← Table of contents
Multatuli, deel 2

MULTATULI ALS DENKER EN HERVORMER

Reading edition

Als Multatuli met de Max Havelaar geen onmiddellijke verbeteringen en hervormingen ten bate van den Javaan en geen schitterende rehabilitatie van Douwes Dekker kan verkrijgen, wordt uit den kolonialen profeet, de Hollandsche hervormer geboren. In het staatkundige maatschappelijke en geestelijke leven van zijn volk vind hij den grond van ’t Indisch wanbestuur. Al de scherpte van zijn pen, de hartstocht en virtuositeit van zijn taal, gaat hij aanwenden om zijn landgenooten wakker te schudden en te ergeren, om ze van geestelijke en conventioneele gezagsbanden te bevrijden. Hij heeft altijd gehoopt dit met een eigen tijdschrift of dagblad te bereiken: door geldgebrek is dit mislukt.

In 1862 begint hij met de uitgave van Ideën: op ongezette tijden gaf hij een vel Ideën in lossen omslag, dat tevens diende als correspondentieblad met zijn lezers. Zoo vormt zich een vaste lezerskring van geestverwanten: hij geeft hun zijn Ideën, hij deelt hun ook zijn persoonlijke wederwaardigheden mede over de Havelaarzaak, ’t proces Van Lennep, over aanvallen en doodzwijgen in de pers enz.

De zeven bundels tusschen 1862 en 1877 verschenen zijn zeer verschillend van gehalte en van inhoud: ze zijn “de Tines zijner ziel”.

Hij spreekt er in uit, wat hem vervult in korte, kernachtige parabelen en verhalen, hij geeft eene satirische bespreking eener brochure over een bidstond. Staatkundige beschouwingen wisselen af met fragmenten zijner Geschiedenis van Wouter Pieterse.

Buitengemeen levendig van stijl is vooral de eerste bundel: een stijl, dien hij aan ’t slot van Max Havelaar heeft aangekondigd:

“Weg met gemoedelyke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius’ justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpylen, en gekras van valsche snaren, en hier-en-daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zooveel getrommel en zooveel gefluit!”

In de eerste Ideën stelt hij het oordeel van den enkeling boven dat eener vergadering: uit dit denkbeeld volgt dan later de gevolgtrekking over de ònwaarde van volkvertegenwoordigingen, van regeeren der helft + 1; een allergeestigste persiflage van dezen regeeringsvorm heeft hij later in zijne Specialiteiten gegeven.

Groote waarde heeft het zelfstandig oordeelen: “De jeugd moet zich oefenen in ’t bepalen: (I. 10) “Om een voorwerp te teekenen is ’t niet voldoende den omtrek, de kleur en de schaduw van dat voorwerp te kennen, men moet dat alles kunnen weergeven.” (I. 11.) De groote beteekenis van juist uitdrukken stelt hij in ’t licht: maar de juist uitgedrukte waarheid maakt geen indruk, vandaar dat ze in ’t kleed van verdichting en verbeelding moet worden gestoken om ingang te vinden. Zoowel in het puntig, scherp formuleeren zijner denkbeelden, als in het dichterlijk inkleeden er van toont Multatuli zich een meester.

De strekking der Ideën is in I. 136 uitgesproken: “De roeping van den mensch is mensch te zijn. Daarheen moeten leiden: opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving, godsdienst.”

Maar de ontwikkeling van het waarachtig menschelijke wordt door averechtsche opvoeding, onderwijs, beroepskeuze, zedeleer, wetgeving en godsdienst juist belemmerd. Want deze instellingen berusten op gezag, traditie en conventie, zij zijn ontaard tot dwangmiddelen, terwijl ze wegwijzers tot vrijheid moesten zijn.

De godsdienst is de hoofdschuldige: in naam van den godsdienst wordt ’t gezag van ouders over kinderen, van den man over de vrouw gehandhaafd. Dogmatische frasen bederven het gezond verstand, een onhoudbare mythologie wordt gegeven inplaats van nuttige kennis der natuur. Wat M. ook bestrijdt, telkens komt hij neer op den schadelijken invloed van het “geloof”. Zijn spot, zijn sarcasme, zijn verstandelijke kritiek zijn gericht op het doode vormelijke en dogmatisch-kerkelijke geloof, dat hem sedert zijn jeugd een nachtmerrie was geweest. De vormelijke godsdienstigheid heeft hij in al zijn leegheid laten zien en van het afbreken van het gehate “geloof” heeft hij intens genoten. Daaraan danken we een paar van zijn dolste en geestigste parodieën: ten eerste de geschiedenis van den bidstond den Elberfeldsche weezen, die zóó door den geest worden aangegrepen, dat ze liggen te stuipen op de keldertrap! In hun waan zijn deze Christenen oprecht, maar diepe verachting koestert M. voor die geloovigen, die het op een akkoordje gooien met hun geloof:

“Als ’t waar is dat die goddienery nadeelig werkt...

—Ja, zegt men, maar dat is sporadisch. ’t Komt niet dikwyls voor. Hy, zy, en ik hebben nooit gestuipt op de keldertrap. We gelooven... nu ja, maar we laten ons niet dol maken. We doen behoorlyk onze zaken. We gelooven... zóó, zóó... met gepaste matigheid.

Die wezens staan me nader dan gy!

Wie nonsens gelooft, en door krankzinnigheid bewys geeft voor de oprechtheid van z’n geloof, heeft recht op medelyden en... genezing, als er genezing mogelyk is.

Maar gy die gelooft... ja, maar niet meer dan juist noodig is in ’t belang van uw “zaken”... gy die zondags ’n hemelvaart belofzingt, maar ’n knecht zoudt wegjagen als hy in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet afteknippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zoo verstandig zyt als de verstandigste waar ’t uw dadelyk belang geldt, maar meent den Heere te dienen door dat verstand te leggen aan ’n halsbandje van spinnewebbe of yzer, naar ’t u voegt, zoodra er spraak is van—veronderstellen—edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder ’t bidden en oefenen, gedurig ’n oog in ’t zeil houdt van ’t aardsche scheepje... gy die ’t beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, sociëteit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw “Heer” te onthalen op wat afval... gy...

Wat moet ik U zeggen? Dit: ga naar de Elberfeldsche weezen, kryg stuipen en wordt oprecht.” (I. 179.)

De tweede felle parodie leverde M. in zijn Bakerpreek: Stel dat M.’s relaas van het salie-avondje van Juffrouw Pieterse eenmaal de heilige Schrift der Opper-Aziaten zal zijn, dan zal zich in die streken na 50 eeuwen een kerkgeschiedenis, een dogmatische strijd en een geloof hebben ontwikkeld, wier verloop analoog aan die van ’t christendom zal zijn. Ten stelligste ontkent M., dat deze parodie op dogmatisch wondergeloof als aanval op het heilige veroordeeld moet worden:

“Spot met zoogenaamd ‘heilige’ zaken, bewijst niets tegen die zaken, maar wekt de tragen op en geeft den vreesachtigen moed: tot nadenken over de vraag: of die zaken wel heilig zijn? Dit is veel gewonnen, want dan is de tijd daar tot eenvoudige redeneering.” (I. 395.)

Door domheid en misverstand zijn de woorden van Jezus verknoeid: maar voor de Jezusfiguur heeft M. groote bewondering: “Ik heb in veel opzichten eerbied voor Jezus, maar volstrekt niet voor ’t zoogenaamd christendom.

“Het christendom bestaat voor een groot deel uit neefjes die spelfouten maken.” (I. 186.)

En in I. 57 lezen we: “Er is maar één weg ten hemel: Golgotha. Wie er wil komen langs anderen weg is ’n infame smokkelaar.”

Fel tegenstander was M. ook van de toen opkomende moderne richting: deze theologen streden óók tegen de versteening van het christendom in dogma en wondergeloof. Maar volgens M. bleven ze halverwege staan en waren niet consequent: in een geestige parabel verhaalt hij van pasteibakkers, die zulke lekkere taartjes bakten, ’n winstgevend beroep. Totdat scheikundigen ontdekten, dat er papaverstroop in verwerkt werd! Een eerlijke pasteibakker verklaart geen taartjes meer te zullen bakken; maar anderen pogen onschadelijke taartjes, met een heel klein beetje slaapstroop te fabriceeren, om den taartjeswinkel aan te kunnen houden, zonder strijd te voeren tegen de wetenschap der chemisten... “De pogingen om de mystiekerij van ’t oude geloof overeen te brengen met hedendaagsche standpunten is even belachelijk—en misdadig!—als ’t schermutselen met ‘politieke beginselen’ die geen wortel hebben in ’t gezond verstand, omdat men daarbij voortdurend verzuimt met de feiten te rade te gaan.” (I. 453.)

Terwijl M. de moderne richting en Renan heftig aanvalt, wijst hij elders weer op de psychologische en symbolische waarheden, die in mythologische verhalen van het Oude en het Nieuwe Testament, in het dogma der erfzonde verscholen liggen: een schriftbeschouwing, die de oude mystieken, zonder nog aan de historische feitelijkheid te twijfelen, bij voorkeur hebben toegepast, en die door de wijsgeeren sinds Lessings dagen als de godsdienstig eenig houdbare is beschouwd. Geestig is de wijze waarop hij een loopje neemt met de historiciteit van den wandelenden Jood (I. 800–803) en waarop hij de verwarring schetst in het hoofd van den jongen, die Ovidius’ scheppingsgeschiedenis als mythe mag beschouwen, maar die van Genesis als historie moet aannemen, op straffe zijn zaligheid in gevaar te brengen.

Ondanks zijn felle afbreken van alle “goddienery” wordt M. in een sentimenteel oogenblik bekoord door de liefelijkheid van naïef geloof, zooals blijkt uit de geschiedenis der Sainte-Vierge (I. 242), en de figuren van Femke met haren katechismus en de oude pastoorsdienstbode Stijntje uit Wouter Pieterse. Maar zijn afkeer van de bekrompen, kleinzielige orthodoxie was zóó hartgrondig, dat hij de poëzie van het naïef geloovige alleen bij Roomschen vermocht te vinden.

Tot wijsgeerig verstaan en waardeeren van het godsdienstig leven is hij niet in staat geweest: hij kende het christendom dan ook niet uit zijn grootste vertegenwoordigers: Augustinus en de mystieken, de groote dogmatische en wijsgeerige vertolkers van het christendom waren hem niet bekend: hij bleef in de opvatting steken, dat godsdienst en wijsbegeerte elkaar uitsluiten. Zijn strijd tegen een persoonlijk God, persoonlijke onsterfelijkheid en tegen het vraaggebed bedoelt hij als vernietiging van het geloof: inderdaad vecht hij tegen uitwassen van het christendom, waartegen sommigen der grootste wijsgeeren en theologen eveneens gestreden hebben.

In de Ideën vinden we twee gedachtenreeksen over de vraag, “wat is waarheid”, die voor M. gelijkluidend is met de vraag “wat is God.” Als hij de natuur als uitgangspunt zijner redeneering neemt, dan is God gelijk aan de ijzeren wet der noodzakelijkheid; wel had hij “liever te doen met ’n God die vatbaar is voor rede, maar dit kàn nu eenmaal niet”.—

“De noodzakelijkheid die dit wil (n.l. dat 1 + 1 = 2), voorschrijft en handhaaft, is almachtig, eeuwig, onveranderlijk, is God. Die God bouwt zonnestelsels...

Er is geen bol aan ’t firmament, die niet z’n bestaan te danken heeft aan ’n reeks van feitelyke syllogismen, even eenvoudig als 1 + 1 = 2.

Die God voegt samen, ontbindt, maakt, vermaakt, richt, wendt, buigt, heft, perst en plet...

Ja, plet! En knipt, als—in die andere plettery—de schaar, die ook niet weet wat ze doet!

Bidden is aan die schaar vragen of ze zoo goed wil zyn, ditmaal niet toetehappen omdat er iets tusschen haar kaken ligt, dat we gaarne wilden heelhouden!

Bidden zou dus, als ’t niet kinderachtig ware, een misdadige poging zyn om de natuur te verlokken tot wanorde.” (I. 162–163.)

Gaat hij daarentegen van den mensen uit, dan vormt hij zich een God naar eigen beeld: in de Woutergeschiedenis schetst M. hoe Wouter zijn Godsbegrip opbouwde:

“Geen ‘Weg ter Zaligheid’ en geen katechismus was er in geslaagd het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in ’t gemoed droeg, en waarmee hy zich—ziehier z’n hoogmoed!—zonder de minste aanbidding vereenzelvigde. God, of ’n god, moest noodwendig het goede willen, het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo’n Wezen zeer na, en beschouwde het in z’n trouwhartigen waan als z’n natuurlyken bondgenoot, als z’n gezel, als z’n kameraad. Zoo voelde hy zich prins van geestelyken bloede, als ware hem de Fancy-vertelling ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den lezer inzage te geven in Wouter’s stamboom.

“Hoe hy ’t aanlei om den god dien hy geschapen had, den god van ’t goede overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen.” (I. 1083–1084.) En als M. verteederd is door het naïeve geloof van een lief Roomsch vrouwtje en een monnik besluit hij ’t verhaal van zijn reisavontuur met de woorden: “En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door den godsdienst van het goede.” Zoo is er tegenstrijdigheid in zijn godsdienstige opvattingen, eene tegenstrijdigheid, die we terugvinden in zijn levensideaal: hoewel overtuigd, dat alles volgens de onverbreekbare wet der noodzakelijkheid zich voltrekt, wil hij, Multatuli, overal ingrijpen om het goede en het rechte te doen zegevieren. Hij wenscht macht en geld om al zijn idealen te verwezenlijken; in zijn gesprek met Keizer Adolf in ’t Rijk der Gnomen zet hij dezen het volgende programma uiteen:

“Daarenboven is niet alles zoo goed als het, met eerlijke gebruikmaking van de onveranderlyke wetten der lieve Natuur, wezen kon. De goedige aarde levert voedsel genoeg, en toch wordt er gebrek geleden door de menschheid...

—Ik zal ze wat yzer zenden.

—Om ’s hemels wil, doe dat niet, Meester! Ze eten het niet, en maken er ballen van om elkaar dood te gooien.

—Wat salpeter?

—Nog erger! Ook dat eten ze niet, en gebruiken het om die ballen voortteblazen. Er zou voedsel in overvloed zyn, ging ik voort, en toch hebben velen niet het noodige. Er is daarboven kennis genoeg te samelen, en toch kwynt ’n zeer groot deel der mensheid weg in walgelyke onwetendheid. Er is daar stof genoeg voor algemeene vreugd, voor genot, voor geluk... en toch, Meester, toch blyven jammer en leed hoofdtoon in de geschiedenis van dat arme mensdom!

Meester, ik heb vyftig jaren op die aarde rondgedoold, en zelf veel geleden, maar sedert ik de gaaf ontving m’n voelen tot denken te maken, en verstand te scheppen uit de bron van het hart, sedert dien tyd was me niets zoo bitter als ’t aanschouwen van de algemeene ellende die voortdurend de plaats inneemt van mogelyk algemeen geluk.

En steeds kwam daarby de gedachte in my op: o, als ik te bevelen had... si j’étais roi!

Ik zocht macht om goed te doen.

Maar, Meester, die macht bleef uit, vooral nadat ik, herhaaldelyk getracht hebbende goed te doen zònder haar, hoe langer hoe machteloozer werd gemaakt door de velen die belang hebben by ’t kwade.

Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats koopen in de volksvertegenwoordiging...

—Worden die plaatsen gekocht?

—Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. Ik moet dan, dóór of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen hooren aan ministers... ’n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik noodig om zelf koning te zyn, opdat ik ’t recht en de macht bezitte goed te doen aan ’t volk... liefst zònder ministers. Geld heb ik noodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopen tot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken...

—Je wilt dat het volk lezen zal?

—Zóóver gaat m’n eerzucht niet. Ik wenschte dat het in staat werde gesteld lezen te leeren, ’n kunst die nog in haar kindsheid is. De meesten brengen ’t daarin niet veel verder dan noodig is voor ’n benoeming tot briefbesteller. Ik heb geld noodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiène, geld tot het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnood en verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...

—Hè?

—Ja, pensioen. Geld tot ondersteuning zonder smaad van invalide burgers, geld tot betaling van—des-noods onvrywilligen—arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d. i. veredelende kunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voor deugd! En meester, zóóveel geld wenschte ik, dat er nà dat alles nog iets overschoot om m’n lief gezin te behoeden tegen gebrek.” (Millioenenstudiën I: 43, 51–52.)

Terwijl hij de macht der noodzakelijkheid zoo klaar besefte, meende hij zelf door Fancy geroepen te zijn, in de hopeloos verwarde samenleving orde te brengen. Deze drang, deze overtuiging heeft hem voortgedreven héél zijn leven door: ieder mensch in nood, in lichte of voorgewende armoede, voelde hij zich gedrongen te helpen. En als helpen met geld onmogelijk of onnoodig was, was hij altijd bereid zich voor zijn medemensch moeite te getroosten. Niet alleen de enkeling wil hij bijstaan, zijn eerzucht gaat er naar uit de menschheid wél te doen, door de afwijkingen van de rede, van Logos weer goed te maken.

In zijn later werk (in de Millioenenstudiën voor ’t eerst, later in het tweede gedeelte van de Woutergeschiedenis) komt het inzicht dat Fancy zonder Logos niets vermag en Fancy leert hem, dat de dichter het recht niet zal kunnen doen zegevieren met millioenen schats, maar wèl door zijn ideeën. “Meent ge dat het mij meer moeite kosten zou, u de millioenen toe te werpen, dan ik aan ’t vóórzeggen der Studiën besteed heb”, is de vraag waarmede Fancy-logos van M. afscheid neemt. Zijn dichterlijke verbeelding zal de geestelijke waarden moeten scheppen, waardoor recht en goedheid onder de menschen zullen zegepralen.

Na jaren van worsteling om geld en invloed is deze verzoenende gedachte gekomen, dat Fancy door den geest overwint.

Een vat vol tegenstrijdigheden dat was M. óók in zijn wereldbeschouwing. Geweldig voorstander van welvaart en vrijheid van het volk, wilde hij liefst voor zich de rol van een Napoleon spelen. Van ’t parlementaire stelsel,—de Tweede Kamer had hèm niet in zijn strijd om den Javaan bijgestaan—verwacht hij niets goeds maar hij weet er niets beters voor in de plaats te stellen! Als staatkundig hervormer roept hij om een “derde partij”, die de volkswelvaart en niet het partijbelang zal dienen. Want de onmacht van regeering, Kamers en partijen zijn de oorzaak van de groote ellende van ’t volk.

“Ieder weet, dat myn bitterheid over den toestand van ons Volk zich niet bepaalt by de zaken in Indië. Na de Havelaars-geschiedenis, myn punt van uitgang, zag ik weldra in, dat de grond dieper lag, dan in de luiheid en gewetenloosheid van plichtvergeten gouverneurs-generaal. Achter zoo’n ellendigen van Twist zat een minister. Achter zoo’n minister zat een Tweede-Kamer, ja... zelfs ’n Eerste. Wat zoo’n Eerste-Kamer beduidt is onlangs gebleken, toen Duymaer van Twist daarin onverhinderd zitting nam. Niemand drong den man ter deure uit. Niemand schaamde zich plaats te nemen naast den medeplichtige aan zooveel roof, naast den moordenaar van zooveel Saïdjah’s.

En achter de beide Kamers, zit, staat, ligt—of kruipt, als ge wilt—het Volk, het Nederlandsche Volk!” (I. 583.)

Tot het Volk zal hij zich richten, op de ellende van het Volk zal hij wijzen: hij zal opstandigheid prediken. In zijn tweeden bundel Ideën heeft hij zeer uitvoerig het werk van Le Play over Les Ouvriers Européens behandeld in verband met het welzijn van het Nederlandsche Volk. In deze studie komt o. a. een gedetailleerd arbeidersbudget voor. M. komt tot de slotsom dat de Hollandsche arbeider ja in vele gevallen de kleine burger in ons land onder veel slechter condities leeft en werkt dan de arbeiders in andere beschaafde en half beschaafde landen van Europa, ja zelfs, dat de Hollandsche arbeider er slechter aan toe is dan de zwarte slaaf!

PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).
PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).

PORTRET VAN MULTATULI, ( ± 1865).

(Naar een photographie in het Multatuli-Museum te Amsterdam).

DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,
DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,

DRUKPROEF VAN EEN PROGRAMMA VOOR EEN VOORDRACHT VAN MULTATULI,

met eigenhandige correctie.

(Multatuli-Museum, Amsterdam).

VOORDRAGTEN VAN MULTATULI

TWEEDE VOORDRAGT.

Program.

Dankbetuiging voor de welwillendheid, waarmede des Sprekers eerste Voordragt is opgenomen.

Het hooge belang voor den Spreker om Dames onder zijn gehoor te zien.

Aansporing om der Vrouw meer aandeel te geven in ’t bestuur van ons huisselijk leven.

PAUSE.

Voordragt van een gedeelte uit “WIJS MIJ DE PLAATS” ten bewijze dat de zaak des Sprekers wel degelijk valt onder ’t bereik der Vrouwen, en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn zich die zaak aantetrekken.

PAUSE.

Uitnoodiging om aan de Vrouwen grooter aandeel toetekennen in ’t publiek leven.

Betoog dat de Zaak des sprekers wel degelijk valt onder het bereik der vrouwen en tevens dat deze bevoegd en geroepen zijn, zich die zaak aantetrekken.

“De zwarte slaverny was inderdaad in beginsel een gruwel maar... zy was openlyk, oprecht, frank. En: de slaaf werd beschermd door de wet.

Wie beschermt den witten slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dat is een gruwel, filantropen, en een gruwel met toebehooren van huichelary en valsheid.

De invoering eener gereglementeerde slaverny met verplichting aan den kant des meesters, om z’n eigendom behoorlyk te onderhouden, zou voor zoo menig Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar niemand zou iets durven bieden voor ’n blanke, en daarom is ’t onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven de begrippen, die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden, en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid van ’t patronaat, met ’n valsch kleursel van eerbied voor menschenrecht.

De christelyke beschaving is fyn en slim in hare berekeningen.

Zy zegt: gy moogt niet verkocht worden... ze meent: ik wil u niet koopen. Zy zegt: ik wil niet dat ge slaaf zyt... ze meent: ik wil uw eigenaar niet wezen. Zy zegt: behoudt uw waarde als mensch... ze meent: ik wil myn kapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt: geen vernedering voor u... ze meent: geen schade voor my.

Want de werkman in onze maatschappy is slaaf. Z’n maag levert hem gebonden over aan ieder die hem een maal aardappelen met azyn betaalt. Hy is slaaf, minus ’t recht op onderstand, minus registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus rente en risico.

Ja, zonder risico. Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig... welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf, die werken kan, en betaalt hem als z’n voorganger met ’n maal aardappelen daags...

Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volk schandelyk. Zeven-achtste deel der gehuwde mannen, moeten de vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun jongen, met minachting neerzien op ’t verwaand menschdom, als ze wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom ’t aanzit.” (Idee 451.)

Als de oorzaak van deze ellende beschouwt M. de slechte regeering: de constitutioneele koning is niet verantwoordelijk omdat hij onschendbaar is en dus onmachtig, de ministers komen en gaan zóó snel, dat ze de verantwoordelijkheid op hun opvolger(s) afschuiven.

Als een pikant staaltje van de wijze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun roeping begrijpen, wijst M. op ’t volgende.

“Wy weten nu eenmaal, dat het Volk geen vleesch eet. Voor ’n oogenblik aannemende, dat het bestuur daaraan niets doen kan, zal ’t toch waar blyven, dat zoo’n feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen in ’t verslag van die provincie over 1861:

Wij moeten nog wijzen op ’t verblijdend verschijnsel, dat de invoer van Smeer...

de “Nederlandsche Industrieel” voegt hier zeer gepast by: “dat is: de afval van ons naar Engeland gezonden vee.”

... “smeer, een artikel zoo uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis van vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende is.”

Het is moeilyk by zulke mededeelingen niet bitter te worden.

Men vraagt zich wat de overhand heeft by die heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de wreedheid?

Of zou er ironie liggen in dat verblyden over ’t verruilen van versch vleesch tegen oud smeer? Zou ’t een geestigheid wezen? Laat ons het zachtste oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor de minder domme opinie teruggeven—niet als verblydend verschynsel helaas!—dat ’n vlucht uilen, “zoo by-uitnemendheid geschikt wezen zou... om H. H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen”.

In den noodtoestand der arbeidende bevolking ziet M. het grootste gevaar voor de nationale toekomst. In de jaren tusschen 1866 en 1870 toen Pruisen zijn grenzen uitzette, was de vrees voor annexatie hier te lande levendig. De oud-minister—Professor Bosscha schreef een brochure Over Pruisen en Nederland om zijn landgenooten tot waakzaamheid, tot geestdrift en... tot den vrijwilligen wapenhandel op te wekken. Deze brochure prikkelde M. tot het schrijven over de ware oorzaken van Nederlands onmacht tegenover een veroverend Pruisen; hij betoogt, dat de hooggeroemde vaderlandsliefde die zich uit in bombastische verzen en in... binnenkamers, een leugen is, dat “gymnastie, algemeene dienstplichtigheid en scherpschuttersgenootschappen” slechts middelen zijn, maar dat dit niets helpt, zoolang de geest in ons land niet verbeterd is. En geestdrift ontbreekt omdat de toestand van ’t volk ellendig is: de materieële toestand is miserabel en het geestelijk leven eveneens. “Jacht op stijl overal, stijl, nergens. Overal gemaaktheid, opgedrongen deftigheid, mislukte verheffing, brommende leegte, conventioneel schrijversfatsoen, d. i. leugen.—De natie is ziek, zeer ziek, en de naam dier ziekte, in welken vorm zij zich ook voordoe, is leugen!”

De materiëele ellende van ’t volk is weer de grondoorzaak van geringe ontwikkeling, minderwaardig vermaak. En ’t nationaal bederf is niet tot de arbeidersklasse beperkt: eenzelfde geest van lamlendigheid doortrekt alle lagen der samenleving. Vandaar dat zeden en gewoonten, kunst, godsdienst en staatkunde verleugend zijn.

Door het scherp belichten van den maatschappelijken leugen heeft M. veler oogen geopend. Met bijzondere voorliefde heeft hij het minderwaardige lot der vrouw op de kaak gesteld. Hij doet een fellen aanval op de zeden, die voorschrijven het meisje dom en onwetend te houden, die de vrouw toestaan slechts de huishoudster van haar man te zijn, die de ongetrouwde vrouw tot werkeloosheid en hysterie veroordeelen. De zeden, die de verhouding der geslachten bepalen, zijn in aanhoudenden strijd met de hoofdwet der Natuur.

“We willen haar dwingen tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzyn, waar ze haakt naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. We dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.

Deze verkrachting—of de voortdurende vruchtlooze poging daartoe—noemen we Deugd.

Onze geheele opvoeding van de meisjes is ’n moorddadige opstand tegen het goede.” (I. 203.)

“Wat maakt ge van onze dochters, o zeden! Ge dwingt haar tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat ze weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeeren wat ze begeeren, niet wezen wat ze zyn.

“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zoo spreekt geen meisje!”

Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zoo’n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als ze behoorlyk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven—dat noemen de zeden braaf!—dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zooveel braafheid door ’n aanstelling tot opzichter over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!” (I. 195.)

Het ascetisch ideaal van het christendom vindt hij uit den booze. Met innige verontwaardiging vaart hij uit tegen het negeeren van de vrouw door den Evangelist en legt een nieuwe lezing in den schoonen gedragen stijl van het Evangelie naast de oude van Mattheus XIX over het ware huwelijk, dat niet alleen lichamelijke gemeenschap, maar ook die van ziel en geest insluit.

Tegenover de vaak zoo treurige werkelijkheid stelt M. het ideale huwelijk, tegenover de dwingende zeden predikt hij vrije liefde. Al moge hij het niet als de ideale verhouding aanprijzen, in ieder geval beschouwt hij het als een bevrijding uit den ascetischen dwang der zeden. In het Holland zijner dagen wekken deze ideeën heftig verzet: de schrijver wordt als een toonbeeld van onzedelijkheid uitgekreten.

Maar in M. lééfde hetzelfde gevoel van opstandigheid als in Byron, Heine, Shelley e. a.: in zijn Ideën kwamen deze gevoelens daardoor eerst tot uitbarsting in een taal, gelijkwaardig aan die der groote romantici. Al moge M. nog zoozeer beïnvloed zijn door deze denkers en dichters, al mogen de sporen van hun invloed in zijn werken telkens zijn aan te wijzen, toch is hier geen sprake van slaafsche navolging: uit zijn Brieven blijkt het, dat ideeën die van zijn jonge jaren af in hem woelen, onder invloed zijner lectuur zijn bewust eigendom zijn geworden. En met zijn wondere taalbegaafdheid heeft hij in later jaren wat in hem leefde zóó pakkend, zóó meesleepend weten te uiten, dat scharen van jongeren door zijn wóórd den strijd voor vrijer levensopvatting hebben aanvaard.

Tal van jongen vrouwen en meisjes heeft de Geschiedenis van Thugater (uit de Minnebrieven) en die van de kleine Agatha (I. 182) de oogen geopend!

Niet alleen de meisjes-opvoeding moest herzien, heel de onderwijsmethode moest gewijzigd: van M. is uitgegaan een krachtige beweging om de doode onderwijsmethodes door nieuw levend onderwijs te vervangen. In Wouter Pieterse, levert hij een felle charge op de verschoolsching van het lager onderwijs in de figuren van Pennewip en Stoffel, terwijl hij in de wijze waarop Dr. Holsma zijn kroost onderricht, vingerwijzingen geeft omtrent een leermethode, die het kind tot denken, tot zelfvinden aanmoedigt.

Goed onderwijs moet opleiden tot vrije studie, moet geschikt maken voor het leven.

”’t Is niet waar dat die maatschappy den jongen van zestien jaar met open armen ontvangt, omdat-i weet te vertellen wat Semi-Ramis heet verricht te hebben, hoe Rusland begrensd is, aan welke rivier Groningen ligt, enz.

’t Is niet waar, dat ze hem ’n paar jaar later onder hartelyk welkom! bekleed met de toga virilis, omdat-i nu verstand heeft van kegelsneden, en na veel tobben in-staat is ’n bladzy te vertalen uit Virgilius of Homerus... by-voorkeur altyd die eene!

’t Is niet waar, dat de akademische dissertatie waarvan-i ten-langen-laatste door de kunst verloste, hem wordt toegekend als diploom van mannelykheid!

Na al ’t verwringen en verkrachten van de Natuur, op school en kollegiebanken, blyft alzoo den ouders niet eenmaal de verontschuldiging dat de Maatschappy tot zoo’n leiding dwingt. ’t Allereerste waaraan de jongeling die de wereld intreedt, behoefte heeft—nadat men twaalf, veertien jaren besteedde om hem voor die wereld geschikt te maken—is... ontbolstering. Wel ’n bewys dat de voorbereiding allergebrekkigst was! Wat naar de school riekt, is in ’t werkelyk leven onbruikbaar.

Eilieve hoe kan dit worden overeengebracht met de voorgewende bedoeling, dat men hem naar school zond om hem geschikt te maken voor dat werkelyk leven?” (I. 876.)

Merkwaardig is het, dat M. de theorie van Montessori voorziende als voorwaarde voor vruchtbaar onderwijs den eisch heeft gesteld, dat een bepaalde leerstof pas gegeven mag worden, als ’t kind er zich toe voelt aangetrokken!

“Dezelfde leerling die nu misselyk wordt gemaakt van Tacitus, zou misschien z’n grootste vreugde scheppen in ’t ontleden der werken van dien schryver, als-i vooraf liefst uit eigen aandrift had leeren belangstellen in de daarin behandelde zaken. Er komt ’n tyd dat de knaap zich voelt aangetrokken door de vaak treffende verhouding tusschen uitgebreidheden en getallen. Wie ooit, byv. des nachts wakker liggende, zich bezig-hield met de evenredigheid tusschen zekere lynen en figuren op tapytwerk of behangsel, zal me begrypen. Een ander zal behoefte voelen aan kennis van de wys waarop de stoffen zyn samengesteld. Hy wil weten wat ze vereenigt, hoe ze ontbonden worden? Dan is de tyd voor de scheikundige les gekomen, niet toen de knaap met ’n onvriendelyk: wat gaat my dat aan? de boodschap afzei, die men hem brengen kwam op ongelegen uur.

Gy die dit alles nooit bedacht, drinkt ge bier by uw ontwaken? Eet ge stokvisch tot ontbyt? Kolft ge in de kerk? Is ’t dan zoo moeilyk te begrypen dat ook verstandelyke indrukken hun tyd kiezen, en dat wy alzoo verkeerd handelen, de wenken te verkrachten, die de Natuur ons daaromtrent zoo duidelyk geeft?

Ik verwacht niet anders dan dat de meeste onderwyzers van beroep me ongelyk geven, en hoor sommigen zeggen:

—Nu, als ik wachten zou tot die jongen me naliep om wat te weten van driehoeksmeting, van stuifmeeldraadjes, van germaansche oudheid...

Ik geloof ’t gaarne! Ge hebt niet gewacht, en kunt dus niet weten wat er zou geschied zyn, als ge de begeerte naar kennis behoorlyk had laten rypen.

Of er kinderen zyn, by wie deze begeerte zich nooit openbaart?

Deze vraag kan ook anders gesteld worden, en wel—ik beveel deze methode ook voor andere vraagstukken aan—op ’n manier die ’t antwoord meebrengt: men wenscht te weten, of sommige kinderen schadeloos kunnen verdronken worden? Wel zeker, er zyn idioot-geborenen! Maar niet in de behoeften van deze ongelukkigen zoeke men het richtsnoer ter beoordeeling van ’t onderwys waarop ’n welgeschapen kind aanspraak heeft. We mogen niet willens en wetens het getal der geestelyk-mismaakten vermeerderen.” (I. 873–874.)

“Door dwang verstoppen we de rykste bron van genot en goed zyn: ’t onafhankelyk denken. En dit niet voor ’n oogenblik alleen, maar we leggen daardoor den grond tot den vervloekten afkeer van geestelyke inspanning, tot de roestige luiheid die onze maatschappy kenmerkt.

Er zou gewis ’n tyd aangebroken zyn dat de knaap, na uit eigen beweging z’n oorsprong en dien van den mens te hebben nagevorscht de vraag deed: waar kwamen de Hollanders vandaan? Liever zag ik dat-i z’n denkvermogen besteedde—en dit zòu geschieden als men ’t niet bedorven had—aan ’t geologisch beschouwen van de wyze waarop Nederland ontstaan is.” (I. 864.)

Als van ’t begin af belangstelling de drijfveer is van het leeren, kan vrije studie op volwassen leeftijd eerst tot zijn recht komen. Uitvoerig staat M. stil bij de beletselen, voor ’t streven naar waarheid: vooroordeel, belemmering van ’t onderzoek en ongeschiktheid van den onderzoeker. Hij wijst ook op ’t nadeel van te ver gedreven specialiseering in de wetenschap, waardoor de ruime blik verloren dreigt te gaan. Tegen schoolsche wijsbegeerte trekt hij te velde: alleen Locke kan genade bij hem vinden.

Al komen in deze latere bundels nog wel pittige, korte uitvallen voor, (zoo b.v. I. 933 en 936: Principes heb ik niet èn Nederland is vol principes),—toch is ’t karakter sterk gewijzigd: rustiger, meer betoogend dan bewerend wordt zijn werk. Zoo geeft hij zeer uitvoerige beschouwingen over bekende, klassieke Hollandsche dichtstukken: Rotgans, Feith, Hooft, Bilderdijk neemt hij kritisch onderhanden. Hij wijst al in de richting van de kritiek van de Nieuwe Gids als hij klaagt dat onze heele letterkunde van den dag namaak is, als hij Rotgans als namaak van namaak veroordeelt, en het bestaan van alle kunstregels loochent, want “de ware artist teekent de Natuur na, zooals die zich aan hèm vertoont. Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door ’t volgen van modellen, als zich voeden met de spijs die ’n ander gegeten heeft. Kunstbesef werkt van binnen naar buiten en niet andersom. Een kunstprodukt dat op andere kunstprodukten gelijkt deugt niet.” (I. 1181.)

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings