← Table of contents
Oud en nieuw

DE ZEVEN DOODZONDEN.

Margaretha Meijboom translation

De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.

„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij nu absolutie geven?”

„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme zondaars waren in vergelijking met u.”

„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man.

„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.”

En hij vertelde:

„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar trouw beloofd.

Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.”

Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem in stilte.

Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:—de smart zette zich vast op haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om haar.

De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te voeren, als hij van de bruiloft geweten had.

Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat een ellende u over ons gebracht hebt.”

En toen ging ze naar het balkon.

Daar kwam haar bruidegom bij haar.

„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?” vroeg hij.

Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem nooit te verlaten.”

Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan maken, als ik doen zal.”

„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij.

„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.”

Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, dat God zijn hart beweegt.”

En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.

„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!”

Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, dan zie ik haar nooit weer,”—zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen zooals ge wilt.”

Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer hongerig na den langen rit en de lange mis.

„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, als ik het leven van mijn geliefde gered heb.”

Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den maaltijd beginnen.”—En zij gingen van de tafel weg.

Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met een grooten bezem te slaan.

Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te zeggen.

En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.

Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een zwakke vrouw—haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden en een geacht en eerlijk man worden.”

Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: „Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd voortgaan.

In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug heeft stuk geslagen.”

En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en droeg er haar op zijn schouders over.

Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij waren iets voor haar te mogen opofferen.

Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.

De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, maar luisterde er naar en deed open.

Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.

Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.”

En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?”

Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het huis van haar vader.”

Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij zelf het moeilijkst te betrachten vond.

Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.

„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van allen veel waard vindt.”

„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven het andere stellen.”

Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende stem:

„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.”

Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.

„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit, „en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij begon de duivelbezwering te lezen:

„Vade retro Satanas....”

Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van de kerk als een groote, zwarte vleermuis.

En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings