VORSTENSCHOOL
Reading edition
Hoe zeer de wereld die M. in Vorstenschool voor ons onthult ook van Wouters milieu moge verschillen, toch vinden we in dit drama de motieven van Woutergeschiedenis, Havelaar en Minnebrieven terug.
In regeeringskringen is het geestelijk bederf, de versteening al evenzeer doorgedrongen als in die der kleine burgerij: van bijzaken, futiliteiten zijn de koning en zijn ministers vervuld. Uniformenwijzigingen, intriges e. d. nemen hun leven in beslag: om ’t recht, om ’t wel en ’t wee van ’t volk denken zij niet. Onbeduidend, slecht en geesteloos zijn zij, die geroepen zijn leiding te geven aan het volk. Maar in dat volk lééft toch nog, nederig en verscholen, het waarachtig menschelijke. Tegenover de Droogstoppels en Slijmeringen van ’t hof plaatst M. de idyllische Hansje en den dichterlijken Albert, als een tweede Saïdjah en Adinda. Ook hier naïeve, reine menschenkinderen in wie de liefde ’t gevoel voor poëzie wakker roept. En boven de verdorvenheid der regeering en de liefelijkheid dezer volkskinderen troont de ware, begrijpende, edel willende mensch, koningin Louise, de Havelaarfiguur uit het drama.
De bedrijven, waarin de koningin hare sociale idealen uiteenzet, heeft M. ’t eerst geschreven en op lezingen voorgedragen. Hij, die zelf van kind af gedroomd had van koninklijke macht, om alle kwaad in goed te verkeeren, laat nu zijn ideeën over volkswelvaart uitspreken door een vorstin, die van oprecht idealisme vervuld is, die met energie naar middelen vorscht om de volksellende te doen verdwijnen.
De intrige, aan een Fransch werkje ontleend, is eenvoudig: eenige hovelingen zetten een intrige op touw om een minister, die hun in den weg staat te doen vallen. Zij verbreiden ’t gerucht, dat de graaf een nacht op Louise’s rust heeft doorgebracht: inderdaad had de koningin urenlang met den minister in gezelschap harer moeder gearbeid om middelen te beramen om het volk op te heffen. Ze heeft heele bundels verzameld met:
“Berichten over alles wat bij ’t Volk Niet is zooals het wezen moest, en toch— Dát hoop ik!—eenmaal anders wezen zal.”
Zij wijst erop, evenals M. in I. 451, dat géén stand honger voorschrijft, en dat geen stand tot gebrek gedoemd kan zijn. Door hare onderzoekingen maakt ze ook kennis met Hanna, een naaistertje, die voor het moederlooze kindje van haar buurman Puf zorgt. Een hoveling weet Puf wijs te maken dat Hanna ’s nachts heeren van ’t hof ontvangt en hij vertelt ’t verder: ’t praatje over Hanna en graaf van Weert, moet dat over van Weert en de koningin in de wereld helpen. Maar Hanna wil de koningin niet offeren om eigen naam te redden. En als haar broeder en de koningin, die haar incognito bezocht, er op aandringen dat ze voor eigen goeden naam zal zorgen, weigert ze met gloed. En als dan een hoveling als lakei verkleed haar komt raden bij den koning een klacht in te dienen, daar er getuigen zijn, dat van Weert dien nacht op Louise’s rust had doorgebracht, doorziet Louise de intrige en de afstraffing volgt.

Gedeelte van een brief van E. DOUWES DEKKER aan Mr. J. N. v. HALL, uit Wiesbaden, 2 Nov. 1874
(Multatuli-Museum, Amsterdam)

Er zit spanning en gang in het stuk, maar karakterontwikkeling ontbreekt. Het is een tendenz-stuk om de leugen der liberale en behoudende politiek op de kaak te stellen, om zielenadel boven den armzaligen, intrigeerenden hofadel te verheffen, om ware vorstelijkheid over een in futiliteiten opgaand koningschap te doen zegepralen.
Het zijn dezelfde gedachten, elders pakkender reeds uitgesproken, die nu in dramatischen vorm gegeven worden. Evenmin als in De Bruid daarboven heeft M. hier een eigen vorm voor zijn gedachten gevonden: toen zweefden hem tooneelstukken van Kotzebue e. d. voor den geest, nu werkt hij in den trant van het verhevener historische drama met zijn gebonden stijl.
In Vorstenschool heeft M. weer een zijner dichtproeven opgenomen: nl. het vers over poëzie, waarvan de eerste regel luidt:
Daar is een kracht, uit hooger kracht gesproten...
Dit gedicht is door en door rhetorisch, onzuiver in zijn beeldspraak, en onwaar in de voorstelling; want in M.’s mond is het gewagen van de klanken van ’t suizend loof, dat “opwekt om te bidden en te danken” een dichterlijke leugen. Evenals de gedichten van Bilderdijk en Da Costa wordt ook dit vers van M. gedragen door pathos en rythme.
Multatuli laat Hanna dan ook een loopje nemen met dit vers: “Hij noemt de dingen heel anders dan ze zijn of heeten”.—“Maar me dunkt, men hoeft de dingen niet zoo op te sieren. Dat is onnoodig werk, want ja is ja, en neen is neen, niet waar, en daarmee uit!”
Poëzie is wel geen leugen, maar toch ook niet flinke ronde waarheid, oordeelt Hanna. De ontroering roept later in haar het gevoel voor poëzie wakker en ze heeft den goeden smaak slechts enkele sobere woorden uit Alberts vers aan te halen: ware poëzie kan al dien rhetorischen omhaal missen. M. staat blijkbaar sceptisch tegenover zijn eigen dichterlijke proeve!
Het heeft groote moeite gekost Vorstenschool opgevoerd te krijgen: geen enkel tooneelgezelschap durfde het aan, men vreesde, dat ’t als kritiek op den koning kwalijk zou worden genomen, ’t Was nog kort geleden, dat Busken Huet de Gidsredactie had moeten verlaten omdat hij de koningin en de hofdames sprekende had ingevoerd om een almanakje af te kammen! Het is aan het kordate optreden van Mina Kruseman gelukt Vorstenschool opgevoerd te krijgen. Door haar optreden tegen kritiek en journalistiek had zij het publiek op haar hand weten te krijgen in haar strijd om het tooneel te verheffen en Holland wakker te schudden. Als directeuren van tooneelgezelschappen haar mooie aanbiedingen doen voor een contract, stelt ze als voorwaarde, dat ze alleen in Vorstenschool als eerste rol zal optreden. In den zomer van 1874 teekent ze haar contract met Legras, Van Zuylen en Haspels. Een enthousiaste brief schrijft ze aan haar vrienden in Wiesbaden en ze vraagt wat Dekkers eischen zijn als auteur. Hij wil echter de opvoering van een Hollandsch stuk niet drukken door tantième voor den schrijver. Toch weet Mina Kruseman hem te bepraten honorarium aan te nemen en ze weet het ook te bedingen evenals een uitnoodiging om de repetities bij te wonen.
Tragisch is het conflict geworden tusschen den schrijver en de actrice bij de repetities: het begint met een verwijt per brief, dat zij door ƒ 200.— honorarium voor zichzelf, de speelster van Hanna’s rol en den auteur te bedingen, Vorstenschool zal smoren. “Mij ware ’t aangenamer (en vooral nuttiger!) indien Vorstenschool op meer gewone condities of in ’t geheel niet gespeeld ware!” Het komt tot een finale breuk tusschen Mina en Douwes Dekker; en hij gaat zelfs zoover het spel van Mina Kruseman openlijk te veroordeelen, terwijl zij de eenige was, aan wie de opvoering te danken is geweest.
Ondanks deze onaangenaamheden is de opvoering een groot succes geweest. Multatuli is op het tooneel gehuldigd en ook in de volgende jaren heeft hij geregeld eenige maanden in Holland doorgebracht om lezingen te geven. Nu deze door den tooneeldirecteur Haspels georganiseerd werden, was het succes groot. Zoo heeft de opvoering van Vorstenschool direct en indirect den persoonlijken invloed van den grooten schrijver op ons volk versterkt.