DERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
HET ROEIEN.
§ 1. Algemeene opmerkingen.

Geen lichaamsbeweging is er bijna, die zoozeer aanspraak kan maken op de goede eigenschap van 't aangename aan 't nuttige te verbinden, als 't roeien. Wat is heerlijker dan op een schoonen zomeravond over den gladden waterspiegel heen te glijden, en na een snikheeten Julidag te luisteren naar het geplas der riemen in het frissche water? Wat is gezelliger dan een roeitochtje, waarbij men onder eene frissche, gezonde beweging nieuwe streken doortrekt, vreemde dorpen en steden bezoekt?
Groot is daarom 't aantal van hen, die in eene boot hebben plaats genomen om dat genoegen te smaken, en die op dien grond beweren te kunnen roeien. Hoe weinigen zijn er echter onder hen, die beseffen hoe ingewikkeld en moeilijk deze lichaamsbeweging is, wanneer men er zich op toelegt om haar correct uit te voeren, wanneer men haar als een sport beschouwt!
Het is waar, 't is het lot van de meeste lichaamsbewegingen om aldus behandeld te worden. De overgroote meerderheid stelt zich al heel spoedig tevreden, en getroost zich de moeite niet om haar in den grond te leeren. Maar het sterkst doet zich dit voor bij 't roeien.
Wil men leeren paardrijden, men neemt dan ten minste toch eenige lessen; gaat men leeren schaatsenrijden, de moeielijkheden doen zich dan vaak in 't begin pijnlijk gevoelen; zoo is 't ook met 't schermen, 't zwemmen en zoo vele andere lichaamsoefeningen.
Maar met 't roeien? Wel, men gaat met een vriend, die evenmin ooit een riem in zijne handen heeft gehad, in eene tweeriemsboot zitten; de eerste slagen gaan dan wel minder goed, maar spoedig toch begint het er wat meer naar te gelijken, de riemen komen wat meer gelijk in 't water, en heeft men bovendien leeren scheren, dan kan men roeien. Zoo is men in twee middagen een roeier.
Wij behoeven zeker niet te zeggen, hoe dwaas het is dit te meenen; maar toch met hoeveel menschen gaat het niet op deze wijze!
Het roeien is schijnbaar een zeer gemakkelijke beweging, omdat het zoo weinig moeite kost een vaartuig over 't water te doen glijden; maar tracht men met een minimum inspanning de grootst mogelijke snelheid te verkrijgen, dan eerst wordt het een sport, en wel een edele sport, omdat het een zeer groot aantal spieren in beweging brengt, en het lichaam harmonisch ontwikkelt. Het aanleeren van dezen sport, aldus beschouwd, kost veel moeite en eenigen tijd; en het is vooral zaak al dadelijk onder leiding te komen en niet te trachten het zich zelf te leeren, want allicht neemt men fouten aan, die later moeilijk afgeleerd worden.
Een goede stijl wordt genoemd die methode van roeien, die de grootste resultaten voortbrengt, d. w. z. die met de minst mogelijke inspanning de grootst mogelijke snelheid doet verkrijgen. Bij het opsporen naar deze beste methode heeft men geput uit de kennis der spieren, en uit de natuurkunde; maar de ervaring, de praktijk is hier de voornaamste leermeesteres. Het spreekt van zelf, dat deze opsporing niet overal dezelfde resultaten heeft gegeven. Ook bij 't roeien heeft men verschillende meeningen, verschillende theoriën. Maar omtrent een groot aantal punten, omtrent de hoofdzaken is men het ééns.
Bij 't onderzoek naar de vereischten voor een goeden stijl, heeft men zich laten leiden door dit beginsel, dat de krachtsinspanning zooveel mogelijk over het geheele lichaam moet verdeeld worden.
Gemakkelijk is 't te begrijpen waarom. Werken slechts weinige spieren, dan drukt 't geheele gewicht van den arbeid op deze, en zij zullen niet alleen het niet zoo lang volhouden, maar er zal ook lang niet zooveel kracht ontwikkeld kunnen worden, als wanneer 't werk door een groot aantal spieren verricht wordt. Verdeeling van den arbeid dus, en wel naar de juiste maat; elke spier drage bij naar zijne krachten!
Wij zullen trachten naar ons vermogen uiteen te zetten hoe men een eerstbeginnende de hoofdbeginselen van 't roeien leert, voor welke fouten hij zich vooral moet hoeden, en welke eischen men aan een goeden stijl mag stellen.
Maar vooraf nog een raad. Laat hij, die wil leeren roeien, eerst leeren zwemmen, zoo hij deze kunst nog niet verstaat. Want hoewel niet dikwijls, zoo gebeurt 't toch soms, dat de boot omslaat, en dit gevaar bestaat vooral in ons land, waar men veel ruw water vindt. Aan hem, die op 't IJ of op de groote rivieren in ons land roeit, is deze raad in de eerste plaats gegeven, maar ook aan hem, die door de ligging van de plaats, waar zijne roeivereeniging gevestigd is, minder in de gelegenheid verkeert om zich op ruw water te begeven. Er zijn voorbeelden van 't verdrinken van een groot deel der bemanning door 't omslaan van de boot.
§ 2. De eerste beginselen van de roeikunst.
Om iemand het roeien te leeren, is het raadzaam hem te plaatsen in eene zware tweeriemsgiek met vaste banken. De onderwijzer gaat op den stuurbank zitten, als slag neemt een geoefenden roeier plaats in de boot, terwijl de leerling den boegriem in handen krijgt. Deze methode heeft het voordeel, dat de leerling tegelijk dat hem de lessen worden gegeven, de toepassing ervan kan zien; de noodige wenken worden hem gegeven, de fouten worden hem aangewezen door den stuurman, terwijl hij een voorbeeld vóór zich heeft in den slag, die hem de verschillende bewegingen vóórdoet, en dien hij tracht na te volgen.
Het eerste wat de leerling moet leeren is de houding in de boot. Hij plaatst zich midden op het aan den bank bevestigd matje. Dit matje moet op zoodanige wijze om den bank worden gebonden, dat men vlak bij het boord zit zonder het nochtans met zijn dijen aan te raken.
De voeten worden stevig tegen het spoorplankje aangedrukt, na ze onder de voetriemen te hebben geschoven. Daarvoor is het noodig, dat het spoorplankje niet te ver verwijderd is, maar juist zóóver, dat de beenen niet geheel gestrekt kunnen worden, en de knieën nog iets gebogen zijn. Vooral op dit laatste moet de onderwijzer letten, daar ieder eerstbeginnende de neiging heeft, om het spoorplankje zoover mogelijk van zich af te zetten, ten einde bij het scheren minder last van zijne knieën te hebben. Toch is 't noodzakelijk voor een stevigen zit en voor een veerkrachtigen slag, dat de voeten stevig tegen den spoorplank aangedrukt worden, hetgeen alleen mogelijk is wanneer de beenen niet geheel gestrekt zijn.
De hielen worden tegen elkander gedrukt en de voeten waaiervormig uitgespreid. De beenen worden evenwijdig met de bootskiel gestrekt.
Het bovenlijf wordt volkomen rechtop gehouden, beide schouders op gelijke hoogte, en vooral niet naar één kant overhellend; 't gezicht en de borst gekeerd naar den achtersteven, met geen der zijden vooruit.
De borst wordt naar boven gewelfd, en de schouders iets naar beneden achterwaarts gedrukt, maar zonder overdrijving, zonder zoogenaamden knip of deuk in den rug. Het doel moet zijn om de longen en het hart zooveel mogelijk ruim en onbekneld te laten werken, zonder toch eene gewrongen houding aan te nemen. Hoe meer ongedwongen, hoe vrijer en gemakkelijker men zit, hoe beter; want daardoor wordt de werking der spieren zuiverder, en kan er meer kracht ontwikkeld worden.

Verkeerde greep. Fig. 5.

Juiste greep. Fig. 6.
Na de houding moet de leerling leeren zijn riem vast te houden. Onwillekeurig zal hij bij 't roeien wanneer hij eenige kracht wil zetten, zijn riem stevig omknellen, zelfs knijpen. (Zie fig. 5.) Dit nu is niets anders dan verspilling van krachten, want daardoor worden de spieren, nl. die van den benedenarm, gespannen en vermoeid, zonder er eenig grooter resultaat mede te verkrijgen. De handen moeten slechts dienen als middel om den riem te verbinden aan het lichaam; hoe losser dus de riem vastgehouden wordt, hoe beter, en daartoe buige men slechts de twee uiterste leden der vingers, waardoor er als 't ware een haak gevormd wordt, die zich om den riem slaat; (zie fig. 6) de duim wordt onder den riem gehouden en ook slechts met 't uiterste lid er tegen aangedrukt. De polsgewrichten mogen volstrekt niet naar beneden gebogen worden, want daardoor worden juist de spieren van den benedenarm ingespannen, hetgeen van geen nut is, en daarom streng verboden moet worden. Het doel moet immers zijn geen spier in te spannen, zonder daaruit eenig aan de krachtsinspanning evenredig resultaat te verkrijgen. De hand moet dus zóó gehouden worden, dat zij met den arm één rechte lijn vormt.
De buitenhand houdt men geheel aan 't einde van den riem, de binnenhand ongeveer 1 d.M. er van af. Daar men met de buitenhand verder moet reiken, zoo moet deze nog losser om den riem geslagen zijn dan de binnenhand.
Nu gaat de leerling slagklaar liggen, d. i. hij strekt 't lichaam flink vooruit, zonder nochtans den rug te krommen, of de schouders te veel naar voren te brengen, waardoor zijn hoofd zich als 't ware daartusschen verbergt; maar toch moet dit ongedwongen geschieden. Deze houding is voor den eerstbeginnende zeer lastig te leeren, want hij zal allicht in één van twee uitersten vervallen, òf zijn rug krommen en de schouders te veel naar voren brengen, òf stijf blijven zitten en zelfs een deuk, een holte in zijn rug maken.
Maar na eenige oefening zal het hem gelukken de middelmaat te vinden, waarbij hij zijn borst vrij laat zonder zijn spieren geweld aan te doen.
De armen worden volkomen gestrekt, 't lichaam evenwijdig met de kiel naar den achtersteven gericht, niet naar binnen gebogen, en zonder dat de buitenzijde méér naar voren komt.
Nu wordt het tijd den leerling de verschillende bewegingen, die gezamenlijk 't roeien vormen, te leeren. Is hij slagklaar, dan wordt eerst 't blad van den riem juist verticaal in 't water gelaten, door de handen even op te lichten. Een punt van groot belang is dat de stand van 't blad juist verticaal is; noch de holle, noch de bolle zijde mag eenigszins naar boven gekeerd zijn; in 't eerste geval zou 't blad, bij 't maken van den slag, dadelijk in de diepte verdwijnen, zonder veel tegenstand van 't water te ondervinden, en dus in een gedeelte van den slag niet de voortstuwende kracht op de boot uitgeoefend worden, terwijl het bovendien moeite kost om den riem van uit de diepte weer uit 't water te brengen; in het tweede geval zou 't blad niet dadelijk geheel in 't water gaan, maar gedeeltelijk er boven blijven rusten, ja, soms zal het eerste gedeelte van den slag daardoor in de lucht gemaakt worden. Opdat het blad zuiver verticaal in 't water gehouden wordt, is het noodig dat de riem goed gevormd en niet gedraaid, het stootleer juist aangebracht is, en de trekdol niet scheef achterover staat. Het is zelfs wenschelijk, dat de afstand tusschen de dollen van boven kleiner is dan onderaan.
Ook noodzakelijk is het, dat niets meer maar ook niets minder dan het blad onder water wordt gestoken. Komt een gedeelte van den steel ook onder water, dan zal grooter moeite ontstaan om den riem uit 't water te lichten, zonder dat de voortstuwende kracht grooter wordt, want de dunne steel ondervindt bijna geen weerstand van 't water; laat men echter een gedeelte van het blad boven water, dan zal de weerstand van 't water aanmerkelijk kleiner worden en daarmede ook de voortstuwende kracht.
Nu wordt 't blad van den riem in rechte lijn in horizontale richting gelijkmatig door 't water getrokken, door met 't lichaam kalm achterover te zwaaien. De armen worden daarbij volkomen gestrekt gehouden, zoodat de kracht wordt uitgeoefend door de spieren van den rug. Eerst op 't einde van den slag, wanneer 't lichaam zijn zwaai volbracht heeft, worden de armen gebogen, en de riem tot aan den buik of de borst doorgetrokken. Men zorge hierbij steeds den rug niet te krommen, en op 't einde van den slag zelfs de schouders achterwaarts neder te drukken. Het blad van den riem wordt, zooals wij reeds zeiden, gedurende den geheelen slag op gelijke hoogte onder het water gehouden tot op het einde toe.
Is de slag gemaakt, dan is 't noodig, ten einde een nieuwen slag te beginnen, dat 't lichaam opnieuw naar voren gebogen en de armen gestrekt worden.
Om de verschillende bewegingen van 't roeien zuiver te leeren maken, is het noodig, dat ze in het begin langzaam en kalm uitgevoerd worden. Door ze dadelijk snel en vlug te willen maken, leert men fouten aan.
Dus men ligt met 't lichaam iets achterover en 't handvat van den riem tegen den buik of den borst gedrukt. Nu wordt 't blad uit 't water gelicht door eene kleine drukking van de handen op den riem ('t scheren moet niet dadelijk geleerd worden, maar eerst nadat de leerling de bewegingen van 't roeien reeds eenigszins begint te begrijpen, en zich wat thuis begint te gevoelen in de boot), daarna worden de armen in ééns gestrekt, en 't lichaam vooruit gebracht.
Deze tweeledige beweging wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: men begint de armen te strekken, vóórdat de voorwaartsche beweging van 't lichaam wordt gemaakt, en wel omdat: 1º. men veel meer moeite heeft de beweging te maken met gebogen armen, dan met gestrekte; ten bewijze hiervan beproeve men een zwaar voorwerp of een persoon weg te duwen met gebogen armen, en daarna met gestrekte; dan zal men bemerken dat 't laatste veel minder inspanning kost; 2º. omdat, wanneer de armen niet dadelijk gestrekt worden, de knieën in den weg zitten, vooral op sliding-seats; maar ook op vaste banken, omdat ook hier de knieën zich bij de voorover strekkende beweging van 't lichaam iets opheffen; 3º. omdat, wanneer de voorwaartsche beweging wordt gemaakt met gebogen armen, 't lichaam zich noodzakelijk over den riem moet heenbuigen, en de borst wordt ingetrokken; 4º. omdat anders de voorwaartsche beweging op 't einde niet langzaam uitloopt, zooals behoort, maar juist op 't laatst de grootste snelheid verkrijgt, zoodat zij met een schok moet eindigen.
Wanneer deze beweging is volbracht, laat men het blad van den riem weer dadelijk in 't water, zooals hierboven is aangeduid, en begint op 't zelfde oogenblik te trekken, niet met een ruk, maar toch met kracht, en met evenveel kracht trekt men den geheelen slag door.
Zoo maakt 't lichaam een slingerende beweging, evenwijdig met de kiel van de boot, zonder bij 't einde van den voorwaartschen of achterwaartschen zwaai te rusten. Zoodra de slag geëindigd is, wordt de riem in één beweging uit 't water gelicht en naar achteren gebracht, en ook zoodra hij zijn vlucht boven 't water volbracht heeft, weer dadelijk in één beweging ondergedompeld en door het water heengehaald. Er mag geen stilstand in de beweging van den riem zichtbaar zijn, ja, schijnbaar moet alles in één onafgebroken loop doorgaan.
Eerst na de eerste lessen komt 't scheren aan de beurt. Dit is het naar achteren zwaaien van den riem met 't blad in horizontale houding. De moeilijkheid bestaat in 't platdraaien van 't blad. Dit moet op de volgende wijze geschieden: Nadat de slag geheel volbracht is, brengt men eerst eene drukking met de vingers op 't handvat van den riem teweeg, en vlak daarna drukt men er den palm van de hand tegen, waardoor de riem van zelf omgedraaid wordt en tegelijk het blad zijn vlucht over het water begint. Dit moet noodzakelijk in de aangegeven volgorde geschieden. Drukt men eerst den palm van de hand tegen den riem, dan zal 't blad zich noodwendig onder water omkeeren, en men „vangt een snoek.“ Worden beide bewegingen tegelijk uitgevoerd, dan zal de onderkant van het blad nog even de gelegenheid hebben wat water mede te nemen en door de omdraaiende beweging een straaltje in de hoogte te werpen. Dit laatste is niet zoo gemakkelijk te vermijden, en zelfs oudere en meer geoefende roeiers ziet men het dikwijls doen.
Men moet deze fout echter wel onderscheiden van eene andere veel grootere fout, n.l. het naar achter weg werpen van water. Terwijl het eerste een gevolg is van incorrect platdraaien van 't blad van den riem, is het laatste 't gevolg van een geheel verkeerde houding van den riem gedurende 't laatste gedeelte van den slag. Het blad van den riem wordt dan gedurende den slag reeds een weinig omgedraaid, zoo dat het niet geheel verticaal meer is, daarbij worden de handen niet in één rechten lijn naar den borst getrokken, maar in een boog naar beneden gedrukt. Zoo wordt met 't blad van den riem een kolom water mede opgelicht, en door 't laatste gedeelte van den slag weggeworpen. Dat dit tot de grootste fouten in 't roeien behoort, is duidelijk, want door 't naar beneden drukken van den riem worden krachten aangewend niet in horizontale richting, maar om de boot in 't water neer te drukken; bovendien gaat 't laatste gedeelte (hoe klein ook) van den slag in de lucht verloren. Nadat de leerling eenigen tijd op vaste banken heeft geroeid, en hij zich aangewend heeft bij het begin van den slag zijn lichaam flink vooruit te strekken, en bij het einde goed achterover te vallen, en de slingerende beweging van het bovenlijf zonder schokken of stooten uit te voeren, dan wordt het eerst tijd hem op sliding-seats te doen plaats nemen. Hier wordt de beweging meer gecompliceerd, daar nu de werking der beenen grooter is dan op vaste banken. Telkens wanneer de slag geëindigd is en 't lichaam vooruitgestrekt wordt, moet ook 't bankje naar voren gebracht worden. Dit laatste mag echter volstrekt niet met geweld gedaan worden. Door de voorwaartsche strekking van armen en lichaam wordt de stoot gegeven, waardoor 't bankje als 't ware van zelf naar voren glijdt. Daarmee willen wij niet zeggen, dat 't vooruitbrengen van 't lichaam met een schok moet geschieden, maar eerst armen en bovenlijf, en dan volgt de sliding-seat gemakkelijk en als van zelf. Doet men dit niet op deze wijze, dan zullen de spieren, die langs het scheenbeen loopen, spoedig vermoeid worden, en de boot zal eene stootende beweging verkrijgen.
Op 't oogenblik dat 't bankje naar voren is gebracht, moet ook 't lichaam voorover gestrekt zijn, en op datzelfde oogenblik wordt het blad weer in 't water gestoken en een nieuwe slag begonnen. Op de wijze, waarop men met de beenen de sliding-seat naar achteren afzet, in verband met de achteroverstrekkende beweging van 't lichaam, komen wij later terug. Eerstbeginnenden is het vooral zaak op het hart te drukken, ook hierbij geen rukken of stooten te geven, maar gelijkmatig en veerkrachtig alle bewegingen van 't roeien uit te voeren.
Wij gelooven dat het, om 't juist gebruik van de sliding te leeren, den beginner aan te raden is om in 't eerst niet de geheele lengte ervan af te loopen, maar langzamerhand telkens een grooter stuk ervan te gebruiken.
Wij behoeven bijna niet te zeggen, dat het van 't grootste gewicht is, dat de leden van een ploeg goed maat houden, dat zij allen op 't zelfde oogenblik hun riem in 't water steken en kracht zetten, en ook op 't zelfde tijdstip hem er weer uit lichten en beginnen te scheren. Wordt dit niet gedaan, dan zal 't totaal van de uitgeoefende kracht versnipperd worden, en de boot nu eens naar bakboord- dan weer naar stuurboordzijde overgetrokken worden, terwijl bovendien eene schommelende beweging van de boot, 't gevolg van ongelijk roeien, niet alleen lastig is voor de roeiers, maar ook eene wrijving veroorzaakt met 't water, die den gang van de boot tegenhoudt.
In dit hoofdstuk hebben wij gesproken van het „snoek vangen.“ Dit gebeurt òf wanneer men den riem na 't eindigen van den slag niet tijdig uit 't water kan lichten, òf wanneer men bij 't scheren, in plaats van 't blad over de oppervlakte van 't water te laten gaan, het ontijdig in zijne platgedraaide houding weer in 't water doet vliegen. Het eerste geval komt voor, wanneer de riem niet verticaal, maar scheef in 't water wordt gestoken, zoodat hij in de diepte verdwijnt; of wanneer men 't blad platdraait, vóórdat het uit 't water is gelicht. In beide gevallen zal de boot een schok krijgen, en zoo de riem niet dadelijk uit de dollen wordt gelicht, zullen deze noodwendig moeten breken. Daarom, roeier, wanneer 't ongeluk van een snoek te vangen u overkomt, hef dan dadelijk 't handvat van den riem met beide handen op, zoodat hij uit de dollen gelicht wordt, en door den vaart over 't water langs den achtersteven van de boot komt te glijden. Dadelijk daarna wordt 't blad van den riem op 't water rustende met eenige kracht naar achteren geslingerd, en op deze wijze wordt het met leer bedekte gedeelte weer in de dollen gebracht.
Na de beginselen van 't roeien leert men met de boot te manoevreeren. Plotseling kan zich iets voor den boeg opdoen, dat de stuurman eerst laat ontdekt; dan is 't zaak de boot dadelijk tot stilstand te brengen, ten einde eene botsing te voorkomen. Of men heeft zich in een nauw vaarwater begeven, waarin 't wenden onmogelijk is, en de weg wordt versperd. In het eerste geval moet men kunnen stoppen, in het tweede strijken.
Het stoppen geschiedt aldus: met gestrekte armen en 't lichaam iets voorover gestrekt brenge men 't blad van den riem bijna horizontaal, maar met de holle zijde iets naar den boeg gericht, in 't water, en draaie dan langzamerhand den riem om, totdat de holle zijde geheel naar den voorsteven gekeerd is. Daarbij zorge men echter niet op het handvat van den riem te drukken, want daardoor wordt het boord naar beneden gedrukt.
De bewegingen van het strijken zijn juist de tegenovergestelde van die van het ophalen of trekken. Achterover zittende brenge men den riem, met de holle zijde van 't blad naar den boeg gekeerd, in 't water, strekke de armen en bewege 't lichaam voorwaarts, zoodat het blad door 't water geduwd wordt; na 't einde van den slag drukke men den riem iets neer en draaie hem plat, schere het blad over 't water door 't lichaam achteruit te brengen en de handen tegen de borst te trekken, en beginne een nieuwen slag. Ook deze beweging geschiedt gelijkmatig, terwijl slechts 't blad van den riem onder water mag gehouden worden. Bij 't wenden, wanneer het ééne boord ophaalt en het andere strijkt, moeten ook de riemen gelijktijdig in 't water komen, en daarbij richten zich de strijkende roeiers naar de trekkende.
§ 3. Nadere behandeling van sommige punten.
Wij stellen ons voor eenige momenten in de beweging van 't roeien uitvoeriger te bespreken, enkele, omdat daaraan veel gewicht moet gehecht worden, andere, omdat daarin de meeste fouten voorkomen, weer andere, omdat daaromtrent de meeningen zeer uiteenloopen.
De correcte uitvoering van de bewegingen is dáárom niet alleen wenschelijk, omdat 't begaan van een fout ten gevolge heeft verspilling van krachten of verkeerde krachtsaanwending, maar ook omdat één fout gewoonlijk andere na zich sleept. Het scheef inzetten b.v. van het blad van den riem maakt niet alleen dat het eerste deel van den slag verloren gaat, maar bovendien wordt het lastiger den riem van uit de diepte weer uit 't water te lichten, en dit belemmert de snelle voortwaartsche beweging van 't lichaam; de roeier komt daardoor uit de maat, en om gelijk te blijven is hij genoodzaakt zijn lichaam minder voorover te strekken en dus zijn slag korter te maken.
Indien het blad van den riem niet gedurende den geheelen slag onder water gehouden wordt, maar bij het einde half uit 't water gelicht, dan zal niet alleen de op de boot werkende voortstuwende kracht verminderd worden, maar bovendien door den minderen weerstand van 't water tegen het blad, de slag spoediger geëindigd zijn dan bij de andere roeiers 't geval is, wanneer door allen dezelfde kracht wordt aangewend; zoo zal dus ook hier de maat verbroken zijn, en de voorwaartsche beweging langzamer moeten zijn om zich als 't ware te laten inhalen, en bij 't begin van den slag weer gelijk te zijn.
Vooral zullen eene massa fouten voortkomen uit het verkeerd gebruik maken van de armen op het einde van den slag. Zooals men weet, moet op het einde van den slag, wanneer het lichaam zijne achterwaartsche beweging gemaakt heeft, de riem tot de borst worden doorgetrokken. Dit geschiedt natuurlijk door de buiging der armen, maar daarom volstrekt nog niet door de samentrekking van den biceps. Integendeel, de biceps blijft nagenoeg werkeloos, en de beweging wordt uitgevoerd door de spieren, die de schouderbladen verbinden met den bovenarm, en de spieren, die aan de achterzijde van den bovenarm liggen. Om zich een denkbeeld te vormen van de werking dier spieren, stelle men zich voor dat men met den elleboog een voorwerp achterwaarts duwt door den bovenarm iets voorbij 't lichaam naar achteren te brengen, of dat men een achter zich staanden persoon met den elleboog een stomp geeft. Dezelfde spieren, die dan in werking komen, gebruikt men ook bij het roeien, de bovenarmen worden aangehaald, totdat zij langs en evenwijdig met 't lichaam komen te hangen, de benedenarmen dienen hierbij slechts als eene verbinding van den riem met de bovenarmen; anders uitgedrukt, de hoek bij den elleboog wordt eenvoudig gemaakt door den bovenarm achterwaarts te trekken, niet door den benedenarm naar zich toe te halen, hetgeen door den biceps geschiedt. (Zie fig. 7).

Fig. 7.
Buigt men de armen door de samentrekking van den biceps, dan moeten noodzakelijk de ellebogen zijwaarts opgeheven worden, want anders zou de riem naar den hals en dus veel te hoog opgetrokken worden. Brengt men daarentegen den riem naar 't lichaam door de werking van de spieren over de schouderbladen en aan den achterkant van den bovenarm, dan komen de armen langs het lichaam, met de ellebogen naar beneden gericht.
Men behoeft dus niets anders te doen dan de armen langs het lichaam aan te trekken, om de aangewezen spieren te laten werken, en een krachtig einde van den slag te maken.

Fig. 8.
Doet men dit niet, trekt men door de kracht van den biceps den riem tot de borst, en houdt men bijgevolg de ellebogen zijwaarts opgeheven, zooals in fig. 8 is afgebeeld, dan zal 't einde van den slag niet alleen veel zwakker zijn, maar, en hiervan zijn wij uitgegaan, deze fout zal talrijke andere fouten na zich slepen.
In de eerste plaats zal de borst ingedrukt en de rug gekromd worden op 't einde van den slag, juist op 't oogenblik dat de borst 't meest moet gewelfd worden. Men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen door een niet al te zwakken armstrong te nemen, dien met het ééne einde ergens aan te bevestigen, en met beide handen aan het andere einde den armstrong uit te rekken door de armen, met de ellebogen zijwaarts opgeheven, te buigen. Men zal dan duidelijk kunnen bemerken dat de borst eene sterke neiging heeft zich in te trekken. Voert men echter dezelfde beweging uit met omlaag gehouden ellebogen, dan zal de borst zich gemakkelijk en als van zelf opheffen.
Een tweede gevolg van de aangewezen fout is eene langzame en aarzelende strekking van de armen na 't uit 't water halen van den riem. Wanneer de armen zijwaarts worden gebogen, dan vormen zij bij den elleboog een scherper hoek, dan wanneer ze langs het lijf worden aangetrokken; en hoe meer de armen zijn gebogen, hoe scherper hoek zij dus maken, des te moeilijker wordt ook de strekkende beweging. Deze zal dus langzamer zijn, en om den verloren tijd in te halen moet de voorwaartsche beweging in 't volgend oogenblik en op 't einde sneller zijn, waardoor schokken gegeven worden en de beweging de vereischte gelijkmatigheid en veerkracht verliest; of, en dit is even verkeerd, de armen worden niet in ééns gestrekt, en daarna eerst 't lichaam voorover gebracht, maar beide bewegingen beginnen gelijktijdig, zoodat het lichaam zich over den riem heenbuigt; wij hebben boven aangeduid, waarom dit verkeerd is.
Eene andere fout die op 't einde van den slag bedreven wordt en zeer veel voorkomt, is dat de roeier het lichaam tegen den riem optrekt, in plaats van den riem tot de borst door te halen. Dat hierdoor de slag aanmerkelijk korter wordt, springt in het oog, maar toch zal degene, die die fout begaat, dit zelf niet zoo spoedig inzien. Hij vormt zich de illusie een even langen slag te maken als de anderen, daar hij toch even ver zijn lichaam vooruitstrekt en achteroverzwaait als dezen, en verwondert zich dan, dat hij eerder „klaar“ is, maar bedenkt niet, dat hij wel zijn lichaam evenver achterover zwaait, maar vóórdat de slag nog geëindigd is, reeds weer aan den riem optrekt.
Deze fout is gewoonlijk een gevolg van overhaasting, of, om 't zoo uit te drukken, van de begeerte om zoo spoedig mogelijk weer een nieuwen slag te beginnen.
Een ander gevolg van die overhaasting is te groote inspanning van de beenspieren, voornamelijk die naast het scheenbeen loopen, bij 't naar voren komen. Hierboven is aangewezen in welke volgorde de bewegingen van armen, bovenlijf en beenen moeten uitgevoerd worden. Natuurlijk worden ze niet elk afzonderlijk uitgevoerd, ze vloeien in elkaar, maar de ééne moet vóór de andere begonnen worden. Hij die 't eerst of gelijktijdig met de voorwaartsche beweging van 't bovenlijf zijne beenen aantrekt, loopt kans deze laatste te overspannen.
Wij gaan nu over tot 't belangrijkste moment in de beweging van 't roeien, tot 't begin van den slag. Het is best mogelijk dat iemand al de opgenoemde vereischten voor een goeden stijl in zich vereenigt, dat hij eene goede houding heeft, zijn riem op de juiste hoogte in 't water houdt, de voorwaartsche beweging van 't lichaam correct uitvoert, en dat hij toch als roeier weinig beteekent, omdat hij in 't begin van den slag geen kracht zet, en, om zoo te zeggen, den riem een eind door 't water laat drijven, vóórdat hij er aan begint te trekken. Hij heeft de hoedanigheid verkregen om zijne krachten op de meest spaarzame wijze te gebruiken, en zoo weinig mogelijk te verspillen, maar hij wendt ze niet op het juiste oogenblik aan.
Het is daarom van het hoogste gewicht dat men al dadelijk leert op hetzelfde oogenblik, dat 't blad in het water komt, zijne volle kracht aan den riem te brengen. Men moet doen, alsof, zoodra 't blad in 't water komt, 't bankje van onder zich verdwijnt, en de eenige steunpunten voor 't lichaam zijn 't spoorplankje en 't handvat van den riem, aan welk laatste men blijft hangen. Die juiste en bliksemsnelle krachtsaanwending wordt door de Engelschen van zóóveel gewicht geacht, dat zij legio termen hebben om het denkbeeld uit te drukken: „Catch the water, do all the work at the beginning, lift at the beginning“, en nog verscheidene andere. Dus tegelijk dat de voorwaartsche beweging is geëindigd, worden de handen iets opgelicht, zoodat de riem den vereischten steun in 't water heeft, en men hangt dan aan den riem en drukt de voeten stevig tegen den spoorplank.
De reden waarom juist in 't begin van den slag de volle kracht gebruikt moet worden, is deze: na afloop van elken slag vermindert telkens de vaart van de boot, omdat elk licht vaartuig weinig vaart houdt zoodra de voortstuwende kracht opgehouden heeft te werken, en bovendien omdat door de voorwaartsche beweging van de lichamen of liever door de drukking van den riem op den strijkdol de gang gestremd wordt. Dus telkens wanneer men een slag begint, heeft de boot zijne minste vaart; op dat oogenblik heeft men den meesten „vat“ op 't water. Brengt men eerst later zijne volle kracht in werking, dan is een sneller achterwaartsche beweging van 't lichaam noodig om een even krachtigen druk op 't water uit te oefenen.
Daarom, maak gebruik van 't oogenblik waarop gij den meesten steun in 't water hebt, waarop gij door een betrekkelijk langzame beweging groote kracht kunt uitoefenen.
Het vereischt eene ernstige oefening om op 't juiste oogenblik op ééns zijne volle kracht aan te wenden, zonder toch een ruk te geven.
Velerlei zijn daarom de fouten, die omtrent dit punt worden aangetroffen. Er zijn er, die, zooals wij reeds aanmerkten, eerst nadat de riem eenigen tijd in 't water is, hunne volle kracht gebruiken.
Anderen beginnen den slag goed, verslappen echter spoedig en eindigen zwak.
Weer anderen pakken 't water goed, rusten in 't midden van den slag wat uit, en geven aan 't eind nog een flinken ruk.
Al deze manieren hebben 't groote gebrek dat zij geen volledig gebruik maken van den kostbaren tijd, dat de riem in 't water is, en de laatste methode nog bovendien dit, dat er rukken gegeven worden. Laat de roeier toch begrijpen dat door rukken geen resultaat verkregen wordt evenredig aan de krachtsinspanning. Bovenal zij hem op het hart gedrukt, om gelijkmatig den riem door 't water te halen, in 't begin van den slag reeds met volle kracht, maar zooveel mogelijk tot 't laatste toe die krachtsuitoefening voort te zetten.
De wijze waarop de roeier van zijn sliding-seat moet gebruik maken.
Wij hebben reeds in de vorige § aangewezen op welke wijze men na volbrachten slag 't handvat van den riem weer vooruit brengt om een nieuwen slag te beginnen, en daarbij als eene zaak van veel gewicht er op aangedrongen, dat de handen dadelijk en met vlugheid voor zich uitgeworpen worden, en eerst daarna de zwaai van 't lichaam en de voorwaartsche beweging van 't glijbankje moeten volgen, en wel in de volgorde waarin wij ze opnoemen om deze reden, dat het lichaam zoodra het den steun van den riem moet missen, zoo spoedig mogelijk van zijne achteroverliggende houding opgeheven moet worden, daar deze houding eene vrij groote inspanning van de buikspieren vordert.
Maar nu de trek, de eigenlijke slag: hoe moeten daarbij de bewegingen van 't lichaam en van de sliding-seat ten opzichte van elkander zijn? De armen kunnen wij hier buiten rekening laten, daar, zooals wij gezien hebben, deze eerst gebogen worden op 't einde van den slag, wanneer de overige deelen van 't lichaam hunne functiën verricht hebben.
We hebben dus alleen te maken met den zwaai van 't lichaam en met het strekken der beenen.
Daar de spieren der beenen de sterkste zijn van 't lichaam, zal de roeier er allicht toe komen, om bij 't begin van den slag de beenen in ééns en met kracht te strekken, terwijl 't bovenlijf voorover gebogen blijft, totdat 't bankje geheel naar achteren is gebracht, op welk oogenblik eerst de zwaai begint.

Fig 9.
Deze manier heeft deze twee fouten:
1º. Wordt gedurende een groot deel van den slag 't lichaam in voorovergestrekte houding gelaten, in welke de spieren van den rug met meer moeite den last zullen dragen dan wanneer 't lichaam wat achterover gestrekt was. Zelfs zal het dikwijls voorkomen, dat bij zulke plotselinge strekking der beenen, 't bovenlijf niet in staat is te volgen, maar als 't ware achterblijft, dat tengevolge daarvan de schouders naar voren komen en de rug gekromd wordt, dat dus de geheele houding van den roeier bedorven wordt.
2º. Ook dan, wanneer de goede houding bewaard blijft, werkt de langdurige vooroverliggende positie de vrije ademhaling tegen.
Victor Silberer in zijn „Handbuch des Rudersport“ is daarom eene andere methode toegedaan: „eerst het bovenlijf achterover zwaaien, en dan eerst de beenen strekken.“ Dus de beenen worden gedurende het eerste gedeelte van den slag in dezelfde stelling gehouden, de sliding-seat blijft op dezelfde plaats totdat het lichaam achterover gezwaaid is, waarna eerst de beenen gestrekt worden.

Fig. 10.
Ook deze methode heeft, naar onze meening hare gebreken, waardoor zij niet aanbevelenswaardig wordt.
1º. Zal de „catch,“ 't begin van den slag, bij deze methode, niet zóó flink, niet zóó krachtig zijn als 't behoort. Met opgetrokken, sterk gebogen beenen kunnen de spieren van den rug niet zoo krachtig werken als na eenige strekking. En in die onnatuurlijke houding met opgetrokken knieën wil men hebben, niet alleen dat 't lichaam gedurende eenigen tijd blijft, maar ook dat bovenlijf zijne geheele functie zal verrichten, totdat het zijne uiterste achteroverhangende stelling heeft ingenomen.
2º. Doet zich dit bezwaar voor, dat de beenspieren, de sterkste van het lichaam, gedurende een kort gedeelte van den slag, en nog wel op 't einde, wanneer de boot reeds weer vaart heeft, het bankje met snelheid achteruit stooten, hetgeen allicht de boot doet schokken.
Bij de eerste methode bestond dit bezwaar niet, daar in 't begin van den slag de riem den grootsten weerstand ondervindt, en dus, hoe energiek de beenen ook werken, het bankje niet met zóó groote snelheid achteruit geschoven kan worden.
Beide genoemde stelsels zijn uitersten; naar onze meening moet er eene transactie gesloten worden om de ware methode te verkrijgen.
Zoodra de slag wordt aangevangen, strekken zich de beenen niet in ééns, noch zwaait 't bovenlijf achterover terwijl de knieën opgetrokken blijven, maar beide bewegingen geschieden gelijktijdig: het bankje wordt langzamerhand achteruit geduwd, terwijl het lichaam zijn achterwaartschen zwaai maakt.

Fig. 11.
In dit stelsel wordt het lichaam niet gedwongen gedurende een groot deel van den slag in onnatuurlijke houding te blijven, daar door eene kleine strekking van de beenen de rugspieren al dadelijk gemakkelijker kunnen werken, de sterke beenspieren werken mede tot een krachtig begin van den slag, terwijl aan den anderen kant ook eene langdurige voorovergestrekte houding van het bovenlijf vermeden is. Ook wordt de gelijkmatigheid, waarmee de riem door 't water gehaald wordt, door deze methode zeer bevorderd.
Een andere kwestie van belang, waarover de meeningen nog al uiteenloopen, is de mate van snelheid waarmee de riem naar voren gebracht moet worden na 't eindigen van elken slag.
Het beginsel waarvan men uitgaat, is om zoo weinig mogelijk tijd te verliezen. Elk overtollig oogenblik dat de riem boven water doorbrengt na elken slag, heeft ten gevolge tijdverlies, en maakt dus den tijd waarin de baan afgelegd wordt langer. Vandaar dan ook, dat de riem geen oogenblik stil mag zijn, noch na 't einde van den slag, wanneer hij uit 't water gehaald is, noch vóór 't begin van den slag na zijne vlucht over 't water. Wanneer de riem slechts 1/10 seconde stil ligt b.v. na 't einde van elken slag, dan blijft hij in één minuut, wanneer 40 slagen in de minuut gemaakt worden, reeds 4 seconden werkeloos. Zoo krijgt men een denkbeeld van 't kolossale tijdverlies, dat op de geheele baan wordt geleden.
Dus in geen geval stilstand van den riem. Maar nu welke mate van snelheid? Wanneer men alleen rekening hield met het zooeven genoemd beginsel, dan zou het wenschelijk zijn om zoo snel mogelijk naar voren te komen, omdat men dan zoo weinig mogelijk tijd verliest.
Er zijn echter ook andere factoren van de snelheid van de boot, waarmee men rekening moet houden.
1º. Zooals wij reeds ter andere plaatse hebben gezegd, verliest de boot na 't einde van elken slag door de voorwaartsche beweging van 't lichaam telkens een deel van hare snelheid. Hoe sneller nu de voorwaartsche beweging van 't lichaam is, hoe grooter de kracht waarmee de gang van de boot gestremd wordt.
2º. Vordert 't naar voren brengen van 't lichaam eene groote inspanning vooral van de buikspieren. Wordt nu deze beweging zoo snel mogelijk gemaakt, dan worden genoemde spieren overmatig ingespannen, en daardoor de energie, de veerkracht van 't lichaam uitgeput, want men moet wel bedenken dat te groote inspanning van sommige spieren terugwerkt op alle deelen van 't lichaam.
Zoo moet dus ook alweer hier een middenweg hem trachten te vinden door de praktijk, waarbij men zich zal kunnen laten leiden door twee hoofdbeginselen van het roeien: 1º. Nooit mag de beweging met schokken geschieden, 2º. Geen deel van 't lichaam mag bovenmatig en buiten evenredigheid met de andere deelen ingespannen worden.
Wanneer iemand begint te leeren roeien, zal de gedurige aanmaning van zijn leermeester zijn: „flink naar voren komen en goed naar achteren vallen!“ Hoewel wij deze methode van leeren geenszins afkeuren, omdat de leerling steeds eene sterke neiging gevoelt om rechtop te blijven zitten, en slechts met de armen te werken, zoodat hij vroegtijdig moet gedwongen worden zijn bovenlijf te gebruiken, zoo zal men toch in de meeste gevallen zien dat hij na deze aanmaning in zijn ijver veel te ver achterover zwaait, en soms ook de voorover strekkende beweging overdrijft.
Tot hoever moet hij nu deze bewegingen uitstrekken?
In eene boot met vaste dollen zal de voorwaartsche strekking van het lichaam van zelf hare grens vinden in het gevaar dat de riem tusschen de dollen bekneld raakt. Men zorge dan steeds zoover naar voren te komen als maar mogelijk is, zonder in 't begin van den slag met den voorkant van den riem tegen den strijkdol aan te komen. Het is echter ook mogelijk, dat in eene boot de dollen te ver van elkaar verwijderd zijn; in dit geval en wanneer er draaiende gekozen worden, eene verzoening gezocht tusschen twee tegenstrijdige beginsels. In theorie is het moeilijk te zeggen, welke die middenweg is. Men moet zich wachten voor overdrijving van de voorwaartsche beweging. De strekking mag niet ontaarden in eene vooroverbuiging, zoodat de rug gekromd, de schouders vooruitgebracht, de borst bekneld wordt. Wij hebben het reeds meer gezegd, men moet zijn lichaam geen geweld aandoen. Het voordeel van een langeren slag weegt dan niet op tegen de groote inspanning om in die houding den riem met kracht door 't water te halen.
Ook het achterovervallen mag niet reiken over een zeker punt, van waar de roeier zich weer gemakkelijk kan oprichten. Gaat men verder, dan zal de lengte van den slag daardoor winnen, maar het hieruit verkregen voordeel ook alweer niet in evenredigheid zijn met de vermeerdering van inspanning der buik- en lendespieren, die het lichaam weer moeten opheffen.
Vaste regels zijn hier echter niet voor te geven; sommige roeiers zullen meer naar voren komen, anderen meer achterover vallen, weer anderen beide bewegingen in meerdere mate uitvoeren. Dit hangt dan grootendeels af van de gewoonte en van de oefening, waardoor zich sommige spieren meer ontwikkelen dan andere. Maar in elk geval wake men tegen overdrijving.
In nauw verband met het juist gezegde staat het aantal slagen door eene ploeg in de minuut gemaakt.
Dikwijls ziet men op wedstrijden of ook wel wanneer als oefening op tijd wordt geroeid, de toeschouwers angstvallig letten op het aantal slagen in de minuut, en dan hoort men ook veelal uit het grootere of kleinere aantal conclusies maken ten nadeele of ten gunste van de ploeg.
Meestal zijn die conclusies geheel ongemotiveerd; men kan in 't algemeen uit het aantal slagen geen gevolgtrekking maken over de kwaliteit van den roeier. Natuurlijk moet een zoogenaamde „ratelslag“ evenals een luie „zeurslag“ geen hoogen dunk geven van den roeier; dit ligt aan een gebrek in den stijl, hetzij aan overhaasting, hetzij aan langzaamheid, gemis aan veerkracht in de bewegingen. Maar het is zeer goed mogelijk dat eene bepaalde ploeg in eene zekere boot met 36 slagen in de minuut sneller roeit, dan met 38 slagen, als ook andersom.
Daarom is het zoo verkeerd, dat een trainer vooraf bepaalt met hoeveel slagen zijne ploeg moet roeien, en aanmerking maakt, wanneer ze een kalmer, langer slag aanneemt. Dit kan hij eerst beoordeelen, wanneer hij zijne ploeg goed kent, en zelfs door proeven eene zekere ondervinding omtrent haar heeft opgedaan.
Wij laten hier nog volgen eenige regels voorgeschreven door den schrijver van „The principles of Rowing and Steering“, en eenige door hem aangewezen meest voorkomende fouten.
„The requisites for a perfect stroke are:
1º. Taking the whole reach forward, and falling back gradually a little past the perpendicular, preserving the shoulders throughout square, and the chest developed at the end.
2º. Catching the water and beginning the stroke with a full tension on the arms at the instant of contact.
3º. A horizontal and dashing pull through the water immediately the blade is covered, without deepening in the space subsequently traversed.
4º. Rapid recovery after feathering by an elastic motion of the body from the hips, the arms being thrown forward perfectly straight, simultaneously with the body, and the forward motion of each ceasing at the same time.3)
5º. Lastly, equability in all the actions, preserving full strength without harsh, jerking, isolated, and uncompensated movements in any single part of the frame.
Faults in rowing.—The above laws are sinned against when the rower
1º. Does not straighten both arms before him.
2º. Catches the water with unstraightened arms or arm, and a slackened tension as its consequence; thus time may be kept, but not stroke; keeping stroke always implying uniformity of work.
3º. Rows round and deep in the middle, with hands high and blade still sunken after the first contact.
4º. Keeps one shoulder higher than the other.
5º. Doubles forward and bends over the oar at the feather, bringing the body up to the handle and not the handle up to the body.
6º. Strikes the water at an obtuse angle, or rows the first part in the air.
7º. Shivers out the feather, commencing it too soon and bringing the blade into a plane with the water while work may yet be done; thus the oar may leave the water in perfect time, but stroke is not kept. This and No. 2 are the most subtle faults in rowing, and involve the science of shirking.
8º. Rolls backward, with an inclination towards the inside or outside of the boat.
9º. Turns his elbows at the feather instead of bringing them sharp past the flanks.
10º. Throws up water instead of turning it well aft off the lower angle of the blade. A wave thus created is extremely annoying to the oar further aft; there should be no wave travelling astern, but an eddy containing two small circling swirls.“
§ 4. Het scullen.
Men zorge er voor, alvorens in eene scullingboot plaats te nemen, het roeien met één riem in den grond te kennen. En dan nog is het den beginner geraden in eene zware boot met vaste banken te beginnen, daar men in eene lichte raceboot reeds aan het bewaren van het evenwicht zoozeer zijn aandacht moet wijden, dat de beweging zelve er door op den achtergrond zou geraken.
Het is ook wenschelijk dat het materiaal vooraf door een ervaren sculler worde nagezien, want hetgeen bij het roeien in 't algemeen over 't aanleeren van fouten door slecht materiaal gezegd is (bv. verkeerde stand van de dollen, van het stootleer, enz.) geldt in nog grooter mate bij het scullen. Men lette hierbij vooral op de voldoende ruimte tusschen de dollen, want, daar de hefboom van een scull korter is dan van een riem, is de hoek door een scull met de dollen gevormd, ook scherper, waaruit volgt, dat de dollen verder van elkander moeten staan, zal de scull niet er tusschen bekneld raken.
De vereischten voor een goeden stijl in het scullen zijn dezelfde als bij het roeien met één riem. Door de hanteering van twee riemen wordt de beweging echter van zelf iets gewijzigd, want men wordt nu niet meer gedwongen met de eene hand verder te reiken dan met de andere, en zoo ook worden beide handen op 't einde van den slag even ver naar zich toe getrokken.
Een punt van onderscheid maakt de lengte van den slag uit. In eene scullingboot kan en moet de slag langer zijn dan in eene andere.
Bij de voorwaartsche beweging reeds kan de sculler iets verder reiken, daar hij zijne armen naar beide zijden voor zich uitspreidt, zoodat het lichaam recht voorover gestrekt kan blijven, terwijl de roeier, wil hij zich zoover mogelijk naar voren strekken, in dat geval genoodzaakt is zijn lichaam naar binnen te buigen en dan nog zijne armen niet recht voor de borst heeft.
Maar het is vooral in de achterwaartsche zwaai dat de sculler zijn slag veel langer kan maken.
Zoo de roeier zich te veel achterover geeft, zal het einde van den slag zeer zwak zijn, want de hefboom van zijn riem wijst naar zijn borst, en moet dus naar den binnenkant van zijn lichaam getrokken worden. Want indien het binneneinde van den riem zóó lang was, dat het handvat naar zijne borst getrokken kon worden, ook al was hij evenmin achterover gezwaaid, dan zouden al weder zijne armen buiten de richting van het lichaam vallen op het oogenblik, dat de riem een rechten hoek met het boord vormt, juist op het punt waarop de uitwerking van de ingespannen kracht het grootst is. Bij den sculler daarentegen snijden de rechts en links werkende krachten elkaar in het middenpunt der breedte van de boot, zoodat het lichaam steeds in de richting der kiel kan blijven werken, ook al is het nog zoo ver achterover gestrekt.
Eene zaak van gewicht is nog deze:
Bij het scullen is het nog meer noodig dan bij 't gewone roeien, dat de armen na het einde van den slag in eens gestrekt worden; de handen moeten bliksemsnel naar voren worden geworpen om eene aanraking met de knieën te voorkomen; voor deze aanraking bestaat nl. bij het scullen meer gevaar, daar de handen, niet op gelijke hoogte, maar de een boven de andere over de knieën worden gebracht.
Deze beweging, juist uitgevoerd, zal de schouders terugbuigen en de vrije ademhaling bevorderen.
Walter Bradford Woodgate geeft nog eene andere afwijking aan van de regels gegeven voor 't gewone roeien.
Hij zegt nl. dat een sculler op 't einde van den slag niet de sculls naar zijn lichaam moet trekken, maar 't lichaam aan de sculls optrekken, dus juist iets doen wat bij 't roeien met één riem streng verboden is.
Als redenen voor deze afwijking worden opgegeven de volgende argumenten:
1º. Bij het scullen wordt een langer slag gemaakt, het bovenlijf wordt verder achterover gezwaaid, zoodat een extra kracht noodig is om het weer op te heffen. De buik- en lendespieren zullen dus overmatig worden ingespannen, zoo zij niet ondersteund worden, doordat 't lichaam aan de riemen wordt opgetrokken.
2º. Het gewicht van het bovenlijf wordt, zoodra de sculls 't water verlaten hebben, op de lendenen overgebracht. Is nu het lichaam op dat oogenblik ver achterover gestrekt, dan zal het gewicht rusten op het voorste gedeelte van de boot, waardoor de boeg „dompt,“ 't geen de vaart vermindert. Trekt men echter 't lichaam aan de riemen op, dan zal het gewicht eerst op de boot drukken wanneer 't lichaam weer een eind voorwaarts is opgeheven, en dus niet meer zoover achterover ligt, zoodat het gewicht niet zoover vóór in de boot komt.
Niettegenstaande onze achting voor de kundigheden van den bekenden engelschen schrijver over de theorie van 't roeien, kunnen wij ons toch geenszins vereenigen met de door hem voorgestane meening.
Onzes inziens is zijn betoog niets anders dan eene cirkelredeneering.
Zij komt hierop neer: de sculler moet verder achterover zwaaien dan de roeier aan één riem; hieruit zullen twee gevolgen voortkomen:
1º. Wordt grooter krachtsinspanning vereischt om 't lichaam weer naar voren te zwaaien, 2º. 't gewicht wordt na 't einde van den slag, zoodra de riemen uit 't water gelicht worden, meer naar 't voorste gedeelte van de boot verplaatst, waardoor de boeg zal dompen.
Om nu deze beide nadeelige gevolgen te voorkomen, moet dienen de aanbevolen beweging, waarbij 't lichaam door de kracht van de armen aan de riemen wordt opgeheven, want zoo zal men de voorwaartsche zwaai vergemakkelijken, en dus krachten besparen, en tevens 't dompen der boot voorkomen.
Volkomen waar; maar men vergeet dan, dat dit alles geschiedt ten koste van de lengte van den slag, want stel dat de sculler zijn achterwaartsche zwaai maakt totdat zijn lichaam den stand heeft van a c op hierbovenstaand figuur, maar hij trekt zich op 't einde van den slag aan de riemen op, zóó dat op 't oogenblik dat zijne handen bij zijne borst komen, 't lichaam den stand a b heeft, dan wordt de slag niet doorgetrokken tot punt e, maar tot punt d.

Fig. 12.
En waartoe dient nu de achterwaartsche zwaai tot a c, wanneer de slag er toch niet langer door wordt, dan wanneer de zwaai gegaan was tot a b? Immers nergens voor; want, hetzij men zich achterover geeft tot a c, maar zich weer optrekt tot a b, hetzij men eenvoudig slechts tot a b achterover zwaait, in beide gevallen zal 't gewicht even ver naar voren in de boot verplaatst worden, en ook zullen in beide gevallen de buik- en lendespieren de voorwaartsche beweging moeten volbrengen van af a b.
De redeneering van Woodgate loopt dus in dezen cirkel:
De slag moet langer gemaakt worden van d tot e, maar om de daaruit voortvloeiende nadeelen te niet te doen, geeft hij middelen aan de hand waardoor de slag weer ingekort wordt tot d.
Is het dan niet eenvoudiger en dáárom beter, omdat de verdere zwaai achterover bespaard wordt, om slechts tot a b achterover te vallen?
Onze conclusie is dus deze: men moet zóóver het lichaam achterover zwaaien, dat de voordeelen van de meerdere lengte van den slag de nadeelen daaruit voortvloeiende nog overtreffen, en niet aan de nadeelen trachten te ontkomen door middelen die den slag feitelijk korter maken; want dit is met een omweg naar 't doel streven.
Er doen zich bij het scullen nog eenige eigenaardige moeilijkheden voor, waarmede beginners soms zwaar te kampen hebben.
1º. De sculls loopen over een afstand van 5 à 6 cM. over elkaar heen, waardoor het in 't begin moeilijk is het tegen elkaar stooten der handen te vermijden. De eene hand moet dus hooger dan de andere gehouden worden; het is geheel onverschillig welke hand men boven, welke onderaan houdt. Maar men werpe ze toch tegelijk naar voren, zoodat de sculls tegelijk in 't water komen, en het ook tegelijk weer verlaten.
Om het afglijden der handen te verhinderen, legge men het bovenlid van den duim tegen het uiteinde van de scull aan.
2º. Door de geringe breedte zal de boot spoedig aan 't „rollen“ gaan, en de sculler zal dit trachten te verhinderen door bij het scheren de bladen der sculls over 't water te laten gaan. Dit nu is verkeerd. Bij 't einde van den slag moet hij de sculls flink uit het water lichten en ze naar achteren brengen zonder de oppervlakte van 't water te raken.
Dit is echter niet gemakkelijk, en eerst na oefening zal men zijn evenwicht leeren bewaren.
Dikwijls wordt in het handvat van de scull een of twee ons lood gegoten om op het vereischte oogenblik gemakkelijker het blad uit het water te kunnen lichten en terug te brengen, zonder de oppervlakte van het water aan te raken.
3º. Eene kunst die de sculler ook noodzakelijk moet leeren, is: zijn vaartuig in den koers te houden. In 't eerst zal hij daartoe telkens omzien, en zoodoende alras de handigheid verkrijgen om alleen het hoofd om te wenden, zonder daarbij met roeien op te houden. Op wateren waar weinig of geen scheepvaart is, zal men dikwijls kunnen volstaan met de oogen steeds op den achtersteven gericht te houden, nadat men dezen eenmaal in de gewenschte richting heeft gebracht. Elke afwijking zal terstond in het kielwater zichtbaar worden. Bovendien heeft het gadeslaan van den achtersteven dit voordeel in, dat de sculler steeds 't werk zijner handen zal kunnen nagaan.
De stuurtoestellen verlichten 't werk zeer, als het noodig is de boot weer in de vereischte richting te brengen, maar toch is het beter eerst eenigen tijd dit toestel niet te gebruiken. Het gemak, waarmee men door een lichten druk van den voet eene afwijking der boot herstelt, verleidt den sculler allicht om de gelijkelijke arbeid der handen te veronachtzamen, en telkens zijn toevlucht te nemen tot 't stuurtoestel. Het roer nu vertraagt den gang der boot door den tegenstand van 't water. Hoe minder het dus gebruikt wordt, hoe beter.
Zijn alle moeilijkheden overwonnen en heeft men zich een goeden stijl als sculler eigen gemaakt, zoo kan men zich vleien met het bewustzijn een hoogen trap van volmaaktheid in de schoone roeikunst bereikt te hebben.

