mogelik is te doen om alle tweedracht te voorkomen?”

Potgieter was in het nauw gebracht. Hij moest dit zelf erkennen, en zei: “Oom Sarel, het valt me zwaar om met u in woordestrijd te zijn. Ik kan u niet weerleggen.” En hij verzonk in ernstig nadenken.

Tans merkte Frans van Staden, dat de beurt aan hem gekomen was. Hij zei: “Wij praten al zolang, en mijn gedachten lopen uit elkaar. Ik kan ze niet bijeenhouden als ik mijn pijp niet in de mond heb. Ik zal eerst stoppen, en dan wil ik ook mijn stukje brood in de melk kruimelen.” Zijn tabakszak, pijp en tondeldoos waren spoedig uit zijn zak. Hij stopte, sloeg vuur, stak zijn pijp aan, en vervolgde, na enige rookwolken te hebben uitgeblazen: “Kijk, neef Hendrik! Ik wil aannemen dat alles wat jij, en ook alles wat oom Sarel zegt, van je eigen, afzonderlik standpunt beschouwd, volkomen waar en juist is. Maar wat je geheel en al uit het oog schijnt te verliezen, is het plan waaraan Maritz zijn goedkeuring heeft gehecht, en dat Uijs ongetwijfeld reeds in gunstige overweging neemt. Wij kiezen geen Kommandant-Generaal. Wij gaan gezamenlik de gemeenschappelike vijand bestrijden. Jij voert je mannen aan, en Piet Uijs de zijnen, en waar het mocht worden vereist, beslist de Krijgsraad. Waarlik! hiertegen kan je geen bezwaar hebben; en maak je hiertegen bezwaar, dan moet ik zeggen, dat je òf tweespalt zaaien, òf de vijand de rug toekeren wilt.”

“Neef Frans,” hernam Potgieter, “je plan mag mooi klinken, maar zal in de uitvoering talrijke bezwaren opleveren. Om slechts één te noemen. Is het niet mogelik dat door Uijs en mij tegenstrijdige bevelen kunnen worden gegeven, en dat daardoor verwarring zal kunnen ontstaan?”

“Bedenk, mijn vriend, dat als het kommando uittrekt, gehandeld zal worden door jou en Uijs volgens een vast ontworpen plan, en daardoor alle verwarring zal worden voorkomen,” antwoordde van Staden.

Potgieter bleef een wijle met gebogen hoofd zitten. Plotseling hief hij het hoofd op. Zijn besluit was genomen. “Het zij zo. Indien Uijs in je plan bewilligt, dan doe ik hetzelfde,” zei hij.

“Ik dank je voor dat woord, mijn broeder,” hernam Cilliers, “dit is de eerste stap om de eensgezindheid onder ons te bestendigen. Nu moet ik je nog vragen een tweede stap te nemen. Je moet met ons naar Uijs gaan en hem zelf je besluit meedelen.”

“Nee, dat doe ik niet! Ik wil Uijs niet in de waan brengen, dat dit plan van mij is uitgegaan, en dat ik hem overreden wil er in toe te stemmen. Naar mijn mening zal het voldoende zijn, als Uijs morgen in de Krijgsraad mijn besluit verneemt.”

“Mijn vriend,” hervatte Cilliers, “ik ben zeker dat als ik je de reden zeg, waarom ik verlang, dat je zelf Uijs met je toestemming bekend moet maken, je aan mijn verzoek zult voldoen. Bij de laatste vergadering heb je je in een ogenblik van opgewondenheid laten ontvallen, dat Uijs hier gekomen was met het doel je te onderkruipen. Dat heeft hem diep gegriefd. Ik weet, dat je in je hart overtuigd bent, dat hij met het edel doel om hulp te bieden hierheen is gekomen, en niet om je te onderkruipen. Je plicht als man en christen brengt het mede, dat je die woorden terugtrekt en Uijs de broederhand gaat bieden.”

“U hebt gelijk, oom Sarel,” antwoordde Potgieter, “die woorden moest ik me niet hebben laten ontvallen. Ik zal met u naar Uijs gaan. Bepaal slechts wanneer.”

“Ik dank God, dat Hij zo genadiglik de ramp, die ons dreigde, heeft afgewend,” riep Cilliers bewogen uit. “Laten we dadelik naar Uijs gaan.”

“Nee, niet te haastig, oom Sarel,” zei van Staden. “Laat ons blijven bij onze afspraak met Uijs en hem van avond gaan zien. We kunnen neef Hendrik komen afhalen. Uijs kan intussen nadenken over hetgeen wij hem hebben gezegd.”

“Neef Frans spreekt recht,” zei Potgieter, “het is beter dat wij Uijs zien op de door hem bepaalde tijd. Als we eenmaal met hem de zaak bespreken, kan het zijn dat ons gesprek lang duren zal. Dus tot van avond; ik zal jullie afwachten.”

Het was tans tegen de middag en onze vrienden hadden nauweliks hun gesprek geëindigd, toen er een biezondere beweging in het lager op te merken viel. Een troep langzaam voorttrekkende ruiters naderde het kamp. Zij werden zonder vrees en met blijde nieuwsgierigheid ingewacht. Door de verrekijkers had men bespeurd, dat zij blanken, dus vrienden waren. Eenige mannen, waaronder Uijs en Maritz, zadelden hun paarden, en reden de naderende ruiters te gemoet. Op omtrent een mijl afstand van het lager kwamen de ruiters bij elkander. Van weerszijden stegen zij van hun paarden, en weldra verkondigden de vreugdeschoten aan het lager de hartelikheid van de ontmoeting.

Het bleek dat deze ruiterbende bestond uit zestig blanken, benevens hun achterruiters, die onder aanvoering van Andries Bester gekomen waren om hun broeders bijstand te verlenen in de krijg tegen Dingaan. Zij waren in de omtrek van Thaba N'chu, in het gebied van het Barolong opperhoofd Moroka gelegerd, toen Karel Strijdom hun het eerste bericht van de bloedige moord in Natal bracht. Het vereiste bij hen niet veel overwegen om te besluiten hun stamgenoten te hulp te komen en om aan dat besluit uitvoering te geven. Zij brachten met zich een aanzienlike hoeveelheid lood en kruit. Dankbare opgewondenheid heerste in het lager, waar men zich, alzo versterkt, van de overwinning op Dingaan zeker achtte. Bester bracht ook nog het bericht, dat men van Thaba N'chu boden had verzonden naar de Kolonie, om de tijding van de moord over te brengen, en men rekende op de Afrikaanse broedergeest, en verwachtte nu ook spoedig hulp en ondersteuning uit de oude Kolonie.

Die hoop werd later niet teleurgesteld, want nauweliks hadden de kolonisten vernomen, welk zwaar verlies hun broeders in Natal had getroffen, of hulp werd hun toegezonden, bestaande niet alleen uit strijdbare mannen, maar ook uit mond- en krijgsbehoeften. Doch hervatten wij de draad van ons verhaal.

Terwijl Cilliers en van Staden hun komplot, indien wij het zo noemen mogen, om de eendracht in de trek te herstellen, uitwerkten, bracht Uijs de morgen in ernstige overpeinzing door. Hij vroeg zich af, of hij recht zou handelen, indien hij zich zou terugtrekken en zijn stem zou geven voor Hendrik Potgieter als Kommandant-Generaal. Zijn hart raadde hem alle eerzucht te verlochenen; zijn helder hoofd waarschuwde hem, dat indien hij tot deze stap overging, hij slechts de kwade dag verschuiven, het vuur van tweedracht zou doen voortsmeulen, om later in lichtelaaie op te stijgen. En wat betrof het tweevoudige bevelhebberschap, onder oppertoezicht van de Krijgsraad, duchtte hij het gevaar van tegenstrijdige bevelen en uiteenlopende handelingen, dat daardoor zou kunnen ontstaan. Zijn gepeinzen brachten hem niet nader tot een besluit, en eindelik kwam hij tot de overtuiging, de zaak in de avond opnieuw met Cilliers en van Staden te moeten bespreken, en zich alsdan door omstandigheden te laten leiden.

Uijs zag verbaasd op, toen die avond, behalve de twee bezoekers die hij verwachtte, ook Maritz en Potgieter zijn tent binnentraden. Voor hij, na de avondgroet te hebben uitgebracht, een woord kon spreken, trad Potgieter op hem toe en reikte hem de hand, met de woorden: “Neef Pieter, ik ben hoofdzakelik gekomen om een onrecht, dat ik je heb aangedaan, te herstellen. Op een ogenblik dat mijn gewone kalmte me had begeven, heb ik je in tegenwoordigheid dezer vrienden en ook van anderen, toegevoegd, dat je slechts naar Natal gekomen was met het doel mij te onderkruipen. Ik had geen grond of recht deze bewering te maken, en het spijt me innig dat ik dit gedaan heb. Ik trek mijn woorden onvoorwaardelik terug. Vergeet ze ook, en laat ons vrienden zijn, zoals voorheen.”

De mannelike verklaring van Potgieter miste z'n uitwerking niet op het edel, gevoelig gemoed van Uijs. Hij zei: “Neef Hendrik, ik zal niet ontkennen, dat je aanmerking me diep heeft gekwetst; maar wat een eerlik man doen kan om een begaan onrecht te herstellen, wanneer hij ziet dat hij te ver gegaan is, dat heb je tans gedaan. Met vreugde reik ik je de broederhand. Alles zij tussen ons vergeven en vergeten, en als de dag aanbreekt, die ons tegenover de vijand zien zal, dan strijden we als broeders naast elkaar.”

“God schenke Zijn zegen op dit verbond van broederschap,” zei Cilliers, “en nu, vrienden, laat ons overgaan om het punt, dat voor ons hoofdzaak is, te bespreken. Tot welk besluit ben je gekomen, Kommandant Uijs?”

Gert Maritz gaf aan Uijs de gelegenheid niet om te antwoordden, maar zei: “Als de oudste in jaren onder de drie mannen die voor het bevelhebberschap zijn genoemd, meen ik het recht te hebben, om eerst het besluit waartoe ik ben gekomen, mede te delen. Ik heb me voorgenomen, mij geheel terug te trekken, en ben bereid enig besluit, waartoe de Krijgsraad morgen komen mag, te eerbiedigen, en de leider te volgen, die door de meerderheid wordt gekozen. Ik vertrouw, dat mijn twee broeders zich niet zullen terugtrekken, doch in zoverre mijn voorbeeld zullen volgen, dat zij onder de meerderheid zullen bukken.”

“Ik moet eerlik bekennen,” zei Uijs, “dat het me spijt dat oom Gert achteruitstaat, want ik was steeds bereid het gezag van de meerderheid te erkennen, en zou nu vooral, meer dan ooit te voren, met vreugde onder oom Gert hebben gediend.”

“Broeders,” zei tans Potgieter, “ik zou jullie en mezelf onrecht aandoen, door je de gedachte te doen koesteren, dat ik iemand anders als Kommandant-Generaal zal erkennen. Ik herhaal wat ik eenmaal heb gezegd: Vóór ik dat doe, zal ik de trek verlaten. Een middenweg is me echter aangewezen, die ik bereid ben in te slaan, namelik dat Kommandant Uijs en ik te zamen het bevel zullen voeren, onderworpen aan het oppergezag van de Krijgsraad.”

“Maar heb je de gevaren overwogen, broeder, die aan dit plan verbonden zijn?” vroeg Uijs.

“Neef Pieter, ik begrijp je volkomen,” hervatte Potgieter, “maar als we ons voornemen om als broeders hand aan hand te werken, verwacht ik van zodanige schikking slechts gunstige gevolgen, en geenszins gevaar. Ik maak me sterk te zeggen, dat het spreekwoord van ons gelden zal: Twee hoofden zijn beter dan één.”

“Welnu, broeders, dan aarzel ik niet langer,” klonk het van de lippen van Uijs, “ik neem de schikking aan. Neef Hendrik en ik zullen samen de leiders zijn, en één in hart en zin, met hetzelfde doel voor ogen, vertrouw ik dat wij tot nut en zegen voor de trek zullen zijn. Het enige dat nu nog nodig zal zijn, is dat de Krijgsraad onze schikking morgen bekrachtigt.”

“En dat God de Heer Zijn zegel er aan hecht,” klonk de diepe stem van Sarel Cilliers. “Kom, laat ons neerknielen en Zijn zegen afsmeken.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings