DE BEIDE BROEDERS.
Margaretha Meijboom translation
Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de lange rust in de aarde gebracht worden.
Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo goed als in Svartsjö in Wermeland.
Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook—want dat hebt ge immers als zoo dikwijls gezien,—dat ge naar de kerk wordt gereden op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk van Svartsjö staan.
Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de gewoonte daar is.
Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden werdt.
Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er niemand, die er niet op toeziet.
Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben. Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den rouwstaf.
't Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van zijn.
Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, die dood zijt.
De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt en verootmoedigd worden door hun armoede.
Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de losse aardhoopen en laten u zakken.
En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en begint te zingen:
„Ik ga den dood te gemoet.”
Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij zingt.
De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, omdat het bij zijn werk hoort.
Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede vervallen.
Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één waren.
De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt wat hij kan, om hem te helpen.
En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen geven.
Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt zijn broer met zijn ellendige stem.
De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn toespraak.
Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en klagender, hoe langer ze zingen.
Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.