XXVII. Brieven over het feest.
Abraham Anthony Fokker translation
Om een denkbeeld te geven van ’t feest, volgen hier een paar correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om zijn toon en strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden zal men kunnen verbeteren.
De waardige correspondent van ’t edele blad schreef dan aldus:
Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen.
De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,—een van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla—wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen, waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het plein is opgericht.
Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging, ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde leden, dank zij het geschok en gerammel van ’t voertuig dat de burgemeester van ’t dorp B. ons voor onze overkomst verschaft had.
Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los Santos. De pastoor van ’t dorp, de zeer eerwaarde pater Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad niet alleen de weelderige inrichting en den goeden smaak van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk klavier-spel bij ’t vertolken der beste Duitsche en Italiaansche compositiën herinnerde mij aan “la Galvez”. Hoe jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft.
Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken, en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den bekenden kapitalist gewoon zijn.
Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend—en te recht—was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze laat oprichten.
Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want, zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies, wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi) heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in ’t vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen, hoe gemengd het ook zij.
Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken, drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat dezen zich voor ’t altaar ter aarde hadden gebogen, hief de misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla, het “Surge Domine” aan, na hetwelk de processie rondom de kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen het “Surge Domine” geëindigd was, maakte de burgemeester, in zwarten rok, met het vaandel in de hand en gevolgd door vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers, het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel, belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos.
Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen.
Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken, de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel, gedragen door de baranggay-hoofden, terwijl de processie afgesloten werd door het waardige politie-korps der guardia civil. ’t Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en vuurraderen herhaalde salvo’s gaven. Bewonderenswaardig is ’t te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje.
Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van het dorp en andere voorname personen naar het “klooster”, waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid, voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons sigaren en een stevige “bowl,” die de Hermano mayor beneden ’t klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen.
Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben, dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn, om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen, dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van Kana of van Camacho.
Terwijl wij genoten van ’t heerlijk banket, welks overvloed was toebereid door een kok van het restaurant “la Campana,” speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer diamanten (“cascade”). Als altijd was zij de koningin van ’t feest. Wij betreuren het allen in ’t diepst van onze ziel, dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar ’t geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw de los Santos dansen gelijk een sylfide.
Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen, teneinde de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand.
Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten ga zoeken in Morfeus’ armen—alias ’t ijzeren ledikantje in ’t klooster—wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht.
Tot morgen, den grooten dag!
Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust:
De briefschrijver.
San Diego, 11 November.
Dit schreef de goede correspondent van ’t Manilasche blad; wat nu volgt, schreef “Kapitein” Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito:
“Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met zijn hanen en ’t bankspel alles verloren wat hij op ’t feest te Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had.
We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want hij heeft zich zelfs in ’t geheel niet vertoond. Jammer! ’t Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien.
De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met het ‘liam po’. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over pijn in ’t hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het draaibord van de ‘liam po’ langzamerhand stilstaat, dan buigt hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet, want ik ken meer zulke gevalletjes.
’t Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn vrouw is vroolijk en amuseert zich best.
je vriend Martin Aristorenas.”
Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria Clara’s zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den eersten feestdag. ’t Luidde aldus:
“Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt, dat je niet ernstig ziek bent.
Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als Padre Dámaso er niet geweest was—die heeft getracht mij af te leiden door me allerlei dingen te vertellen—had ik me in mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken, voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten; zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.
Maria Clara.”
“P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de eerste-steen-legging. ’t Ga je goed.”