← Table of contents
Noli me tangere

LXI. De “Heilige Nacht.”

Abraham Anthony Fokker translation

In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken herkennen we Sisa’s zoon Basilio, den broer van Crispin.

“Wanneer je been beter is”, zeide het meisje tot hem, “gaan we verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn.”

“Je klimt dan met ons mee op den top van den berg,” voegde het knaapje erbij, “dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de andere, boven de stortbeek.”

Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.

“Verkoop die bezems,” zeide de grootvader tot het jonge meisje, “en koop iets voor je broertje en je zusje, want ’t is vandaag feest.”

“Voetzoekers, ik wil voetzoekers!” riep de jongen.

“Ik een kop voor mijn pop!” riep het meisje, haar zuster bij haar kleedje grijpend.

“En jij, wat wil jij?” vroeg de grootvader aan Basilio.

Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.

“Meneer,” zeide hij tot hem, “ik ben dus nu meer dan een maand ziek geweest?”

“Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee maanden om. We dachten dat je sterven...”

“God moge ’t u vergelden. Wij zijn heel arm!” antwoordde Basilio, “maar nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn.”

“Maar, m’n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: je komt er niet vóór middernacht.”

“Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker geschreid hebben, toen ze me zocht.”

“Je komt niet levend in ’t dorp, jongen! Vanavond hebben we kip en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van ’t veld terugkomen...”

“U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: een zoon.”

De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:

“Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar ’t kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was.”

“Ga je heen?” vroeg het jongetje. “Daar beneden zijn soldaten, er zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!”

“Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?” vroeg op haar beurt het meisje. “Heb je je wel ’s verstopt? Niet-waar, er is niets zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!”

Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen zeide hij:

“Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en met hem spelen. Hij is even groot als jij.”

“Loopt hij ook mank?” vroeg het meisje, “dan zullen we hem ‘moedertje’ laten wezen bij ’t “pico-pico”-spel.”

“Vergeet ons niet,” zei de oude man; “neem dezen plak wildzwijnsvleesch mee, en geef dien aan je moeder.”

De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek met zijn klaterenden loop.

Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht der kinderen.

Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.

De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.

’t Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt op verheugenis als in andere jaren.

In de “opkamer” van Capitán Basilio’s huis zaten deze en Don Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een tralievenster te praten; terwijl aan ’t andere Sinang, haar nichtje Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.

De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.

“Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden, in deze tijden!” zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. “Je boeken hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren.”

Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien.

“Sisa!” riep Don Filipo verbaasd, en zich tot Capitán Basilio wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde:

“Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?”

Capitán Basilio lachte bitter.

“De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden.

“Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand kwaad, en woont in ’t bosch...”

“Wat is er meer in ’t dorp gebeurd sinds wij ’t verlaten hebben? Ik weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen alférez hebben.”

“Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!” mompelde Capitán Basilio, terwijl hij aan ’t verleden dacht. “Je zult ’s zien: den dag volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood, en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook al gestorven, en dien hebben ze op ’t Chineesche kerkhof begraven.”

“Arme Don Anastasio!” zuchtte Don Filipo. “En zijn boeken?”

“Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero’s werken... en de gobernadorcillo deed niets om het te beletten.”

Beiden zwegen.

Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der krankzinnige.

“Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?” vroeg Iday aan Sinang.

“Ik weet het niet,” antwoordde deze. “Ik heb een brief van haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van ’t te vernemen. Arme Crisóstomo!”

“Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat Capitán Tiago niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?” merkte Victoria op.

Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het plein, waar de zang van Sisa te hooren was. ’t Was Basilio. Het kind had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen, kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in ’t dorp ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord.

Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in ’t dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen, en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen.

De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den nieuwen alférez. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch ’t was niet de Medusa, ’t was een jonge vrouw: alférez en ongelukkig getrouwd is niet hetzelfde.

Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de kazerne te komen.

De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen.

Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten.

“Kijk ’s hoe die jongen de krankzinnige naloopt!” riep een dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit.

En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen op, en wierp dien naar hem toe.

“Daar, pak aan!” riep ze. “Hoe jammer dat de hond vastligt.”

Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer.

Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een groote afstand scheidde haar van haar vervolger.

“Moeder,” riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep.

De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard te loopen.

“Moeder, ik ben ’t!” riep de knaap wanhopig.

De krankzinnige hoorde ’t niet. De zoon volgde hijgend.

De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de nabijheid van ’t bosch.

Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was het geheimzinnige bosch van Ibarra’s familie.

De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen, die de geliefde gestalte volgden.

Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen, drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze te verwijderen.

Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den ouden Spanjaard aan den voet van den baliti-boom afsloot.

Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend.

“Moeder, ik ben ’t, ik ben ’t, ik ben Basilio, uw zoon!” kreet de uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte.

Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende, bood ze een krachtigen tegenstand.

Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren, maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen, en zag een tak van de noodlottige baliti, die over dien van een anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de baliti, en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur dichthield.

Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa’s aandacht. Ze keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch daarna verloor hij ’t bewustzijn.

Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in ’t gelaat, en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden knaap, hem kussend en omhelzend.

Moeder en zoon bleven roerloos liggen.

Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in ’t minst, haar oogen bleven gesloten.

Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart, maar de magere, dorre boezem was koud, en ’t hart klopte niet meer. Hij deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter.

De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels.

De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve schoot van ’t gezin het feest der zoetste herinneringen vieren, het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht, die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt, verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden: hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er:

La Nochebuena se viene,

De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief, zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De onbekende vroeg hem zacht:

“Ben je haar zoon?”

De jongen knikte.

“Wat denk je te doen?”

“Haar begraven!”

“Op ’t kerkhof?”

“Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan.”

“Wat dan?...”

“Als u me zou willen helpen...”

“Ik ben erg zwak,” antwoordde de onbekende, die zich allengs op den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den grond. “Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?”

De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat van den knaap gade.

“Luister!” hervatte hij met zwakker stem. “Ik zal ook dood zijn voordat het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan...”

Basilio luisterde.

“Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!...”

De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan.

“Ga ’t brandhout zoeken...ik wil je helpen.”

Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar ’t oosten, en prevelde, als bad hij:

“Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!”

Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed, daarna boog hij ’t hoofd, en zakte langzaam ineen...

Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de batalan—het erf—van haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis te gaan. De vrome vrouw keek naar ’t naburig bosch en zag daar een dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige verontwaardiging, riep ze uit:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings