← Table of contents
Lord Lister No. 0345

In de handen der bankroovers.

Reading edition

Raffles dacht er nog over na of hij licht zou maken, toen zich plotseling weder een ander geluid liet hooren, ditmaal zeer dicht bij hem, het was als het verschuiven van een zwaar voorwerp, bijvoorbeeld van een kast over een houten vloer.

Terwijl de beide mannen er nog over nadachten wat dit zijn kon, begon de trap, waarop zij stonden, zachtjes te slingeren, en zij moesten zich aan de leuningen vast houden om er niet af te vallen.

„Voor den drommel, wat is dat nu?” fluisterde Charly voor zich heen. „Wat mankeert dat ding? Ik heb een gevoel of ik op de kermis in een reuzenschommel zit!”

Inderdaad, de trap begon hoe langer hoe erger te zwaaien en de beide mannen moesten zich met alle kracht aan de wrakke leuning vastklampen die verdacht kraakte, en die ieder oogenblik scheen te zullen afbreken.

De slingeringen werden voortdurend heviger en de geheele trap scheen nu wel om een scharnier te draaien, dat zich ergens in de bovenste trede moest bevinden.

Maar nu nam deze zonderlinge beweging gaande weg af, en na eenige minuten was de trap tot rust gekomen.

Maar zij liep niet langer in een schuine richting omlaag, neen, zij hing loodrecht naar beneden, en dus waren de bovenkanten der treden niet meer horizontaal maar schuin.

Om er op te kunnen blijven staan, moesten Raffles en Charly zich aan de leuning vasthouden.

Raffles, die onderaan stond, strekte voorzichtig een been uit, en tastte naar de lager gelegen trede.

Zijn voet ontmoette echter geen tegenstand, er was geen trede meer!

Maar evenmin voelde hij den grond!

„Zullen wij niet liever licht maken?” vroeg Charly op fluisterenden toon. „Er is iets niet in orde, dat is zeker! Wat doe je daar toch, Edward?”

„Wat ik doe? Ik zoek naar den bodem!” antwoordde Raffles lakoniek.

„Wat is dat? Rust de trap dan niet op den vloer?”

„Ik kan er tenminste geen vinden. Wij zullen licht maken, wat er ook gebeuren moge!”

Zich met een hand aan de leuning vastklampend, haalde Raffles met de andere zijn zaklantaarn te voorschijn, en drukte op den knop.

Een helder schijnsel verlichtte nu de ruimte, waar de beide mannen zich bevonden.

Het was een groote kelder, met wit gekalkte muren, en ongewoon diep.

Zoldering en vloer waren tenminste zes meter van elkander verwijderd.

De smalle trap, waarop de twee mannen zich bevonden, bleek uit twee deelen te bestaan, het benedenste vast met het bovenste scharnierend.

Op welke wijze de trap zoo eensklaps haar oorspronkelijke gedaante had verloren, viel moeilijk te zeggen, maar het was zeker, dat nu het bovenste stuk loodrecht omlaag hing, en dat de onderste trede zich ongeveer drie meter boven den grond bevond.

En men mocht het tevens voor verzekerd houden, dat dit niet van zelf zoo was gekomen, maar dat de trap door menschenhanden in twee deelen was gebroken!

En toch was er niemand in den kelder te zien.

Een deur was er ook niet, tenminste niet zichtbaar.

„Ik wil gevild worden als ik er iets van begrijp!” mompelde Charly, die zich met handen en voeten aan de loshangende trap vastklemde.

„Ik geloof dat ik het maar al te goed begrijp, Charly,” kwam Raffles. „Men heeft ons gehoord, dat staat als een paal boven water! Maar hoe dan ook, ik heb weinig lust, hier als een rijpe pruim te blijven hangen!”

„Waar wil je dan heen? Weer naar boven?”

„Neen. Wij zijn van boven gekomen en wij moeten verder!”

„Dat is gemakkelijk gezegd, maar wij zijn hier drie meter boven den steenen vloer!”

„Dien afstand kunnen wij bekorten!”

En met die woorden hing Raffles zijn zaklantaarn aan een knoop van zijn jas, hurkte als het ware op de onderste trede, bracht zijn handen zoover mogelijk naar beneden, omvatte stevig de stijlen van de trap, en strekte toen zijn lichaam, zoodat hij nu alleen aan zijn handen hing.

En daarop liet hij zich vallen.

Bijna tegelijker tijd schoof ergens in den kelder een luik of deur weg, en drie mannen stormden binnen, allen gemaskerd, die zich op Raffles wierpen, voor hij weder op de been kon zijn.

De strijd was kort, maar hevig.

Als Raffles op beide voeten had gestaan, had hij misschien wel weg geweten met drie aanvallers, maar nu was hij in de minderheid.

Hij kon een paar malen zijn vuist tegen de kin van een vijand laten neerkomen, maar toen werd hij zelf half verdoofd door een hevigen slag tegen het hoofd, en toen hij zich daarvan hersteld had, waren zijn armen reeds gebonden.

„Red je, Charly!” schreeuwde hij. „Ik beveel het je!”

Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het toch niet hebben kunnen doen.

Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.

Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen neerschieten.

En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer vallen, en werd evenals Raffles overmand.

De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.

Nu bevonden zij zich in een tweeden kelder, maar veel lager en kleiner dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke eikenhouten balken gestut.

Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.

Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal stoelen.

Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.

Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend plan van de tunnel voor hem lag.

Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk glanzende zwarte oogen.

Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde drukker.

De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks beschouwing hij geheel verdiept was.

De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan den zolder hing.

„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de twee vrienden hadden meester gemaakt.

Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.

„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er, geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt, ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”

„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide, toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen! Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der Wolven, en draagt gij den goed gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk wegens uw fonkelenden blik!”

De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de zijde voor Raffles.

Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.

„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds wantrouwend zijn, begrijpt gij?”

„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen op een instelling als de Midland-Bank, dan is men allicht geneigd in iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”

„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen. „Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij! Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”

„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.

„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht!” riep de Lynx sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen! Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”

„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam Raffles hoffelijk.

De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:

„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester, welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”

Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles, die onbewegelijk tegenover hem stond.

„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut zijn.…”

Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging voort:

„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”

„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes. „Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw onbescheiden blikken heb beschermd!”

„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.… Zeg mij eerst eens, waarom gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen, dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”

„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om het begin van uw tunnel te vinden!”

„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen, haar het gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten binnendringen?”

„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam Raffles, steeds even rustig.

„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus bij het goede eind, dat gij.…. John Raffles waart!”

„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.

„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel, hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”

„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”

„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis! Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten, en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te zijn!”

„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”

„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings