BESLUIT.
Reading edition
Bij weinig schrijvers zijn leven en werken zoo nauw verbonden geweest als bij Multatuli. Hij heeft eigen persoonlijkheid, eigen streven, eigen innerlijk én uiterlijk leven in het middelpunt zijner werken gesteld. Zijn leven heeft hij aan ’t verwerkelijken en verkondigen zijner Ideën gewijd.
In Max Havelaar (hoofdstuk 6) geeft hij een goedgelijkend, zij het eenigszins geflatteerd zelfportret. De grondtrekken van zijn karakter heeft hij zuiver getrokken: Een vat vol tegenstrijdigheden, scherp als een vlijm en zacht als een meisje; een geest, die ’t hoogste en ingewikkeldste terstond vatte en de eenvoudigste zaak soms niet kon begrijpen; een geest, die beide kanten tegelijk zag en een buitengewone gave bezat, om wat hij niet door studie of waarneming kent, intuïtief te benaderen, en om ’t geen hij weet kantig en scherp omlijnd weer te geven; scherp verstandelijk en gevoelig tot in ’t weeke en sentimenteele toe. Deze tegenstrijdige eigenschappen komen scherp uit door het spontane zijner uitingen. Van aard was hij zacht, gevoelig, hulpvaardig, vol vroolijken humor; het leed van anderen te verzachten, hulpbehoevenden bij te staan, was hem een ware behoefte: een warm-voelend, spontaan mensch met een groote geestdrift voor recht en waarheid. Bij dezen nobelen aanleg kwam een groote eerzucht, en persoonlijke ijdelheid: maar een eerzucht en ijdelheid van hooger orde, daar ze gericht waren op de zegepraal van het goede. Doordrongen van het besef steeds de ware belangen der menschheid op het oog te hebben, beschouwde hij kritiek op zijn doen en laten eerder als een aanval op zijn ideaal, dan als een poging hem in zijn streven door goeden raad bij te staan.
Hij heeft geen scheiding getrokken tusschen leven en ideaal, tusschen droom en werkelijkheid. Hij heeft in de praktijk van het leven uitgedragen, wat hem in zijn dichterdroomen als waarheid gold. Hij heeft ernst gemaakt met de overtuiging, dat het in dit leven om gerechtigheid gaat; de hoogste goederen der menschheid wáren hem de hoogste: als kind, als jonge man droomt hij er van, als volwassene offert hij eigen belang op aan zijn levensideaal.
Hij heeft in groote geestdrift het offer van Lebak gebracht, spontaan, zonder berekening. Zeer zeker is de harde levensstrijd hem bitter tegengevallen: in zijn naïveteit had hij op glorierijk herstel zijner carrière gerekend, zoodra ’t zij de Gouverneur-Generaal, ’t zij de Hollandsche regeering zouden hebben ingezien, dat hij gelijk had, dat hém en den inlander onrecht geschied was.
De strijd voor recht en vrijheid is hem bitter tegengevallen, daar hij de menschheid naar zichzelf beoordeeld had: hij had zijn landgenooten even groot zedelijk enthousiasme, vrijheidsliefde, rechtvaardigheidsbesef en spontanen hervormingsdrang toegedicht, als in hem leefde.
Zoo ondervindt hij teleurstelling op teleurstelling, grief op grief: hij wordt verbitterd. Dit roept niet altijd het nobelste in hem wakker: ook leelijke kanten van zijn karakter teekenen zich af. Maar krachtig blijft in alle ontbering, leed en teleurstelling zijn idealisme. Zijn tijdgenooten veroordeelden zijn excentriciteiten: ’t was voor een gemiddelden Hollander om van te rillen, dat een man, die uit armoede schulden maakt zijn weinige contanten herhaaldelijk gebruikt om nijpenden nood die zich op zijn weg vertoont, te lenigen. Zeer zeker is het onpractisch tot in ’t liefdelooze toe om aan een oude bedelares de ƒ 25 te geven, die hij juist aan Tine zou verzenden, die in Brussel met hare kinderen gebrek leed.
Maar een practisch, berekenend mensch, die met bestaande toestanden rekening houdt, zal uit puur idealisme geen goede positie met recht op goed pensioen weggooien. Zoo heeft hij ontegenzeggelijk naastbijliggende plichten verwaarloosd: hij heeft vrouw en kinderen aan zijn ideaal geofferd. Maar ook eigen levensgeluk heeft hij geofferd. En zijn vrouw heeft in zijn enthousiasme gedeeld, zij heeft zijn offer goedgekeurd.
In het Holland van ± 1860 was het gezin het hoogste, zorg voor vrouw en kinderen het heiligste. Het godsdienstig geloof dier generaties was een beeld van het ideale gezinsleven. Iemand die hoogere plichten wilde laten gelden, plichten tegenover de menschheid, beschouwde men òf als slecht òf als gek. En door zijn vrije ideeën over huwelijk en zedelijkheid, zijn minachting voor “principes”, zijn aanvallen op den godsdienst, waren velen overtuigd van zijn minderwaardigheid. Want dat is de excentriciteit bij uitnemendheid, het ideaal als richtsnoer van ’t leven te kiezen, om liever schipbreuk te lijden dan te schipperen, om de groote doeleinden te zien en de kleine te miskennen.
Hij heeft in droomen en visioenen geleefd, wier verwerkelijking hij aanstaande achtte: telkens meent hij dat het lukken zal—en dan volgt weer de ontnuchtering die bitter maakt. Hij wilde tastbare hervormingen en verbeteringen invoeren: hij wilde een Napoleon zijn. Eerst na jaren heeft hij ingezien, dat hij een Rousseau was: dat Fancy hem niet met de macht van het geld, maar met de macht der Idee had toegerust. En gedachten, ideeën werken langzaam door.
Multatuli was zóó verdiept in zijn levensdroom, dat hij in het practische leven telkens mistast: ook al door zijn groote impulsiviteit. Hij leeft alleen in het oogenblik!
Een groote onevenredigheid tusschen levensdroom en levenspraktijk, is niet te miskennen. Deze is mede de grond van zijn mislukt gezinsleven, zijn armoedig bohême-bestaan, zijn gebroken carrière, zijn geschokt evenwicht.
Eenzijdige vereerders zien alleen zijn edel streven als grond van zijn levensoffer en van zijn geniale scheppingen, zijn bestrijders en bedillers geven uitsluitend acht op zijn tekortkomingen tegenover zijn gezin en zijn schuldeischers, zij laken zijn onbekookte en onberedeneerde uitvallen, zij wijzen er op dat zijne daden niet op de hoogte staan zijner woorden.
Vereerders en bestrijders zien beiden maar een kant van dezen tegenstrijdigen èn daardoor ook veelzijdigen mensch. Hij was niet evenwichtig; zijn gestel èn de omstandigheden zijn hiervan de oorzaak. Een karakter in den hoogsten zin des woords was hij niet, maar wel een mensch met nobelen aanleg en nobele impulsies, wien zijn idealen meer waard waren dan aanzien en voordeel.
Dat waarheid en gerechtigheid ’t hoogste waren, was geen fraze in zijn mond. Dit heeft den stempel van waarachtigheid gedrukt op zijn levenswerk.
Al heeft hij in zijn levensgedragingen de hoogere eenheid van droom en werkelijkheid niet verwezenlijkt, in zijn boeken heeft hij deze doen leven, en zóó doen leven, dat hij een der groote bevrijders is geworden van het maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk.